|
De krijgstogt tegen Bali, in het jaar 1849, Behoort gewis tot de
belangrijkste der overzeesche expeditiën, die in onze Oost-Indische
bezittingen zijn volhragt. Wat den omvang der toerustingen betreft kan
daarmede slechts ver- geleken worden de expeditie waardoor het, in 1811,
den Engelschen gelukte zich van Java meester te maken, In overwonnen
moeijelijkheden, zoowel ten gevolge der hardnek- kigheid van den geboden
tegenstand als naar aanleiding van de vele en velerlei ontberingen en
vermoeijenissen die aan onze troepen moesten worden opgelegd, vindt zij
schaarsch hare wedergade. En evenwel was deze expeditie nog maar zeer
oppervlakkig en zeer onvolkomen bekend en werd zij — wettigt juist
daardoor — zeer uiteenloopend en vaak zeer onregtvaardig beoordeeld. Bit
alles werd mij meer en meer duidelijk toen de omstandigheden , waarin ik
geplaatst was , mij vergunden eene zoo naauwkeurige kennis van haren
loop te erlangen, als slechts weinige in de gelegenheid zijn te bekomen»
liet verhaal tvat ik hiernevens mijne landge- nooten aanbied, zal dan
ook niet alleen bijdraagen om den militairen roem van onzen landaard te
verhoogen en om de studie van de oorlogsvoering in Indië te bevorderen
maar het zal ook gewis eene gaping aanvullen in de krijgsge- sckiedenis
van Nederlandsck Indië. Mogt het eenigen bij- val vinden dan zal ik er
mij te meer over verheugen daar ik tevens getracht heb er het lot van
een aantal ongeluk- kigen door te verzachten.
Utrecht, September 1859.
DE SCHEIJVER.
INLEIDING.
Geographie en topographie van het eiland Bali. — De bevol- king. — De
vorsten. — De godsdienst. — De vorst van Klonkong en zyne verhouding tot
de overige vorsten. — De kampongs of dorpen. — De kratons der vorsten. —
De tem- pels. — De krygsvoering bij de Baliërs. — De popootan of stryd
tot het uiterste. — Verhouding van Bali tot het Neder- landsch Indisch
bestuur. — Het klipregt of tawang karang. — Traktaten met de vorsten van
Bali. — Zij worden niet nage- komen. — De eerste militaire expeditie
naar Bali. — Nieuwe traktaten, die evenmin nagekomen worden. — Eene
tweede militaire expeditie vertrekt. — De goesti Djilantier. — Te-
genspoeden en ongunstigen afloop dier expeditie. — Zij keert onverrigter
zake naar Java terug. — De gouverneur generaal KocHussEN besluit
terstond tot eene derde expeditie , onder bevel van den generaal majoor
Michiels. — Z^ wordt belangrijk krachtiger zamengesteld dan do vorige. —
De stand van zaken op Bali. — De generaal Michiels tevens benoemd tot
gouver - nements kommissaris voor de zaken van Bali. — Zijne instruc-
tie. — Des generaals persoonlijke inzigten over onze verwik- kelingen
met de Baliërs. — Verdedigingswerken op Bali. — De militaire plannen van
den generaal Michiels.
Het eiland Bali, gelegen ten oosten van Java en daarvan slechts door
eene zeer smalle straat gescheiden, wordt gerekend eene oppervlakte te
beslaan van ruim 105 vierkante geographische mijlen. Het heeft de ge-
daante eens driehoeks, waarvan een der zijden naar het noorden is
gekeerd en wordt bespoeld ten westen door Straat Bali, ten zuiden door
de Indische Zee, ten oosten door Straat Lombok en ten noorden door de
Java Zee. Een zware bergketen, waaruit zich, onder meer andere toppen,
die der vulkanen Agoeng, Batoer en Tabanan, tot ver boven de wolken
verheffen, doorloopt het eiland van het oosten naar het westen. De
noordelijke helling dier keten, waarvan de kam zich, in hemelsbreedte,
ruim twee geographische mijlen van het strand zal bevinden, vormt het
rijk van Bleling. Langs zijne zuidelijke heUing treft men de
vorstendommen Tabanan, Mengoei en Gian- jar aan; geheel in den
zuidelijken hoek van het eiland ligt het rijk Badong; op de oostelijke
helling van het gebergte vindt men de rijken Karang Assam'en Klonkong;
op de westelijke het landschap Djembrana, terwijl midden in het eiland,
binnen eenen muur van bergen, het staatje Bangli als verscholen is.
Talrijke ruggen en jukken dalen van het hooge gebergte naar beneden
en strekken zich, vooral naar de oostzijde, soms tot in zee uit. In de
diepe, steile en digtbegroeide ravijnen, waardoor ze gescheiden worden,
bruisschen snel- vlietende stroomen die, in den regentijd, overvloedig
van water voorzien, maar in de oostmoesson, door de aanzien- lijke
helling van hun bed, maar al te spoedig uitgedroogd zijn. Uit
kratermeren — danoe^s — die hoog en diep in het gebergte zijn gelegen,
worden alsdan, door ver- nuftig aangelegde waterleidingen, de
rijstvelden besproeid en de bevolking voor hongersnood behoed.
Drinkwater is er niettemin in die tijden zeldzaam, zoodat zelfs reizi-
gers, die Bali in rustige dagen doorkruisen, soms verpligt zijn dit mede
te voeren.
Wanneer men Bali nadert, ziet men, in de valleijen, die tusschen de
naar zee loopende kleinere bergruggen gelegen zijn, welbebouwde en
welige sawa's zich, van het strand af, terrasgewijze verheffen; naar
mate zij rijzen worden zij smaller en meer en meer afgewisseld, hetzij
door maïs- akkers, hetzij door aanplantingen van katoen en koffij,
hetzij eindelijk door den plantendos, waarmee de onbedwon- gen Indische
natuur het gebergte oorspronkelijk had over- togen. Die plantendos
verkrijgt ten slotte geheel de over- hand en breidt zich uit tot de
toppen der bergen. De kruinen der lagere ruggen, die de rijstvelden van
een schei- den en waarop geen water kan worden gebragt, zijn meestal dor
en schaarsch begroeid.
Bevaarbare rivieren, men zal het reeds begrepen hebben, worden op
Bali schaarsch gevonden en worden althans niet aangetroffen in die
gedeelten waar de krijg werd gevoerd.
De wegen die het eiland doorloopen zouden naar Euro- pesche begrippen
op dien naam geen aanspraak kunnen maken; zoodra men zich eenigzins van
het strand ver- wijdert, zijn het niet meer dan moeijelijke voetpaden,
die zich door het gebergte slingeren en die men slechts man voor man
vermag te betreden. Lastdieren kunnen daarbij slechts met de grootste
moeite volgen en soms blijft het pad in de digte wildernis slechts
herkenbaar voor het geoefende oog van een inlandsch gids.
Worden door het terrein op Bali, aan de oorlogsvoering,
ongeloofelijke hinderpalen in den weg gelegd, niet minder wordt dit
gedaan, door de gesteldheid der kusten, aan de landing van troepen en
aan het veilig vertoeven eener vloot nabij het eiland.
Aan de noordkust bieden de reeden van Teboenkoes, Bleling en Sangsit
wel is waar goede ankerplaatsen aan, maar de schepen zijn er toch
slechts in de goede moesson in zekerheid, en de gemeenschap met den wal
kan dan nog soms zeer moeijelijk zijn.
Op de zuidoostkust, waar de verwikkelingen met Klon- kong en Karang
Assam onze troepen brengen zouden, wordt slechts in de baai van Laboean
Amok eene bekwame anker- plaats voor eene geheele vloot aangetroffen.
Het landen is er echter slechts mogelijk, wanneer de zuidoosten wind
zich niet te sterk doet gevoelen, dus meestal in den vroe- gen morgen.
Na half Junij evenwel tot aan de westmoesson is deze wind de heerschende
en doorgaans vrij krachtig, zoodat geene vloot zich alsdan in de Laboean
Amok baai langer in veiligheid kan achten.
Ten zuiden dezer baai ligt nog eene kleinere, die van eerstgenoemde
slechts door een laag, smal en rotsachtig voorgebergte is gescheiden.
Dit is de baai van Padang Cove, die het geheele jaar veilig, maar zoo
klein is, dat daarin niet meer dan een schip zou kunnen ten anker komen,
wanneer de geringe diepte het vergunde. Die diepte bedraagt slechts 1 è,
1^ vadem en veroorzaakt dat de baai van Padang Cove slechts geschikt is
voor zeer kleine vaartuigen. Willen deze zich van de grootere sche- pen
tot het bewerkstelligen eener landing, uit de baai van Laboean Amok,
naar die van Padang Cove begeven, dan is het hun soms onmogelijk tegen
den zuidoosten wind op te roeijen, wanneer hij slechts eenigzins
krachtig is.
Te Kasoemba, een weinig ten zuidoosten van Padang Cove gelegen, is
het landen in de oostmoesson zoo goed als ondoenlijk. Slechts zeer
kleine visschers praauwen kun- nen daar met moeite van en naar wal gaan.
De Baliërs behooren tot een schoon en krachtig men- schenras. Zij
hebben een open en regelmatig gelaat, zwart haar, donkere, levendige
oogen en eene koperkleurige huid. Hun uiterlijk toont schranderheid aan,
maar vele hunner, vooral die tot de hoogere standen behooren, zijn door
het misbruik van opium en ander zinnelijk genot geheel ontzenuwd. De
Baliërs zijn vrijpostig van aard en achten zich zelf in veel opzigten
zeer hoog, maar zijn niettemin jegens hunne vorsten en gebieders uiterst
gedwee en on- derworpen. Zij ondergaan liever den dood dan ligchame-
lijke kastijding of mishandeling. Eene moedige ziel en eenen
krijgshaftigen aard kunnen hun niet ontzegd wor- den, en zij verdienen
gewis onder de dapperste tegenstan- ders gerekend te worden, die de
Nederlanders in dezen archipel hebben aangetroffen.
De vorsten van Bali zouden van hunne onderdanen niet te onderscheiden
zijn, ware het niet door den diepen eer- bied en gehoorzaamlieid, die
hun door deze wordt betoond. Overigens is bij hen noch beschaving, noch
kennis, noch waardigheid, noch verhevenheid van denkbeelden, in een
woord, niets te vinden van hetgeen waardoor de hoogere standen zich
boven de lagere behooren te verheffen. Hunne geschiedenis is eene
aaneenschakeling van wreedheden en zedeloosheid; hun bestuur en de
invloed der priesters wer- ken ongunstig op de bevolking, die anders
zeer geschikt zou wezen om in rust en vrede een vlijtig en landbou- wend
leven te leiden.
De godsdienst der Baliërs is eene soort van Hindoeïsme; er bestaat
onder hen dus ook eene verdeeling in kasten, waarbij de kaste der
Brahminen of priesters het eerste in aanmerking komt. De vorsten zelven
behooren tot eene lagere kaste, maar dit belet niet, dat de vorst van
Klon- kong het algemeene hoofd van de godsdienst van het ge- heele
eiland is. Als zoodanig voert hij den titel van Dewa Agong Betara en
geniet hij veel aanzien en groote eerbewijzen. Ook in het wereldlijke
wordt hij met den titel van Tjoekoerda, althans in naam, als
oppergebieder van Bali beschouwd. Al de overige vorsten zijn door eenen
eed van getrouwheid aan hem verbonden ; zij raad- plegen hem in alle
belangrijke omstandigheden, roepen hem in hunne onderlinge twisten als
scheidsman in, doch erkennen hem inderdaad niet verder als hunnen
opperheer en gehoorzamen hem ook niet meer dan met hunne belan- gen
strookt. Waar het hunne verhouding met de Neder- landers geldt,
verschuilen zij zich echter gaarne achter zijn gezag om het geven van
beslissende antwoorden te ont- wijken of de zaken te verwarren. Uit dit
alles vloeit echter voort, dat de vorst van Klónkong in faam^en en
invloed verre verheven is boven de andere vorsten van Bali. Alleen de
vorst van het kleine rijkje Bangli beschouwt zich als onafhankelijk van
hem te zijn, en doet hem ook geenen eed van trouw en bondgenootschap.
De kampongs of dorpen der Baliërs zijn vrij regelmatig aangelegd;
meestal zijn zij verdeeld in groote vierkanten, omgeven van steenen
muren ter hoogte van 8 è, 10 voet. In deze vierkanten staan de huizen,
stallen, rijstschuren en pandoppo^s van verschillende gezinnen zonder
orde door elkander. De huizen zijn eveneens uit gebakken steen of
gedroogde klei gebouwd. Zij hebben geene vensters en zijn met
allang-allang, atap- of lontarbladen gedekt. Over het algemeen zijn deze
kampongs sterk bevolkt, er zijn er die ruim 3000 inwoners tellen.
De kratons of woningen der vorsten zijn omringd door verscheidene
pleinen, die binnen muren van 12 è, 15 voe- ten hoogte en van 1^ è, 2
voeten dikte gelegen zijn en waar men slechts door zeer naauwe openingen
binnen treedt. Het inwendige is in vele vierhoeken verdeeld, die met
elkaar in gemeenschap zijn gebragt door deuren, dit slechts aan een
persoon te gelijk toegang verleenen. Op de hoeken dier vierkanten staan
pandoppo^s, waarin de vorst de frissche lucht geniet en zijne wachters
plaatst. In oorlogstijd zijn die kratons zeer geschikt ter verdediging.
Menigvuldig zijn de tempels die men op Bali aantreft, doch zij
onderscheiden zich in geenen deele door pracht. Het zijn meestal
vierkanten van 50 è. 100 voeten zijde, die door eenen vrij hoogen muur
omgeven en inwendig in tweeën verdeeld zijn. Deze beide deelen vormen
eene buiten- en eene binnenplaats. In de eerste vindt men meestal een
paar fraaije waringien boomen , terwijl de tweede, in een aantal kleine
hutten of hokjes, de beelden hunner goden bevat.
Uit het bovenstaande is ligtelijk te begrijpen, dat niet alleen de
dorpen en kratons, maar ook de tempels allezins bekwaam zijn om
hardnekkig te worden verdedigd. lu de dorpen kan elk huis en elk erf
eene afzonderlijke gere- trancheerde positie vormen, en binnen de
kratons en tempels kan men moeijelijk geraken zonder de muren, door
middel van kanon of mijn, te hebben geopend.
Wanneer de vorsten van Bali in eenen oorlog gewik- keld zijn, komen
op hun bevel al de voorname, hun on- dergeschikte, hoofden met de
geheele weerbare bevolking op de been. Elk man is gewapend met eene zeer
lange lans en kris of met een geweer. De lans of het geweer wordt door
den vorst verstrekt. Veldgeschut en ruiterij zijn bij de Baliërs niet
bekend, maar hunne versterkingen zijn altijd rijkelijk met kanons en
lilla's voorzien.
De goesti Djilantiek , rijksbestuurder van Bleling , die in 1848 en
1849 de ziel der verdediging was, had een vrij talrijk en met lansen
gewapend korps scherp- schutters opgerigt. De vuurwapenen der Baliërs
waren overigens nog zeer onvolmaakt en hunne geweren werden meestal door
radsloten met lonten afgeschoten, evenwel waren er ook een aantal
geweren met vuursteensloten van Singapore ingevoerd.
De kunst van versterkingen te maken en daarbij van het terrein op
gepaste wijze partij te trekken verstaan zij uitmuntend. De
borstweringen zijn van aarde, hout of steen en, behalve van schietgaten
voor kanon en lilla^s, ook nog voorzien van eene menigte van bamboezen
kokers om daardoor met klein geweer te vuren. Voor de borst- wering ligt
eene zeer diepe en steile gracht en op de berm, zoowel als op de
buitengrachtsboord, zijn doorgaans digte heggen of paggers van levende
doombamboe ge- plant. Achter de borstweringen maken zij dikwerf stevige
afdaken en daarachter weder gaten, die zij met water vullen; een en
ander is bestemd om zich tegen vertikale vuren te beveiligen, dewijl de
granaten, langs deze daken, in het water of in den modder rollen en zoo,
althans gedeeltelijk, onschadelijk worden gemaakt. De toegangen tot
hunne versterkingen worden altijd met borangs (eene soort van
voetangels) beplant of soms door woKskuilen versperd.
In het open veld zijn de krijgsbenden der Baliërs ge- woonlijk
verdeeld in eene voorhoede, een hoofdkorps met twee vleugels en eene
achterhoede. Hunne bevelhebbers zijn groote voorstanders van omtrekkende
bewegingen en trachten steeds den vijand in den rug of in de flank aan
te grijpen. Deze aanvallen die gewoonlijk geopend wor- den door de
zoogenaamde amokloopers (voorvechters die geheel in het wit gekleed zijn
en hun leven aan de overwinning ten offer brengen) zouden door hunne
woest- heid onwederstaanbaar zijn, zoo zij met orde en zamen- hang
werden gedaan. Tot opening van het gevecht worden ook schutters en
tirailleur gezonden; de piekeniers blijven alsdan in geslotene orde,
onder de aanvoering hunner hoofden, buiten het schot der vuurwapenen,
het tijdstip tot den aanval afwachten. Wanneer dit oogenblik door de
tirailleurs voorbereid is, marcheren de piekeniers voor- uit, en de
tirailleurs treden door de tusschenruimten terug. De aanvallende massa
heeft geheel het aanzien eener Griek- sche phalanks. Blijft de
tegenpartij staan, dan volgt er een bloedig gevecht. In hunne onderlinge
oorlogen ge- schiedt dit evenwel zeldzaam en maar alleen wanneer de
terugtogt is afgesneden. Gewoonlijk wijkt een der par- tijen na het
tirailleurgevecht, of de overwinning wordt beslist door eene
overvleugeling welke de aangevallene nimmer weerstaat.
De vorsten voeren tot onderscheidingsteekens twee groote payongs, die
onder de benaming van payong agong be- kend zijn; de voornaamste
goesties of prinsen hebben insgelijks ieder een dergelijken payong. Zij
blijven daar- onder evenwel gedurende het gevecht niet staan, maar
bezigen ze slechts om de standplaatsen der verschillende korpsen aan te
duiden.
In den regel zijn de vorsten slechts aanschouwers en bestuurders van
het gevecht, maar in geval van verras- sing nemen zij daaraan deel en
alsdan met volharding; zoo zij eenmaal handgemeen zijn geworden is het
vlugten voor de hoofden onteerend. De Baliërs zijn dapper, maar even als
alle oostersche volken, bewaken zij zich te velde zorgeloos, weten zich
niet voor overrompeling te bewaren en laten zich dan door eenen
panischen schrik bevangen. De moedigste onder de Baliërs zijn die van
Bangli en na hen die van Karang Assam en Bleling. Hunne hoofden zijn zij
in het gevecht zeer getrouw; zoo lang die staan zal geen Baliër wijken
en honderde malen is het geschied, dat zij hun leven ten offer bragten,
om dat hunner hoofden te redden of den terugtogt van deze te beveiligen.
Hoewel óok de gewone aanval met de piek amok ge- naamd wordt is er
niettemin onder de Baliërs nog eene andere soort van amok die geheel en
bij uitsluiting aan hunne natie eigen is; zij noemen die popootan. Deze
is een wanhopige doodelijke strijd. Indien de hoofden den popootan
willen strijden, kleeden zij zich geheel in het wit ; zij snijden de
schacht hunner lansen voor een gedeelte af, om die beter te kunnen han-
teren, en na hunne vrouwen en kinderen van het leven te hebben beroofd,
loopen zij woedend op den vijand in. Indien zij de zege, in weerwil
hunner wanhopige dap- perheid, niet behalen, dan sterven zij, maar laten
hunnen vijand de overwinning duur betalen. Is de vorst bemind dan wordt
hij gewoonlijk bij dusdanige popootan door 250 è. 300 man gevolgd, die
alle tot den laatsten adem vechten.
De kleeding der krijgslieden is een rood vest zonder mouwen. Een lang
wit kleed, dat tot de knieën of daar beneden reikt, is in het algemeen
het bewijs dat men het voornemen heeft tot het uiterste te vechten.
Hoezeer Bali gelegen is in de onmiddelijke nabijheid van Java, de
hoofdzetel onzer magt in Indië, zoo had het Nederlandsche bestuur zich,
tot nog toe, zeer weinig aan dat eiland laten gelegen liggen, en zich
nog hoe- genaamd niet bemoeid met zijne inwendige zaken. Waren de
inwoners minder barbaarsch geweest, en hadden de vor- sten hunne landen
op eene beschaafder wijze geregeerd en steeds regt en billijkheid
betracht, zoowel jegens vreemden als jegens landzaten, dan ware Bali
misschien immer onaf- hankelijk gebleven. Dit was echter geenszins het
geval; men had gegronde redenen om te gelooven dat zeeroovers vaar-
tuigen er eene veilige schuilplaats vonden; men wist dat de slavenhandel
er vrij openlijk werd gedreven en men was meer en meer tot de ervaring
gekomen dat er nog bestendig een zoogenaamd regt werd uitgeoefend, dat
niet alleen ge- heel in strijd was met onze belangen, maar ook met al
onze begrippen van zedelijkheid en beschaving. Dit regt was het
zoogenaamde tawang karang of klipregt en bestond in het berooven en
plunderen der op hunne kusten ge- strande vaartuigen, waarbij de
bemanningen nog boven- dien aan grove mishandeling waren blootgesteld.
Door. de felle stroom in de straten Bali en Lombok, zoowel als door de
hevige branding die, naarmate van het jaargetijde, dan eens op de
noordkust en dan eens op de zuidkust staat, waren de Baliërs maar al te
vaak in de gelegen- heid om dit onmenschelijke gebruik toe te passen.
Hun overmoed begon in deze zelfs zóó ver te gaan dat in 1841 het
Nederlandsche koopvaardij schip Overijssel aan hunne hebzucht en
wreedheid ten prooi werd.
Het vereischt geen betoog, dat dergelijke handelingen niet konden
worden geduld. Geenszins genegen zijnde van Bali een wingewest te maken,
poogde de Nederlandsch Indische regering aanvankelijk, de daar
heerschende vor- sten door redenering en overtuiging tot betere inzigten
te brengen. Zij zond in 1841 eenen gevölmagtigde tot hen, die in
onderscheidene met hen gesloten verdragen verwierf, dat zij de
opperheerschappij van den koning der Nederlanden erkenden en de belofte
deden van het klip- regt niet meer te zullen uitoefenen, den handel te
zullen beschermen, de zeerooverij zoowel als den slavenhandel te zullen
tegengaan, en alle drie jaren een gezantschap naar Batavia te zullen
zenden om hulde te doen aan den gouverneur generaal.
Deze verdragen werden echter in geen enkel opzigt nagekomen en de
pogingen die de Nederlandsch Indische regering vervolgens aanwendde om
de vorsten van Bali daartoe over te halen, werden zoo hoogst oneerbiedig
be- antwoord, dat zij wel verpligt was naar de wapenen te grijpen. Het
waren vooral de vorsten van Bleling en Karang Assam, die zich haar
billijk ongenoegen hadden op den hals gehaald en het was dan ook tegen
deze, dat in 1846 de militaire expeditie werd gerigt, die onder den naam
van eerste Balische expeditie is bekend gewor- den (1).
De landmagt, sterk 1700 koppen, waarbij 400 Europea- nen, 700
Inlanders, 100 Afrikanen en 500 man Madu- resche hulptroepen, werd
aangevoerd door den Luitenant- Kolonel Bakker, Een voldoende zeemagt
die, des gevorderd nog een vrij sterk landingskorps kon aan wal zetten,
stond onder de bevelen van den schout bij nacht van den Bosch en was,
met de ingehuurde transportschepen, be- stemd zoo wel om de landtroepen
over te brengen als om de krijgsverrigtingen te ondersteunen.
De vloot ankerde voor Bleling in het rijkje van den- zelfden naam.
Den 24 Junij werd den radja een ulti- matum aangeboden, waarbij van hem
geëischt werd de hernieuwing van de vroeger met hem gesloten overeen-
komsten.
Bovendien werd van hem gevorderd de gedeeltelijke betaling der
gemaakte oorlogskosten, die des noods eerst binnen eenige jaren
behoefden te worden voldaan, gedu- rende welke alsdan, voor zijne
rekening, eene bezetting in zijn rijk zou achterblijven.
Men liet hem eenen bedenktijd van driemaal 24 uren en toen na verloop
daarvan geen voldoend antwoord was ontvangen, werden de troepen
ontscheept en tot den aanval overgegaan.
De kampong Bleling was versterkt en kon door de onzen niet dan na
eenen hardnekkigen tegenstand genomen worden. De nederlaag hier geleden,
scheen evenwel des vijands moed te hebben doen zinken, althans bij den
aan- val op Singa radja, hoofdplaats van Bleling, was de tegen- stand
vrij wat minder krachtig, zoodat het aan de onze gelukte zoowel de
kampong als den vorstelijken kraton op den 29 Junij zonder eenig verlies
meester te worden. Beiden werden aan de vlammen prijs gegeven.
De radja van Bleling begreep thans, dat zijne middelen van
verdediging hem in geenen deele veroorloofden onze magt te trotseren en
voldoening te blijven weigeren aan onze regtmatige vorderingen. De
tuchtiging door hem ondergaan maakte bovendien zoodanig eenen indruk op
den vorst van Karang Assam', dat de eene zoowel als de andere zich aan
onze eischen onderwierp.
De vrede werd hun toegestaan onder de voorwaarden hierboven genoemd,
waarbij nog gevoegd werd de verplig- ting van, binnen drie maanden, al
de versterkingen te slechten die zij in hunne rijken tegen de
Nederlanders hadden opgeworpen en geene nieuwe daar te stellen. Drie
vierde gedeelten der gemaakte oorlogskosten werden voorts voor rekening
van Bleling en het overige vierde gedeelte voor rekening van Karang
Assam gebragt.
Op den 6 Julij 1846 werden de traktaten gesloten, waarin dit alles
werd vastgesteld en geregeld. Te Bleling werd eene redoute gebouwd en
eene Nederlandsche bezet- ting daarin achter gelaten.
Het bleek echter reeds spoedig, dat de vorsten van Bleling en Karang
Assam de geslotene verdragen als niets anders beschouwden, dan als
middelen, om het gevaar wat hun boven het hoofd hing en gedeeltelijk
reeds had ge- troffen, af te wenden, en tijd te winnen om zich tot een
krachtiger verzet voor te bereiden. Naauwelijks had onze expeditionnaire
krijgsmagt het eiland verlaten, of aan de bevolking werd, zelfs onder
doodstraf, het houden van alle gemeenschap met de achtergebleven
bezetting verboden. Men hoopte alzoo den terugkeer naar Java door gebrek
aan levensbehoeften noodzakelijk te maken. Aan de beta- ling der
oorlogslasten werd geen gevolg gegeven; vlugte- lingen uit de bezetting
van Bleling en veroordeelden, die den arm der geregtigheid ontkomen
waren, werden aUer- wege opgenomen en geduld; het plunderen van
gestrande schepen en het mishandelen der schipbreukelingen einde- lijk ,
bleef plaats grijpen even als weleer.
Op nieuw poogde het Nederlandsch Indisch bestuur nu den weg der
overreding te betreden, maar deze langmoe- digheid werd blijkbaar
beschouwd als gebrek aan veerkracht en had slechts ten gevolge, dat onze
billijke grieven er door werden vermeerderd. De overmoed der Balische
vor- sten nam zoodanig toe, dat zij de vertegenwoordigers onzer regering
op eene önvoegzame wijze ontvingen of afwezen, terwijl hunne brieven
niets behelsden dan uitvlugten of verzekeringen, die geheel in strijd
waren met hunne open- lijke daden.
Het waren niet alleen de radja^s van Bleling en Karang Assam, die
voort bleven gaan met ons gezag te minach- ten en onze regering te
hoonen, ook de vorst van Klon- kong had ons gewigtige redenen van
ontevredenheid ge- geven. Ook met hem waren traktaten gesloten van den-
zelfden inhoud als die welke met de overige vorsten van Bali waren
aangegaan, en hij had nog bovendien, als we- reldlijk en geestelijk
gebieder over Bali, het oppergezag van den koning der Nederlanden over
dit geheele eiland erkend, hij had zich verder persoonlijk
verantwoordelijk gesteld voor de opvolging der aangegane verbindtenissen
in de landen van Klonkong, Gianjar en Mengoei. Het is aan geen den
minsten twijfel onderhevig, dat hij, door den grooten invloed, dien hij,
in zijne dubbele waar- digheid van Dewa Agong Betaxa en Tjoekoerda, op
al de overige vorsten van Bali uitoefent, het volkomen in zijne magt
had, de gerezen geschillen op eene vreedzame en zoo wel voor ons, als
voor de menschheid in het alge- meen, bevredigende wijze te doen
beslechten. Het stond geheel aan hem om zijne landgenooten eenen
duurzamen vrede en al de voordeden van eenen eerlijk gedreven en
winstgevenden koophandel te doen genieten, maar in zijne hoogmoedige
bekrompenheid verkoos hij eenen onvrucht- baren strandroof en den
oorlog, die daarvan een onvermij- delijk gevolg moest wezen, boven de
zegeningen, die hem en zijn volk zoo gemakkelijk hadden kunnen
deelachtig worden. Hij wendde zijnen invloed niet aan om de afval- lige
vorsten tot gehoorzaamheid te bewegen jegens den gouverneur generaal,
die als vertegenwoordiger des ko- nings hunnen wettigen gebieder was,
maar misbruikte dien invloed daarentegen, om de zaken meer en meer te
ver- wikkelen. Hij zelf gaf steeds ontwijkende of onware ant- woorden;
hij onthield aan den afgezondene van den Ne- derlandschen opperlandvoogd
de eerbewijzingen, die hem verschuldigd waren; hij zond evenmin als de
vorsten van Bleling en Karang Assam een gezantschap naar Batavia; hij
liet niet alleen, gelijk zij, den strandroof toe, maar gaf ook evenzeer
schuilplaats aan deserteurs en gevlugte boosdoeners. Het werd in een
woord meer en meer dui- delijk en klaar, dat bij de drie opgenoemde
Balische vor- sten het stellige voornemen bestond, om geen enkel punt
der gemaakte overeenkomsten na te leven. Het bleek bo- vendien uit alle
berigten, dat de bevolking op het eiland alom tegen de Nederlanders werd
opgehitst, dat van alle zijden kruid en lood, zoo mede vuurwapenen
gehaald of op Bali zelf vervaardigd werden; dat de stranden en de toe-
gangen, naar de hoofdplaatsen binnen ^slands, versterkt werden en dat
ten slotte de spoedige onderwerping van het jaar 1846 in geenen deele
een gevolg was geweest van het besef, dat men slechts toegaf aan
regtmatige vor- deringen, maar enkel en alleen van het onvoldoende der
toenmalige middelen van verdediging.
Het opvatten der wapenen werd dus andermaal eene onvermijdelijke
noodzakelijkheid voor het Nederlandsch Indisch bestuur; men kon het
openlijk honen van ons aanzien in het onverborgen schenden der gesloten
trak- taten niet langer dulden en men zag zich wel verpligt de
veiligheid der zee en de bescherming van onge— lukkige schipbreukelingen
met geweld te vorderen, toen die door overreding en overtuiging niet
waren te ver-* krijgen.
In Maart 1848 werd tot een tweeden krijgstogt tegen de vorsten van
Bali besloten (1). Daar onze betrekkin- gen met hen evenwel nog slechts
van korten duur waren geweest, werd hun eene laatste gelegenheid
aangeboden om tot inkeer te komen. Men zond aan de vorsten van Klonkong,
Karang Assam en Bleling manifesten, die het ultimatum der Nederlandsch
Indische regering bevatten. Deze manifesten hielden, voor ieder der drie
genoemde vorsten, den eisch in tot het uitleveren der Nederland- sche
deserteurs en gevlugte boosdoeners en tot het zenden, binnen veertien
dagen, naar Batavia van een gezantschap, bestaande uit aanzienlijke
personen, die den gouverneur generaal namens hunne radja^s vergiffenis
vragen en be- tuigen moesten, dat deze zich in alles aan zijne genade en
grootmoedigheid onderwierpen.
