Cornelis de Houtman 1597
Hij voer via de Kaap de Goede Hoop naar Java. De Houtman en zijn broer
Frederick werden in 1592 door de Compagnie van Verre naar Lissabon
gestuurd om nieuwe handelsmogelijkheden voor peper te onderzoeken. De
handel, die voornamelijk in Portugese handen was, kwam in de jaren
daarvoor stil te liggen door toedoen van Engelse kapers. De beide broers
werden in Lissabon gevangen gezet wegens “spionage”. Zij hadden nl.
getracht de hand te leggen op de bevindingen van hun landgenoot Huygen
van Linschoten, die in Portugese dienst zeer belangrijke informatie had
vergaard over de route naar Indië en de handel op Azië.
Na te zijn vrijgelaten en te zijn teruggekeerd in Holland vertrok
Cornelis de Houtman op 2 april 1595, tezamen met zijn broer Frederick op
de schepen Mauritius, Hollandia, Amsterdam en de kleinere pinas* Duyfken
op “de Eerste Schipvaert” naar de Indië.
De vloot was samengesteld door de in 1594 door Amsterdamse handelaren
opgerichte “Compagnie van Verre”. De reis was bar en boos, vol honger,
scheurbuik, uitputting en muiterij. Na een lang oponthoud te Madagascar
en ruzie tussen de kapiteins en de kooplui arriveerden de schepen op 6
juni 1596 op de rede van Bantam, de belangrijkste peperhaven op het
westelijk deel van Java. Waarschijnlijk door intriges van de reeds
gevestigde Portugese handelaren en door ontactisch optreden van de
Nederlanders, slaagden ze er niet in om de fel begeerde specerijen in te
kopen. Ze zeilden oostwaarts en vonden het eiland Madura, waar ze
vreedzaam ontvangen werden. Uit angst voor verraad gaf Houtman opdracht
de bevolking aan te vallen, een opdracht die met grote wreedheid werd
uitgevoerd, waarna ze met hun schepen vluchtten.
Cornelis de Houtman werd hierna ontslagen als expeditieleider door een
tegen hem in opstand gekomen scheepsraad. Wegens lekkage en bij gebrek
aan bemanning werd de Amsterdam op 11 januari 1597 bij Bawean
achtergelaten en in brand gestoken. Pas eind februari 1597 lukte het om
wat specerijen te bemachtigen en kort daarna werd de thuisreis door de
drie schepen aanvaard.
Op deze thuisreis werd eerst nog Bali aangedaan, waar de expeditie zeer
gastvrij werd ontvangen. De adelborst Roodenburgh en de kuiper Jacob
Claesz bleven op het eiland achter. De rest van de reis was er een vol
ontberingen, want bij Sint Helena verhinderden de Portugezen, dat de
Hollanders proviand en water konden innemen. Van de 249 zeelieden die
van de rede van Texel waren vertrokken, zouden er slechts 89 terugkeren.
Zij waren te zwak om zelf de Hollandia, Mauritius en de Duyfken af te
meren.
De hele reis werd in een journaal opgetekend door Willem Lodewijcksz. en
hoewel de expeditie een humanitaire ramp was en financieël mogelijk
quite werd gespeeld, vertrokken het jaar daarop zes nieuwe expedities
vanuit Holland naar het tegenwoordige Indonesië. De reis van Cornelis de
Houtman kan beschouwd worden als een aanzet tot de oprichting van de
V.O.C. en de start van de kolonisatie van dit eilandenrijk. |