Van de vorsten van Klonkong en Bleling werd voorts schadevergoeding
gevorderd voor schepen, die op hunne kusten gestrand en daar weder
uitgeplunderd waren ge- worden. Die van Bleling en Karang Assam moesten,
bin- nen eenen bepaalden tijd, een gedeelte voldoen der sommen die zij
in 1846, wegens door ons gemaakte oorlogskosten, hadden aangenomen te
betalen , of wel in de plaats daarvan ieder eene aangeduide landstreek
volkomen aan de Ne- derlanders afstaan. Wijders werd van den radja van
Ble- ling nog geëischt het onmiddelijk slechten van alle ver- sterkingen
die vóór en na den oorlog van 1846 in zijn rijk tegen de Nederlanders
waren opgeworpen en hem de verpligting opgelegd aan ons uit te leveren
den goesti Djilantiek, zijn oom en rijksbestuurder, dewijl deze zich
door vijandelijke gezindheid jegens ons bijzonder had on- derscheiden.
Elk dezer drie manifesten eindigde met de verklaring dat, ingeval
binnen veertien dagen, nadat den inhoud daarvan ter kennis zou zijn
gekomen van den vorst aan wien het gerigt was , niet aan de gestelde
voorwaarden mogt zijn voldaan, de vijandelijkheden eenen aanvang zou-
den nemen, hunne rijken door de Nederlandsche krijgsmagt zouden worden
bezet en zij, radja's, worden beschouwd, onherstelbaar vervallen te zijn
als vorsten van het door hen bezeten rijk, dat alsdan toekomstig zou
worden be- stuurd zoodanig, als de gouverneur generaal, in het be- lang
der bevolking en tot waarborg van rust, orde en welvaart, zou vermeenen
te behooren.
Men kan niet ontkennen, dat deze eischen veel in zich hielden, wat
den vijand aanleiding moest geven om liever het uiterste te wagen, dan
zich ddaraan te onderwerpen. Het betalen van groote sonmien in eens,
hetzij dan in geld of in geldswaarden, dit kon niet zoo geheel onbe-
kend zijn, gaat bij Indische vorsten steeds met onoverko- meUjke
bezwaren verzeld. Evenmin als hunne onderdanen denken zij ooit aan de
toekomst; wat zij bezitten wordt door hen verteerd, en zoo gewoon als
het verschijnsel is, hen met schulden overladen te zien , zoo zeldzaam
zou het wezen wanneer een hunner iets dergelijks bezat, als hetgeen wij
eene gevulde schatkist noemen. Een beroep op het volk, het uitschrijven
van belastingen, gelijk men in Europa zou zeggen, kan hen, in
moeijelijke oogenblikken, weinig baten, dewijl het volk, in landen waar
nog zoo weinig veiligheid van personen en eigendonmien bestaat, en waar
nog zoo veel kinderlijke zorgeloosheid heerscht, als hier, ook niets
meer bezit dan het voor den oogenblik behoeft.
De eisch tot uitlevering van den goesti Djilantiek was misschien nog
de meest gewaagde van alle. Deze goesti stond onder zijne landgenooten
bekend als een man vol geestkracht, beleid en liefde voor zijnen
geboorte- grond. Men verhaalt dat in een der bijeenkomsten, tus- schen
den Nederlandschen kommissaris en den vorst van Bleling, deze laatste
door den eersten herinnerd zijnde, dat hij zijn rijk slechts regeerde
onder de opperheer- schappij van den gouverneur generaal en aan deze
hulde verschuldigd was, goesti D/ilantiek met fierheid en waar- digheid
zoude hebben uitgeroepen: ,/Zoo lang ik leef, zal dit nimmer geschieden
!^^ De latere gebeurtenissen hebben geleerd dat deze woorden in zijnen
mond geene ijdele grootspraak waren.
Door hem werden de toegangen tot het binnenland op eene geduchte
wijze versterkt, wapens vervaardigd en allerlei oorlogsbehoeften
gekocht. Het volk was gewoon in hem de ziel en het leven te zien, van
alle hande- lingen tegen de Europeanen. De Baliërs hadden boven- dien
nog volstrekt geen besef van onze meer beschaafde zeden en gebruiken;
men kon dus begrijpen dat zij het lot wat Djilantiek in onze handen te
wachten had, zou- den afmeten, naar hetgeen zij zelf zouden beslissen
over eenen aan hen uitgeleverden tegenstander. Dit lot zou bij hen de
dood zijn geweest en zij moesten dus Dji- lantiek wel aan een wis
verderf prijs gegeven wanen, wanneer hij zich eenmaal onder ons zou
bevinden, en dit in weerwil der geruststellende verzekeringen die
dienaan- gaande in het manifest voorkwamen.
Eene weigering was dus te wachten en de ijver, voor de zaak des
lands, moest daarna bij den goesti nog ver- hoogd worden door het besef,
dat bij eene nederlaag zijne eigene veiligheid op het spel stond. Een
dergelijke eisch had reeds in vroeger jaren de hardnekkige verdediging
van Bondjol ten gevolge gehad, en onze geschiedenis in Indië vloeit over
van bewijzen, dat inlandsche hoofden, die zich eenmaal het ongenoegen
der Nederlanders hebben op den hals gehaald, steeds weigerachtig blijven
zich in onze magt te begeven, dewijl zij, in weerwil van al onze
verzekeringen, daar hun leven in gevaar achten.
Tntusschen mag niet worden voorbij gezien, dat men te Batavia
destijds meende dat de nog onbeschaafde Baliërs, in 1846, de kracht
onzer wapenen nog niet voldoende hadden gevoeld en dus, van eene
gestrengere tuchtiging, de beste uitkomsten te wachten waren. De
juistheid van dit begrip is door de gebeurtenissen van 1849 overtui-
gend gebleken. In 1848 vergistte men zich echter in het begrooten der
strijdmiddelen die tot het bereiken van het doel zouden gevorderd
worden. Doch men verkeerde nu eenmaal in het stellige bewustzijn dat de
magt, waarmede de generaal Jhr. van der Wyck uittrekken zou, meer dan
voldoende was en het is niet onwaarschijnlijk, dat op grond hiervan, de
manifesten opzettelijk zoo werden ge- steld dat eene tuchtiging met de
wapenen onvermijdelijk moest volgen.
De drie genoemde manifesten werden ter hand gesteld aan den
konmiandant der oorlogsvaartuigen, gestationeerd in de wateren van Bali,
die ze aan de betrokken vorsten moest doen geworden. Zoodra hij zich van
die taak gekweten had, moest hij zijne schepen zoodanig verdee- len, dat
hij, onmiddelijk nadat de veertien dagen die als bedenktijd waren
gegeven, zouden zijn verloopen, en hij geen voldoend antwoord op de
manifesten mogt hebben bekomen, eenen aanvang kon maken met het in
werking brengen der bepaalde dwangmaatregelen. De2e bestonden daarin,
dat alle vijandelijke schepen in beslag genomen en opgebragt, alle
aanvoeren voor den vijand belet, zijne versterkingen, voor zooveel die
onder bereik van het kanon lagen, nedergeschoten en het oprigten van
nieuwe verhinderd zou worden; dat men voorts alle ver- zamelingen of
voorbij marschen van vijandelijke troepen uit elkander drijven en in het
algemeen geweld met ge- weld te keer gaan en bestraffen zou. De
weerlooze be- volking overigens zou in hare personen en eigendommen
gespaard blijven.
De manifesten bleven, zoo als te verwachten was, zonder eenige
uitwerking. Het moet gewis als een verzuim aan- gemerkt worden, dat men
niet onmiddelijk na het ver- strijken van den verleenden bedenktijd is
overgegaan tot het landen en krachtdadig aanvallen der Baliërs, gelijk
door den generaal majoor Jhr. van der Wyck, komman- dant der daartoe
bestemde troepen, was voorgesteld. Thans werd den vijand twee en eene
halve maand tijd gegeven, om zich meer en meer te versterken en tot den
oorlog voor te bereiden. Intusschen vergenoegde men zich met eene
maritime demonstratie, die geenszins haar volle nut kon stichten, daar
zij niet met toereikende middelen kon worden volbragt.
Het vertrek eener tweede expeditie naar Bali werd dan ook meer en
meer noodzakelijk en zij werd zoo krachtig zamengesteld, dat men de
gegronde hoop meende te mo- gen voeden, thans tot eene afdoende
vereffening onzer geschillen met de vorsten van Bali te zullen geraken.
Zij stond, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, onder de bevelen van
den generaal majoor Jhr. van der Wyck en was sterk 870 Europeanen, 119
Afrikanen, 385 inlan- ders en dus te zamen 2265 hoofden. Hieronder waren
27 man ruiterij, de bediening van twee bergbatterijen en 92 man
genietroepen.
De zeemagt, onder de bevelen van den kapitein luitenant Sterk,
bestond uit vier stoomschepen en vijf schoener- brikken of brikken, te
zamen voerende 740 koppen en 72 stukken geschut. Daaraan waren nog
toegevoegd 9 kruisbooten en de noodige koopvaarders tot transport der
troepen.
Deze geheele vloot was in den maand van den 6 Junij 1848 op de reede
van Boenkoelan nabij Sangsit vereenigd. Den 7 en 8 werden de troepen
ontscheept en maakten zij zich, niet zonder tegenstand, meester van de
kampongs Timor Sangsit en Boenkoelan. Den 9 rukten zij op naar
Djagaraga, eene stelling die ongeveer drie palen van Boen- koelan
gelegen is; zij sluit den toegang naar het binnenland en was door den
vijand met alle mogelijke zorgen en op eene ongeloofelijke wijze
versterkt en met al zijne strijd- krachten bezet geworden. Hier had een
gevecht plaats zóó hardnekkig en zóó roemrijk als er slechts weinig in
de jaarboeken der Indische krijgsgeschiedenis zijn vermeld ; doch de
vijand had een al te goed gebruik gemaakt van de middelen, die kunst en
natuur hem aan de hand gaven. Djagaraga was duchtig versterkt en bestond
uit een stelsel van hechte redouten met zware profil, die door borst-
weringen, met diepe en steile grachten, aan elkaar ver- bonden waren.
Het geheel vormde eene aaneengeschakelde linie, wier vleugels aan diepe
ravijnen paalden en bij wier aanleg, op de schranderste wijze, van het
terrein was partij getrokken. De bezetting spreidde bovendien eenen moed
en eene volharding ten toon, die maar zelden bij Indi- sche vijanden
wordt aangetroffen en die voortdurend werd gestijfd en verlevendigd door
talrijke versche benden, die men aanhoudend van het gebergte naar haar
toe zag stroomen. De strijd had reeds meer dan drie uren ge- duurd en
nog waren de onzen slechts meester van eene enkele redoute. Een^
versterkten tempel, die reeds door hen genomen was, hadden zij weder
moeten ontruimen. Tegen eene andere redoute waren, zonder dat men haar
had kunnen bemagtigen, door de artillerie 150 kogels en 84 kartetsen uit
kanons, 42 grenaten en 22 kar- tetsen uit houwitzers h ll duim, en 128
grenaten uit mortieren van 11 duim geschoten en geworpen.
De infanterie had per man 50 schoten gedaan; er begon gebrek aan
munitie te heerschen, maar de afstand waarop die gehaald moest worden
was zóó groot en de daartoe beschikbare middelen waren zóó gering, dat
op eenen tijdigen aanvoer niet kon gerekend worden. Het getal der dooden
bedroeg reeds 5 officieren en 74 sol- daten en dat der gewonden 7
officieren en 98 soldaten. Onze krijgslieden waren doodelijk vermoeid en
de generaal VAN DER Wyck had er reeds toe moeten overgaan, om zijne
laatste versche troepen in het gevecht te brengen. Bij dit alles nam de
moed en de geestdrift des vijands zigtbaar toe; hij begon de rol van
verdediger reeds met die van aanvaller te verwisselen en verliet zijne
linien om onze troepen in het open veld aan te tasten.
Het oogenblik om het gevecht af te breken was dus meer dan gekomen.
De dapperheid der onzen, die op de- zen dag zoo glansrijk had
uitgeblonken, was onvermogend tegen versterkingen en tegen eene overmagt
als die welke men hier voor zich had. Tot zijne grievende spijt zag de
generaal van der Wyck zich verpligt den terugtogt naar het strand aan te
nemen.
Aanvankelijk was hij er op bedacht geweest om de geno- men redoute
krachtig bezet te houden, zijne troepen slechts eene achterwaartsche
stelling te doen aannemen, hun daar eenige rust te geven en den
volgenden morgen den aanval te hervatten. Indien dit had kunnen
geschieden zou het vermoedelijk tot goede uitkomsten hebben geleid, maar
op deze barre hoogten was geen water noch middel om het in de nabijheid
te bekomen; de gemeenschap met de redoute lag niet dan onder het vuur
des vijands, bijna zelfs niet dan onder de spitsen zijner lansen kunnen
geschieden; de troepen, die der bezetting hadden moeten versterken, zou-
den haar niet zonder nieuwe en zware offers hebben bereikt en de aanvoer
van munitie, levensmiddelen en water zou onmogelijk geweest zijn. Het
gering aantal koelies — slechts 500 waren er aan de expeditie toegevoegd
— was bovendien geprest tot het weg voeren der gewonden en an dere
onvermijdelijke diensten en het zou lang geduurd hebben, eer men ze
weder had herzameld. De bezetting der redoute zou dus zoo goed als
geblokkeerd zijn geweest en van dit voornemen moest derhalve worden
afgezien.
In positie blijven, de aankomst van nieuwen voorraad van munitie
afwachten en nog denzelfden dag het gevecht hervatten en voortzetten was
evenmin mogelijk. De ver- moeijenis der troepen veroorloofde niet nieuwe
inspannin- gen van hen te vorderen. Door het verlies, aan gesneu-
velden, gewonden en de begeleiders dezer laatsten, waren de gelederen
bovendienzeer gedund. De vijand daarente- gen ontvng telkens nieuwe
aanvoer van versche troepen en zijnen moed klom, gelijk reeds aangemerkt
is, voortdurend. De terugtogt naar het strand was dus het eenige wat
over bleef, en deze greep ordelijk, van stelling tot stelling, zonder
belangrjk verlies plaats.
Men had op den 9 Junij de overtuiging opgedaan ^ dat de verovering
van Bali geenszins eene gemakkelijke taak was. Er heerschtc onder de
Baliërs meer nationali- teit en meer eensgezindheid dan men had
verondersteld. Het bleek ook, dat de afwezigheid van verdedigingswerken
aan het strand, geenszins het gevolg was van een verzuim, maar veeleer
van een door den vijand aangenomen en zeer beredeneerd stelsel van
concentratie der verdediging in de binnenlanden. Men kon dus ook
aannemen, dat nabij de nog verder van het strand verwijderde hoofdzetels
der rijken van Klonkong en Karang Assam, niet minder hechte en goed
verdedigde versterkingen, zouden worden aangetroffen. Dat de linien van
Djagaraga niet anders dan door eenen geregelden aanval konden genomen
worden, was thans boven allen twijfel verheven, maar hiertoe waren de
mid- delen niet in voldoende mate voorhanden. Het haperde vooral aan
koelies of lastdieren om al het materieel, dat tot het bedwingen der
versterkingen noodig zoude zijn, op het plateau van Djagaraga aan te
voeren , werwaarts daaren- boven niet alleen een rijken voorraad van
levensmiddelen, maar ook nog water had moeten naar boven gebragt. De
transportmiddelen die noodig zouden geweest zijn, om hierin te voorzien
, overtroffen verre hetgeen beschikbaar was.
Met het nemen van Djagaraga ware bovendien de taak niet volbragt
geweest, die aan onze troepen ware opge- dragen geworden. Ook de rijken
van Klonkong en Ka- rang Assam moesten veroverd worden, en daar zou men
dezelfde, zoo niet grootere moeijelijklicden te overwinnen hebben gehad.
Het zou dus noodig zijn geweest, vooraf aanvulling van troepen ,
materieel en andere krijgsbehoefteu van Java te doen komen , en dan nog
zou het ten einde brengen van den oorlog meer tijd gekost hebben, dan
men daarvan met het oog op. den toemaligen politieken toestand van
Europa, meende te mogen besteden. De bevelvoerende generaal nam derhalve
het besluit de krijgs- verrigtingen geheel te staken, van den stand der
dingen berigt te geven aan den gouverneur generaal en, op de reede van
Boenkoelan , diens nadere bevelen af te wachten.
Het antwoord van den gouverneur generaal werd den 19 Junij ontvangen
en hield in, dat de gevraagde ver- sterking van twee bataillons
infanterie en duizend koelies niet konde worden gegeven, dewijl er te
veel tijd zou gevorderd worden om een en ander te verzamelen en zijne
bestemming te doen bereiken, gedurende welken men niet werkeloos konde
blijven en het niet geraden was om in den onzekeren toestand, waarin de
staatkunde van Europa ons plaatste, mitsgaders te midden der
verwikkelingen, die ontstaan waren tusscheu' de hoven van Soerakarta en
Djokjokarta, het midden van Java van troepen te ont- blooten.
Ofschoon de gouverneur generaal zich onthield van be- paalde bevelen
te geven over de verdere operatien, zoo gaf hij niettemin in overweging
eene landing in de baai van Padang Cove en eene tuchtiging van Klonkong,
met verlating der plannen die weleer, tegen Karang Assam> waren beraamd.
Hij wenschte echter dat daartoe niet werd overgegaan, dan nadat de
opperbevelhebber, over dit gewigtig onderwerp, had geraadpleegd met de
gezamen- lijke hoofd-officieren, in eenen krijgsraad vergaderd. Be-
houdens dit, wenschte de gouverneur generaal dat de troe- pen zoo
spoedig mogelijk naar Java terug keerden en dat, ingeval de
bevelvoerende generaal de expeditie mogt kun- nen verlaten, hij zich
naar de hoofdplaats begaf waar Z. Exc. met hem de middelen wilde
beramen, die tot versterking vau het leger en de verdediging van Java
dienden te worden genomen.
Men ziet dat de veerkracht, die het Indisch gouverne- ment met
betrekking tot de tweede Balische expeditie ten toon spreidde, niet
weinig werd verlamd door de vrees voor eenen aanval op Java. Toegegeven
dat men in de gebeurtenissen der maand Februarij aanleiding vond, om
eenen algemeenen oorlog te verwachten, dat is, eenen oorlog tusschen het
republikeinsche en het monarchale beginsel, dan zouden wij Nederlanders,
naar den toen- maligen stand van zaken, de Franschen tegenover ons gehad
hebben, wier zaak het niet was, ons in Java met eene expeditie te komen
verontrusten. De latere voor- vallen lieten niet vermoeden dat de rust
in Europa spoedig hersteld zou wezen; maar zij moesten de vrees voor
eenen algemeenen oorlog en vooral voor eenen oorlog van Ne- derland met
eene zeemogendheid allezins temperen (1). De inzigten die men destijds
in Indië schijnt gehad te heb- ben, aangaande de politieke toestand in
Europa en zijne mogelijke gevolgen, vloeiden echter voort uit officiële
me- dedeelingen die van het opperbestuur in Nederland ont- vangen waren;
zij moeten derhalve voor rekening komen der staatslieden, die destijds
aldaar aan het roer zaten, en wel verre van den aanvoerder der tweede
Balische expe- ditie te laken, dewijl hij zich daarnaar gevoegd heeft,
moet men de gematigdheid prijzen, die hem eigen roem deed vergeten om,
gelijk hij meende, Java ter hulp te komen.
De minderheid toch, van den krijgsraad, die op verlangen van den
gouverneur generaal werd belegd, hoezeer onge- negen zijne stem te geven
tot operatien tegen Klonkong, wilde er wel toe zien overgaan om den
aanval op Dja- garaga te hervatten. Zij meende dat die hernieuwde aan-
val allezins kans van slagen zou hebben, dewijl men nu meer en beter met
de vijandelijke stelling bekend was. Zij wilde op die wijze de eer onzer
wapenen herstellen. Dan hoeveel hieraan ook, voor den generaal van der
Wyck persoonlijk, mogt gelegen zijn, zoo meende hij toch, dat er in dien
oogenblik overwegingen van gewigtiger aard waren, die daaraan niet
mogten worden ten offer gebragt. Men had Djagaraga in ieder geval weder
moeten ver- laten, en hij zou dus de eer van het gedurende eeni- gen
tijd bezet te hebben, vermoedelijk al te duur hebben moeten koopen, in
een oogenblik, waarin de daaraan besteedde levende en doode
strijdmiddelen , gelijk hij redenen had te gelooven, zoo moeijelijk te
vervangen zouden zijn.
De terugkeer naar Java was het natuurlijk gevolg van het geheel
staken der operatien. Voor de veiligheid onzer redoute te Bleling werden
de noodige maatregelen genomen en nog op denzelfden dag, waarop de
krijgsraad gehouden was (20 Junij), werd het anker geligt en koers gezet
naar Batavia.
In den ongunstigen uitslag, die in het jaar 18é8 aan onze
krijgsverrigtingen op Bali was ten deel gevallen, en in het daardoor
onver\Tild blijven der voorwaarden die aan de Balische vorsten waren
voorgeschreven, lag eene voldoende reden opgesloten tot het zenden eener
derde expeditie naar dit eiland , zoodra de omstandigheden het maar
eenigzins zouden gedoogen. Wij weten niet of de politieke berigten die
kort na den afloop der tweede expeditie, te Batavia uit het moederland
ontvangen waren, minder verontrustende mededeelingen inhielden dan die,
waarvan wij vroeger gewaagden; maar wij moeten in ieder geval lof
toezwaaijen aan de volharding, die de gouverneur generaal Eochüssen ten
toon spreidde en aan de veerkracht, waarvan hij bewijzen gaf, door
onmid- -delijk na het mislukken van den vorigen, en in weer- wil der
zware verliezen die geleden waren, weder tot eenen nieuwen togt naar
Bali te besluiten. Eeeds bij een kabinetschrijven van den 24 Junij 1848
werd aan den generaal majoor van deu Wyck door den gouverneur generaal
kennis gegeven, dat „tot het voortzetten van den oorlog tegen de
wederspannige vorsten van Bali, in 1849, andermaal eene expeditie zou
worden uitgerust." De gene- raal majoor van der Wyck had echter, reeds
voor zijn vertrek naar Bali, het verlangen te kennen gegeven, om naar
Nederland terug te keeren , zoodra de hem opgedragen onderneming zou
zijn afgeloopen, en daar hij bij dit ver- langen bleef volharden, werd
de generaal majoor Michiels bestemd tot bevelhebber in den aanstaanden
veldtogt.
Deze generaal kwam reeds in de maand Augustus 1848, van de westkust
van Sumatra, waar hij het civiel en militair gezag in handen had, te
Batavia aan, ten einde zich volledig bekend te kunnen maken met de
Balische aangelegenheden. Daar de kusten van Bali gedurende de
westmoesson meestal ongenaakbaar zijn, werd de tijd van vertrek der
nieuwe expeditie vastgesteld tegen het verstrijken van het kwade
jaargetijde, dat is, tegen het einde van Maart of het be- gin van April.
De generaal Michiels deed intusschen zelf nog eenen togt naar Bleling,
ten einde de omstreken zooveel doenlijk in persoon te bezigtigen , en
ter plaatse een aantal berigten in te winnen. Toen, na zijne terug-
komst te Batavia, ook de depêches aldaar ontvangen wa- ren, die in de
maand October door het opperbestuur uit Nederland waren verzonden,
vernam men daaruit dat de scheepsmagt in Nederlandsch Indië eene
belangrijke ver- meerdering zou ondergaan en dat ook de landmagt zoude
versterkt worden, vooral om eene voldoende krijgsmagt naar Bali te
kunnen zenden, zonder Java of andere be- zittingen te veel te
ontblooten.
Onmiddelijk hadden er nu bijeenkomsten plaats, van den gouverneur
generaal Rochussen, met de bevelhebbers der land- en zeemagt en den
generaal majoor Michiels, waarin de grondslagen van de zamenstelling der
expeditie werden besproken en geregeld. Dewijl de tegenspoeden van den
jongsten veldtogt vooral moesten toegeschreven worden aan gebrek aan
troepen en aan transportmiddelen, werd bepaald dat de krijgsmagt deze
keer ten minsten tweemaal zoo sterk zou wezen als de vorige en dat zij
door een zeer groot aantal koelies zou worden vergezeld. Tevens werd
vastgesteld, dat de aanval op eene meer stelselmatige wijze zou
geschieden; dat daartoe meer vuurmonden van zwaar kaliber en vooral
werpgeschut zou worden medegevoerd, en dat de genie voor alle noodige
materialen en gereedschappen zoude zorgen, ten einde de vijandelijke
werken bedekt te kunnen naderen en er des noods mijnen tegen te kunnen
openen.
Eene aanzienlijke scheepsmagt, die reeds gedeeltelijk in Indië
voorhanden was en voor het overige gedeelte daar weldra zou aankomen,
zou aan de expeditie wor- den toegevoegd.
Daar de tegenwoordigheid van den generaal majoor Michiels op
Sumatra's Westkust nog vereischt werd, zoo vertrok hij weder derwaarts
en kwam eerst in de maand Februarij 1849 te Batavia terug. Onderwijl was
men op Java met ijver werkzaam om de krijgsmagt, aan wie thans de
dubbele taak zou worden opgedragen, om den hoon te wreken die onze
wapenen was aangedaan, en ons gezag, benevens de regten der beschaving,
te doen eer- biedigen, door eene woeste bevolking en hare hoofden, zoo
geducht mogelijk te maken. Er heerschte bij alle departementen van
algemeen bestuur eene bedrijvigheid, die ten bewijs strekte, dat een
ieder doordrongen was van het groote gewigt der zaak, en die nog
aangewak- kerd werd door de warme belangstelling, die de gouverneur De
generaal majoor Jhr. van dee Wyck , provisioneel komman- dant van het
Indische leger, stelde alles in het werk wat lig vermogt, om den
generaal majoor Michiels gelukkiger in zijne onderneming te doen zijn,
dan hij zelf geweest was. Het is ons een genoegen uit een aan hem gerigt
schrijven van den gouverneur generaal het navolgende te kunnen
overnemen:
Ofschoon , in verband met U H. E. G. vertrek naar Europa , het bevel
van deze nieuwe en sterke expeditie niet aan U H. E. 6. kan wor- den
opgedragen, maar een oud en verdienstelijk wapenbroeder daarmede wordt
belast, zal het echter nog uwe, en eene zeer belangrijke, taak wezen die
expeditie voor te bereiden.
Ofschoon ik daaraan geen oogenblik heb getwijfeld , is mij echter ,
in de heden gehouden conferentie, met levendig genoegen, op de ondub-
belzinnigste wijze gebleken, dat U H. E. G. zich in de vervulling van
die taak niet tot strikte pligtsbetrachting zal bepalen, maar daarbg uwe
kennis, rijke ervaring en invloed op het ijverigst zal aanwenden.
Ik betuig U H. E. G. mijnen opregten dank daarvoor en ik reken ten
volle op de voortduring dier gezindheid ; op die wijze zal U H. E. G.
nog een zeer nuttig, ofschoon dan minder naar buiten werkend deel er van
hebben, om den minder voorspoedigen afloop der expeditie van het vorige
jaar te herstellen ; 's lands belang en eer is één , allen zijn , elk in
zijnen kring, gehouden dat te behartigen, naar gelang de omstan-
digheden dit medebrengen. Zoo ook heeft U H. E. G. het begrepen."
generaal Bochussen toonde in alles wat in verband stond met de
aanstaande krijgsverrigtingen op Bali.
In den politieken toestand op het eiland Bali was intus- schen geene
ons gunstige verandering gekomen; hetgeen men daarvan bij het vertrek
der expeditie wist, kwam hierop neder.
De vorsten van Klonkong, Bleling, Karang Assam en Mengoei, die geheel
onder den invloed van goesti Dji- LANTiEK waren, hadden vast besloten
tot het uiterste weer- stand te blijven bieden. De vorst van Badong was
ons genegen, maar zijne houding was flaauw en soms weifelend; men kón
duidelijk opmerken, dat de tegenspoeden, door ons in het vorige jaar
geleden, op hem en andere een die- pen indruk hadden gemaakt. Hij scheen
niet geheel en al overtuigd te zijn, dat wij deze keer gelukkiger zouden
we- zen, en wilde ongaarne overgaan tot stappen, die aanstoot konden
geven aan hen, die hij als onze mogelijke overwin- naars aanmerkte.
Goesti Djilantiek had het voornemen de radja^s van Bali, die zich niet
met zijne partij, tegen ons, wilden vereenigen, daartoe, vóór de komst
der expe- ditie, met de wapenen te dwingen. Hij had het vooral op Bangli
gemunt, eensdeels dewijl dit rijk hardnekkig wei- gerde naar zijne
voorstellen te luisteren en anderdeels dewijl het de gemeenschap stremt
tusschen Bleling, Karang Assam en Klonkong. Het ligt bovendien, gelijk
reeds aangemerkt is, in het midden des eilands, achter zware bergen,
waar- tusschen slechts naauwe defilés heenvoeren, zoodat het uit-
muntend geschikt zou zijn, tot een laatste toevlugtsoord der
verdedigers. Hij had de komst der onzen echter niet voor Junij verwacht,
en moest zijn plan laten varen, toen zij reeds in de laatste dagen van
Maart plaats had. De eerzucht en de stoute bedoelingen van goesti
Djilanïiek hadden echter sommige vorsten van Bali tot nadenken gebragt,
en zij begonnen voor hunne onafhankelijkheid te vreezen, wanneer het hem
mogt gelukken, andermaal overwinnaar te zijn. Zij gevoelden dus weinig
lust, hem daarin behulpzaam te wezen. De vorst van Gianjar behoorde tot
dit getal; mogt Bangli vermeesterd zijn, een voornemen waarvan de
verwezenlijking door goesti Djilantiek slechts uitgesteld, maar niet
opgegeven schijnt te zijn geweest, dan lag Gian- jar voor zijne
aanvallen bloot. De radja van dit rijk poogde zich derhalve nader aan te
sluiten aan dien van Badong, onzen bondgenoot, en deze weder eindigde
met ons, op bescheidene wijze, aan de traktaten te herinne- ren, die hem
onze hulp verzekerden, wanneer hij, door de ons betoonde vriendschap —
die trouwens nog weinig had te beteekenen gehad — in ongelegenheid mogt
geraken. — De houding des radja^s van Tabanan ten slotte, bleef twij-
felend en onzeker.
Het scheen derhalve dat wij Klonkong, Karang Assam, Bleling en
Mengoei als volhardende en stoute vijanden te- gen ons over zouden
hebben, terwijl Badong, Gianjar, Bangli en Tabanan ons wel niet veel
bijstand zouden ver- leenen, maar dien toch ook aan onze vijanden zouden
ont- houden en zich tegen hunne aanslagen vermoedelijk wel staande
zouden weten te houden.
De geest der bevolking werd overigens gezegd, ons niet ongunstig te
zijn, het meerendeel der ingezetenen was, naar men verzekerde,
ontevreden met zijn lot, en wachtte slechts naar eene gelegenheid, om
het juk af te schud- den, waaronder het zuchtte. Dergelijke geruchten
waren evenwel ook bij het vertrek der vorige expeditie ver- spreid
geworden, maar zij deden weinig ter zake, want al mogten ze waarheid
behelzen , dan leefde toch het geringere volk op Bali in zulk eenen
diepen eerbied en slaafsche onderwerping voor zijne vorsten , dat men
overtuigd kon wezen, dat het hunne bevelen blindelings zou blijven
volgen, zoolang zij althans hun aanzien kon- den blijven bewaren. De
volkomen afzondering van de bevolking, waarin de bezetting onzer schans
te Bleling verkeerde , leverde daarvan het bewijs, even als van de
middelen, die de Balische vorsten wisten te bezigen, om zich te doen
gehoorzamen. Onderscheidene personen, overtuigd van levensmiddelen aan
die bezetting verkocht te hebben , waren op last van goesti DnLANTiEK
ter dood gebragt geworden.
De generaal Michiels was niet alleen benoemd tot . op- perbevelhebber
der expeditie, maar hem was tevens op- gedragen //het beleid en de
behandeling van alle staat- kundige aangelegenheden, met deze
onderneming in ver- band staande, en zulks met den titel en de magt van
gouvernements kommissaris voor Bali/' Ten einde hem van dienst te zijn,
bij de regeling dier aangelegenh'^ den, was hem toegevoegd de kapitein
der artillerie, adj dant van den gouverneur generaal Jh. Th. van
Capellen aan wien tot dusverre de behandeling van 's gouverne ments
belangen ten aanzien van Bali en Lombok opgedragen geweest.
De volmagt, die aan den generaal Michiels a missaris voor Bali werd
verstrekt, was zeer ruim, eenige bepalingen, die hem in zijne
handelingen ten te binden, kwamen voor in art. 2 en 3 structie en
luidden aldus :
Hij zal bij de leiding en behandeling der acht moeten nemen, dat
verovering of uitb:^ jj grondgebied nimmer hebben gelegen in de bede het
gouvernement; en hij zal zich alsnog eene gedeeltelijke of geheele
bezetting van het eiland niet voorstellen, als doel, maar alleenlijk als
middel waar en wanneer zulks gevorderd mogt worden, tot het tot stand
brengen van eene verhouding en verkeer met de vorsten en het volk van
Bali, welke zullen blijken het meest overeen te komen met de duurzame
belangen en de waardigheid van het Nederlandsch gouvernement.
„ Hij zal dien ten gevolge niet streven naar eene heer- schappij over
het eiland, en hij zal niet brengen organieke veranderingen of
wijzigingen in de bestaande inlandsche huishouding, verder dan noodig
mogt bevonden worden, ten einde over dezelve te blijven uitoefenen magt
en invloed ; dat is: te behouden de leiding, in welke alleen kan gevon-
den worden, waarborg voor bestendige rust en ordelijk ver- keer, bij
elke aanraking met inlandsche volken."
Voorts mogt hij geene verbonden sluiten, of maatregelen van
blijvenden aard nemen, dan onder voorafgaande mag- tiging van den
gouverneur generaal, of althans, wanneer de zaak spoed eischte, onder
voorbehoud van diens nadere goedkeuring.
Deze volmagt ging echter niet in haar geheel over op den
hoofdofficier , die bestemd was den generaal te ver- vangen, ingeval hij
verhinderd werd zijne taak ten einde te brengen. Deze moest alsdan
nadere bevelen vragen aan den gouverneur generaal, en mogt geene andere
beschik- kingen maken of maatregelen nemen dan de zoodanige , die voor
den oogenblik volstrekt onvermijdelijk waren; hierover moest hij dan nog
in overleg treden met den chef van den staf der expeditie en den
kapitein adjudant Jhr. Th. van Capellen, als belast met de behandeling
van 's gouvemements belangen, ten aanzien der aangelegenheden van Bali
en Lombok. Men zal later zien, dat deze voor des generaals opvolger zeer
belemmerende voorschriften niet zonder invloed zijn gebleven op den gang
der zaken. De persoonlijke inzigten van den generaal Michiels over de
wijze waarop, na het tuchtigen der Balische vorsten en het herstellen
van de eer onzer wapenen , de zaken op dit eiland behoorden geregeld te
worden, zijn nimmer volledig bekend geraakt, aangezien hij dienaangaande
met weinige heeft geraadpleegd en, voor zooveel men weet, niets in
geschrift heeft nagelaten. Naar de wijze waarop door hem gehandeld werd,
en in verband met hetgeen men daarom- trent stellig is te weten gekomen,
schijnt men evenwel te mogen aannemen , dat de last om onze onmiddelijke
heer- schappij niet over Bali of een gedeelte daarvan uit te strek- ken,
geheel met zijne eigene meening overeenstemde. Die meening was ons
bedunkens volkomen juist. Immers had men reeds genoeg ondervonden van
den krijgshaftigen geest , en de zucht naar onafhankelijkheid van de
Baliërs, om met zekerheid te kunnen voorzeggen, dat het geheel
veroveren, bevredigen en onder geregeld bestuur brengen van het eiland,
eene taak zou wezen, tot wier volbrenging eenige jaren tijds met
schatten van geld en bloed zouden worden gevorderd. Nu waren de
begrippen, die men des- tijds in Indië, ten regte of ten onregte, over
den staat der politieke aangelegenheden in Europa had, van dien aard,
dat men het hoogst gewaagd moest achten, een zoo aanzien- lijk deel
onzer strijdkrachten tot eene uitbreiding van grond- gebied aan te
wenden, terwijl het totaal dier krachten welligt eerlang naauwelijks
voldoende zoude wezen , om te behou- den, hetgeen wij in Indië reeds
bezaten. Bovendien al had men er geen bezwaar in gezien, een gedeelte
der beschik- bare oorlogsmiddelen voor eenige jaren te verbinden aan
deze onderneming, dan rees nog de vraag of de voordeden, die daaruit
voor den staat konden ontstaan, opwogen, tegen hetgeen er aan ten koste
moest worden gelegd, en ook deze vraag moest, met het oog op de
geaardheid en op de zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling der
Baliërs , stellig ontkennend worden beantwoord. Zou Bali eenmaal geheel
onder ons gezag komen, dan moest dit van lieverlede en zonder schokken
geschieden; het moest plaats hebben als een gevolg der behoefte aan meer
veiligheid van personen en eigendommen, die het volk zelf zou beginnen
te gevoe- len, wanneer het ons slechts gelukte, door eenen niet regt-
streekschen, maar toch bestendigen invloed op zijne zaken, aldaar
beschaving en welvaart te doen ontkiemen.
Eene gedeeltelijke in bezit name van Bali, bijv. van de rijken der
vorsten, die tegen ons in verzet waren, was nog minder raadzaam. Wij
zouden ons daardoor bestendig ge- plaatst hebben gezien, niet alleen
tegenover den vermoedelij- ken afkeer en de herhaalde pogingen tot
opstand onzer nieuwe onderdanen, maar ook tegenover onze onafhankelijk
geble- ven naburen op het eiland. Wij zouden, van zoo nabij, geene
werkelooze aanschouwers kunnen blijven van hunne wreede handelingen en
bloedige twisten; wij zouden niet hebben kunnen weigeren den zwakke te
beschermen tegen de onregtvaardige aanvallen van den ste'rke en ons, in
een woord, voortdurend in oorlog hebben gewikkeld gezien, ge- lijk men
dat alom ziet plaats hebben, waar beschaafde bestu- ren met onbeschaafde
in bestendige aanraking zijn. Het gedeeltelijk bezet houden van Bali —
waartoe zijne volmagt hem overigens ruimte liet — lag dan ook evenmin in
de bedoelingen van den generaal Michiels. Het blijkt uit alles, dat hij
zich had willen vergenoegen met eene tuchti- ging der vorsten, die met
ons in oorlog waren; dat hij sommige hunner des noods had willen
onttroonen en hen alle had willen dwingen, zoowel tot de erkenning van
on3 oppergezag, als tot het laten varen van zoodanige regten en
gebruiken, als in strijd waren met de eischen der be- schaving en met de
veiligheid, die wij, in de wateren van den archipel, verschuldigd waren
te verzekeren aan koop- handel en scheepvaart.
Overigens was hij van meening, dat men den overwon- nen vorsten geene
te zware voorwaarden moest opleggen en vooral niets van hen moest
vorderen, waarvan de ver- vulling hunne krachten kon te boven gaan. De
terugbeta- ling der gemaakte oorlogskosten, die, na drie veldtogten, tot
een hoogst aanzienlijk bedrag gerezen waren, bleef dus bij hem geheel
buiten aanmerking.
Er zijn redenen om te gelooven, dat de generaal Michiels den oorlog
dien hij voeren ging, hoezeer hij hem in allen deele voor noodzakelijk
en onvermijdeKjk hield, in zijne vroegste aanleidingen niet geheel en al
als regtvaardig be- schouwde, en dat hij achting en sympathie gevoelde
voor een volk, dat zoo krachtig voor zijne onafhankelijkheid streed. Men
zal later zien, dat sommige daden van den generaal Michiels, door de
aanwezigheid van dergelijke gevoelens, allezins worden opgehelderd.
Alvorens de militaire plannen van den generaal Michiels mede te
deelen, zal het noodig zijn te vermelden, wat men destijds wist van de
verdedigingsmiddelen der Baliërs.
Aan de werken van Djagaraga, die men als het palla- dium der vrijheid
van Bali scheen te beschouwen, was en werd nog bestendig met spoed
gearbeid. De borstwe- ringen werden zwaarder en de grachten dieper
gemaakt, de afdaken tegen de uitwerking van ons werpgeschut werden
verbeterd, het getal geschutstanden vermeerderd, vuurmon- den van Karang
Assam en elders aangevoerd en het getal beletselen en hindernissen op
alle toegangen verbeterd en uitgebreid.
Ook met het herstellen der versterkte linie van Singa radja, die van
lieverlede in verval was geraakt, had men eenen aanvang gemaakt. Aan het
westelijk gedeelte daarvan was, naar berigten, evenwel nog weinig
gedaan.
In de omstreken van Kasoemba, Klonkong en Karang Assam waren, naar
men beweerde, eveneens versterkingen opgeworpen.
Goesti Djilantiek hield zich veelal op te Djagaraga. Met spoed werd
er gewerkt aan het vervaardigen van bus- kruid en wapenen; ook was er,
in weerwil dat de blok- kade van het eiland gehandhaafd was gebleven ,
veel bus- kruid van buiten ingevoerd. Goesti Djilantiek had twintig
gedeserteerde inlandsche soldaten van het Neder- landsche leger in zijne
dienst, aan wie was opgedragen het onderhouden der wapenen en het
oefenen in den wapen- handel, van een korps van geweren voorziene
Baliërs.
De kennis die men van het terrein had , bepaalde zich tot hetgeen men
in den vorigen veldtogt was te weten gekomen. De vijandelijke houding,
waarin de bevolking zich tegen over onze bezetting te Bleling had
geplaatst, was een hinderpaal geweest tot het doen van nadere ver-
kenningen uit die schans en had ook veroorzaakt dat de generaal MiCHiELS
zelf, tijdens zijn bezoek aldaar, weinig was te weten gekomen.
De volgende plannen waren echter door hem beraamd.
De eerste aanval zou op Djagaraga gerigt worden; de vijand scheen
boven alles aan het behoud van die stelling te hechten en daartoe al
zijne krachten te willen inspannen, haar verlies moest dus, hoezeer de
verdere verdediging er in geenen deele onmogelijk door werd, aan de
morele kracht van den vijand eenen onherstelbaren slag toebrengen. Voor
Djagaraga bovendien hadden onze pogingen in het vorige jaar schipbreuk
geleden; de vorst van Bleling had daar zijnen zetel gevestigd, na het
nemen van Singaradja; daar was de zon onzer onoverwinnelijkheid beginnen
te ta- nen, en daar moest derhalve, volgens de inzigten van den
generaal, de eer onzer wapenen in al haren luister worden hersteld.
Het denkbeeld om den oorlog met de vermeestering van Klonkong te
beginnen, was insgelijks in overweging geno- men geweest. Het beval zich
aan door de omstandigheid, dat de Z. O. kust van Bali, waar men tot het
volbrengen dier onderneming zou moeten landen, slechts tot ruim half
Junij voor eene vloot veilig kon geacht worden en er dan ligtelijk te
weinig tijd kon overblijven, wanneer men vooraf elders wat lang mogt
worden opgehouden. Werden derhalve de operatiën in straat Lombok
aangevangen, dan had men de maanden April, Mei en Junij daarvoor
beschikbaar, terwijl Julij, Augustus, September en October over bleven
om het rijk van Bleling ten onder te brengen. De geheele oost- moesson
zou op die wijze achtereenvolgend aan de onderne- ming kunnen worden
gewijd. Voorts was de Dewa Agong van Klonkong het hoofd der overige
vorsten van Bali; was hij , tegen wien men zoo hoog opzag, eenmaal ten
onder ge- bragt, dan zou vermoedelijk de vrees zich van de harten der
andere radja^s meester maken, de band die hen aan hem hechtte zou
althans verbroken zijn, en mogt de oorlog dan ook niet als met eenen
slag geëindigd wezen, de tegenstand die nog te overwinnen bleef, zou in
ieder geval luttel zijn.
Daar tegen over stond echter, dat de Dewa Agong ook een geestelijk
vorst was en dat het, na alles wat men van de godsdienstige begrippen
der Baliërs wist, zwaar op hun geweten zou drukken, wanneer zij niet
alles deden wat in hun vermogen was om hem tegen onzen toorn te
beveiligen. Vorsten die thans nog onzijdig waren gebleven en andere die
reeds onze partij hadden gekozen, zouden hem zeer waarschijnlijk
toevallen en de tegenstand kon daardoor zóó groot worden, dat, wanneer
hij onze krachten ook al niet te boven ging, wij toch aanmerkelijk
verzwakt voor het hechte Djagaraga zouden zijn aangekomen.
Had men nu daarentegen eerst de vasallen en bondge- nooten van den
Dewa Agong vernederd en vernietigd, had men het ontzag voor onze wapenen
hersteld en het denk- beeld dat wij op den duur onverwinlijk waren, doen
her- leven, door Djagaraga, wat bij de Baliërs voor onneembaar gold, te
veroveren, dan was dit alles minder te duchten en kon de aanval op
Klonkong met meer hoop op goeden uitslag worden ondernomen.
Djagaraga zou dus onzen eersten aanval hebben te door- staan en
Bleling zou het punt zijn, van waar de generaal zijne krijgsverrigtingen
zou beginnen.
Van Bleling zou hij snel oprukken tegen Singa radja om zich zoo
mogelijk door een onverhoedschen aanval meester te maken van deze
sterkte, die nog niet geheel en al was hersteld geworden. Daar hij den
aanval op Djagaraga be- hoedzaam en stelselmatig wilde uitvoeren, achtte
hij het be- zit van Singa radja en nabij gelegen kampongs noodig, om
zijne troepen onder dak te brengen en de ontscheepte krijgs- behoeften
te bergen.
De generaal meende voorts zekere berigten te hebben dat van Singa
radja wegen liepen in eene oostelijke rigting, waarvan een hem op de
linkerflank der stelling van Djaga- raga zou brengen en een andere tot
in haren rug voortliep.
Langs deze wegen wilde hij Djagaraga te gelijker tijd, zoo wel in die
linkerflank öls in den mg, aanvaUen. Hierdoor zouden de menigvuldige
werken, die aan de zijde van Timor Sangsit de toegangen van Djagaraga
beschermden, voor de verdediging dier plaats nutteloos worden. Het
terrein tus- schen Singa radja en Djagaraga was echter nog volkomen
onbekend, vermoedelijk zou het zeer bergachtig en doorsne- den zijn met
diepe ravijnen en kleine bergstroomen, naauw- keurige verkenningen
moesten dit later ophelderen. Daar de generaal zoo weinig mogelijk aan
het toeval overlaten en slechts voet voor voet vooruitgaan wilde, zoo
was hij er zelfs op bedacht, langs de lijn die hem van Singa radja naar
Djagaraga voeren zoude, kleine versterkingen aan te leggen, waarbij de
met kleimuren omgeven erven, die men in alle kampongs aantrof, zouden
kunnen worden benuttigd. De artillerie en genie moesten alles in
gereedheid hebben voor eenen geregelden aanval.
Ofschoon de stelling van Djagaraga ontegenzeggelijk zeer sterk was,
meende de generaal dat hij, door den aanval te doen aan eene zijde, waar
hij door den vijand niet werd verwacht, meer zou moeten kampen met
moeijelijkheden hem door het terrein in den weg gelegd, dan met de
hardnekkigheid der verdediging. Hij meende ook aan die zijde ligtelijk
een punt te zullen vinden, wat de vijande- lijke werken volkomen
beheerschte en waarvan de bezetting ten gevolge zou hebben, dat die
werken geheel van hare kracht werden beroofd. Eene andere reden, die hij
voor den goeden uitslag zijner plannen meende te mogen aan- nemen, was,
dat hij de terugtogtslijn der Baliërs zou be- dreigen en dat een
inlandsche vijand, al bevindt hij zich ook in nog zulk eene sterke
stelling, zelden stand houdt, wanneer hij vermeent, dat zijnen aftogt
kon worden ver- hinderd of de aanvoer van levensmiddelen — zonder welke
hij die nimmer magazijnen aanlegt; niet kan bestaan — hem kan worden
afgesneden.
Wij zullen later zien, dat de vooraf gevormde plannen van den
generaal Michiels later belangrijke wijzigingen moesten ondergaan, en
dat hij door den loop der omstan- digheden gedrongen werd, geheel anders
te handelen, dan hij zich had voorgesteld.
DE VEROVERING VAN DJAGAEAGA.
Sterkte en zamcnstelling der expeditie. — De infanterie en hare
uitrusting en bewapening. — De kavallerie. — De artillerie. — De genie.
— De geneeskundige dienst. — De militaire inten- dance. -— De koelies, —
De zeemagt. — Aankomst der expe* ditie op de reede van Bleliug. —
Verkenningen in den omtrek van Bleling en naar Siuga radja. —
Gezantschap van Bleling. — De vorst van Bangli schaart zich
daadwerkelijk aan onze zijde — Misverstand tnsschen den opperbevelhebber
en den kommandant der zeemagt — Het wordt door tusschenkomst van den
gou- verneur generaal Rochussen voor goed uit den weg geruimd. — Singa
radja zonder tegenstand genomen en bezet. — De troe- pen der expeditie
worden aldaar verzameld en gelegerd. — Nadere gezantschappen van de
radja^s van Bleling en Karang Assam. — Merkwaardige ontmoeting van den
generaal Mi- CHIELS en den vorst van Karang Assam te Singa radja. — De
vorst van Karang Assam neemt , voor zich en voor den radja van Bleling ,
aan , zich te onderwerpen en de stelling van Dja- garaga aan ons over te
geven. — De generaal ontruimt Singa radja en kiest Sangsit tot punt van
uitgang voor zijne kr^gs- verrigtingen. — Redenen daarvan. —
Koodzakelijkheid van een centraal bureau voor topographie en militaire
statistiek in Nederlandsch Indië. — Ontmoeting van den generaal met de
radja^s van Bleling en Karang Assam te Sangsit. — In het oog vallende en
weinig goeds voorspellende verandering in de houding dier vorsten. —
Verkenning van Djagaraga. — De uitslag daarvan doet een sterken twijfel
rijzen van de opregt- heid der vorsten. — De Nederlandsche troepen
rukken in twee kolonnes op, om bezit te nemen van Djagaraga. — Beschrij-
ving der liniën van Djagaraga. — Aanval op die stelling. — Verrigtingen
der eerste kolonne onder de leiding van den ge- neraal in persoon. — Zij
valt Djagaraga te vergeefs in het front aan en is verpligt tegen den
avond eene achterwaartsche stelling te betrekken. — Verrigtingen der
tweede kolonne on- der de leiding van den luitenant kolonel de Brauw. —
Zij komt na eene moeijelijke en gevaarlijke marsch in den rag der
vijandelijke stelling. — Zij neemt daar eenige schansen in, en houdt er
zich staande. — Zij gaat, voor het aanbreken van den volgenden dag , op
nieuw met goeden uitslag tot den aanval over. — De eerste kolonne
ondersteunt haar door eenen aanval in het front. — De liniën van
Djagaraga worden eindelijk, na eenen moedigen tegenstand genomen. — •
Slotbeschouwingen.
De sterkte in zamenstelling der krijgsmagt, die be- stemd was de
bedoelingen der Nederlandsch Indische regering ten aanzien van Bali te
verwezenlijken, was als volgt :
De generaal majoor A. V. Michiels, opperbevelheb- ber en gouvemements
kommissaris; De kapitein adjudant Jhr. Th. van Capellen, toege- voegd
aan den gouvemements kommissaris ;
De 1ste luitenant bij de infanterie W. A. C. Abdesch en de 1ste
luitenant bij de genie D. J. ühlenbeek , adjudanten van den
opperbevelhebber; De luitenant kolonel bij de infanterie C. A. de Bratjw
, chef van den staf; De ridmeester S. van Stampa, sous chef van den
staf; De kapitein bij de infanterie H. C. Staring, adjoint bij den staf;
Mr. C. J. VAN Haastert, auditeur militair.
De infanterie bestond uit:
Het 8e bataillon, onder den luitenant kolonel J. Poland; Het 5e
bataillon^ onder den luitenant kolonel A. H. Helbach ; Het 7e bataiUon,
onder den luitenant kolonel B. P. J. A. LE Beon de Vexela; Het 13e
bataillon, onder den luitenant kolonel J. van Swieten; Een korps
hulptroepen, geleverd door de vorsten van Madura, Sumanap en Famakarsan,
onder den gepensio- neerden kapitein J. Pieplenbosch. De sterkte der
infanterie bedroeg : 116 Officieren, 1198 Europeanen, 536 Afrikanen,
2010 Inlanders, 1 Officier bij de hulptroepen van Madura^ 2 Europesche
onderofficieren bij idem, 14 Inlandsche officieren bij idem, 300
Soldaten bij idem.
4177 hoofden te zamen,
2)e kavallerie bestond uit: Een peloton van 25 ruiters, onder den 2de
luitenant T. A. Stein. De artillerie stond onder de bevelen van den
luitenant kolonel A. Meis ; behalve veldgeschut, bevond zich daar- bij
ook een belegeringspark. De veldartillerie , onder den majoor W. A.
Kuijck, was zamengesteld uit eene batterij zesponders, gekomman- deerd
door den kapitein E. J. Kelleemaj^, en eene bat- terij
drieponder-berggeschut , gekommandeerd door den kapitein T. J. van
Maanen. Het belegeringspark stond onder den kapitein J. Albeeti.
De artillerie bragt in het geheel te velde, een getal van 24
vuurmonden, waarover wij later in bijzonderheden zullen treden.
De genie had tot chef den luitenant kolonel A. H. Dib- BETZ en telde
aan troepen : 4 Ofi&ciéren, 38 Europeanen, 109 Inlanders.
151 hoofden te zamen.
Be geneeshundige dienst had aan haar hoofd den dirige- renden
officier van gezondheid G. "Wassink en kon be- schikken over een
personeel van: 15 Officieren van gezondheid, 46 Europesche
geemploijeerden en hosp. bedienden. 61 Inlandsche
122 hoofden te zamen.
De militaire intendance had tot chef den adjunct inten- dant M. VAN
Weddingen en telde in het geheel : 7 Officieren, 2 Geemploijeerden van
minderen rang. 9 hoofden te zamen.
De transportmiddelen bestonden uit 2000 koelies van het eiland
Madura, terwijl nog 1000 koelies in de oos- telijke residentiën van Java
in reserve werden ge- houden.
De landdmagt had alzoo eene totale sterkte van 273 offi- cieren en
4737 onderofficieren en soldaten, benevens ruim 2000 koelies.
De zeemagt, onder de bevelen van den vice admiraal J. P. Machielsen,
aan wien was toegevoegd als adju- dant, de luitenant ter zee 1ste klasse
F. A. A. Gregory, bestond uit : Z. M. fregat Prins van Oranje , kapitein
ter zee J. F. D. BoTiRicius; Z. M. fregat de Rijn, kapitein ter zee F.
A. Johb.; Z. M. fregat de Sambre, kapitein ter zee H. Feröuson; Z. M.
korvet Argo, kapitein ter zee C. van der Hart; Z. M. schoenerbrikken
Banda , Ambon , Dolfijn en Banka, respectivelijk gekommandeerd door de
luitenants ter zee 1ste klasse G. Vogelpoot, J. Dibbetz, C. J Berg- huis
en J. J. Machielsen; Z. M. schoener Circe, gekommandeerd door den lui-
tenant ter zee 2de klasse J. M. J. Brutel de la Eivière; Z. M.
stoomschepen Hekla, Phoenix, Etna, Vesuvius, Samarang, Bomeo en Onrust,
respectivelijk gekomman- deerd door den kapitein luitenant ter zee J. H.
Stort, den luitenant ter zee 1ste klasse J. May , den luitenant ter zee
2de klasse J. G. de Man, de luitenants ter zee 1ste klasse H. Camp, J.
D. Wolterbeek, Frazer en de luitenant ter zee 2de klasse J. A.
Nieuwenhuyzen ; De civiele schoener Doris, gezaghebber J. B. Olyve
Loubeiat; Twaalf kruispraauwen; Dus te zamen een getal van 29 groote en
kleine oor- logsvaartuigen, voerende 286 stukken geschut; 301 mari-
niers; 2012 Europesche en 701 inlandsche matrozen (1).
Hieraan waren nog toegevoegd, om tot ontschepingsmid- delen te
dienen, 18 praauwen majang, zijnde platboomde zeilvaartuigen, en 16
laadschouwen, eveneens platboomde vaartuigen, die twee aan twee
gekoppeld en voorts tot vlot- ten ingerigt konden worden, voor het aan
wal brengen van paarden en geschut.
Voorts waren nog gehuurd 26 transportschepen, om te dienen zoowel tot
het overvoeren van troepen, krijgsbe- hoeften, mondvoorraad en
steenkolen, als om gebezigd te worden tot zieken- of hospitaalschepen.
De vloot, die naar Bali stevende, bestond derhalve in het geheel uit
89 oorlogs-, transport- en landingsvaartuigen.
Eenige bijzonderheden aangaande de hierboven vermelde krijgsmagt,
laten wij hier nog volgen.
Be infanterie telde, ingevolge de formatie van die da- gen, bij ieder
bataillon nog een tweeden hoofdofficier (ma- joor). Twee der bataillons,
het 3e en het 13e, hadden reeds aan de expeditie van het vorige jaar
deel genomen. Zij hadden destijds door ziekte en ^s vijands lood of
staal veel geleden, doch waren sedert niet alleen weder voltallig
gemaakt, maar zelfs respectivelijk met eene Afrikaansche en eene
Europesche kompagnie vermeerderd geworden, zoo- dat ieder dier
bataillons uit zeven kompagniën was za- mengesteld , en een aantal
officieren en soldaten in zijne gelederen telde, die reeds met Bali en
de vechtwijze der Baliërs bekend waren. Door het aanvullen en op groot
kompleet brengen der bataillons, hadden zij daarentegen een goed aantal
manschappen in hunne kaders moeten opnemen, die daaraan weleer vreemd
waren. Voor zoo- veel de Europeanen betreft, had men daarbij moeten be-
schikken over de pas onlangs uit Nederland gekomen suppletietroepen. De
kaders zelve waren uit andere korp- sen aangevuld geworden ; sommige
bataillons hadden nieuwe kommandanten bekomen; bij een bataillon zelfs
waren de beide hoofdofficieren, kort voor het vertrek der expeditie,
verwisseld geworden, en de kommandant ge- tuigde, dat de meeste
officieren aan hem en aan elkander vreemd waren. De eigenaardige
zamenstelling, die het Indische leger noodwendig heeft moeten erlangen,
en de groote verliezen, waaraan het bij voortduring is blootge- steld,
zullen bij de korpsen, die het vormen, reeds van zelven eene bestendige
verwisseling en vernieuwing van per- sonen ten gevolge hebben. Dat
daaruit een aantal nadee- len moeten voortvloeijen, niet alleen voor de
geoefendheid der troepen, maar vooral ook voor het esprit de corps, voor
den geregelden gang der dienst en voor eene goede verpleging te velde en
op bivak, is voor geen militair een geheim. Men had deze nadeelen, die
in Indië van zelf groot genoeg zijn, derhalve niet nog moeten
vergrooten, gelijk bij het zamenstellen dezer expeditie is geschied,
door het verwijderen uit de korpsen van Indische landaarden, waarin de
opperbevelhebber minder vertrouwen stelde, het daarbij indeelen van
anderen, waarover hij bij voorkeur wenschte te beschikken, en het
verwisselen der officieren, naarmate hij ze voor meer of minder
bruikbaar hield.
Wanneer men alles zamenvat en overweegt, wat wij over de zamensteUing
der korpsen infanterie gezegd heb- ben, dan zal men bij het lezen van
ons verhaal nog meer op prijs stellen wat door hen is verrigt , maar dan
zal men ook tevens met een der zeer vermoedelijke oorzaken bekend zijn
van het groot aantal zieken dat die korpsen telden, nadat zij slechts
eenen korten tijd waren te velde geweest.
De uitrusting der infanterie en der troepen in het al- gemeen, was
vóór het vertrek uit het garnizoen zeer ver- eenvoudigd geworden. De
schakot en lakensche kleeding waren in de magazijnen ingeleverd en zij
droegen dus bestendig eene kwartiermuts, met een blaauw linnen mouw-
vest en pantalon. Ieder man was voorzien van een lin- nen broodzak, tot
het medevoeren der onontbeerlijkste kleedingstukken tot verwisseling en
van verdere benoo- digdheden; hij had eene veldflesch en eene katoenen
sprei, die en bandonlière over den schouder gedragen werd. De infanterie
had, behalve hare gewone wape- ning, ruim 200 kapmessen of klewangs per
bataillon, voorwerpen, die zeer geschikt waren tot het opruimen van
heggen en tot het bewerken van bamboe. Voorts was ieder man nog
uitgerust met een lederen kleeding- tasch of randsel, die de rest zijner
uitrusting bevatte; maar deze moesten met de kapotte tassen der
Europeanen en een legmatje met lederen hoofdkussen per man, aan boord
blijven tot tijd en wijle aan de troepen meer rust en meer bepaalde
standplaatsen konden gegeven worden.
Gedurende de reis moest door de infanterie en ook door de andere
korpsen, ieder naar mate van zijne sterkte, een zeker aantal
stormladders en tandoe^s of draagbaren voor zieken en gewonden , naar
een bepaald model , wor- den vervaardigd. De grondstoffen, bamboe en
atap, waren daartoe aan boord der schepen voorhanden.
Kookketels en verdere benoodigdheden, tot het bereiden der maaltijden
voor de troepen, waren bestemd om door koelies te worden medegevoerd.
Ieder infanterist eindelijk was voorzien van 50 patro- nen, die hun
echter eerst bij het ontschepen werden uit- gereikt.
De kavallerie kon uit den aard der zaak op een zoo moeijelijk
terrein, als men te Bali zou vinden, niet be- stemd zijn, om aanvallend
te handelen. Men wilde haar bezigen tot het doen van eskorten enz. en
daarop was hare sterkte dan ook slechts berekend. Hare uitrusting was,
even als die der overige korpsen, zoo eenvoudig mo- gelijk gemaakt.
De artillerie. Bij de zamenstelling van dat wapen was men vooral
bedacht geweest, om het te voorzien van — voor Indië — zwaar geschut.
Eene goede hoe- veelheid worpgeschut werd almede hoogst doelmatig ge-
acht, om gebezigd te worden tegen s’vijands versterkin- gen, die door
eene overstelping met vertikaal vuur wel- dra ontruimd zouden moeten
worden.
Met de dikte der vijandelijke borstweringen was men wel is waar
onbekend, doch men geloofde toch, met hou- witzers van 15 dm. en des
noods ook met die van 12 dm. bres te kunnen schieten.
Deze overwegingen hadden aanleiding gegeven tot de volgende
zamenstelling der artillerie.
De veldbatterij bestond uit 4 kanons en 4 houwit- zers , 12 dm., met
hunne voorwagens; voorts uit 4 mu- nitie-voorwagens voor kanon en even
zoo veel voor hou- witzers, zoodat, in stede van twee, slechts ééne
linie reserve munitie-voorwagens de batterij zoude volgen.
Verder behoorden nog tot het materieel der batterij : 2
voorraadaffuiten met voorwagens, van welke de eene gepakt was met
munitie voor kanon en de andere met munitie voor houwitzers; 3
voorraadwagens en een smids- wagen.
De bergbatterij bestond uit 4 kanons en 2 mor- tieren k 11|- dm. De
mortieren, benevens de munitie voor de geheele batterij, zouden op
draagpaarden worden vervoerd.
Het belegerings- en reservepark bestond uit twee lange houwitzers è.
15 dm. met daarbij behoorende voorwagens; 4 mortieren è. 20 dm. en 4
mortieren &. 11^ dm. Het was ruim voorzien van munitie, en voerde
bovendien nog mede ten dienste van andere wapens of tot het aanleggen
van mijnen en het geven van seinen: 900 ^ buskruid; 1,000,000 scherpe
geweerpatronen; 500 dito voor kara. bijnen; 2000 voor pistolen;
1,250,000 slaghoedjes en 60 seinvuurpijlen. De ontstekingsmiddelen voor
mijnen werden door de genie medegevoerd.
Hoezeer door artillerie-officieren, die de vorige expeditie hadden
bijgewoond, werd beweerd, dat de wegen op Eali het vervoer van ligt
veldmaterieel allezins vergunden, zoo waren toch maatregelen genomen en
oefeningen ge- houden, om dat materieel des noods ook met menschen-
handen te kunnen brengen waar men het noodig achtte. Ook waren de
munitiën, die niet in de voorwagens waren opgenomen, in waterdigte
kisten gepakt, die ieder door twee of vier koelies konden worden
gedragen.
Het personeel was uitgerust als bij de infanterie.
Be genie was ruim voorzien van alles wat noodig was tot het slaan van
bruggen en wat strekken kon, om de vijandelijke werken bedekt te
naderen. Men had proeven genomen aangaande de indringing van buskogels
in op- eenstapelingen van bamboezen fascines en o. a. bevonden, dat een
walbuskogel, die op 50 è. 100 Ned. ellen daarte- gen werd afgeschoten,
slechts twee palmen diep naar binnen drong.
Te Soerabaya was bijeengebragt en gereed gemaakt alles wat gevorderd
werd tot het daarstellen van een rameau met mijnoven in het talud eener
borstwering. Ook was daar alles vervaardigd, wat noodig was om de
laadschou- wen te koppelen, met een dek te beleggen en zoodoende tot
vlotten in te rigten.
De geneeskundige dienst was zeer doelmatig georga- niseerd. Twee
gehuurde schepen waren door den chef over die dienst, de dirigerende
officier van gezondheid G. Wassink, op eene uitmuntende wijze tot
hospitaalsche- pen ingerigt. Men rekende daar 180 lijders te kunnen
behandelen, waaronder 14 officieren; zij waren ruim- schoots voorzien
van allerlei ververschingen en boden alle gemakken aan, die men er met
mogelijkheid had kunnen daarstellen. Eene groote hoeveelheid
ziekenkleeding ver- gunde eene gepaste reinheid in acht te nemen. Een
der transportschepen was bovendien van het noodige voorzien, om later
tot het evacueren van zieken gebezigd te kunnen worden.
De ambulance was even doeltreffend ingerigt. Zes draag- paarden waren
bestemd, om ieder eene goed ingerigte me- dicijnkist, met instrumenten,
verbandlinnen enz., mede te voeren. Bovendien was ieder officier van
gezondheid voorzien van eene veldtasch, die soortgelijke zaken be-
vatte, en door een koelie kon worden gedragen.
Be militaire intendance had voor vier maanden levens- middelen
verzameld en doen inschepen, met alles wat verder kon strekken de
troepen te velde zoo goed moge- lijk te verplegen. Zij had het hare
bijgedragen tot het doeltreffend inrigten van transport-, hospitaal- en
evacuatie- schepen. Er was op gerekend aan wal een magazijn van
levensmiddelen te vormen, en behalve de mondbehoeften 2elve waren de
noodige voorwerpen daartoe medegeno- men. De aanvulling zou uit
Soerabaya geschieden, wan- neer dit later noodig mogt blijken. Ten
dienste van het vervoer te land waren de levensmiddelen reeds, eer zij
ingescheept waren geworden, gepakt in vrachten, die door twee koelies
konden gedragen worden. Een veldpost was georganiseerd, en stond onder
be- heer der militaire intendance.
Koelies. Op Java reeds was den offcieren bekend ge- maakt, dat zij
zelf, gedurende den veldtogt, in het ver- voer hmmer bagage moesten
voorzien. Ieder hunner ont- ving, naar zijnen rang, eene
schadeloosstelling in geld, waarvoor hij zich vaste koelies moest huren.
De majoor J, Vertholen, adjudant van den gouverneur generaal en
inspecteur van de schutterijen enz., was naar het eiland Madura gezonden
geweest, om de levering der koelies, met de vorsten aldaar, te regelen.
Hij had zich bij uitstek van zijne taak gekweten, daar het gewenscht
aantal niet alleen werd gegeven, maar de koelies daarenboven ook
geregeld onder mandoers en andere hoofden waren gesteld gewor- den,
zoodat men vertrouwde met orde in hunne verpleging en het verdeelen
hunner werkzaamheden te kunnen voor- zien. De vorsten van Madura en van
Sumanap hadden zelfs ieder een hunner zoons aan het hoofd der door hen
gezonden koelies geplaatst. Een officier van het leger had het toezigt
en het beheer over het geheel. Al de pogingen van den luitenant kolonel
Vertholen hadden echter niet kunnen beletten, dat de mindere hoofden op
het eiland, die de koelies op bevel hunner vorsten moes- ten leveren, in
hun eigen belang, de krachtigste lieden hadden teruggehouden voor het
verrigten van den veldar- beid en bij voorkeur andere, ziekelijken en
zwakken, naar Bali hadden gezonden. Het bleek dan ook bij een genees-
kundig onderzoek, dat weinige dagen na hunne aankomst aldaar plaats had,
— op 10 April — dat er zich 77 ge- heel onbruikbare onder bevonden en
dat wel der ove- rige, door zwakte en verouderde gebreken, in zulk eenen
deemiswaardigen toestand verkeerde, dat daarvan weinig dienst was te
wachten.
Gelukkig was aan den heer H. J. Sbvebijn Haesebeoek opgedragen
geweest, met de residenten van Soerabaya, Kediri, Eembang, Pasoeroean en
Bezoeki, het vormen eener reserve van 1000 koelies te regelen, en hij
was, ge- lijk later zal blijken, geheel naar wensch in zijne pogin- gen
geslaagd.
Be zeemagt was ruim voorzien van groote schepen. Men stelde zich wel
is waar niet voor, dat de batterijen dezer schepen van nut zouden zijn
tegen de vijandelijke versterkingen, dewijl deze daartoe te ver binnen
's lands gelegen waren , maar behalve de indruk, die het verschij- nen
van zulk eene magtige vloot op de Baliërs moest maken , waren deze
schepen van groote dienst tot het overvoeren der troepen, en konden zij,
door hunne sterke bemanningen, de landmagt des noods ondersteunen, wan-
neer deze door omstandigheden verzwakt geraakt of die hulp, om andere
redenen, noodig had. De kleinere oor- logsvaartuigen konden grootendeels
slechts tot vertoon van magt en tot het ontmoedigen van den vijand
dienen. De menigvuldige stoomschepen, aan de expeditie toege- voegd,
bewezen daarentegen onmiddeUjke en hoogst gewig- tige diensten, niet
alleen door zelve met spoed troepen en materieel op een aangewezen punt
der kust te bren- gen, maar ook door in deze moeijelijke vaarwaters de
transport- en andere zeilschepen behulpzaam te zijn in het bereiken
hunner bestemmingen.
Het ont- en wederinschepen der expeditie, met alles wat er toe
behoorde, eene verrigting, die op de kusten van Bali zeer moeijelijk en
soms gevaarlijk is, had door de zorgen der zeemagt zonder tegenspoeden
of oponthoud plaats; hare bemanningen hebben met moed en ijver aan de
oorlogsbedrijven te land deel genomen, en zij heeft over het algemeen de
beste diensten bewezen en veel bijge- dragen tot het welslagen der
onderneming.
Nadat de generaal Michiels, zoowel te Samarang en Soerabaya, als te
Batavia, de troepen der expeditie in ©ogenschouw genomen, en door zijne
persoonlijke tegen- woordigheid veel had bijgedragen tot de goede en
vaar- dige regeling van een aantal zaken, vertrok hij met zijnen staf
aan boord van Z, M. stoomschip Etna naar Bleling en liet aldaar op den
28 Maart het anker vallen. De expeditie was in drie eskaders, van de
drie hoofdplaatsen van Java, vertrokken, en had bevel haren togt
zoodanig te regelen, dat zij zoo mogelijk kort voor, of uiterlijk op.
den 1 April voor Bleling vereenigd was. Ten einde onze plannen zoo min
doenlijk te verraden en den indruk van het verschijnen eener zóó
geduchte vloot te verhoogen, waren de maatregelen zoodanig genomen, dat
al de schepen na- genoeg te gelijker tijd op huime bestemming konden
zijn. De eskaders van Batavia en Samarang hadden zich daartoe verzameld
en vereenigd bij het eilandje GiUang, ten oosten van Madura. Het eskader
van Batavia moest vooraf het anker laten vallen voor Timor Sangsit en
daar gedurende 24 uren verblijven, ten einde den vijand te mislei- den
aangaande het door ons gekozen punt van aanvaL Mogt dit eskader door
onvoorziene gebeurtenissen vroeger voor Bleling zijn aangekomen dan de
opperbevelhebber, dan moest de luitenant kolonel van Swieten, oudste
hoofdofficier der expeditie, die zich daar met zijn batail- lon — het
13e — aan boord bevond, terstond eene voorwaartsche beweging maken tegen
Singa radja en die plaats door verrassing trachten te nemen. De noodige
voorschriften waren hem daartoe gegeven, maar aange zien de generaal de
eerste was, die te Bleling aankwam, behoefden zij niet te worden
uitgevoerd. De generaal vond te Bleling, gelijk wij zien zullen, zelfs
aanleiding om van de vertooning voor Timor Sangsit af te zien, zoodat
hij met een stoomschip tegenbevel zond en zijne troepen zoodra mogelijk
onder zijne oogen vereenigde. In den namiddag van den 2 April was dan
ook de ge- heele vloot, op geringe uitzonderingen na, voor Bleling ten
anker gekomen.
De géneraal zond al dadelijk na zijne aankomst zijneni chef van den
staf, de luitenant kolonel de Buauw, met een paar officieren aan wal,
om, met behulp der bezetting van Bleling, de eenige troepen die
voorloopig beschikbaar waren, eene zoo naauwkeurig mogelijke verkenning
te doen van de stelling te Singa radja. De luitenant kolonel de Bratjw
vond alles in den omtrek onzer schans stil en rustig; volgens berigten
van den kommandant zouden nu en dan sterke vijandelijke patrouilles de
omliggende kam- pongs bezoeken, maar overigens de geheele weerbare be-
volking naar Djagaraga zijn getrokken. Singa radja was , naar men
beweerde, met 4000 man bezet, en was dit be- weren juist, dan zou eene
verkenning, met ten hoogsten 120 man ondernomen, vermoedelijk weinig
kunnen uit- rigten.
Zij werd niettemin den volgenden morgen — 29 Maart — ondernomen.
Even voor zes ure reeds was de Beauw met zijne 120 bajonetten binnen
de onbewaakte linie gedrongen. Hij vond de versterkingen daar, waar zij
den grooten weg doorsneden en verder naar de oostzijde, in goeden staat;
de borstwering was 2.5 Ned. ellen hoog, de grachten 4 è. 5 ellen breed
en diep. Er waren digte en zware heggen aanwezig op den
buitengrachtsboord en berm; voor de gracht lagen verscheidene reijen
wolfskuilen. Hier was de linie derhalve stormvrij ; maar meer naar de
westzijde waren, én gracht, én bostwering in eenen vervallen toe- stand
en de heggen gedeeltelijk uitgeroeid. Daar kon bijgevolg eenen storm
gelukken. Het terrein voor de borstwering was echter zeer moeijelijk en
bestond uit op- loopende natte rijstvelden, waarop het gewas tot halve
rijpheid was gekomen. Ware er gelegenheid geweest zich met ongeveer 100
man in de linie vast te nestelen, dan zou DE Bratjw daartoe zonder
aarzelen zijn overgegaan. Die gelegenheid bestond echter niet, en hoewel
zich niet meer dan een vijftigtal gewapende Baliërs in de verte ver-
toonden , werd het zeer gewaagd geacht zulk eene geringe magt, als men
vermogt af te zonderen, hier zonder eenige dekkingsmiddelen en bijna in
het open veld achter te laten. Men had zich echter overtuigd, dat een
coup de main alle kans van slagen had, en er schoot niets over dan
daartoe later over te gaan. De Brauw keerde der- halve met de zijnen
naar Bleling terug.
De opperbevelhebber had met de Etna intusschen, ge- durende de
verloopen 24 uren, eene reis naar Banjoewangie gedaan, om den kapitein
adjudant Jhr. van Gapellen, die zich daar ophield, af te halen. Tevens
had hij van daar naar Bali willen medenemen een gezantschap van den
radja aan Bleling, dat hij slechts in het gebied van dien vorst wilde te
woord staan. Het gezantschap was door den heer van Capellen bereids naar
Bali teruggen zonden, doch had eenen brief van den radja achtergela- ten
, die echter weinig meer dan algemeene bewoordingen en uitvlugten
bevatte. Van meer gewigt waren evenwel de overige tijdingen , die te
Banjoewangie werden verno- men. De vorst van Bangli had het verzoek
gedaan, om, terwijl wij in het Blelingsche oorloogden, eenen inval te
mogen doen in het landschap Batoer, dat hem vroeger door Bleling was
ontnomen, ten einde zich daarvan op nieuw meester te maken. Daar hij
alzoo in den rug onzer te Djagaraga opgestelde vijanden werkzaam zou
zijn, werd hem dit verzoek ingewilligd. Voorts vernam men, dat te Pee-
temoe, westelijk van Singa radja, 5000 man Blelingsclie troepen waren
gelegerd, die de bestemming hadden ons, bij het voorwaarts trekken, in
den rug te verontrusten. Dit laatste bragt evenwel geene verandering te
weeg in de gemaakte plannen , want men begreep te regt, dat die 5000
man, waren zij door onze troepen slechts eenmaal gescheiden van hunnen
vorst en den goesti Djilantlek , wel van zelve zouden verloopen. De
latere gebeurtenissen hebben dit vermoeden bevestigd; althans men heeft
later nimmer verder iets van die 5000 man vernomen.
Zoodra de generaal Michiels van zijnen chef van den staf vernam, in
welken staat de werken van Singa radja zich bevonden, achtte hij het van
het hoogste gewigt, den vijand geen tijd te geven die te herstellen. Hij
had echter zelfs den volgenden dag — 30 Maart — nog geene troe- pen ter
zijner beschikking, om ze al dadelijk te doen be- zetten, en besloot
derhalve van de vertooning voor Timor Sangsit af te zien, en, gelijk
gezegd is, het Bataviaasch eskader, van welks nadering men berigt had,
terstond voor Bleling te doen ankeren. Het fregat de Prins van Oranje,
tot dit eskader behoorende , en aan welks boord de kom- mandant der
zeemagt zijne vlag had geheschen, was het eerste aldaar aangekomen. Daar
het zich liet aanzien, dat de overige schepen de reede niet voor den
nacht zou- den bereiken en de generaal, zoo mogelijk in den vroegen
morgen van den 31 , zijne plannen ten aanzien van Singa radja wilde ten
uitvoer leggen, liet hij aan den kom- mandant der zeemagt verzoeken, den
anderen morgen de beide kompagniën infanterie, die op het fregat waren
in- gescheept, tijdig naar wal te zenden en die te versterken door eene
landingsdivisie van 250 matrozen en mariniers. De vice admiraal
Machielsen meende echter, ongeacht de volkomene gegrondheid van des
generaals inzigten en wenschen, naar aanleiding van ministeriëele
voorschriften, niet bevoegd te zijn ook matrozen te ontschepen , en
stelde derhalve slechts 80 mariniers ter beschikking van den
opperbevelhebber. Groot was de teleurstelling van deze; hij kon wel is
waar, door de tijdige komst van andere schepen , nog op denzelfden 31
Maart , aan zijne plannen gevolg geven, maar de zoo noodwendige goede
verstand- houding, tusschen hem en den kommandant der zeemagt, had €en
gevoeligen knak ondergaan.
Daar de militaire rang van den kommandant der zee- magt hooger was
dan die van den opperbevelhebber, zoo moest hunne verhouding reeds van
zelve van zeer teederen aard zijn. De gouverneur generaal had het bevel
over de voor Bali bestemde vloot, gaarne aan een officier van minderen
rang opgedragen, ten einde deze geheel en al onder de bevelen van den
generaal Michiels te kunnen stellen, maar de regten van den kommandant
der Indische zeemagt waren, in voorschriften van het opperbestuur,
zoodanig afgebakend, dat zonder zijne toestemming daar- toe niet kon
worden overgegaan. Daar de vice admiraal Machielsen nu begeerd had zelve
de zeemagt in de wate- ren van Bali te kommanderen, moest men aan die
begeerte toegeven en zich vergenoegen zoowel hem als de opper-
bevelhebber der expeditie, tot het handhaven eener goede
verstandhouding, aan te sporen. Het verbreken daarvan kon hoogst
nadeelig op den verderen gang der zaken werken; maar de menschkundige
wijze, waarop de gouver- neur generaal Eochussen, bij het ontvangen der
klagten van den generaal Michiels, tusschenbeiden trad, had ten gevolge,
dat het dreigende gevaar werd afgewend en voortaan eene gewenschte
overeenstenmiing bleef heerschen.
In den vroegen morgen van den 31 Maart stonden aan het strand van
Bleling vier kompagniën van het 7e bataillon infanterie, gekommandeerd
door den luitenant kolonel le Bron de Vexela, en 120 mariniers, te zamen
ruim 700 hoofden, geschaard. Met de 3 ^ bergbatterij rukten deze
troepen, onder bevel van genoemden hoofd- officier, naar Singa radja op
en marcheerde de versterking, zonder den minsten tegenstand, binnen. De
chef van den staf , die hen geleidde , merkte op , dat de vijand sedert
de gemaakte verkenning aan den arbeid was geweest en op verschillende
plaatsen herstellingen had gemaakt; het bleek derhalve, dat spoed hier
meer dan noodzakelijk was geweest. Naarmate nu de overige schepen ter
reede kwamen, werd met ijver voortgegaan met het aan wal brengen van
troepen, koelies, paarden, materieel^ munitie, levensmid- delen en
slagtvee. De troepen begaven zich achtereen- volgend naar Singa radja;
den 2 April reeds konden de ontscheepte mariniers van daar naar boord
terugkeeren en op den 4 waren al de troepen er vereenigd. Alleen het
belegerings- en reservepark was op last van den opperbe- velhebber, met
het daartoe behoorend personeel, voor- loopig aan boord gebleven. De
opperbevelhebber had zijn hoofdkwartier in den sedert 1848 ontruimden
vorste- lijken kraton gevestigd. Hij had thans, de kaders mede-
gerekend, ruim 7000 hoofden rondom zich vereenigd; voor dit alles was in
het uitgestrekte, maar geheel door de inwoners verlaten Singa radja,
ruimte en huisvesting in overvloed aanwezig. Al dadelijk was men
begonnen die plaats geheel in te rigten tot een punt van uitgang voor
verdere krijgsverrigtingcn. De gemeenschap met het strand werd verbeterd
en verzekerd door het slaan van brug- gen en het in goeden staat brengen
der wegen ; er werden maatregelen genomen tot het bouwen eener redoute ,
het daarstellen van een hospitaal en het inrigten van berg- plaatsen
voor materieel, oorlogs- en mondbehoeften. Het doen van verkenningen
werd daarbij niet verzuimd, doch van den vijand zag men niets ; men
vernam slechts , dat hij al zijne krachten te Djagaraga had verzameld,
en ont- waarde zijn aanzijn alleen door het droogloopen der wa-
terleidingen, die hij hooger in het gebergte had opgestopt, tot groot
ongerief ,van de menigvuldige menschen en paarden, die te Singa radja
waren vereenigd.
Intusschen hadden er gebeurtenissen plaats, die duidelijk verrieden,
dat de Baliërs al deze voorbereidingen tot eenen aanval op hunne
hoofdstelling, niet zonder onge- rustheid aanzagen.
Wij hebben reeds gemeld, dat te Banjoewangie een gezantschap van den
vorst van Bleling was aangekomen, en dat de generaal geweigerd had, het
elders dan in het gebied van dien radja te woord te staan. Op den 31
Maart, denzelfden dag waarop onze troepen binnen Singa radja waren
getrokken, kwam het zich te Bleling aanmelden, en bragt namens zijnen
vorst verzekeringen van trouw, vriendschap en onderwerping aan het
gouverne- ment. De radja van Bleling zou, volgens mededeeling der
gezanten, slechts wenschen teregt gewezen te worden, hoe hij het
gouvernement kon bevredigen.
De generaal gaf in korte en kernachtige bewoordingen tot bescheid,
dat hij geene briefwisseling wenschte te ope- nen, dat geene
onderhandelingen den voortgang der krijgs- verrigtingen zouden stremmen
en hij al zoodanige punten door zijne troepen zou laten bezetten, als
hij nuttig achtte; dat hij evenwel geene dadelijke vijandelijkheden zou
laten plegen, zoo lang de bevolking rustig en lijdzaam bleef, en dat hij
overigens niets anders dan eene ontmoe- ting met den radja in persoon,
ter plaats waar de gang der zaken hem mogt brengen, als een geldig
bewijs van vredelievende gezindheid kon aannemen.
Den 2 April verscheen te Bleling een nieuw gezant- schap, uit
personen van hoogeren rang dan het vorige za- mengesteld. Het bragt,
namens de radja^s van Bleling en Karang Assam, het verzoek over, den
opperbevelhebber te Sangsit te mogen ontmoeten en overhandigde tevens
eenen brief voor den gouverneur generaal. Stijl en taal van dezen brief
waren zeer voegzaam en hij bevatte zelfs eene erkenning onzer
souvereiniteit , iets wat tot nog toe bestendig achterwege was gebleven.
De generaal weigerde dit gezantschap te ontvangen, maar liet eenvoudig
ten antwoord geven, dat hij de radja^s nergens dan in onze redoute te
Bleling of in zijn legerkamp te Singa radja kon wachten; hij liet hun
voorts in hun belang raden, die ontmoeting niet te lang uit te stellen ,
dewijl , na het beginnen der vijandelijkheden, al ware het ook door onze
bondgenooten , bijv. den radja van Bangli , de ver- overde landschappen
voor goed zouden verloren zijn.
Dit scheen indruk te maken, want reeds den volgen- den dag kwamen
gezanten van den hoogsten rang — alle ida^s — het berigt brengen, dat de
radja van Karang Assam en de rijksbestuurder van Bleling, goesti
DniiANTiEK, zich des anderen daags, zijnde den 4 April, te Singa radja
bij den generaal zouden vervoegen. De gezanten vroegen voor de beide
personagien de vergun- ning, zich door eenige gewapende volgelingen,
waarvan het getal door hen op ongeveer 1500 man werd geschat, te doen
verzeilen. De generaal antwoordde hierop dat zij zooveel volgelingen
konden medebrengen als zij ver- kozen en dit antwoord, door de Baliërs
letterlijk opge- vat, gaf aanleiding tot eene ontmoeting, tusschen twee
vijandelijke legerbenden, van zoo zeld^amen aard, dat de
krijgsgeschiedenis daarvan welligt geen ander voorbeeld kan aanwijzen.
Eene ontmoeting overigens, waarvan de bijzonderheden evenzeer getuigen
voor de krijgstucht der onzen, als voor die, welke goesti Djilantiek aan
de zijnen had weten in te prenten.
Aangezien de waterstand in de rivieren , in den nacht tusschen den 3
en 4 April, door zware regens, die in het gebergte gevallen waren,
plotseling zeer was toege- nomen, en de bereids in de nabijheid van
Singa radja door ons geslagen bruggen, door de kracht van den bandjer
waren weg gerukt , was het, ten gevolge der ge- stremde gemeenschap,
onmogelijk de ontmoeting op den bepaalden dag te doen plaats hebben.
Eerst den 7, toen het water voldoende gedaald en de bruggen hersteld
waren, kon zij voortgang hebben.
Twee bataillons infanterie met de batterij 6 ponders, stonden in de
groote breede straat, die de kampong Singa radja doorsnijdt, in linie
geschaard, terwijl de beide andere bataiUons aan het einde dier straat,
die amphitheatersgewijze opliep, in geslotene kolonnes ston- den en de
bergbatterij voor zich hadden. Binnen den ringmuur van den kraton, waar
de generaal zijn hoofd- kwartier had en de vorsten zou ontvangen, waren
twee kompagnien infanterie opgesteld. De generaal was bij de ontmoeting
omringd door een talrijken stoet van officie- ren, slechts voor hem en
voor den vorst van Karang Assam waren stoelen geplaatst, de goesti
Djilantiek moest, even als de overige aanzienlijke Baliërs die tegen-
woordig waren, op den grond plaats nemen.
Het bevel over de troepen was opgedragen aan den luitenant kolonel
van Swieten, die de noodige maatre- gelen genomen had, niet alleen om
met die troepen eene indrukwekkende vertooning te maken, maar ook om des
noods met kracht tot het gebruik der wapenen zijne toevlugt te kunnen
nemen.
Tegen een uur werd de komst eener sterke voorhoede van Baliërs
aangekondigd; de kapitein adjudant Jhr. van Cafelusn werd daarop met het
peloton ruiterij afge- zonden, om den vorst aan deze zijde der rivier te
ont- vangen en naar den kraton te geleiden. De meeste stilte werd der
troepen aanbevolen, en ten einde alle misver- stand voor te komen , werd
bevolen hoegenaamd geene eer- bewijzingen te doen. Een uur later waren
reeds 8000 man, met lansen en geweren gewapend, binnen de kampong
getrokken, en nog kon men het einde niet zien van den stoet, die den
vorst vooraf ging. Bij menigeen be- gonnen duistere vermoedens te rijzen
over den rustigen afloop der zamenkomst; men verdacht de Baliërs wel
niet van trouwelooze voornemens, zij wisten immers niet welke
maatregelen door ons waren genomen en die maatregelen konden even goed
zoodanig zijn, dat zij in eenen strik gevallen waren , als van eenen
aard , om hen te vergun- nen ons eenig kwaad te berokkenen, maar men
besefte, dat de minste misvatting aanleiding vermogt te geven tot
botsingen, waarvan de gevolgen allerschromelijkst konden wezen. Zoo deed
bijv. het schouderen en "af- zetten der geweren bij het 13e bataillon,
reeds eenige opschudding onder de Baliërs ontstaan, vele wilden vlug-
ten en andere velden hunne lansen, tot zij gewaar werden, dat hunne
vrees geheel zonder grond was. Er was overigens aan de zaak thans geene
andere wending meer te geven; men kon den verderen stoet van den vorst
niet afwijzen, het was nu boven alles zaak, hem zelf binnen Singa radja
te laten komen, en de gene- raal was bovendien door zijn eens gegeven
woord ge- bonden. Welligt ook dat de sympathie, die hij eeniger- mate
voor de Baliërs gevoelde, hem deed gelooven, dat zij veilig op eene
ridderlijke wijze konden worden bejegend.
Omstreeks ten drie ure na den middag, naderde ein- delijk de radja
van Earang Assam in persoon met den goesti -Djilantiek, en toen de
laatste man van hun ge- volg de kampong was binnen getrokken, kon men
het geheel aantal gewapende Baliërs wat zich daar bevond, veilig op 10
è. 12000 man schatten. Allen werden zon- der moeite op 10 of 12 passen
afstands tegen over de beide in bataille geschaarde bataillons opgesteld
; zij ston- den op 5 en 6 gelederen en bovendien waren alle aan-
grenzende dwarsstraten met volk opgevuld. Zij waren alle gewapend met 12
è. 14 voet lange en rood geverwde lansen; misschien zullen zij 1500
geweren hebben be- zeten van allerlei vorm en maaksel. Onze krijgslieden
herkenden daaronder de geweren hunner kameraden, die in den vorigen
veldtogt gesneuveld waren, en ook eene walbus, benevens het jagtgeweer
van den kapitein Dostal, die toen insgelijks eenen eervollen dood had
gevonden. In hun midden voerden zij een groot geel vaandel, met zwarte
karakters beschilderd.
De vorst van Karang Assam was een man van mid- delmatige lengte en
omstreeks dertig jaren oud; zijne gelaatstrekken kenschetsten den man
van hoogeren stand, maar de uitdrukking daarvan was weinig beteekenend
en duidde hoegenaamd geene geestkracht aan. — De goesti Djilantiek had
eene fraaije gestalte en een welgevormd ovaal aangezigt, met een regte
niet breede neus; zijn gelaat ofschoon het voor den oogenblik
onderwerping te kennen gaf, verried vasten wil en zielskracht, zijn blik
was sluw en zijne gebaren levendig. — De kleeding van beide was nagenoeg
dezelfde : een rood merinos baadje , rijk met gouden en diamanten
knoopen bezet, eene witte zeer korte broek, verder ontbloote beenen, en
een van gouddraad gewerkte gordel, waarin eene kostbare kris stak ;^ om
het hoofd, waarvan de haren sierlijk krulden, droegen beide eene smaUe
strook wit linnen, waarin dé vorst een klein groen takje, en de goesti
eene roode bloem (kumbang sapatoe) gestoken had. De priesters die hen in
groote menigte verzelden, waren alle oude grijze lieden, met een
eerbiedwaardig voorkomen, die op de- zelfde wijze, doch minder rijk,
gekleed waren.
De radja, benevens de goesti en ongeveer 300 gewa- pende volgelingen,
traden den kraton binnen. De radja nam plaats tegenover den
opperbevelhebber en de overige hurkten naar: inlandsche wijze op den
grond neder.
De vorst van Karang Assam nam vervolgens het woord en vroeg
vergiffenis, zoowel voor zich zelven als voor den radja van Bleling,
zijn broeder. Hij gaf de verze- kering dat zij beide niets liever
wenschten, dan zich aan het gouvernement te onderwerpen, en al de voor-
waarden na te komen, die men hun mogt willen voor- schrijven.
De opperbevelhebber eischte daarop van hen het na- volgende:
Geheele erkenning van het oppergezag van het gouver- nement over
hunne rijken;
Het ontruimen en aan hem overgeven der versterking van Djagaraga;
Het slechten dier versterking binnen zekeren tijd, doch onmiddelijk
te beginnen;
De uitlevering van deserteurs;
De uitlevering van alle tijdens de vorige expeditie in hunne handen
gevallen wapens;
Vervulling der in vroegere jaren met het gouvernement gesloten
contracten^ met uitzondering van de betaling der oorlogskosten; en
Het gereedmaken van een gezantschap uit personen van rang
zamengesteld^ ten einde naar Batavia te worden overgebragt om daar, van
wege de vorsten, den goa- vemeur generaal brieven van onderwerping aan
te bieden^
De generaal gaf hen voorts te kennen, dat de krijgs^ verrigtingen
door het gebeurde niet zouden worden ge- staakt, maar dat hij voort zou
gaan met alles gereed te maken, om eerlang tegen Djagaraga te kunnen
oprukken. Hij deelde hun nog mede, dat de voorwaarden door hem gesteld,
nog de goedkeuring van den gouverneur generaal vereischten, maar dat hij
aan die goedkeuring niet twijfelde en hun derhalve de verzekering gaf,
dat zijne excellentie, evenmin als hij dit gedaan had, zou aandringen,
noch op de ontzetting der vorsten, noch op de uitlevering van den goesti
Djilantiek, noch op de betaling der oorlogskosten, noch eindelijk op den
a£stand van grondgebied. De generaal beloofde ten slotte, dat hij den
kraton te Djagaraga, de laatste ver- blijfplaats die den vorst van
Bleling was overgebleven, zou sparen.
De vor«t van Kaxang Assam en de goesti Djilantiek namen deze
voorwaarden, voor hen zelve en voor den radja van Bleling, in hun geheel
aan; zij beloofden, dat met hét Plechten der versterkingen van Djagaraga
onmidddgk eenen aanvang zou worden gemaakt en verzochten, dat de
generaal het bezoek van den radja van Bleling mogt wil- len ontvangen te
Sangsit, werwaarts hij te kennen had gegeven, zijn hoofdkwartier te
willen verplaateen, het- geen werd ingewiUigd.
De afwezigheid van den radja van Bleling, op dien dag, werd door
zijnen rijksbestuurder verklaard door de groote schroomvaUigheid van den
vorst, die hem ver- hinderd had te midden van de Nederlandsche
krijgsmagt te verschijnen. Inderdaad evenwel moest zij toegeschre- ven
worden aan een nationaal vooroordeel, dat een groot onheil voorspelt aan
eenen vorst , die zijnen kraton betreedt, nadat deze door eenen vijand
is veroverd en bezet.
Hiermede nam de bijeenkomst een einde. Het was omstreeks vier uur
toen de Baliërs Singa radja weder verlieten in dezelfde orde, waarin zij
gekomen waren. Terwijl zij tegen over onze troepen geschaard stonden,
hadden eenigen hunner, die Maleisch spraken, de hoop geuit van nu
eindelijk naar hunne haardsteden te kunnen terugkeeren, daar zij sedert
bijna vier jaren geen rust hadden gehad, zij bekenden in het vorige jaar
groote verliezen te hebben geleden en verhaalden dat de mond- togt
binnen Djagaraga schaarsch' begon te worden.
Zoo liep dan deze ontmoeting, die zoo menigeen, niet zonder reden,
met zorgelijke bedenkingen vervuld had , ten einde, zonder tot
schadelijke verwikkelingen ge- Idd te hebben.
De redenen die den opperbevelhebber aanspoorden , om de voorwaarden
aan de beide vorsten opgelegd, zóó en niet anders te stellen, zullen uit
onze inleiding wel vol- doende duidelijk zijn. Aangaande het niet
uitleveren van den goesti Djilantiek zij nog aangemerkt, dat ook de
generaal den eisch daartoe, in het vorige jaar gedaan, als een der
voorname redenen beschouwde van den krachtigen tegenstand, die men toen
had gevonden en dat het hem toescheen , niet met de billijkheid overeen
te komen, daarop te blijven aandringen, nu men aan eenen aanval op een
der flanken van die stelling, behoefde men daarom niet af te zien,
dewijl dit, volgens thans ingewonnen berigten — die echter later
geenszins wer- den bevestigd — langs een der ruggen, die van het
hoofdgebergte naar het strand loopen, evenzeer mogelijk zou wezen.
Hoeveel nutteloozen arbeid er nu ook, tot groot leed- wezen van den
opperbevelhebber, was verrigt door het vervoeren van zoo vele
benoodigdheden naar Singa radja, die nu weder van daar teruggebragt
moesten worden, zoo had toch de bezetting van die plaats zijn nut gehad.
De landing had er ongestoord door plaats gehad en de vijand was er
belangrijk door bemoeijelijkt geworden in zijnen aanvoer van leeftogt
uit het westelijk gedeelte van Bleling, zoodat die te Djagaraga, yolgem
verschillende be rigten, allengskens schaarsch begon te zijn. Het
achterla- ten eener bezetting te Singa radja werd dus zelfs in overwe-
ging genomen, maar bij nader inzigt, kwam het meer wen- schelijk voor de
krachten der expeditie niet te verdeelen.
Uit het vorenstaande blijkt op nieuw met hoevele moeijelijkheden de
oorlogsvoering in Indië verzeld gaat. Door volkomen gemis van kaarten en
goede beschrijvin- gen der landen waarheen hij gezonden wordt, is de
aan- voerder verpligt zijne plannen, voor zoo veel hij ze noodwendig
vooraf moet beramen, te gronden op inlich- tingen, die maar al te vaak
blijken geheel onjuist te zijn. Doch eer hij van die onjuistheid
overtuigd is, heeft hij aan zijne troepen reeds noodelooze vermoeije-
nissen opgelegd; later moet hij zijne plannen wijzigen en loopt dan
gevaar den schijn op ziah te laden van wei- felend en wispelturig te
zijn. De oprigting, aan het nii- litair departement, van een bureau voor
topographie en militaire statistiek^ van een wetenschappelijk
middelpunt^ waar alle berigten aangaande de verschillende landen en
volken van den Indischen archipel, die voor de krijgs- voering eenige
waarde hebben, te zamenvloeijen en geor- dend worden, is dan ook eene
dringende behoefte, wier bevrediging reeds veel te lang is verschoven.
Eeeds op den 6 April werd aan den vice-admiraal kommandant der vloot
verzocht, een gedeelte der schepen naar Sangsit te doen stevenen en den
8, vroeg in den morgen, werd eenen aanvang gemaakt met het ontruimen van
Singa radja.
Het 13e bataiUon infianterie met de halve bergbatterij, benevens
eenige sappeurs en kavaleristen, alles onder bevel van den luitenant
kolonel van Swieten, gingen het eerst naar Sangsit. Zij vonden de plaats
bezet door eenige dui- zende gewapende en alle in het rood gekleedde
Baliërs. Hunne houding was niet vijandig, maar gaf te kennen, dat zij de
onzen als bij verdrag binnen lieten. Zij ontruimden de groote kampong
ook niet geheel en het kostte zelfs eene langdurige onderhandeling, en
eindelijk eenig vertoon van de wapens te willen gebruiken , om hen te
nopen, die wijken te ontruimen, waarvan het bezetten door den lui-
tenant kolonel van Swieten noodig werd geacht, hetzij voor zijne
veiligheid, hetzij voor de huisvesting van den opperbevelhebber en de
nog verwacht wordende troepen. De houding der Baliërs te Sangsit duidde
nog in geenen deele eene volkomen onderwerping aan en noopte de Ne-
derlanders aldaar, tot de grootste waakzaamheid en be- hoedzaamheid.
Op den 11 April was Singa radja geheel ontruimd en waren al de
troepen, met hun materieel en oorlogsbe- hoeften, te Sangsit gevestigd.
De vloot lag voor die plaats
op de reede, alleen was het fregat de Eijn voor Bleling achter
gebleven, om dit gedeelte der vijandelijke kust te blijven gadeslaan.
Op denzelfden dag had er, met goedvinden van den opperbevelhebber,
aan de overzijde der rivier van Sang- sit — die ten oosten der kampong
stroomt — eene bijeenkomst plaats gevonden van den kapitein adjudant
Jhr. VAN Capellen met den goesti Chlantiek en den rijksbestuurder van
Karang Assam. De beide laatste gaven daarin op nieuw de verzekering van
de volkomen onderwerping hunner vorsten en van het ernstige voor- nemen
wat bij deze bestond, om de hen opgelegde voor- waarden getrouw na te
komen. Zij deelden mede, dat de weg naar Djagaraga in goeden staat
gebragt zou wor- den, en dat de troepen op den 15 April konden binnen
rukken. Voorts gaven zij kennis dat de radja van Ble- ling, vergezeld
van dien van Karang Assam, op den 13 het afgesproken bezoek aan den
generaal zou komen brengen.
Toen de beide radja's op dien 13 April verschenen, wa- ren zij
andermaal verzeld van eene groote menigte gewar penden, in weerwil dat
hunne rijksbestuurders aan den kapitein adjudant Jhr. van Cappellen
hadden beloofd, dat zulks niet meer zou geschieden. Die gewapenden
hadden alle, even als te Singa radja, de spitzen hunner lansen van de
scheden ontdaan, hetgeen men later vernam, dat hier, gelijk op Java, een
teeken van vijandschap is. Deze handeling werd evenwel door de onzen
niet dadelijk aldus begrepen, dewijl zij destijds nog niet voldoende met
de Balische zeden en gebruiken bekend waren. Hoewel de verzekeringen der
vorsten steeds dezelfde bleven, merkte men toch in al hun doen en laten
meer hoogmoed en eigendunk op. Vooral vond men den goesti Djilantiek
niet alleen buitengewoon vrolijk en opgeruimd, maar vooral zeer vrij in
zijne manieren Zonder dat hij juist oneerbiedig was, kenteekende zijne
houding toch geheel iets anders dan de onderwerping, die hij te Singa
radja had betoond. Bij velen begon toen reeds het ver- moeden tot
rijpheid te komen, dat hunne verzekeringen niet opregt waren. Men vond
er teregt iets uittartends in, dat zij weder met zooveel volks in het
hoofdkwartier van den generaal verschenen, en dit, in weerwil men hen
het minder raadzame en onwelvoegelijke daarvan had onder het oog
gebragt. Alles verkreeg meer en meer den schijn als of de Balische
vorsten slechts tijd zochten te winnen en als of zij aan de bevolking
wilden diets maken, dat de Nederlandsche troepen niets liever ver-
langden dan terug te keeren, en dat de vorsten zich slechts onledig
hielden, met hun de voorwaarden voor te schrijven, onder welke hen een
ongestoorden aftogt zou kunnen worden vergund.
De generaal Michiels gaf hen eenvoudig te kennen, dat hij zijne
troepen den 15 werkelijk binnen Djagaraga zou laten rukken, en dat reeds
in den namiddag van den 13 eenige officieren naar die sterkte zouden
gaan, om te onderzoeken, of geschut en voertuigen zich, zonder hinder,
zouden kunnen bewegen langs den derwaarts voerenden weg. Ook werd
bepaald, dat op den 18 een gezantschap van de beide vorsten naar Batavia
zou ver- trekken, om, namens hen, zeer eerbiedige brieven aan den
gouverneur generaal over te reiken.
In den namiddag gingen den chef van den staf, luitenant kolonel de
Bbatjw, met den chef der artillerie, luitenant kolonel Meis, en den wnd.
chef der genie, majoor Steinmbtz (1), verzeld van een peloton ruiterij,
naar Djagaraga. Men vond, dat de overgang der rivier van Sangsit
moeijeiijk was en voor het geschut moest verbeterd worden; de weg liep
rijzende door dat gedeelte der kampong Sangsit, dat aan de overzijde der
rivier lag; hij was tamelijk breed, doch had hier en daar gaten en
kuilen, vermoedelijk door zware regens ontstaan; hij sloeg vervolgens
regts af en ging in eene zuidooste- lijke rigting, over klimmend en
heuvelachtig terrein, naar Djagaraga. Nu en dan ontmoette men
kreupelhout en maïsvelden. Weldra kreeg men een ruim uitzigt naar alle
zijden en zag men in het oosten de kampongs Boenkoelan en Timor Sangsit
liggen, die, tijdens de tweede expeditie, door onze troepen waren bezet
geweest. Men ging een paar kleine, op voordeelige punten ge- legen,
lunetten voorbij en vond dat de weg, nader bii koelan komt. De toegang
tot de werken moest dus uit de beide kampongs, op hetzelfde punt, plaats
hebben. De weg werd een weinig verder gesneden door eene 7 è. 8 Ned.
ellen breede doorgraving, die twee ravijnen met elkander verbond. Over
die doorgraving was eene brug van pinangboomen geslagen, die echter te
zwak werd bevonden voor de 6 ^ batterij, en door de Baliërs, naar zij
beloofden, zou worden verbeterd. Eindelijk kwam men voor eene rei
redouten, in eene van welke de Ne- derlandsche officieren werden
binnengelaten. Voor zoo- veel het doenlijk was, werden de werken
opgenomen. Men zag echter hoegenaamd geene aanstalten gemaakt , tot het
vernielen dezer verschansing, maar vond daaren- tegen een aantal Baliërs
ijverig werkzaam aan het ver- sterken en geheel in goeden staat brengen
eener volko- men nieuwe redoute van zwaar profil en groote afmetingen.
Een zeer naauwe doorgang werd aangewezen als die, welke voor den intogt
der troepen bestemd was.
Daar de avond reeds begon te vallen, drong men er niet op aan, om de
bezigtiging der werken nog verder voort te zetten. Hetgeen men gezien
had, liet evenwel eenen weinig bevredigenden indruk na, en deed het ver-
moeden van onopregtheid en trouweloosheid, wat ten aan- zien der
Balische vorsten reeds tijdens de laatste bijeen- komst was gerezen,
meer en meer in zekerheid overgaan.
Nadat de generaal het verslag der teruggekeerde officie- ren had
aangehoord, begon ook bij hem sterken twijfel te rijzen aan den
vredeUevenden afloop der onderhande- lingen. Hij zond den volgenden
morgen den kapitein adjudant Jhr. van Cabellen, met de chefs der
artillerie en genie, nogmaals naar Djagaraga, om aan de vorsten te
berigten, dat hij op den 16 niet in schijn, maar in vol- komen
werkelijkheid van de verschansingen van Djagaraga bezit nemen en daar
binnen volkomen heer en meester wilde zijn; dat hij niet begeerde door
eene poort naar binnen te gaan, maar dat hij verlangde op de plaats,
daar- toe door de chefs der artillerie en genie aan te wijzen, eene bres
geopend te zien, die breed genoeg moest wezen, om hem, aan het hoofd
zijner troepen, een ruimen doortogt te vergunnen; dat deze beide chefs
ook vooraf dat gedeelte der werken zouden aanduiden, wat min of meer als
sleutel der stelling te beschouwen was, en dus al dadelijk door de onzen
zou worden bezet, en eindelijk, dat hij te Dja- garaga geen der vorsten
ontmoeten, noch iemand van hunne gewapenden zien wilde, maar dat alleen
de goesti Djilantiek ter plaatse moest wezen, om de verschan- singen aan
hem over te geven.
De afgezonden officieren keerden zonder antwoord van de vorsten
terug; in den namiddag zonden deze echter het berigt, dat zij zich aan
de gedane beloften wenschten te houden, maar hun zendeling vermeed
daarbij over de nadere eischen van dien dag te spreken. De generaal liet
hierop aan de beide radja's weten, dat, wanneer uiter- lijk vóór 6 uur
in den morgen van den 15, geene ken- nisgeving van hen was ontvangen,
dat zij hadden doen beginnen met het slechten der werken, hij de
vredeson- derhandelingen als afgebroken beschouwen en aan de troepen
onmiddelijk bevel geven zou om tegen Djagaraga op te rukken.
Tegen den avond werd eene dagorder uitgevaardigd, die inhield, dat de
troepen den volgenden morgen vroeg in twee kolonnes zich in beweging
zouden stellen.
De eerste kolonne, waarbij de opperbevelhebber met zijnen staf zich
zoude ophouden, kwam onder de beve^ len van den luitenant kolonel van
Sweeten en bestond uit het 5e bataillon infanterie, onder den luitenant
ko- lonel Helbach; het 13e bataillon, onder den Majoor Sobg; de 6 ^
batterij, onder kapitein Kjelleuman; de kompag- nie sappeurs, onder den
1ste luitenant Haitink; het peloton ruiterij, onder den 2de luitenant
Stein en de hulptroepen, onder kapitein Pieplenbosch.
De tweede kolonne werd gesteld onder de bevelen van den luitenant
kolonel le Bron de Vexela, en bestond uit het 7e bataillon infanterie,
gekommandeerd door den majoor ïïemmes; twee mortieren è. llj- dm., onder
den 2de luitenant Eekhout , en 20 sappeurs , onder den 2de Itdtenant
Egtee van Wissekebjo:. Zij was bestemd om onder de leiding van den chef
van den staf, luite- nant kolonel de Beauw, eene verkenning langs den
lin- ker oever van de rivier van Sangsit te doen en te on- derzoeken of
de vijandelijke werken aan die zijde waren om te trekken.
De reserve bestond uit het 3e bataillon infanterie, onder den
luitenant kolonel Poland, en de bergbatterij (3 ^^s), onder den kapitein
van Maanen. Zij moest voorloopig te Sangsit achterblijven. Het gedeelte
van deze kampong, wat aan zee gelegen is, (Sangsit di Loear of Sangsit
buiten) werd bezet door 100 mariniers van de vloot.
De troepen moesten zich voorzien van gekookte levens- middelen voor
een dag, die de soldaten zelve zouden dragen, verder moest er nog voor
twee dagen levens- middelen afgepakt en gereed gehouden worden, om later
door koelies te kunnen worden vervoerd. De officieren werden
uitgenoodigd hunne bagage achter te laten. Be- halve de 50 patronen,
waarvan ieder man voorzien was, werden er bij de hoofdkolonne nog 35,000
en bij de tweede kolonne nog 15,000 in reserve medegevoerd.
De genie ontving bevel om te zorgen voor middelen tot het overtrekken
van rivieren en grachten, het bestor- men van wallen en het bedekt
opstellen van artillerie.
Een gedeelte van het belegeringsgeschut moest nog, in den loop van
den nacht en den volgenden morgen vroeg- tijdig, ontscheept worden. De
loop der onderhandelingen had tot in den namiddag van den 14 niet laten
voorzien, dat reeds op den 15 eene vijandige beweging naar Dja- garaga
noodzakelijk zou wezen. Uit dien hoofde en ook dewijl men te Sangsit
gebrek had aan goede gebouwen, die voor magazijnen konden dienen, was
het belegerings- park nog steeds aan boord der schepen gebleven en was
in het algemeen nog slechts het hoog noodige aan wal gebragt geworden,
Zelfe nn nog achtte de generaal het veel- eer eene verstandige voorzorg,
dan eene volstrekte nood- zakelijkheid om eenig positiegeschut
beschikbaar te heb- ben. Hij had aanvankelijk dan ook alleen bevel
gegeven om het te ontschepen, zonder meer.
Vele benoodigdheden der genie waren eveneens nog aan boord; door
stalen ijver gelukte het den majoor Stedocbtz, wnd. chef van dat wapen,
die nog bij tijds aan wal te hebben. Ook de majoor Ktjyck maakte zich
bijzonder verdienstelijk bij het ontschepen der artilleriezaken, maar
kon daarin uit den aard der zaak niet zoo spoedig slagen.
De generaal Michiels verkeerde nog altijd in het denkbeeld, dat de
vorsten van Bleling en Earang Assam, wel tot de overgave van Djagaraga
zouden besluiten, wanneer zij de Nederlandsche krijgsmagt daarvoor zagen
verschijnen. Dit verklaart, waarom de stellige bevelen, die hij tot
voeding en verpleging der troepen gaf, slechts berekend waren op hunne
afwezigheid uit Sangsit, gedu- rende eenen enkelen dag; het heldert op,
waarom hij de veldbatterij zonder voorraad- en smidswagens liet mar-
cheren; het licht toe, waarom hij vóór den afmarsch hoe- genaamd geene
beschikkingen uitvaardigde voor eenen aanval op de sterkte en waarom hij
zich in beweging stelde, zonder het anders onvermijdelijk noodige
positie- geschut, wat nog niet gereed was hem te volgen, af te wachten.
Toen hij in den vroegen morgen van den 15 niets van den vijand vernam,
schijnt zijn vertrouwen op eenen rustigen afloop der zaak aan het
wankelen geraakt te zijn en gaf hij nog nadere bevelen tot het opvoeren
yan zwaar geschat naar Djagaraga. De uitvoering dezer bevelen
veroorzaakte door de behoefte aan koelies die zij te weeg bragt, zelfs
eenige stremming in het nakomen van die, welke vroeger aan de genie
waren gegeven. Dewijl dit wapen nu een gedeelte der koelies, die vroeger
ter zijner beschikking waren gesteld, aan de artillerie moest afstaan,
kon de majoor wnd. chef Steinmetz niet alles medevoeren, wat eigenlijk
noodig zou zijn geweest en besloot hij zeer juist, zich althans te
voorzien van eenige middelen tot het overbruggen van rivieren en
grachten. Had de generaal niet in de dwaling verkeerd, die wij zoo even
aanduidden, had hij eerst het eene en daarna het andere laten verrigten,
dat is, had hij vooraf alles doen lossen en gereed maken om zich daarna
op marsch te begeven, dan zou hij, op den dag van het gevecht, over een
belangrijk grooter aantal koelies hebben kannen beschikken en, in allen
deele, beter toegerust zijn geweest voor den strijd, waarin het toch
altijd mogelijk was, dat hij gewikkeld kon worden.
De versterkingen van Djagaraga waren aangelegd op een heuvelachtig en
rijzend terrein, wat hier en daar met diepe ravijnen doorsneden is , en
bevonden zich in eene zuidoostelijke rigting, naauwelijks een uur gaans
van Sangsit verwijderd. Het bedoelde terrein wordt be- grensd door twee,
nagenoeg evenwijdig loopende rivieren of liever bergstroomen , die zich
bij Sangsit en Boen- koelan in zee storten. Deze rivieren vloeijen in
hemels- breedte op omtrent 2500 schreden van elkander, maar deze afstand
wordt door allerlei terreinhindernissen, en voornamelijk door diepe
kloven, meer dan verdubbeld. Behalve in de twee genoemde stroomen, is in
den omtrek geen water te vinden, maar het naderen tot de rivier-
beddingen is^ wegens de hooge en steile rotswanden die ze omsluiten^
hoogst moeijelijk.
De hoofdstelling des vijands bestond nit vier gesloten redouten^ door
courtines en grachten aan elka&r ver- bonden. De oostelijke redoute ,
die wij no. 1 zullen noemen^ lag tegen het ravijn, waarin de oostelijke
rivier (die van Boenkoelan) stroomt. Tegen deze redoute aan- geleund ,
lag de redoute no. 2 , zoodat de westelijke zijde van no. 1 , de
oostelijke zijde van no. 2 vormde. Op twee derden der westelijke zijde
van no. 2 begon eene courtine , uit wier midden de redoute no. 3 , ook
wel die van goesti Djilantiek genaamd, geheel naar voren sprong. Op het
einde dier courtine stond bijna regthoekig eene caponnière , die naar de
meer naar onze zijde gelegen redoute no. 4 voerde. Deze laatste paalde
aan een diep ravijn dat op 8 èi 900 schreden aüstands in de oostelijke
rivier (die van Sangsit) uitliep. Deze re- doute flankeerde tevens de
geheele linie en was ook in het front door eene diepte omgeven.
Alle deze werken hadden profielen van groote a&ne- tingen. De
borstweringen waren 3 è> 3.5 Ned. el hoog en hadden eene dikte van 3 h,
4.5 Ned. el; zij waren uit harde klei opgeworpen en omgeven door drooge
grach- ter zonder bodem en van 7.5 k 8 Ned. el diepte en even veel
breedte.
Buitendien waren de redouten no. 2 en 4, die beide ver voor no. 3
uitsprongen, nog met eene diepe en breede voorgracht van dezelfde
afmetingen verbonden.
Op de buitengrachtsboorden en bermen waren heggen geplant van dadap
doerie, die , verbonden met bamboe en doorvlochten met doornachtig hout,
cactus en vriesche ruiters, ondoordringbaar waren.
In de borstweringen waren drie boven elkander ge- plaatste reijen
bamboezen kokers aanwezig, die tot schiet- gaten voor klein geweer
dienden en alle gcwigtige punten bestreken, terwijl in de saülanten,
onder bedekte geschut* standen, eenige ligte kanons en lilla^s geplaatst
waren.
Langs de borstwering die het front bestreek, bevonden zich op twee
voet van de binnenkruin, schuins afloo- pende bamboezen daken, die
voornamelijk schenen te moeten dienen tot het doen afrollen der daarop
vallende grenaten en tevens om er scherpschutters op te plaatsen. Had
men evenwel deze frontzijde kunnen enfileren, dan zouden de genoemde
daken geen wederstand hebben ge- boden aan grenaten van 20 dm., maar het
terrein ver- gunde dit niet.
Alle deze werken waren van achteren even sterk als in het front,
behalve de redoute no. 8. Deze was aan de achterzijde alleen gesloten
door eene smalle borst- wering met drie ingangen en had noch gracht,
noch heg. Voor deze redoute lagen onderscheidene reijen wolfekuilen van
scherpe bamboezen voorzien.
Er was in het geheele front geen andere ingang dan tusschen de
redouten no. 1 en 2. Hier vond men eene smalle poort, die door eene
zware verhakking gesloten en voorzien was van eene traverse, waar, de in
het vorige jaar achtergelaten houwitzer van 11^ dm., tot aan de tappen
geladen, in batterij stond.
Deze werken konden met regt stormvrij genoemd wor- den, maar zij
waren geheel tot eene lijdelijke verdediging ingerigt en gaven geene
gelegenheid tot het doen van krachtige uitvallen.
Om de flanken en den rug dezer stelling te bescher- men, waren meer
achterwaarts nog verschillende andere liniën en redouten aangel^d^
zoodat aan eene omtiekking tnsschen de rivieren van Boenkoelan en
Sangsit niet viel te denken. Eene dergelijke omtrekking kon alleen^
langs de buitenste oevers dezer rivieren gelukken en ook daar waren
redouten aanwezige die de toenadering in de flank moesten
bemoeijelijken.
Bij hunne onregelmatige ligging is het zeer moeijelijk van de meer
achterwaarts zich bevindende werken eene beschrijving te geven ^ zoodat
wij ons zullen moeten vergenoegen^ dien aangaande naar het plan te
verwijzen. Op 8 ^ 900 schreden voor het front der hoofdstel- ling bevond
zich de doorsnijding , waarover de weg van Sangsit naar Djagaraga liep.
Wij hebben daarvan vroe- ger reeds melding gemaakt en weten dus^ dat zij
twee ravijnen met elka&r verbond. Achter die doorsnijding lag een
épaulement en meer naar de zijde van Sangsit^ op voordeelige punten,
twee kleine lunetten , waarover wij eveneens reeds gesproken hebben en
die als voor- werken van Djagarflga konden worden beschouwd.
Volgens ingewonnen berigten bestond de bezetting der vijandelijke
werken uit ongeveer 15000 man, waarvan er 2000 met geweren, de overige
met zeer lange lansen waren gewapend.
De troepen stelden zich in den morgen van den 15, juist ten 6 uur, in
beweging. De hoofdkolonne begaf zich regtstreeks naar Djagaraga; zij was
ruim 2400 hoof- den sterk en marcheerde in de volgende orde: 2
kompagniën van het ISe bataillon infemterie als voorhoede ; de kompagnie
sappeurs; de halve 6 <ffi batterij; 5 kompagniën van het 18e bataillon
infanterie; de andere halve 6 ^ batterij ; . het 5e bataillon in&nteriey
hebbende eene kompagnie bij den veldtros; de veldtros en de hulptroepen.
De weg voor alle wapens geschikt zijnde, zoo ge schiedde de marsch
zonder oponthoud; men vond de voorwaarts liggende lunetten onbezet en
ten half acht, had de voorhoede de meergemelde doorgraving bereikt,
Reeds ten 7 uur had men de tweede kolonne, in eene westelijke rigting,
geheel uit het oog verloren.
De brug die over de doorgraving naar Djagaraga voerde^ en die den
vorigen dag nog aanwezig was be- vonden, was intusschen weggenomen, en
dit was het eerste stellige blijk der vijandige gezindheid van de vor-
sten van BleHng en Karang Assam. De artillerie bekwam eene opstelling,
die haar ver- gunde dadelijk in het strijdperk te treden, ingeval de
vijand zijn vuur mogt openen. De infanterie werd zoo goed mogelijk in
eene gesloten divisien-kolonne geplaatst. De ambulance en de legertros
werden, onder dekking der hulptroepen, meer achterwaarts in een geschikt
terrein opgesteld.
Daar het noodige tot het maken eener brug nog niet was aangekomen,
werd beproefd de doorgraving te dem- pen , dit werk vorderde evenwel
langzaam , en zou gewis yóÓr den avond niet voltooid zijn geweest.
Gelukkig verscheen de majoor ingenieur Steinmetz met de noodige
overgangsmiddelen , en nu was binnen een uur tijds, eene voldoende
sterke brug geslagen over de 8 ellen breede en 10 ellen diepe
doorsnijding. De vijand be- moeijelijkte den arbeid in geen enkel
opzigt. Terwijl men, zich hiermede onledig hield^ werden ver- kenningen
gedaan^ die zoowel ten doel hadden zich be- kend te maken met het
omgelegen terrein^ als het gade- slaan van des vijands bewegingen^ het
opsporen eener verbinding met de tweede kolonne en het zoeken van water.
De 2e en 8e kompagniën van het 13e bataillon (kapiteins Gevess en Emger)
, werden aan de overzijde der doorgraving eenigzins voorwaarts op de
regterflank der onzen geplaatst; de 7e kompagnie (kapitein Ckena) ging
in eene oostelijke rigting^ met den kapitein der artillerie Kellebman^
een doortógt voor het geschut zoeken, doch vruchteloos, en de 8e
kompagnie (kapi« tein VAN Hamel) werd met een dertigtal watervaten naar
de rivier van Boenkoelan gezonden, om die te doen vullen. Hij had last,
op het horlogie, den tijd gade te slaan die tot het bereiken der rivier
gevor- derd werd, en vond dat de a&tand 20 minuten gaans bedroeg.
De kompagniën, die uitgezonden waren tot het op- zoeken eener
verbinding met de tweede kolonne , keerden alle onverrigter zake terug;
zij hadden zelfs niets meer van die kolonne kunnen bespeuren.
Naauwelijks was de brug voltooid of men . hoorde tegen elf uur in
eene zuidwestelijke rigting, een vrij levendig geweervuur , waar
tusschen men ook kanonschoten meende waar te nemen, wat aanduidde dat de
tweede kolonne waarschijnlijk in de flank of rug der vijande- lijke
stelling was aangekomen, en in ieder geval in een vrij ernstig gevecht
gewikkeld was. De bevelvoerende generaal besloot nu, ter ondersteuning
van de omtrek- kende troepen , terstond tot den aanval over te gaan ,
maar aangezien geen der uitgezonden verkenningen eenen anderen toegang
tot de stelling had gevonden^ moest die aanval regtstreeks en in het
front geschieden.
Twee houwitzers — de sectie van den 2de luitenant ScHELLENBACH —
gedekt door eene kompagnie van het 5e bataillon^ onder kapitein Schwab,
werden over de brug gevoerd en voor de doorsnijding in batterij gesteld.
Zij openden hun vuur op de redoute no. 4, daarbij met vrucht gebruik
makende van den opzet voor 600 passen. De opperbevelhebber meende
evenwel dat deze op- stelling te ver van de vijandelijke werken was
verwijderd, zoodat kort daarna ook de tweede houwitzer-sectie — onder
den 2e luitenant Bboxjebitjs van Nidek — bevel kreeg vooruit te rukken.
Zij werd onder de persoon- lijke leiding van den luitenant kolonel Meis,
op onge- veer 400 passen, in batterij gebragt, en op dien afstand
spoedig door de overige stukken, secties gewijze, gevolgd, zoodat weldra
de geheele batterij de vijandelijke ver- schansingen met haar vuur
bestookte.
De overige troepen waren intusschen de artillerie over de brug
gevolgd; het 13e bataillon kwam, met uitzon- dering van zijne eerste
kompagnie, — kapitein Siors — die bij het oostelijk ravijn in observatie
moest blijven, achterwaarts en regts van de batterij, met divisien in
geslotene kolonne te staan. Het 5e bataillon bleef bij de brug om deze
te bewaken, en de hulptroepen achter de doorgraving, beide met het doel
om zich tegen om- trekkende bewegingen van den vijand te beveiligen. De
ambulance en veldtros bleef, onder goede bedekking, insge- lijks achter
de doorgraving.
Zoodra de artillerie uit hare tweede stelling het vuur had geopend,
begon ook de vijand het zijne uit al de redouten. Het was blijkbaar dat
hij daarbij gebruik maakte van bussen of andere ver dragende vuurwapenen
, althans de luitenant kolonel Meis werd weldra door een geweerkogel
ernstig in de zijde getroffen^ en moest van het slagveld worden
weggedragen. De bedieningsman- schappen der artillerie stonden evenwel
des vijands vuur heel koelbloedigheid door^ en bleven het hunne onver-
flaauwd onderhouden. De uitwerking daarvan was niette- min onvoldoende^
want de verdedigers verlieten evenmin hunne wallen als deze gedeerd
werden door de 6 <S ko- gels^ die daartegen werden aJ^eschoteUé
Het geweervuur der omtrekkende kolonne werd in- tusschen bestendig,
in eene zuidwestelijke rigting, gehoord, tot de bevelvoerende generaal
eindelijk, omstreeks 12|- uur, een brie^e van den chef van den stef
ontving, waarin de toestand, in welke die kolonne zich bevond, als
ernstig of meer hagchelijk werd beschreven. De generaal zooveel doenUjk
het dringende gevaar wU- lende afweren , wat hij meende dat haar boven
het hoofd hing, beval terstond aan het regter halve 6e bataiUon, zich,
onder den majoor Boqtté, in beweging te stellen , om de tweede kolonne
te gaan opzoeken en verster- ken; terzelfder tijd gelastte hij aan het
16e bataUlon onmiddelijk eenen aanval op de vijandelijke liniën te gaan
doen.
Uit de voorafgegane beschrijving der vijandelijke wer- ken heeft men
kunnen ontwaren, dat de taak aan hei 13e bataillon opgedragen, eene zeer
zware was en met weinig hoop op goeden uitslag kon worden ondernomen. De
artillerie of genie hadden nog niets gedaan om de palissaderingen enz.
op te ruimen of te vernielen, en de aanval der infanterie was dus nog in
geenen deele vol- doende door geschutvuur voorbereid. De opperbevel-
hebber heeft zich blijkbaar, in zijne bezorgdheid voor de tweede
kolonne, gevleid, dat eenen aanval in het front, op hetzelfde oogenblik
dat het 7e bataillon in den rug der versterkingen met den vijand in
gevecht was, de Baliërs, door de vrees van tusschen twee vuren te komen,
tot den aftogt zou nopen. Deze hoop kon hij gronden op de kennis die hij
van het zedeHjk ge- halte onzer meeste Indische vijanden had, maar de
Baliërs bewezen hier, dat zij eene uitzondering maakten.
Daar de generaal bevolen had, dat de aanVal zonder dralen moest
worden ondernomen, rukte het bataillon, geleid door den majoor Soeg
voorwaarts, gelijk het daar stond en dus in kolonne met divisiën. Het
rigtte zijnen marsch, eveneens op des generaals stellige aanwijzing,
regtstreeks naar de courtine tusschen de redouten no. 3 en 4. De
kompagnie sappeurs volgde om tot het op- ruimen van beletselen gebezigd
te worden.
Hevig door den vijand in het front en, toen men de werken meer
naderde, ook in de beide flanken beschoten wordende, deployeerden en
verspreidden zich de vier cen- terkompagniën van het bataillon, terwijl
de twee overige (Europeanen) in reserve werden opgesteld. Weder voor-
uitgerukt zijnde, werd het batallion door een ravijn op- gehouden, wat
echter, door het gegeven voorbeeld van den majoor Soeg, spoedig was
overgetrokken, met eenen moed en volharding, eenen beteren uitslag
waardig. Doch de beletselen vermeerderden aanhoudend, tot de troepen
eindelijk tot staan gebragt werden door de voorgracht, die de redoute
no. 2 en 4 verbindt en die ook in het vorige jaar de beweging der onzen
had gestuit. Op last van den majoor begaven de troepen zich nu meer
regts, om zich kort tegen de westelijke redoute te nestelen, maar ook
deze maatregel was vruchteloos om eene be- storming te doen gelukken.
Het bataillon was intusschen aan een zwaar geweervuur blootgesteld, dat
de vijand, met behulp der bamboezen kokers, die in de borstwering
geplaatst waren en in welke hij zijne geweren legde, zon- der zich bloot
te geven en bijna zonder te kunnen mis schieten, goed onderhield. De
majoor Sobg zond thans herhaalde malen berigt van den hagcheüjken
toestand waarin zich zijne troepen bevonden, van de geringe kans van
voordeelen te behalen en van de groote verliezen die hij leed, maar hij
kreeg bevel om vol te houden en de sappeurs tot het opruimen der
beletselen te bezigen.
De generaal Michiels schijnt in die oogenblikken in het denkbeeld
verkeerd te hebben, dat het 7e ba- taillon zoo goed als verloren was en
dat geene middelen onbeproefd mogten gelaten worden om, ware het mo-
gelijk, zoovele rampzalige landgenooten en kamaraden te redden.
Wat baatte hem echter het bevel tot het doen oprui- men der
beletselen, want al ware men in die moeijelijke opdragt geslaagd, dan
nog waren er middelen noodig^ om de diepe grachten te overbruggen en de
genie had, door het afgeven harer koelies aan de artillerie, slechts het
noodige kunnen medevoeren, om den overgang der eerste doorgraving,
waarop men des morgens gestooten was, mogelijk te maken.
De majoor Sorg moest zich dus vergenoegen met het vuur des vijands
zoo goed mogelijk te beantwoorden. De verliezen namen intusschen
bestendig toe, Sobg zelf werd door eenen geweerkogel in den arin
getroffen en moest het slagveld verlaten. De generaal eindelijk
inziende, dat het doel op deze wijze onmogelijk kon worden bereikt. gaf
tegen 2 uur bevel om het bataillon te doen terug- keeren. Dit geschiedde
echter niet zonder nog meer ver- liezen te ondergaan en het bataillon
kreeg eindelijk eene stelling op den regtervleugel , op ongeveer 50
schreden achter de 6 ^ batterij. In deze stelling viel in de kolonne nog
een grenaat, die een Europeesch sergeant doodde en twee Europeanen zwaar
wondde.
De verliezen, die het bataillon bij dezen wanhopigen en weinig
overlegden stormaanval, geleden had, bestonden uit twee gesneuvelde
officieren, namelijk de 1ste luite- nant P. VAN SwiETEN en de 2de
luitenant P. P. Peaoeb, benevens 17 onderofficieren en manschappen,
voorts waren gewond de majoor T. J. Soeg, de kapiteins P. P. Eeigeb, J.
VoKSTENBOS en J. H. Cbena , de 1ste luitenants J. C. MuNTEE en L. J. W.
van Eotjveeoy, de 2de lui* tenants H. G. Pmtzen en L. P. Donleben
benevens 83 onderofficieren en manschappen.
De sappeurs hadden aan onderofficieren en manschappen verloren 4
dooden en 1 gewonde, zoodat in het geheel 111 hoofden buiten gevecht
waren gesteld.
De koelbloedigheid, de moed en de uitmuntende goede orde, door het
13e bataillon infanterie op dien dag ten toon gespreid, zijn boven allen
lof verheven* Onder de vele braven, die zich bijzonder onderscheidden,
worden hoofd- zakelijk genoemd de gesneuvelde luitenants van Swieten en
Peageb ,/ wier moed — gelijk de rapporten zeggen — tot den hoogsten trap
geklommen was.'' Vooral de 1ste luitenant van Swieten die besloten had
om, het koste wat het wilde, andermaal voor te gaan in het vermeesteren
eener redoute, die hij ook in het vorige jaar had in bezit genomen. Met
de Nederlandsche vlag, die hij daartoe opzettelijk had laten
vervaardigen in de hand, had hij ^ slechts gevolgd door één inlandsch
onderofficier^ de sergeant Saeiman, de voorgracht beklommen, toen hij
door een schot in de borst getroffen, levenloos neder zonk.
Men bleef zich nu hoofdzakelijk tot het aanwenden van artillerievuur
bepalen. Tegen half twee uur waren eindelijk een mortier van 20 dm. en
twee handmortieren van 11 J. duim, door de luitenants Kramer en Kusky,
van Sangsit op het slagveld aangebragt. Een tweede mortier van 20 dm.
"was insgelijks ontscheept geworden, maar door gebrek aan koelies te
Sangsit achtergelaten. De aangebragte vuurmonden werden terstond regts
van de veldbatterij achter een hooge galangan (1) in batterij gesteld en
openden onmiddelijk daarna hun vuur. De mortier van 20 dm. koos tot doel
de redoute no, 3 , of die van goesti DnLANTtBK, en de beide mortieren èi
11|- dm. de redoute no. 4.
Het halve 3e bataillon, onder de bevelen van den majoor Libouebl, was
op last van den opperbevelhebber tegen 4 uur eveneens van Sangsit komen
oprukken. Ook was de majoor der artillerie Küyck daar inmiddels aan-
gekomen en had terstond het bevel over de artillerie, in stede van den
gewonden luitenant kolonel Meis, op zich genomen.
Men zal zich herinneren, dat de eene kompagnie van het 13e bataillon
(kapitein Smits) nabij de doorgraving in den weg, in eene bedekte
stelling was achtergeble- ven, om den vijand gade te slaan. Beeds ten 1
uur had men bespeurd, dat eenige honderde Baliërs eene omtrekkende
beweging wilden maken. Daar de golvingen van het terrein hen voor de
oogen der onzen verborgen en deze niets meer van hen hoorden of zagen^
meenden zij dat de vijand zijn voornemen had opgegeven. Tegen 4^ uur
echter vielen zij plotseling en met luid geschreeuw op de ambulance aan.
De luitenant kolonel van Swieten weerde dien aanval af met eenige
soldaten van het 18e ba- taillon, daar toevallig aanwezig en met de
Maduresche hulptroepen, terwijl de opperbevelhebber zelf de 6e kom*
pagnie van het 5e bataillon (kapitein J. F. Soeg) door eene wending
regts en tirailleur liet uitzwermen. De vij- andelijke benden trokken in
de rigting van Boenkoelan terug.
Van het 7e bataillon en het uitgezonden halve 5e ba- taillon waren
intusschen nog geene berigten ontvangen; een tusschenpoozend geweervuur
in eene zuidelijke rigting vernomen, gaf echter te kennen, dat de
omtrekkende ko- lonne nog altijd stand hield en met den vijand in ge-
vecht was.
De kapitein Stabing adjoint bij den staf, had tegen 2 uur de opdragt
bekomen de kolonne te gaan zoeken en haar den last over te brengen op de
hoofdkolonne of op Sangsit terug te trekken, doch hij moest weldra on-
verrigter zake terugkeeren, daar hij den weg miste en op eene
vijandelijke schans stiet, die hem het verder voortgaan belette. De
kapitein W. P. Kress die na hem, met zijne kompagnie dezelfde taak zou
gaan ver- vullen, was niet gelukkiger en keerde des nachts ten 11 uur,
na vruchteloos rondgedwaald te hebben, met zijne hoogstvermoeide
soldaten in het bivak terug. Meer en meer scheen het zich te bevestigen,
dat de tweede ko- lonne, en ook het halve 5e bataillon, afgesneden waren
en zich in hoogst zorgelijke omstandigheden bevonden.
Het artillerievuur was inmiddels onverpoosd werkzaam geweest, en toen
tegen 6 of 6|- uur het vuur des vijands aanmerkelijk verflaauwde, en
zelfs uit de redouten no. 1 en 2 geheel ophield, meende de bevelvoerende
generaal dat de Baliërs deze sterkte verlaten hadden , en gaf hij aan
den majoor Liboueel bevel, ze met het halve 8e bataillon te gaan
bezetten. Naauwelijks evenwel waren deze troepen de buitengrachtsboord
tot op 200 passen genaderd, of zij ontvingen zulk een duchtig vuur, dat
de generaal, om geen tweeden even vruchteloozen en even noodlottigen
storm te doen ondernemen, terstond den last zond tot terugtrekken.
De zware verliezen dien dag geleden, hadden den gene- raal nader
overtuigd, dat eene bestorming der vijande- lijke werken slechts dan
kans van slagen zou hebben, wanneer zij naar behooren door de artillerie
en genie was voorbereid geworden. Hij gaf dan ook bevel het noodige
daartoe voor den volgenden dag gereed te maken, en daar de avond begon
te vallen , liet hij aan zijne troepen eene meer achterwaartsche
stelling buiten het vijandelijk vuur aannemen, om daarin den nacht door
te brengen.
Het halve 8e en het 5e bataiUon benevens de hulp- troepen , betrokken
het bivak nabij de brug en achter de doorgraving in den weg; de regter
halve 6 ^ batterij posteerde zich insgelijks digt bij de brug, en de
overige artillerie meer achterwaarts. Het 13e bataillon dat veel geleden
had, maakte eene achterwaartsche beweging tot Boenkoelan, zoowel om meer
in de nabijheid van drink- water te zijn, als om de overige troepen in
den rug te dekken. De opperbevelhebber begaf zich met zijnen staf naar
Sangsit terug, en liet het bevel over de troepen, voor Djagaraga , aan
den luitenant kolonel van Swtieten , aan wien de sous-chef van den staf,
ridmeester vón Stampa, bleef toegevoegd.
Bij het aftrekken der laatste troepen, gaf de vijand hen een driewerf
hoerah achterna.
De troepen waren zeer afgemat, vooral door gebrek aan drinkwater; bij
het 5e bataillon werden eerst tegen 9 uur des avonds, eenige vaatjes
water aangebragt.
De nacht ging gelukkig rustig voorbij , maar des morgens tegen 4 uur,
werden de onzen gewekt door een geweervuur, dat bestendig in
levendigheid toenam en digt achter de vijandelijke borstwering scheen
plaats te hebben. Men maakte daaruit op, dat de tweede kolonne op nieuw
tot den aanval was overgegaan, en de luitenant kolonel VAN SwiETEN
bcsloot haar onmiddelijk, door een regt- streekschen aanval, te
ondersteunen, en vaardigde daartoe zonder verwijl de noodige
beschikkingen uit.
Alvorens thans verder te gaan, zal het noodig zijn te vermelden, wat
intusschen door de tweede kolonne 'was verrigt.
Voor zooveel uit verschillende gegevens is na te gaan^ kwam de
mondelinge last, door den opperbevelhebber verstrekt, aan den chef van
den staf, die de kolonne moest geleiden, daarop neder, dat hij moest
onderzoeken of eene omtrekking der vijandelijke werken mogelijk was, en
of, 200 noodig, het belegeringsgeschut naar die zijde kon worden
vervoerd. Bleek het dat de omtrekking langs des vijands linker flank
gelukken kon, dan had de generaal het voornemen later het grootste
gedeelte der troepen naar der- waarts te zenden, en er geschut heen te
doen brengen, om de fronten van de verschansingen der Baliërs te
enfileren.
Het is niet te veronderstellen dat de generaal Michiels, die vóór het
vertrek der expeditie van Java, uitdrukke- lijk aan zijne
onderbevelhebbers had verzekerd, dat hij Djagaraga behoedzaam en
stelselmatig wilde aanvallen , dat hij zoo weinig mogelijk aan het
toeval overlaten en slechts voet voor voet vooruitgaan wilde, aan de
tweede kolonne, van stonde af aan, dén last zal hebben gegeven, niet
alleen naar de mogelijkheid eener omtrekking onder- zoek te doen, maar
ook die omtrekking al dadelijk uit te voeren. Men kan iets dergelijks te
minder aannemen, als men overweegt, dat de generaal in den morgen van
den 15 , dewijl hij nog altijd op de vrijwillige overgave der
vijandelijke werken had gerekend, in geenen dede gereed was of plan had
al dadelijk over te gaan tot dien behoedzamen en stelselmatigen aanval,
die de geduchte verschansingen van I^'agaraga zoo zeer vorderden, en van
welks noodzakelijkheid hij zoo geheel overtuigd was. Zulk een
betrekkelijk klein onderdeel zijner magt, langs eenen verren omweg,
achter en binnen de sterke vijandelijke liniën te werpen, zonder iets te
ondernemen of zelfis beraamd te hebben, om dat onderdeel in het front
der stelling op afdoende wijze te ondersteunen, zou eene al te
roekelooze daad zijn geweest.
Het geheele aanvankelijke plan van den generaal IMi CHiELS, in den
morgen van den 16, schijnt in niets an- ders bestaan te hebben, dan in
het doen eener soort van militaire vertooning voor Djagaraga, ten einde
de vorsten van Bleling en £]arang Assam door eene zooge- naamde douce
violence te nopen, om gevolg te geven aan de gemaakte overeenkomst tot
overgave hunner ver- sterkingen. Van die vertooning heeft hij overigens
partij willen trekken tot het bekomen van inlichtingen, die hem nuttig
konden zijn, wanneer de zaken onverhoopt door het zwaard moesten worden
beslist. De onverwachte en buitengewone omstandigheden waarin de tweede
kolonne geraakte^ en de persoonlijke hoeda- nigheden van den chef van
den staf die haar geleidde^ hebben vervolgens die kolonne er toe
gebragt, de» vijand, alleen steunende op eigen krachten, aan te tasten
en daardoor aan den loop der krijgsverrigtingen op dien dag, eene
wending te geven, die geheel buiten aUe vooraf gemaakte berekeningen
lag.
De tweede kolonne wier zamenstelling reeds is opge- geven, marcheerde
in de volgende orde van Sangsit : eene kompagnie als voorhoede; 80
sappeurs; de twee handmortieren ; het 7e batallion; de veldtros; eene
kompagnie als achterhoede.
De geheele sterkte der kolonne bedroeg 900 hoofden. De 1ste luitenant
der artillerie P. E. Eosteb was aan de kolonne toegevoegd, met het
bepaalde doel, om na te gaan, of het terrein ook vergunnen zou,
belegerings gesehut naar die zijde te vervoeren. Hij verrigtte wijders
de dienst van stafofficier.
De marsch ging langs den linker oever der rivier van Sangsit. De weg
was in den aanvang redelijk goed en liep langs den bovenrand van het
ravijn waarin de rivier stroomt. Het ravijn of dal was ruim en kleine
kampongs met rijst- velden lagen daarin verstrooid , de bodem was
overigens zeer heuvelachtig, nu en dan moest men kleine diepten, die in
het dal uitliepen, overtrekken of door de sappeurs heg- gen en struiken
doen opruimen. Yan tijd tot tijd zag men de hoofdkolonne zich in eene
oostelijke rigting bewegen, maar omstreeks 7 uur werd zij geheel uit het
gezigt verloren. Men kwam nu langzamerhand op een geheel onbekend
terrein. De mantri aris van Grissee die in deze streken goed bekend was^
en van Java was medegegaan, om de onzen tot gids te kannen dienen, was
aan de kolonne toegevoegd. Hij verklaarde evenwel hier nimmer te zijn
geweest en ook geen pad te kennen, dat in de linker flank of in den rug
van Djagaraga voerde. Van de vij- andelijke stelling zag men niets; hoog
geboomte en heu- vels hielden haar voor het oog verborgen.
Er begon eenige vrees te rijzen, dat de kolonne wei- ligt te veel
naar het westen afweek; het terrein werd tevens moeijelijk, verscheiden
ravijnen begonnen den weg te doorsnijden ; het rivierdal vemaanwde zich
; de wanden waren steil en rotsachtig geworden en verhieven zich 100 h
150 voeten boven de watervlakte. Behalve enkele vlugtende Baliërs zag
men geen levend wezen.
Daar een afdwalen naar het westen , zoowel als de toe- nemende
hinderpalen, de geheele verkenning konden doen mislukken, werd besloten
de kolonne langs de hooge rotswanden te doen afdalen, de rivier over te
gaan en te beproeven, of langs haren regter oever een pad te vin- den
ware. Niet zonder bezwaren werd dat volbragt, de poging was echter
vergeefsch, het terrein was daar even onbegaanbaar en men was verpligt
naar den linker rivieroever terug te keeren. Hier wilde men nu door de
sappeurs een pad doen open hakken, maar ook dit bleek ondoenlijk te
zijn, zoodat er niets over schoot daa het bed zelf der rivier te volgen.
Men ging stroomopwaarts , nu eens het water tot aan het midden en dan
weder tot de knieën hebbende: rechts en links zag men slechts
digtbegroeide steile rotswanden, de rivier had niet meer dan 12 voeten
breedte en loop werd hier en daar gestremd, door vervaarlijke groote
steenklompen. Het was een ware stortvloed en hoe moeijelijk hier het
vooruitkomen was , behoeft bijna geene beschrijving. De rotswanden
werden al hooger en hoo- ger, men schatte ze soms op 200 voeten. Ware de
ko- lonne hier ontdekt geworden, de vijand had haar, door iet doen
nederstorten van rotsbrokken, zonder moeite kunnen vernietigen.
Na eenigen tijd alzoo gemarcheerd te hebben, zag men een smal voetpad
zich tegen den regter rotswand omhoog slingeren. De luitenant kolonel de
Beatjw, gevolgd door den luitenant Koster en de voorhoede benevens de
sap- peurs, maakte daarvan gebruik om den bovenkant van dien steilen
rivieroever te bereiken en zich eenigzins te oriënte- ren. Hij zag hier
werkelijk de uiterste vleugel redoute van •de vijandelijke stelling in
eene zuidoostelijke rigting, maar ontwaarde niets van de hoofdkolonne,
die tegen haar front optrok. Toen hij vervolgens de blikken naar den
linker rand van het ravijn wendde, zag hij niet zonder ver- wondering,
dat daar eene versterking , bezet, door 3 h, 400 vijanden, gelegen was.
De nederdaling in het rivierbed, moet op naauwelijks 6 h 700 schreden
van die schans hebben plaats gevonden; geboomte en terreingolvingen
moeten de oorzaak zijn geweest, dat men haar op dat oogenblik niet heeft
gezien. Waarschijnlijk is dit de- zelfde redoute, waarop de kapitein
adjoint Stabing stiet, toen hij uitgezonden werd, om de kolonne op te
zoeken.
Het bestaan dier versterking, maakte ,de omstandig- heden waarin de
kolonne zich bevond nog moeijeUjker. Het bleek onmogelijk te zijn ,
langs den regteroever der rivier voort te gaan. Wilde men evenwel in de
flank of rug der liniën uitkomen, dan moest men in de tot dusverre
gevolgde rigting blijven voortmarcheren ; wilde men dit langs den
linkeroever doen, dan moest men eene welbezette vijandelijke redoute in
zijnen rug laten liggen en die redoute vooraf nemen. Dit laatste, ware
men er in geslaagd, zou veel tijd en misscliien zware opofferingen
gekost hebben, bet zou bet voortzetten der onderneming op dien eigen dag
vermoedelijk bebben ver- hinderd en dus in ieder opzigt, van een zeer
twijfel- acbtig nut zijn geweest.
Daar de vijand de onzen nog niet bad ontdekt, en men nu de
overtuiging had, dat geen andere weg dan het bed der rivier, in den rug
der werken van Djagaraga kon voeren, had men de verkenning bier kunnen
staken en zeer waarschijnlijk nog veilig naar Sangsit kunnen te-
nigkeeren. Zeer zeker is het althans, dat de gevaren ^ die de kolonne
konden bedreigen, niet zouden verminde'- ren, door steeds in het
rivierbed te blijven voortmarche ren en eindelijk in den rug der sterkte
uit te komen, die de chef van den staf zeer goed wist, dat dien dag
niet; met toereikende middelen in het front kon worden aangetast. Het
schijnt echter, dat een innig bewustzijn hem bezielde, dat hier door
moed en taaie volharding iets groots was te verrigten en dat hij daarin
de kracht en het zelfvertrouwen vond, om opeigen verantwoordelijkheid
den togt, die als eene verkenning begonnen was, als eene werkelijke
omtrekking te vervolgen en te eindigen.
De luitenant kolonel de Brauw besloot dan ook, ten Aanzien van het
bestaan der genoemde benting, het stil- zwijgen op te leggen aan een
ieder, die haar met hem bad gezien. Hij wilde geene weifeling doen
ontstaan onder de troepen, die hij zich voorgenomen had door het rivier-
bed verder te geleiden. Hij liet den togt voortzetten. in weerwil der
bezwaren, waarmede hij verzeld ging en waarlijk, deze namen eer toe dan
af. De kloof waarin men zich bevond werd naauwer, hare wanden hooger en
steiler en de stroom der rivier sneller; de onderneming werd meer en
meer gevaarlijk, alleen gaf de digte plan tendos van hoog opschietende
varen, heesters en slinger- planten, die alles overtoog en de kolonne
meestal geheel overwelfde, hoop, dat men niet door den vijand aou wor-
den ontdekt.
De kolonne had op die wijze weder bijna een unr ge- marcheerd zonder
eenen weg gevonden te hebben die naar boven kon voeren, men berekende in
het geheel 1^ paal wegs afgelegd te hebben en hield het er voor dat men
reeds in des vijands rug moest aangekomen zijn. De voor- hoede meldde
eindelijk, dat zij zich bevond bij een pad' dat in de rotsen was
uitgehouwen en tot aan den boven- rand van den regter ravijn oever
voortliep^
De kolonne hield halt en de mantri aris van Grissee werd met den
inlandschen sergeant Poetoe Soeranga naar boven gezonden om den omtrek
zooveel mogelijk te verkennen. Deze wat lang uitblijvende, ging de lui-
tenant kolonel de Bratjw, gevolgd door den luitenant ' EosTBB en de
voorhoede, in persoon. Hij vond dat de ravijnwand, hooger op, enige
flaauwe helling had en met allang allang was begroeid. Door dit gras op
handen en voeten voortkruipende, bereikte men eindelijk eene plaats, van
waar men een vrij uitzigt had over het voor- liggende terrein. Hetgeen
men ontwaarde, was verre van geruststellend te zijn. In eene oostelijke
rigting werd, op 3 è. 400 schreden af stands, eene vijandelijke schans
gezien die vrij sterk was bezet; achter deze ontwaarde men nog andere
versterkingen, en in eene noordoostelijke rigting welligt op 12 ^ 1400
schreden, eene geheele linie van redonten, die waarschijnlijk de
hoofdstelling des vijands uitmaakten. In eene zuidoosteUjke rigting
werd^ op 200 schreden afstands, het nitzigt door een maas veld beperkt.
Alles scheen aan te dniden, dat de kolonne thans wer« keiijk in de
flank en zelfs in den rug der vijandelijke werken was aangekomen. De
nabijheid dier werken op dit pnnt, maakte levenwel voor de troepen het
verlaten van het rivierbed tot eene hoogst gewaagde onderneming.
Werd de kolonne ontdekt en aangevallen, eer zij zich in orde
geschaard op den bovenrand van het ravijn be- vond, dan liep zij gevaar
in de rivier te worden ge worpen, en konden dus de gevolgen van dien
aanval haar hoogst nootlottig zijn. Terug te trekken na zoveel te hebben
onderstaan, zou niet alleen hard zijn geweest voor brave soldaten, die
gereed waren zelfs hét onmoge- lijke te ondernemen, maar het gunstig
oogenblik daartoe was bovendien verstreken, dewijl de onzen reeds
ontdekt waren door Baliërs, die zich op den linker ravijnrand bevonden,
en die alles deden wat in hun vermogen was, om van die ontdekking door
teekens, kennis te geven aan de verdedigers der verschansingen.
Thans bleef er derhalve geene keus meer over, en het waagstuk om den
vijand met slechts 900 bajonetten en twee kleine mortiertjes in het hart
zijner werken te gaan bestoken, zonder op afdoende ondersteuning, van
wie dan ook, te kunnen rekenen, moest ondernomen worden.
De luitenant kolonel de Bron de Vexbla liet zijn bataillon kompagnies
gewijze naar boven komen, terwijl de veldtros voorloopig, onder bewaking
eener kompagnie, in het rivierbed achter bleef. Naarmate de troepen
boven kwamen^ werden zij in kompagnies-kolonnes gevormd en ge-
deployeerd , met last zich in de hooge allang allang , waarmee de
bovenste en flaauwere helling van het ravijn begroeid was, plat op den
buik neder te leggen. Terwijl dit ge- schiedde, maakte de chef van den
staf een kort berigt voor den bevelvoerenden generaal gereed, wat met
den mantri aris van Grissee werd verzonden. Dit was het berigt wat den
generaal ten 12^ uur voor Djagaraga gewerd en hem aanleiding gaf tot het
bevelen van den frontaanval, waarbij het 13e bataillon zulke geduchte
verliezen leed. In weerwil der aanhoudende teekens, die door de Baliërs
op den linker oever gegeven werden, gelukte het den onzen zich te
scharen, zonder, door de verde- digers op den regter oever der rivier,
ontdekt te zijn. Een uur tijds was daarmede evenwel verstreken, de
infan- teristen hadden, klaunterende met handen en voeten, en om de 10
schreden rustende, den bovenkant bereikt, hoe de paarden en het geschut
er waren gekomen, kon men naderhand ter naauwemood zelf begrijpen. De
luitenant kolonel le Bron de Vexela sprak zijn bataillon nu met korte en
krachtige woorden aan, hij wees het op den gevaarlijken toestand, waarin
het zich bevond, en bragt zijne soldaten onder het oog , dat slechts
door kloekheid en vastberadenheid aan een wis verderf kon worden ont-
komen. Met een luid hoerah, stelde het bataillon zich nu in beweging
onder het slaan der trommen en het spe- len der muzijk, het schaarde
zich in slagorde op 300 schreden afstands van de naastbijzijnde
vijandelijke ver- sterking, zonder dat door de Baliërs, in hunne
verbazing, iets werd ondernomen om dit te verhinderen.
De luitenant kolonel de Brauw verkende nu met den 1ste luitenant
Koster en eenige weinige soldaten het nabij liggend maïsveld.
Naauwelijks hadden zij 50 schre- den door dat veld gedaan^ of zij
ontwaarden^ achter het hooge struikgewas. eene andere vijandelijke
redoute, waaruit onmiddellijk hevig vuur op J werd geopend. De bezetting
der eerst geziene redoute volgde dit voorbeeld onmiddelijk, en nu
bevonden zich de onzen tusschen een vrij werkzaam kruisvuur.
Het zal toen ruim 10^ uur zijn geweest.
Een der eerste voorwaarden om hier stand te kunnen houden was, zelf
meester te zijn van een der schansen, ten einde zich daarin later zoo
noodig te kunnen vastnes- telen. Er werden dan ook terstond
beschikkingen geno- men om de redoute A aan te vallen en men koos deze ,
dewijl zij het steunpunt der vijandelijke werken op diens linkervleugel
scheen uit te maken. Zij lag op den uiter- sten rand eener kleine
diepte, welke men moest over- trekken, wanneer men haar wilde naderen;
zij had wijders geene gracht, bestond uit eene vrij hooge, maar niet
zware borstwering en was door eene digte levende haag omgeven.
Tot den aanval werden gesteld, ónder de bevelen van den majoor
Hemmes, de Ie en 2e kompagniën, kapiteins Happe en Dessabt, benevens het
detachement sappeurs, onder den 2de luitenant Egteb van Wissekeeke, tot
het opruimen van beletselen. De overige kompagniën bleven intusschen in
reserve, maar de beide handmortieren die boven gekomen waren , nadat de
genoemde troepen zich reeds in beweging hadden gesteld , werden
onmiddelijk in batterij gebragt en deden onder de leiding van den 2de
luitenant Eekhout eenige zeer goed gelukte worpen.
Moedig rukten de beide kompagniën onder een hevig vuur tegen de
versterking op, daalden in het ravijn neder en trokken de benting langs
den voet der borstwering om, tot aan de verhakking, die voor de keel was
geplaatst. De sappeurs maakten hier , onder bescherming der kom- pagnie
van den kapitein Hapf£ spoedig eene opening, terwijl de luitenant Lutkx
met eenige sappeurs en man- schappen der £e kompagnie, dien zelfden
arbeid op een ander punt verrigtte« Zoodra de toegang tot de, overigens
geheel opene, keel der redoute was vrij gemaakt, rukte de kapitein Happé
voorwaarts , terwijl de vijand zijn vuur bestendig bleef onderhouden. De
2de luitenant Debens bekwam al dadelijk een doodelijk schot onder het
hart. Hij viel en toen zijn kapitein hem wilde oprigten , sprak hij :
Het baat niet kapitein, t’is is eene doode- lijke wonde, maar ik sterf
als braaf oficier.' Na het binnendringen der schans, zag men den vijand
aan de andere zijde, tegen de borstwering, op een hoop bijeen ge-
schoold en viel hem aan. De meesten poogden te ont- komen over de 2 el
hooge borstwering, die geen banket had, doch andere bleven zich
verdedigen, zoodat een flankeur door een schot en een inlander door eene
lans- steek werden gewond. De sergeant Poetob Soeranga — Baliër van
geboorte, die tijdens de eerste expeditie met de inlandsche Willemsorde
en na de tweede met een eere- klewang begiftigd werd — drong met zijn
sabel in de hand als een doUe op den hoop in, hieuw een over de
borstwering klimmende vijand letterlijk de ruggestreng door, maar werd
daarop zelf door een lanssteek doode- lijk getroffen.
De 2e kompagnie was intusschen langs eene andere zijde
binnengedrongen; er had e-en kort, maar moorddadig ge- vecht plaats, tot
de Nederlandsclie vlag, die door den moedigen 2de luitenant Luykx,
geholpen door den adju- dant onderofficier van Bosstraeten, op de wallen
was ge- plant, getuigde, dat de overwinning aan onze zijde was gebleven.
Een 30tal gesneuvelde en gewonde Baliërs lag op den bodem uitgestrekt.
De verbetering, die, door het nemen dezer sterkte, in den stand der
dingen bij de onzen was gekomen, werd door een ieder zoo levendig
gevoeld, dat het verrijzen der vaderlandsche kleuren, boven de kruin der
sterkte, met een herhaald gejuich werd begroet en deze vreugde nam niet
weinig toe, toen men bespeurde, dat de vijand door het verlies van deze
schans verpligt was nog eene tweede, die aan deze zijde geheel open was,
te verlaten.
De Ie en 2e kompagniën drongen inmiddels voor waarts, gevolgd door de
pe (kapitein Wolwebee), ter- wijl de 3e kompagnie (kapitein Buys),
voorloopig de veroverde redoute bleef bezetten.
De Ie kompagnie met de sappeurs wendde zich links en de 2e en 6e
marcheerden regt vooruit in eene oos- telijke rigting, tot men aan eene
diepte kwam, die door de Ie kompagnie en sappeurs werd overgetrokken.
Deze handeling verjoeg den vijand uit de linie C, die aan de zijden
der onzen eveneens open was.
Intusschen begon de vijand zich, met groote hoopen langs den
buitenrand der kampong Djagaraga, van welke de onzen nagenoeg 6 k 700
schreden verwijderd waren, te verzamelen. Zijne trailleurs onderhielden
een levendig geweervuur met die der kolonne. De handmortieren, die
intusschen waren opgerukt, deden eenige schoone worpen. Het terrein dat
uit natte rijstvelden bestond, was moeije- lijk te begaan. De Ie
kompagnie, die over het ravijn op de regterflank voorwaarts geposteerd
was, werd hier door de Baliërs met de lans in de vuist aangevallen; het
oogenblik was hachelijk voor haar, want zij kon door de beide andere
kompagniën, van wie zij door het ravijn gescheiden was, niet anders
worden ondersteund dan door een krachtig geweervuur, dat in de
vijandelijke jBanken werd aangebragt. Zij hield echter moedig stand en
wees den vijand met verlies af.
Het was op dit oogenblik, dat men ook het geschut en klein geweervuur
der hoofdkolonne vernam, dat niet weinig bijdroeg tot verlevendiging van
den moed der troepen.
Een peloton der 6e kompagnie voegde zich bij de Ie en later werden de
navolgende beschikkingen genomen:
De Ie, 2e, 4e en 6e kompagniën trokken in de linie, die in den
aanvang door de Ie kompagnie was bezet ge- worden, terwijl de 3e en 5e
met de ambulance en veld- tros in de eerstgenomen redoute werden
geplaatst. Het werd echter half drie uur in den namiddag, eer alles uit
de rivier naar boven en in de redoute was gebragt.
Daar de behoefte aan rust zeer groot was geworden , besloot men die,
in weerwil van het bestendig vuur der Baliërs, aan de troepen te
verleenen. Men dekte zich achter de borstwering der linie zoo goed
mogelijk tegen dat vuur, dat voornamelijk werd onderhouden, uit de
versterking D, die noordwestwaarts van de linie en over een diep ravijn
was gelegen , zoodat zij met onze afgematte soldaten niet kon worden
bestormd. Enkele tirailleurs, langs de linie geplaatst, bleven des
vijands schoten beantwoorden, terwijl de handmortieren hem nu en dan
eenige granaten toewierpen. De onzen bekwamen, door eene opening, die in
de borstwering der linie was, eenige gewonden^ waartoe de wakkere
kapitein Hafp^ behoorde^ die zijne kompagnie op dezen dag met zooyeel^
moed en beleid tegen den vijand had aangevoerd* Een geweerkogel trof hem
ernstig in den linker schouder.
Het was 4 uur in den namiddag geworden toen de majoor BoquE met de 3
kompagniën van het 5e bataillon bij de 2e kolonne aankwam. Aanvankelijk
geloofde deze, dat de vijandelijke liniën in het front waren doorgebro^
ken en dat de gemeenschap nu volkomen was hersteld. Het wekte dan ook
eaiige teleurstelling op toen men vernam dat deze kompagniën reeds ten
12 uur van Djagaraga waren weg gezonden^ dat zij derhalve vier uren
badden moeten besteden, om doodelijk ver- moeid alhier te kunnen
aankomen, en dat zij noch le-i vensmiddelen, noch munitie mede bragten.
Niettemin was eene versterking, die het getal strijders met de helft
vermeerderde, zeer welkom. De kompagniën van het 5e bataillon rukten
eveneens in de linie, om daar vooreerst eenige rust te genieten.
Die rust was echter van korten duur, want thans be- gon de vijand,
die de linie tot nog toe slechts üit het front had beschoten, haar ook
te enfileren, waardooi het getal onzer gewonden zeer toenam. Er werd dus
be« sloten eenen uitval te doen met drie kompagniën. Het bevel daarover
werd opgedragen aan den majoor Hsiocss,
De 4e kompagnie (kapitein Boon van Ostadb) roei de 6e van het 7e
bataülon verspreidden zich en tirailleur en werden door de Ie als
reserve gevolgd. De vijande- lijke tirailleurs waren spoedig
teruggedreven, maar sterke massa's Baliërs kwamen uit de hoofdstelling
aanrukken en verzamelden zich in en bij de kampong Djagaraga» In weerwil
de onzen een krachtig geweervuur onderhiel- den en de mortieren
gelukkige worpen te midden vaa hunne drommen deden, wendden zij zich
tegen de twee tiraülerende kompagniën en gingen tot eenen aanval met de
lans over. Het geweervuur der tirailleurs en eenen bajonet aanval der Ie
kompagnie in hunne flank, bragt hen tot staan en vervolgens tot wijken.
Zij werden krachtig door de onzen vervolgd tot op 50 schreden van de
eerste huizen der kampong Djagaraga. Een gedeelte hunner trok vervolgens
zuidwaarts en wilde nog eenen aanval beproeven op de ambulance en
veldtros, maar wer den ook hier door de 3e en 5e kompagnie (kapitein
Hachez) afgeslagen.
De drie onder majoor Hemmes uitgezonden kompag- niën, bleven den
vijand nog eenigen iijd gadeslaan en keerden tegen 7 uur in de linie
terug.
De nacht werd in de aangeduide positie doorgebragt, zonder dat men
door den vijand werd verontrust.
De stelling evenwel, waarin de luitenant kolonel db Beauw, bij het
vallen van den avond, zich met de zijnen bevond, was nog in geenen deele
gunstig. De weinige medengenomen levensmiddelen waren verbruikt ; goed
drinkwater was niet te bekomen, want men was reeds te ver van de rivier
verwijderd om het daar te kunnen halen, en een ieder moest zich behelpen
met het bezonken water van de rijstvelden ; een gedeelte der reserve
munitie was reeds uitgereikt en allen waren doodelijk vermoeid en
afgemat. Bij dit alles kwam nog de onzekerheid, hoe lang men nog van de
hoofdmagt zou gescheiden blijven. Het was dus noodig eene poging aan te
wenden om met die hoofdmagt in gemeenschap te komen, en den bevel-
voerenden generaal kennis te geven van den stand der zaken. Een daartoe
strekkend rapport, waarin tevens drin-
gend om levensmiddelen en munitie werd gevraagd^ werd aan den
kapitein Büys ter hand gesteld^ om het met zijne kompagnie bij het
opkomen der maan^ naar Sangsit of naar Djagaraga, aan den
opperbevelhebber te brengen. Het verlies der 2e kolonne werd in dit
rapport opgege- ven als te bestaan uit een officier en 7 onderofficieren
en manschappen, aan dooden, en een officier met 41 on- derofficieren en
manschappen, aan gewonden. In het ge- heel waren er dus 50 hoofden
buiten gevecht gesteld, alle van het 7e bataiUon infanterie.
De kapitein Büys was niet gelukkig in zijne poging; hij keerde weldra
terug, berigtende dat vervaarlijke diep- ten , digte wildernis en
vijandelijke benden hem hadden belet zijne taak te volbrengen. Eene
patrouille van een onderofficier met een zestal soldaten slaagde
evenmin, tot dat het eindelijk, des morgens ten 5 uur, aan den kapitein
Hachez gelukte, met den brief, den weg naar het hoofdkwartier te vinden.
Onderwijl was men in het bivak der tweede kolonne niet geheel
werkeloos gebleven. De luitenant kolonel db Bkaüw begreep te regt dat al
het mogelijke in het werk moest worden gesteld, niet slechts om zijne
troepen uit den moeijelijken toestand te brengen waarin ze zich
bevonden, maar zelfs om de vermeestering van Djagaraga in allen deele te
doen slagen. Dit een en ander zou volkomen zijn bereikt, wanneer hij
zich eenen weg kon banen, dwars door de vijandelijke werken, om zich te
hereenigen met de hoofdmagt der onzen, die hij vermoedde, dat nog altijd
voor hun front moest staan. Het banen van dien weg kon evenwel niet
anders geschieden, dan doör nog eene of meer schansen te bemagtigen, en
naar de moge- lijkheid daartoe, liet hij gedurende den nacht onderzoek
doen. De 2de luitenant ingenieur Egter van Wissekeekb had reeds, terwijl
de dag nog aan den hemel was, zijne aandacht gevestigd op eenen
doorgang, die scheen te voeren, van de door ons bezette linie, naar de
redoute, waaruit de onzen het hevigst waren bestookt geworden en die aan
deze zijde het eenige werk scheen te zijn, dat den toegang tot des
vijands hoofdstelling nog afsloot. De 1ste luitenant der artillerie
Kostee werd ten 1^ uur met den 2de luitenant Egter van Wissekerke en 4
flan- keurs, benevens 5 sappeurs derwaarts ter verkenning ge- zonden.
Zij waren van brandstichtende middelen voorzien, om daarvan des noods
gebruik te kunnen maken.
Na verloop van een uur keerden deze officieren terug met het berigt,
dat zij een pad gevonden hadden, dat langs de achterzijde van eenige
versterkingen liep, die door een diep ravijn van elkander gescheiden,
maar door zware , in dit ravijn geplaatste , levende en digte hagen aan
elkander verbonden waren; de verst afgelegene was voorzien van eene
smalle en ondiepe gracht, zonder heg, doch met een begroeid veld er
voor; langs de westelijke borstwering lag eveneens een ravijn, met
daarenboven nog eene zware heg. Deze schans was of in het geheel niet,
of althans zeer zwak bezet, en werd gewis zeer slecht bewaakt.
Hoewel de vijand de kolonne gedurende den nacht niet verontrustte,
zag men evenwel aan zijne zijde, naar den kant van Djagaraga, bestendig
eene groote beweging en een voortdurend heen en weder loopen met
fakkels, hetgeen bij sommigen het vermoeden deed rijzen, dat hij zich
met zijnen aftogt onledig hield, een vermoeden dat weldra bleek allezins
gegrond te zijn geweest.
Op het rapport der luitenants Koster en Egter van Wissekerke, waren
terstond de noodige beschikkingen genomen om de door hen verkende
verschansingen door verrassing te nemen. De 4e en 6e kompagniën van het
7e hataillon, onder aanvoering van den majoor Hemmes^ werden daartoe
hestemd, terwijl de Ie en 2e kompagniën van het 5e bataillon (kapiteins
Engelenburg en Pool- man), onder den majoor Roqué, als reserve zouden
volgen. De 2de luitenant Egter van Wissekerke moest de aan- vallende
troepen geleiden.
De overige troepen, onder den luitenant kolonel le Bron de Vexela,
bleven de veroverde verschansingen voorloo- pig bezetten.
Ten 4| uur en derhalve lang voor het aanbreken van den dag, stelde
men zich in beweging. Naauwelijks een half uur later hoorde men, in de
stelling der onzen, dui- delijk de bijlslagen der sappeurs, die de
beletselen op- ruimden, hetgeen ten bewijs strekte, dat de schans wer-
kelijk was verlaten.
Toen de redoute beklommen was, begon het daglicht te schemeren, en
men ontwaarde meester te zijn van de sterkte, die den uitersten
linkervleugel vormde der aan- eengeschakelde verschansingen van
Djagaraga, en wel van die, welke achter de redoute no. 4 gelegen was. De
voor- uitgezonden kompagniën stonden nu achter den ingang der
caponnière, welke tot gemeenschap diende met deze redoute, en hadden
voor zich de redoute no. S of gelijk zij heette, die van goesti
Djilantiek.
In de caponnière vertoonde zich eene bende van 400 Baliërs,
waarschijnlijk de bezetting der redoute no. 4, die haren terugtogt wilde
bewerkstelligen, terwijl ook de redoute no. 8 met 2 è, 300 man bezet
was. Al dadelijk werd, door een hevig vuur van de 4de kompagnie 7e
bataillon, aan de bezetting der redoute no. 4, den aftogt belet; zij
maakte regtsom keert en verdween in de rigting der redonte, waaruit zij
vermoedelijk door eenen an- deren daar aanwezigen uitgang is ontsnapt,
dewijl eene kompagnie van het 13e bataillon, die er later binnendrong,
de sterkte verlaten vond.
De redoute no. 3 was aan de zijde der onzen slechts gesloten door
eenen muur, waarin drie doorgangen waren, zoodat de vermeestering
daarvan niet moeijelijk scheen te zullen zijn. De 4e kompagnie werd
bestemd tot het doen van den aanval, en de 6e om mogelijk ontzet af te
weren.
De vijand verdedigde zich echter dapper, zoowel door een goed
onderhouden geweervuur, als door een hagelbui van pijlen, die hij den
onzen toezond; door herhaalde kleine uitvallen, maakte hij bovendien het
naderen der ingangen meer en meer moeijelijk.
Het was intusschen dag geworden en een sterk geweer- vuur in het
front verkondigde, dat de aanval aan die zijde door de hoofdtroep werd
ondersteund.
De vijand bleef zich nog altijd moedig weren, het ge- vecht nam toe
in hevigheid, de kommandant der 4e kom- pagnie, kapitein Boon van
Ostade, geraakte persoonlijk handgemeen met de Baliërs, die wanhopige
pogingen de- den, om zich staande te houden. Eindelijk beklom de 4e
kompagnie de borstwering der courtine, van waar zij den vijand met haar
vuur beheerschte, en toen vervol- gens ook de beide kompagniën van het
5e bataillon de ingangen bestormden, was de zoo goed verdedigde schans
weldra genomen en de bezetting over de kling gejaagd. Slechts aan enkele
gelukte het over de borstwering te ontkomen.
Weinige oogenblikken te voren was de wakkere chef van den staf,
luitenant kolonel de Braüw, door eene pijl wier spits den vorm van eenen
drietand had, ernstig in de regter zijde gewond geworden. Zoo werd dan
ook deze kloeke aanvoerder bniten gevecht gesteld, doch ge lukkig niet
dan nadat de moeijelijke en gevaarvolle taak, die hij met zooveel
geestkracht had ondernomen en door- gezet , op eene glansrijke wijze ,
bijna was ten einde gebragt.
Wij zijn thans genaderd tot het tijdstip, waarop het verhaal der
verrigtingen van de hoofdmagt is afgebro- ken. "Wij hebben reeds gezegd,
dat de luitenant kolonel VAN SwiETEN, in dic oogenblikken kommandant der
troe- pen voor Djagaraga, zoodra hij het vuur van den luite- nant
kolonel de Beauw vernam, terstond besloot tot eenen aanval op het front
der versterkingen.
Hij zond de drie kompagniën van het 3e bataillon, benevens de 4e van
het 5e bataiUon, naar den toegang die tusschen de redouten no. 1 en 2
gelegen was, met last om daar zoo mogelijk binnen te dringen; de 6e kom-
pagnie van het 5e bataillon rigtte zich op de westelijke saillant der
redoute no. 2 en de Ie kompagnie van het 13e bataillon , werd naar de
redoute no. 4 gezonden.
Het overige der infanterie bleef bij het geschut in re- serve. De
ambulance werd door de hulptroepen bewaakt.
Uit de weinige vijanden , die zich nog in de oostelijke redoute
ophielden, bleek nu duidelijk, dat zij den nacht hadden te baat genomen
om eenen aanvang te maken met het ontruimen hunner verschansingen. De
verdedi- ging was dan ook flaauw; reeds voor 6 uur was men meester van
de geheele stelling en hadden onze troepen zich hereenigd*
Toen de generaal Michiels ten 7 uur van Sangsit voor Djagaraga kwam,
vond hij alom de Nederlandsche drie- kleur, gepaard aan de
Oranjevaandels onzer moedige batail- lons, boven de kruinen dezer zoo
geduchte liniën wapperen.
De liouwitzer, die in 1848 was achter gelaten, werd mede terug
gevonden; hij was tot aan de tappen geladen met grof en hoekig buskruid
, waarop , behalve eenige proppen van het inwendige weefsel van
kokosnoten, een knuppelkogel 5, 1 ^, eene ledige granaat ö. 11|- dm. en
twee zakjes met grof koraalgruis geladen waren.
De vijandelijke versterkingen door onze troepen in be- zit genomen
zijnde, bleef er nog over de kampong Dja- garaga te verkennen. De
bevelvoerende generaal was van meening, dat de radja van Bleling welligt
een po- pootan (zie de inleiding) zou wagen, zoodat de luitenant kolonel
van Swieten die verkenning in persoon ging ma- ken met de 5e en 6e
kompagniën van het 13e bataillon. Hij vond te Djagaraga evenwel niets
dan eene bevreesde bevolking, die hem, als blijken van onderwerping,
kokos- noten en runderen ten geschenke bood. De vijand was werkelijk
gevlugt en in de rigting van het rijk Karang Assam afgetrokken.
Men vond in de vijandelijke verscliansingen , behalve den reeds
genoemden houwitzer: 1 ijzeren kanon i 6 ^ op rolpaard ; 2 dito kanons ^
4 ^ eveneens op rolpaar- den ; 5 metalen lilla^s van verschillende
kalibers ; eene menigte projectilen van allerlei aard; 8 vaatjes gevuld
met Engelsch crepé kruid in blikjes en 55 vaatjes met Engelsch
infanterie buskruid.
Dit laatste werd vervolgens door de onzen gebezigd tot het vernielen
der verschansingen.
De verliezen des vijands werden, volgens hunne eigene, later aan ons
gedane opgaven, op 6000 man begroot, welk getal evenwel overdreven
schijnt ie zijn. Het verlies der onzen bedroeg in alles 33 dooden en 148
gewonden.
De vijandelijke werken waren weinig of niet bescha- digd; in sommige,
vooral in de redoute no. 3, die van goesti DniiANTiEK, werden vele
lijken gevonden.
Gedurende den nacht waren er te Sangsit nog maat regelen genomen ,
die eenige vermelding verdienen , of- schoon zij niet door gevechten
werden gevolgd. Beeds in den namiddag van den 15, toen het halve 3e
batail- lon naar Djagaraga was opgerukt, en ei derhalve te Sangsit
slechts een half bataillon, benevens de berg- batterij 3 ^, was
achtergebleven, liet de vice admiraal kommandant der vloot, terstond
alle beschikbare ma- riniers ontschepen, om de bezetting van die plaats
te versterken. Later ontving men berigt, dat eene aanzien- lijke magt
van Klonkong in aantogt was, om zich langs het strand op Sangsit te
werpen, terwijl onze hoofd- magt van daar was verwijderd. De vice
admiraal gaf daarop bevel aan de schoenerbrikken Banda, Banka, Saparoea,
Dolfijn, benevens de barkassen en sloepen, voorzien van hun geschut en
matrozen met scheepswa- penen , om digt aan het strand te ankeren , en
aan den vijand de nadering tot Sangsit te beletten; gedurende den nacht
werden gewapende sloepen op brandwacht gehouden.
Het bleek echter dat de ontvangen berigten onjuist waren ; de nacht
ging rustig voorbij , alleen werd het halve 3e bataillon ten onregte
gealarmeerd, waarbij het ongeluk plaats had, dat de Ie luitenant von
Schimmel- man eene doodelijke wonde bekwam, door het omvallen van een
rot geladen geweren, dat het schot van een dezer wapens deed ontbranden.
Des morgens ten 11 uur van den 16 April, verkon- digde een salut van
21 schoten, zoo wel te land als op de reede, de behaalde overwinning.
Naarmate wij in ons verhaal vorderden, hebben wij onze beschouwingen
medegedeeld over de wijze waarop Djagaraga werd aangevallen en genomen.
Wij hebben daarbij reeds doen uitkomen, dat deze wijze, wanneer men haar
toetst aan de gestrenge regelen der krijgskunst, stof geeft tot menige
billijke aanmerking. Maar wij zien er tevens uit, dat het aan een kloeke
geest en een hel- der brein, wanneer zij ondersteund worden door flinke
soldaten, soms geoorloofd kan zijn, die regelen ter zijde te schuiven en
te beproeven, door stoutmoedige en onbe- zweken voortvarendheid ,
datgeen te verwerven , wat door- gaans slechts verkregen wordt door taai
geduld en lang- zaam, maar zeker overleg. Het koene besluit van den
luitenant kolonel de Bbauw om den togt, die hij als ver- kenning begon,
als omtrekking te vervolgen en door te zetten, heeft de verdere
gebeurtenissen van den 15 en 16 April geheel beheerscht. De generaal
Michiels was daardoor niet vrij meer in zijne handelingen, en al zijn
streven op den 15 is geweest , om aan een gedeelte zijner krijgsmagt ,
waarvan hij , in weerwil van alle po- gingen, niets stelligs kon te
weten komen, en dat hij in hoogst netelige omstandigheden waande, lucht
te geven. Het valt moeijelijk uit te wijzen, wat er van de troepen onder
de bevelen van de Bjiaüw zou geworden zijn, wanneer de generaal zich
Vergenoegd had met Djagaraga, in het front, slechts met artillerievuur
te bestoken, zon- der daarop eenen, wel is waar schier hopeloozen, maar
toch krachtigen, stormenderliandschen aanval te beproeven. Wij durven
echter de vraag stellen , of de generaal wel verantwoord zou zijn
geweest, wanneer hij dien had achter- wege gelaten, en wanneer de
omtrekkende kolonne, gelijk hij in sommige oogenblikken vreesde,
werkelijk geheel in de pan gehakt ware geworden.
Het is intusschen boven allen twijfel verheven, dat het doen plaats
hebben van eenen geregelden en stelsel- matigen aanval op Djagaraga,
aanzienlijk meer offers ge- kost zou hebben, dan nu, door het omtrekken
en be- stormen der liniën, zijn gevorderd.
Het terrein voor die stelling leverde niets op, zelfs, gelijk wij
gezien hebben, geen drinkwater. Alles wat derhalve tot huisvesting en
verpleging der troepen zou noodig zijn geweest, had van Sangsit of
Boenkoelan moeten worden aangevoerd. Het getal koelies zou voor deze
taak onvoldoende zijn geweest, en men zou derhalve van de soldaten zelf
eenen voortdurenden zwaren arbeid hebben moeten vorderen, die hen toch
nog aan ontbe- ringen zou hebben prijs gelaten. Voegt men hierbij den
niet minder zwaren arbeid , die het opwerpen van bat- terijen en het
ontgraven der bedekte toenaderingen zou hebben geëischt en die men hun
eveneens had moeten opleggen; let men op de, voor de gezondheid zoo
scha- delijke, uitdampingen, die in Indië steeds het gevolg zijn van het
omwoelen des bodems ; op de bestendige waak- zaamheid en derhalve op de
afmattende veiligheidsdienst, die noodzakelijk zou zijn geweest; op de
verliezen door des vijands vuur te weeg gebragt; op de koude nachten en
de brandend heete dagen, dan gelooven wij, dat geen deskundige zal
ontkennen , dat de gang der krijgsverrig- tingen op Bali veel gewonnen
had, door de wijze waar- op het pleit was beslist.
GEVOLGEN DEE VEROVERING VAN DJAGA- EAGA EN VOOEBEREIDING TOT DEN TOGT
NAAE KARANG ASSAM.
Vermoedelijke redenen van de troawelooze handelingen der vorsten van
Bleling en Karang Assam. — Gevolgen der verovering van Bjagaraga. — De
vorst van Bleling wordt beschouwd als vervallen te zijn van den troon. —
Maatregelen , om in de regering van Bleling te voorzien. — Zending van
den heer VAN Capellen naar Badong. — De vorst van Bleling wordt geheel
door de bevolking verlaten. — Wreedaardige handeling van dien vorst, —
Gevolgen daarvan. — Uitslag der zending van den heer van CArzLLEN. — De
vorst van Bangli bezoekt den generaal Michiels. — Voorstellen hem gedaan
en gevol- gen daarvan. — Djembrana wordt weder een zelfstandigen staat.
— Onze troepen keeren grootendeels naar Sangsit te- rug. — Djagaraga
wordt geslecht en geheel door de onzen verlaten. — Proeven aangaande het
opruimen van dadap doerie. — Verdere plannen van den generaal Michiels.
— De vorst van Lombok verzoekt deel te mogen nemen aan de
krijgsverrigtingen tegen Karang Assam. — De generaal laat eene bezetting
in het rijk van Bleling achter en vertrekt met zijne troepen naar de
baai van Laboean Amok, ten einde Klon- kong on Karang Assam aan te
tasten. — Hij zelf bezoekt vooraf Badong en gaat van daar eveneens naar
de Laboean Amok baai.
De trouwelooze handelingen der vorsten van Bleling en Karang Assam
kunnen in niets anders hun ontstaan gevonden hebben, dan in den wensch,
om door schijnbare onderwerping en derhalve door misleiding, tijd te
winnen, om hunne strijdkrachten te vergrooten en zich meer en beter voor
te bereiden tot den kamp, die zij voor hunne onafhankelijkheid wilden
wagen. Daartoe was het noodig, dat zij zich in het oog hunner
bevolkingen als opper- magtige gebieders bleven gedragen, en zij
verschenen uit dien hoofde op de bijeenkomsten te Singaradja en Sangsit
dan ook geenszins in de houding, die een on- dergeschikten tegenover
zijnen meerdere betaamt, maar vergezeld van gewapenden en alsof zij huns
gelijken gingen bezoeken.
Het bewaren dier houding werd hun echter onmogelijk, toen de generaal
Michiels eischte door eene bres binnen Djagaraga te komen, en toen hij
weigerde de vorsten aldaar te ontmoeten. Het oogenblik tot het nemen van
een stellig besluit was nu voor hen gekomen; zij moesten zich inderdaad
onderwerpen of naar het zwaard grijpen, en zij verkozen het laatste.
Gesteund door den overmoed* die hen bezielde , door de voordelen in het
vorige jaar behaald, en door de uitwerkselen van des opperbevel- hebbers
edelmoedigheid, die bij hen, gelijk doorgaans bij Indische volken het
geval is, wel voor zwakheid en vrees zal gegolden hebben , gingen zij
des te eerder daartoe over.
Intusschen was de vervulling hunner hooggespannen verwachtingen op
deerlijke wijze verijdeld, en hadden zij den opperbevelhebber in de
verpligting gebragt, den inhoud der manifesten" van 1848 geheel op hen
toe te passen. De radja^s van Bleling en Karang Assam moes- ten worden
onttroond, en de uitlevering van den goesti DjiLAXTiEK was noodzakelijk
geworden. Op welke wijze men dit een en ander tot stand zou brengen, kon
even- wel niet onmiddelijk na het staken van den strijd wor- den
bepaald. Zelfs gedurende de eerste twee dagen na de overwinning bleef
men nog geheel in het onzekere, of de vorsten zich met hunne krijgsmagt
niet in het gebergte hadden teruggetrokken, om de onzen aldaar op nieuw
af te wachten. Het vervolgen des vijands toch, gelijk de regelen der
krijgskunst dat na eene overwinning voorschrijven, kan in Indië
onmogelijk, ver buiten de grenzen van het slagveld, worden voortgezet.
In zulke woeste en onbegaanbare terreinen als hier worden aan- getroffen
, weet een inlandsch vijand , die noch geschut , noch veldtros met zich
voert , zich zóó spoedig onzigt- baar te maken, dat alle pogingen, om
hem te achtervol- gen, ijdel worden.
Men moest dus op nadere berigten van kondschappers wachten en hielden
deze in, dat de vijand werkelijk eene nieuwe stelling dieper in het
gebergte had gekozen, dan kon de oorlog nog lang gerekt worden en de
opperbe- velhebber zich nog in vele moeijelijkheden gewikkeld zien.
Immers hoe ruim men ook, in vergelijking met het vo- rige jaar, van
transportmiddelen was voorzien, zoo zouden zij toch niet toereikend zijn
geweest, om de troepen, op grooten afstand van het strand, van het
noodige te voor- zien. En de troepen zelf; zou hunne sterkte voldoende
zijn om, na hier hunne taak volbragt te hebben, ook nog op de
zuidoostkust van het eiland tegen Klonkong te kunnen oprukken? Men zal
vermoedelijk met ons tot het besluit komen, dat hun getal daartoe
ontoereikende zou zijn geweest, wanneer men verneemt, dat de sterkte op
het einde van April, door allerlei oorzaken, reeds met bijna 700 hoofden
was verminderd.
lijken bezitter van dien troon tot opvolger was bestemd geworden, was
van Badong geschreven, dat het oogen- blik daar was, om te beproeven
eene omwenteling in zijn voordeel te bewerken; dat het Nederlandsch
bestuur genegen was, hem hierin behulpzaam te zijn en hem als , radja te
erkennen, wanneer hij slaagde; dat hij voorts den rijksbestuurder van
Karang Assam, goesti Made Djoen- GOETAiï, vergiffenis kon toezeggen,
wanneer deze hem de hand wilde leenen. Deze ida Ratoe heeft echter
nimmer iets van zich laten hooren.
De radja van Gianjar, die zijne weifelingen had be- sloten , met de
partij der vijandelijke vorsten te kie- zen en die thans zeer op hen
gebeten was , dewijl goesti Djilantiek zonder eenige reden de 600 man,
die hij naar Djagaraga had gezonden, had doen ontwa- penen en van daar
verwijderen , wilde , naar men be- weerde, niets liever doen, dan zich
weder met de Neder- landers verzoenen.
Klonkong — berigtte de heer van Capellen verder — scheen nog altijd
in zijnen tegenstand te willen volhar- den; men hield vol, dat het 15 h
16000 man t^en ons zou kunnen aanvoeren, maar de versterkingen, die
zoowel te Klonkong zeK als te Kasoemba bestonden, zou- den zeer
onbeduidend zijn.
Daar het landschap Djembrana, dat door den radja van Bleling was
overweldigd geworden, door den val van deze, zijne onafhankelijkheid had
herkregen, zoo had de heer van Capellen eindelijk de goesti Alit
Gentoeh, zoon en erfgenaam van den verdreven vorst, van Badong
medegenomen, ten einde hem te doen beproeven of de bevolking van
Djembrana genegen was, onder zijn be- stuur, weder eenen zelfstandigen
staat te vormen.
Inmiddels werd ijverig voortgegaan met de regeling der inwendige
aangelegenheden van het rijk Bleling. Dewa Made Eai gevoelde zich niet
in staat, een land dat zulke hevige schokken had ondergaan, tot rust en
orde te brengen en het de zegeningen des vredes te doen genieten. Hij
keerde derhalve weder naar Badong terug.
Door de pembukkels of kampongshoofden werd nu, in eenen grooten raad,
tot pengawah of regent verkozen de goesti Made Eai, een man die, naar
men beweerde, eveneens van vorstelijken bloede was. Deze benoeming werd
door den opperbevelhebber goedgekeurd. De pen- gawah vestigde zich
voorloopig te Sangsit, hoofdzakelijk dewijl hij hier het beste in staat
was , de diensten te doen regelen en uitvoeren, die men genoodzaakt was
van de bevolking te eischen. Deze diensten bestonden in het leveren van
bouwstoffen voor een kampement, dat te Bleling werd opgerigt, en in het
dagelijks verstrekken van gras voor onze talrijke paarden. Dit waren de
eenige oorlogslasten die den overwonnenen werden opgelegd, en het volk
voldeed ze met groote bereidwilligheid. Men zag hierin teregt een nader
bewijs van de groote omme- keer, die in de zienswijze der Baliërs had
plaats gevon- den; die ommekeer werd nog meer gestaafd door den spoed en
het gemak, waarmede de uitlevering werd ver- kregen van een groot aantal
geweren, die in 1848 in hunne handen waren gevallen. Deze geweren waren
door de vorsten uitgereikt aan hunne meest vertrouwde volge- lingen, en
het bleek dus dat zij ook door deze reeds waren verlaten. Het sterkste
bewijs van eene geheel ver- anderde gezindheid der bevolking werd
evenwel daardoor geleverd, dat een gezant van den radja van Bangli,
slechts verzeld door 40 ongewapenden, van zijne bergen afdaalde, en
voorafgegaan door eene Nederlandsche vlag, ongehinderd het geheele land
doortrok tot Sangsit, waar hij den bevelvoerenden generaal ging
ontmoeten.
Dit gezantschap bragt de tijding mede, dat zijn vorst het landschap
Batoer had hernomen, en dat hij wenschte te weten, op welken dag de
generaal hem kon ontvangen. Het tijdstip daartoe werd vastgesteld op den
26 April, wanneer de radja dan ook in volle staatsie en verzeld van 2000
gewapenden, waartoe hem vergunning was ge- geven, te Sangsit verscheen.
In het gesprek met dien bondgenoot gehouden, werd hem te kennen
gegeven,, dat het hem volkomen vrij stond, zich weder in het bezit te
stellen der land- schappen, hem door de vorsten van Bleling, Karang
Assam, Gianjar en Mengoei ontnomen. De vorst van Bangli was ons niet
alleen voortdurend getrouw gebleven, maar hij stond bovendien bekend als
een man van veel doorzigt en geestkracht, die zijn land met wijsheid en
klem bestuurde. De opperbevelhebber vond hierin aan- leiding, hem zijne
inzigten, over de verdere regeling der Balische zaken, mede te deelen.
Hij gaf hen zelfs te kennen, dat hij er wel toe overhelde om den tegen-
woordigen dewa agong van zijne waardigheid te ontzetten en hem dewa
gedeh Tangkeban, radja van Bangli, in zijne plaats, tot dewa agong te
verheffen. Het geslacht van den radja van Bangli toch, was van veel
edeler bloed dan dat van den dewa agong en hij was bovendien de eenigste
vorst, die niet door eenen eed aan hem verbon- den was. In deze
omstandigheden, gepaard aan de per- soonlijke goede eigenschappen en de
ons bewezen trouw van den radja, zou eenen waarborg gelegen hebben, dat
men door zijne verheffing eenen opregten en sterken vriend aan het hoofd
der Balische zaken had verkregen. De vorst van Bangli toonde echter
geene genegenheid de hem toegedachte hooge waardigheid te aanvaarden;
hij voorzag, dat de naijver der overige vorsten hem niet in het rustig
bezit daarvan zou laten; hij meende, dat zijne verheffing de eerste stap
zou zijn tot eene reeks van nieuwe moeilijkheden en binnenlandsche
beroeringen en hij was dus verstandig en onbaatzuchtig genoeg, om voor
de hem aangeboden onderscheiding te bedanken.
Daar op Bali geen andere vorst kon aangewezen wor- den, op wien het
wenschelijk en mogelijk was de waardig- heid van dewa agong te doen
overgaan, zoo helde de vorst van Bangli over tot het denkbeeld, dat onze
belan- gen nog het best gediend zouden worden door den tegen- woordigen
vorst van Klonkong, die overigens zijn vijand was, in het bezit daarvan
te laten.
Deze zienswijze is, gelijk wij later zien zullen, niet zonder invloed
gebleven op de eindregeUng der politieke aangelegenheden van Bali,
evenmin als het voorstel, aan den radja van Bangli gedaan, dit bleef op
den verderen loop der zaken.
Het gesprokene toch, waarbij men zich van tolken had moeten bedienen,
was niet volkomen geheim gebleven en de radja^s van Badong en Tabanan
schijnen er zelfs door bewogen te zijn geworden om, in de maand Junij,
tegen den dewa agong op te rukken, ten einde hem te dwingen zich met ons
te verstaan, dewijl zij vreesden hem anders door den radja van Bangli të
zien vervangen,
Aan de andere zijde schijnen eenige zwarigheden, die later door onzen
bondgenoot van Badong tegen den togt naar Klonkong werden geopperd, en
die vermoedelijk hun ontstaan vonden in vrees voor de ontzetting van den
dewa agong, een nader bewijs te leveren voor de juistheid van het
gevoelen des radja^s van Bangli, dat hij deze waardigheid niet in rust
en vrede zou hebben bezeten.
De radja van Bangli keerde den 27 April naar zijne staten terug,
overladen met allerlei geschenken, maar vooral ruim begiftigd met kruid
en lood en met twee Nederlandsche vlaggen, op wier bezit hij grooten
prijs stelde. Hij had beloofd aan de vorsten van Klonkong en Karang
Assam, wanneer zij door ons zouden worden aangevallen en geslagen, ,te
beletten naar het gebergte te vlugten; ook zou hij de gemeenschap
tusschen Klonkong en Karang Assam zooveel doenlijk bemoeijelijken.
Op dien zelfden dag verscheen te Sangsit een gezant- schap uit
Djembrana. Het verzekerde den generaal, dat de pembukkels, benevens de
bevolking, met genoegen had- den vernomen, dat de generaal hun land
weder tot eenen onafhankelijken staat wilde verheffen, en het verzocht
hem den goesti Alit Gentoeh, zoon van den verdreven vorst, tot radja te
mogen hebben. Dit verzoek, wat wij hier- boven reeds gezien hebben, dat
geheel met de inzigten van den generaal MiCHiiiïiS strookte, werd
ingewilligd. De kapitein adjudant Jhr. van Capellen vertrok dien ten
gevolge den 29 naar Djembrana, waar hij den vorst, op plegtige wijze ,
in het gezag zijner vaderen herstelde.
Terwijl de opperbevelhebber zich alzoo onledig hield met het regelen
der politieke zaken van het overwonnen land, waren onze troepen weder
grootendeels, uit de liniën van Djagaraga, terug gekeerd naar Sangsit,
waar men beter in hunne voeding en verpleging kon voor- zien. De liniën
waren voorloopig bezet gebleven door het 3e bataillon infanterie, de 3 ^
bergbatterij en de sappears. Deze laatsten waren, onder de leiding der
genie officieren, ijverig werkzaam aan het sloopen en ver- nielen der
genomen verschansingen, In 13 dagen tijds waren er niet minder dan 68
mijngangen, van 3 tot 5 Ned. ellen diepte, in den zoo harden en vasten
Hei- grond dier werken geopend; in 34 daarvan waren mijn- ovens
aangelegd, geladen en ontstoken. Hierdoor had men de borstweringen der
redouten no. 1 en 2 vernield, eene groote bres in die van no. 3 gelegd
en verder de gedekte' gemeenschap tusschen de verschillende werken
verbroken. Daar men nu de Uniën van Djagaraga voldoende onbruik- baar
gemaakt achtte, werd het laden en ontsteken der overige mijnen, wegens
de groote hoeveelheid buskruid die het gekost zou hebben, achterwege
gelaten.
Ook een gedeelte der digte levende hagen , die de werken omgaven,
werd door buskruid opgeruimd, doch meer om te dien aanzien proeven en
onderzoekingen te doen, dan wel als noodzakelijken maatregel voor den
oogenblik. Men vond, dat een vaatje met ZO Ned. ^ buskruid, halverwege
in Üen grond gegraven tegen de stammen der dadap doerie, na ontstoken te
zijn, in de heg eene gave opening maakte van 5 Ned. ellen breedte, en
daarenboven regts en Hnks van de opening nog wel eene breedte van 3 Ned.
ellen onschadelijk maakte.
Toen de werken van Djagaraga voldoende waren ver- nield , vereenigden
al de troepen zich te Sangsit.
De opperbevelhebber had besloten het halve 5e batail- lon infanterie,
eene sectie van de 3 ^ bergbatterij en de hulptroepen, benevens 500 van
de minst valide koelies, achter te laten. Deze troepen werden onder de
bevelen gesteld van den majoor Eoqui; zij waren bestemd ter beveiliging
van het rijk van Bleling en werden vereenigd ia het kampement, dat nabij
onze redoute te Bleling, opzettelijk voor hen was gebouwd.
Met het overige zijner magt zou de generaal zich we- der inschepen en
zich begeven naar de baai van Laboean Amok, ten einde van daar de
krijgsverrigtingen tegen Karang Assam te vervolgen en die tegen
Klongkong te beginnen. Deze krijgsverrigtingen regtstreeks van Sangsit
aan te vangen en geheel over land voort te zetten, was eene
onmogelijkheid, die men ten volle zal beseffen^ wanneer men zich onze
geographische en topographische beschrijving van het eiland herinnert,
en zich te binnen brengt, wat wij over het volgen van den vijand in het
gebergte reeds hebben gezegd.
Een paar kleine oorlogschepen werden op de reede van Bleling achter
gelaten, met last, om de gemeenschap met de baai van Laboean Amok te
onderhouden.
Eene bende van 1000 Baliërs, uit het rijk van Ble- ling, zouden onder
den goesti Noman Lebak (wiens moeder en broeder door den verdreven radja
waren vermoord), oprukken naar Agnies, nabij Toela Koeta^ op de grenzen
van Karang Assam. Aanvankelijk waren die troepen slechts bestemd, om
tegen eenen vijande- lijken inval te waken, maar later werd hen, op hun
dringend verzoek, toegestaan, in het Karang Assamsche te vallen.
Wij hebben reeds elders aangemerkt, dat het getal strijders van den
generaal Michiels, op het einde der maand April, door verschillende
oorzaken, met bijna 700 man was verminderd.
In dat der koelies was, naar evenredigheid, nog eene veel grootere
vermindering ontstaan, zoodat de generaal voor zijn vertrek nog 500
koelies ontbood van die, welke te Soerabaya werden beschikbaar gehouden.
Zij kwamen den 4 Mei te Sangsit aan.
Volgens alle ingekomen berigten, waren de verjaagde radja^s, benevens
de goesti Djilantiek, nog altijd te Karang Assam. Er heerschte daar, zoo
wel als te Klong- kong, eene groote ontsteltenis, wegens de nabij zijnde
komst der onzen. Men had niettemin besloten zich te verdedigen en werkte
daartoe ijverig aan verschansingen, die vooral te Karang Assam, Kasoemba
en Klonkong werden opgerigt of verbeterd.
De dewa agong zou evenwel den goesti Djilantiek bestendig uit
Klonkong verwijderd houden, ten einde daardoor, zoo hij hoopte, minder
kans te hebben door de onzen in zijn rijk te worden aangevallen.
Voor zijn vertrek van Sangsit, ontving de opperbevel- hebber nog een
gezantschap van den vorst van Mataram, op het eiland Lombok, die tot
onze getrouwste Indische vrienden en bondgenooten behoorde.
De vorst liet den generaal dank zeggen voor de be- rigten, die hij
hem aangaande de verovering van Dja- garaga had gezonden, en maakte van
de gelegenheid ge- bruik, om hem te herinneren aan de beloften, die hem
reeds in 1847 en 1848, vóór en tijdens de tweede expe- ditie, door de
gouvemements kommissarissen Maijob, en baron de Kock gedaan waren. Die
beloften hielden in, dat hij zou mogen medewerken tot het bestraffen van
den radja van Karang Assam. Hij achtte zich in staat 6000 man troepen
derwaarts te zenden, zoo de generaal hem slechts met middelen tot den
overtogt wilde behulp- zaam zijn. Voor het verleenen van deze hulp,
hoopte hij beloond te worden met het landschap Tjoelik in Karang Assam,
waarop hij buitendien beweerde regt te hebben.
Zijne gezanten wisten dit regt, wel is waar, niet te sta- ven, maar
aangezien er sedert lang eene bijzonder goede verstandhouding heerschte
tusschen den radja van Mata- ram en den rijksbestuurder van Karang
Assam, die, even als een goed deel van het volk in laatst genoemd land,
afkeerig was van zijnen vorst, zoo begreep de generaal, dat de hulp der
Lombokkers een groot gewigt in de schaal kon leggen. Hij wees die dan
ook geenszins af, maar stelde het geven van een bepaald bescheid uit,
tot hij, in de baai van Laboean Amok, zich nader met den stand der zaken
in die oorden zou hebben bekend ge- maakt. Hij verzocht derhalve het
gezantschap, de vloot derwaarts te volgen.
Op den 9 Mei en alzoo 23 dagen na de overwinning van Djagaraga,
verliet de generaal Michiels Sangsit, zich begevende langs Bali Badong
naar Laboean Amok. Wan- neer men geen ooggetuige geweest is van de
gebeurtenis- sen en niet al de zwarigheden kent, die welligt moesten
wórden overwonnen, of het langzame in de handelingen van Indische
grooten, waaraan men zich moest onderwer- pen, dan is het moeijelijk te
bepalen, of zulk een aan- zienlijk tijdsverloop als 23 dagen
daarstellen, inderdaad noodig is geweest, om tot stand te brengen, wat
in Bleling is verrigt. Te bejammeren is het echter, dat zoovele dagen
voor de krijgshandelingen ongebruikt moes- ten voorbij gaan , want de
tijd naderde met rassche schre- den , waarin geene vloot meer veilig zou
wezen op de zuidoostkust van Bali.
Te Badong vernam de generaal, van den radja onzen bondgenoot, dat
deze op den 17 Mei in het rijk van Mengoei zou vallen. De radja van
Mengoei had echter, even als die van Gianjar , de tusschenkomst van den
Ne- derlandschen agent te Badong ingeroepen, om weder in genade door ons
te worden aangenomen. Daar nu de radja van Gianjar, zoo als wij gezien
hebben, door een inval uit Bangli werd bedreigd, zoo liet de generaal
hen beiden weten, dat zij ten spoedigste gezanten te Laboean Amok aan
hem hadden te zenden, want dat hunne rijken onherroepelijk voor hen
zouden zijn verloren, wanneer onze bondgenooten eenmaal over hunne
grenzen zouden zijn getrokken. Het bleek later, dat de verzekeringen der
beide vorsten geen ander doel hadden gehad, dan ons te misleiden en tijd
te winnen.
De opperbevelhebber kwam op den 12 Mei in de baai van Laboean Amok
ten anker en vond daar de geheele vloot reeds vereenigd, dank zij de
goede diensten van de vele stoomschepen , die aan de expeditie waren
toe- gevoegd.
DE VAL VAN KARANG ASSAM.
Ontscheping te Laboean Amok en togt naar Padang GoTe. — Redenen
waarom eerst Karang Assam en daarna Klonkong wordt aangetast. — De hulp
der Lombokkers wordt aangeno- men. — Be heer yan Capellsn gaat naar
Lombok, om de sterkte der krijgsmagt en de voorwaarden waarop zg zal
worden geleverd, te regelen. — In Karang Assam bereidt ziéh eene
omwenteling voor, ten nadeele van den regerenden vorst. — De
rijksbestnurder van Karang Assam scheidt zich van zijnen vorst en
onderwerpt zich aan de Nederlanders. — Het getal zieken neemt te Padang
Cove , vooral onder de koelies , be- langrijk toe. — £en gedeelte der
troepen wordt weder inge* scheept, om over zee naar Karang Assam te
gaan. — De Lom- bokkers, die te Padang Cove zijn aangekomen, gaan over
land derwaarts. — Loop der zaken in Karang Assam. — De vofsl snenvelt en
z\jn bondgenoot, de radja van Bleling, vlagt met goesti DjiLAirriEK naar
het gebergte. — Gelukkigen afloop van dien veldtogt, die zoo r\jk aan
bezwaren had kannen z^n. — Heilzamen invloed, die het nemen van
Djagaraga op dit een en ander heeft gehad. — Yoorbereidselen voor den
togt naar Klonkong. — Het getal der zieken neemt te Padang Cove op
zorgbarende wijze toe. — Maatregelen tot hunne verpleging ge* nomen.
In de inleiding hebben wij reeds doen uitkomen^ dat geene vloot zich
langer dan tot half Junij langs de zuid- oostkust van het eiland Bali
kan blijven ophouden , zon- der zich aan de grootste gevaren bloot te
stellen.
Daar men reeds tot den 12 Mei was gevorderd, en derhalve binnen eene
maand tijds , de rijken van Klonkong en Karang Assam ten onder gebragt
moesten worden, viel er geen oogenblik meer te verliezen. Al dadelijk
werd dan ook bevel gegeven, op den 13 Mei, drie kompagniën van het 13e
bataillon aan wal te zetten, om onder den luitenant kolonel van Swieten
het terrein rondom de ont- schepingsplaats te verkennen, en zoo
mogelijk, achter het kleine voorgebergte, dat de baai van Padang Cove
van de Laboean Amok baai gescheiden houdt, door te drin- gen en zich te
Padang Cove te vestigen. Te gelijker tijd zou er eene verkenning met
gewapende sloepen in de baai van Padang Cove plaats hebben.
Nog eer de troepen van den luitenant kolonel van Swieten aan wal
gekomen waren, zag men óp de bergen, die de baai tot kort bij het strand
omringen, zich eene vijandelijke magt van 2 h, 3000 man bewegen. De
gene- raal besloot derhalve de rest zijner troepen terstond te doen
volgen, en dank zij den ijver daarbij door de marine aan den dag gelegd,
was nog voor den avond zijne ge- heele krijgsmagt, met uitzondering
eener halver 6 ^ bat- terij, die voorloopig aan boord moest blijven, te
Laboean Amok ontscheept.
De troepen van den luitenant kolonel van Swieten, die het eerst aan
wal kwamen, vonden hoegenaamd geenen tegenstand. Daar de generaal
besloten had hen te ver- sterken, alvorens ze naar Padang Cove te doen
oprukken, kwam er eenige verandering in de gegeven bevelen. Als een
gevolg daarvan rukte omstreeks IJ- uur de luitenant kolonel Poland met 4
kompagniën van het 3e bataillon naar Padang Cove en trok die plaats, na
eene kleine schermutseling, binnen.
De generaal Michiels ten 3 uur aan wal komende, en beducht zijnde
voor eenen aanval in den rug der troepen van Poland, beval eene
demonstratie naar de zijde der bergen, tevens met het doel om eenige
bentings op te sporen, die daar zouden zijn* gelegen. Deze taak werd op-
gedragen aan den wnd. chef van den staf ridmeester von Stampa, met eene
kompagnie van het 13e bataillon onder den kapitein Smits. Deze verdreef
de troepen, die zich in den rug van het 3e bataillon vertoond hadden en
stelde zich op, dwars over den weg die naar Padang Cove voert.
Toen de generaal Michiels van den ridmeester von Stampa, die met de
zijnen eenen zeer vermoeijenden togt had gemaakt, berigt ontving, dat
nergens bentings te vinden waren, en dat de vijand alom was
teruggetrokken, ging hij met 3 kompagniën van het 7e bataillon
insgelijks op marsch naar Padang Cove, wat hij bereids door Poland bezet
vond.
De opperbevelhebber vestigde hier zijn hoofdkwartier, terwijl de
overige troepen te Laboean Amok, nabij het strand, onder den luitenant
kolonel van Swieten, gebi- vakkeerd bleven.
De verkenning der baai met sloepen was aan den lui- tenant ter zee Ie
kl. Veester opgedragen en door den kapitein adjoint bij den staf Staring
bijgewoond gewor- den. Zij was zonder vijandelijkheden afgeloopen en had
verscheidene nuttige inlichtingen verschaft.
Door het bezetten van Padang Cove kon de opperbe- velhebber zijne
strijdkrachten naar verkiezing tegen Klon- kong of Karang Assam rigten.
Hij bevond zich bijna op even grooten afstand van de hoofdplaatsen der
beide rijken. De weg die naar Klonkong voerde, liep evenwel over bijna
effen terrein, terwijl die, welke naar Karang Assam ging, over
bergruggen leidde van 1000 voeten hoogte en meer. Het scheen dus
verkieslijk het eerst tegen Klonkong op te rukken, maar redenen-, van
poli- tieken aard, hielden den generaal Michiels daarvan terug.
Wij hebben reeds gezien dat in Karang Assam eene partij bestond, die
den rijksbestuurder aan haar hoofd had en den vorst van dat land zeer
ongenegen was. Deze partij had slechts eenige ondersteuning noodig om
het hoofd op te steken en naar de wapenen te grijpen. Het was te
voorzien, dat zij zich bij onze nadering met ons zou vereenigen, om tot
den val van den tegenwoor- digen radja mede te werken. Het was derhalve
dienstig van dezen gunstigen stand der dingen gebruik te maken, eer zich
welligt eene omkeering, in de gevoelens van zooveel Karang Assammers,
openbaarde.
Was Karang Assam overwonnen, dan zou Klonkong al weder van eenen
bondgenoot beroofd zijn, wij zouden, naarmate ons aanzien door den
voorspoed onzer wapenen rees, minder kans hebben, dat andere vorsten het
zouden wagen, den dewa agong te ondersteunen en wij zouden eindelijk,
bij het wenden van onze wapenen tegen hem, geene vrees meer behoeven te
koesteren van in den rug te zullen worden bestookt.
De generaal Michiels besloot dan ook den togt naar Karang Assam aan
dien naar Klonkong te doen vooraf- gaan. Hij besloot tevens, daarbij
gebruik te maken van de hulp, die hem was aangeboden door den radja van
Mataram op Lombok. Daardoor behoefde hij een gerin- ger aantal, zijner
eigene troepen, naar Karang Assam te zenden en verschafte zich dus het
voordeel van aan de zijnen vermoeijenissen te besparen en eene sterker
magt te Padang Cove gereed te hebben, om daarmede het ge- ven van
bijstand door Klonkong te beletten, wanneer dit mogt worden beproefd.
De kapitein adjudant «Thr. van Capellen werd dien- tengevolge op den
14 Mei naar Lombok gezonden, om den radja van Mataram het antwoord van
den generaal over te brengen, en de komst der hulptroepen voor te
bereiden.
De ontvangst die de heer van Capellen bij den radja genoot, was al
dadelijk zoo vriendelijk en voorkomend, dat er met voldoende zekerheid
uit afgeleid kon worden, dat hij niets meer verlangde dan een
toestemmend ant- woord op zijn verzoek te bekomen.
Hem werd te kennen gegeven, dat, aangezien de regt- matigheid zijner
aanspraken, op een gedeelte van Karang Assam, nog nader moest worden
bewezen, hem aangaande het toekomstig bezit daarvan, nog geene stellige
toezeg- gingen konden worden gedaan, maar dat niettemin zijne
medewerking, tot de verovering van dat rijk en de be- straffing van den
radja, die de opperbevelhebber besloten had aan te nemen, altijd met
eene vermeerdering van grondgebied en van gezag zou worden beloond. Hem
werd wijders medegedeeld , dat de Nederlandsch Indische regering, met
den oorlog tegen eenige Balische vorsten, niet alleen beoogde hem te
bestraffen wegens hunne weer- spannigheid en trouweloosheid, maar tevens
het vestigen van een regtvaardig en krachtig bestuur op het eiland, ten
einde rust en welvaart aldaar te doen bloeijen.
Den heer van Capellen vroeg vervolgens aan den radja, hoe groot de
magt was, dieu hij ter onzer be- schikking dacht te kunnen stellen. Het
antwoord van den vorst kwam hier op neder. Het voorname doel van zijn
aanbod was geweest het sparen van veel moeite en bloed, want hij was met
ze- kerheid onderrigt, dat een goed deel der bevolking den radja van
Karang Assam verlaten en zich aan zijne zijde scharen zou, zoodra zijne
troepen, met goedvinden der Nederlanders, daar voet aan wal zetten. Hij
had reeds van verschillende grooten , waartoe de rijksbestuurder goesti
Made Djoengoetan behoorde, aanzoek gekregen, zich de zaken van Karang
Assam aan te trekken. Ove- rigens waren, naar hij beweerde, zijne
voorouders steeds in het wettig bezit van dat land geweest, maar hij
wilde niettemin geene voorwaarden steUen bij het verleenen der
aangeboden hulp, hij zou in deze alles aan de beslissing van den
opperbevelhebber over laten. Hij meende, dat 4000 man voldoende zouden
wezen en beloofde die gereed te zullen hebben, zoodra de generaal het
verlangde. Hij wenschte voorts, bij tijds eenige vertrouwde personen
naar Oedjong te zenden, om kennis te geven van de komst zijner troepen
en om maatregelen te nemen, dat aan niemand dergenen, die zich bij de
zijnen mogt willen voegen, eenig leed geschiede.
Dit laatste werd al dadelijk ingewilligd en men kwam bovendien
overeen, dat de 4000 man gereed zouden zijn, om den 17 en 18 aan boord
te gaan der schepen, die daartoe zouden worden gezonden. Zij zouden
staan on- der de bevelen van den goesti gedeh Eai met nog twee ida^s en,
hetzij te Laboean Amok, hetzij elders, waar de generaal het noodig mogt
oordeelen, aan wal worden gezet.
Terwijl de heer van Capellen zich nog op Lombok ophield, had men in
het hoofdkwartier verschillende be- rigten ontvangen, dat de tegenstand
in Karang Assam niet alleen onbeduidend zou wezen, maar ook dat het om-
wentelingszaad daar welig tierde. Reeds in den morgen van den 14 hadden
de meeste kampongs, die rondom Padang Cove gelegen waren, hunne
onderwerping aan den generaal aangeboden, en op den 15 gewerd hem eenen
brief, die door den rijksbestuurder, goesti Made Djobngoetan, aan het
hoofd van een dezer kampongs geschreven was, en waarin diens
tusschenkomst werd in- geroepen om toegang tot den generaal te
verkrijgen, ten einde zich eveneens te kunnen onderwerpen. Hem werd
berigt, dat hij zou ontvangen worden, maar dat hij zich regtstreeks tot
den opperbevelhebber had te wenden.
Beeds den 16 werd een brief van hem ontvangen, waarin hij verklaarde,
zich geheel aan de genade van den opperbevelhebber over te geven en
zijne diensten aan te bieden. Hem werd hierop medegedeeld, dat hij
welkom zoude zijn, mits hij zich met alle welgezinde inwoners van Karang
Assam onderwierp aan den radja van Ma- taram. Nog dienzeMden avond
verscheen hij voor den generaal en gaf te kennen, dat zijn lot nu
volkomen in diens handen berustte, want dat er, na dezen stap, voor hem
niet meer te denken viel, om ooit weder naar zijnen vorst terug te
keeren. Hij verzocht naar Lombok te mogen gaan, ten einde den vorst van
Mataram in het verzamelen en verzenden zijner troepen behulpzaam te
zijn, en gaf in overweging, toch zoodra mogelijk naar de hoofdplaats van
Karang Assam op te rukken, dewijl an- ders de personen die zijne partij
waren toegedaan, in groot gevaar zouden geraken van hun leven en althans
hunne eigendommen te verliezen. Daar de komst der Lombokkers kort op
handen was, werd hem aanbevolen zich te Padang Cove, of in de nabijheid,
te blijven ophouden; voorts werd hem de verzekering gegeven, dat de
krijgsverrigtingen ten spoe- digste zouden beginnen.
Vijf stoomschepen met vijf transportschepen vertrokken den 17 naar
Lombok en waren den 19, met de hulptroe- pen van den vorst van Mataram
aan boord, weder alle in de baai van Laboean Amok terug.
Intusschen waren al de troepen en koelies sedert den 14 te Padang
Cove vereenigd geworden, nadat de weg van Laboean Amak derwaarts, door
de sappeurs met groote inspanning, voor het geschut bruikbaar gemaakt
was ge- worden. Het getal zieken vermeerderde daar belangrijk, waartoe
vermoedelijk zeer veel bijdroeg, het gebrek aan voldoende hoeveelheid
drinkwater. Te Padang Cove was niets te verkrijgen, en hetgeen verstrekt
werd, moest door de zorgen der marine, met praauwen en sloepen, uit de
baai van Laboean Amok worden aangevoerd. Hierbij kwam nog, dat de ruimte
te Padang Cove, voor zoo veel menschen en paarden, uiterst bekrompen
was. Vooral namen de zieken onder de koelies op eene onrustba-
rendewijze toe; in weerwil der versterking die de ge- neraal nog te
Sangsit, van Java had laten komen, was hun getal reeds weder tot op 1000
h, 1200 hoofden ge- slonken.
Zoodra de hulptroepen ter reede van Laboean Amok gekomen waren,
besloot de opperbevelhebber onmiddelijk tot den togt naar Karang Assam
over te gaan.
Goesti Made Djoengoetan moest zich met zijnen aan- hang vereenigen
met goesti gedeh Eai, hoofdaanvoerder der Lomboksche hulpbenden en reeds
den 20 Mei op marsch gaan naar de zijde van Oedjong^ eene zeeplaats^ die
slechts op vier palen afistands van de hoofdplaats gelegen is, terwijl
in den vroegen morgen van den 21 een deel van de vloot, bestaande nit 2
fregatten, 6 stoom- schepen, 4 schoeners, 6 kndsbooten en 3
transportsche- pen, aan boord waarvan zich het linker halve 5e bataillon
infuiterie en eene sectie bergartillerie bevonden, naar Oedjong den
steven zoude wenden.
De generaal had het voornemen zijne troepen bij Oed- jong aan wal te
zetten; bij grooten tegenstand zonden zij worden ondersteund door een
landiagsbataillon, dat op de vloot uit matrozen en mariniers gevormd en
onder de bevelen van den kapitein ter zee Bousicius gesteld was. De
mogeUjkheid eener landing bij Oedjong werd evenwel door deskundigen zeer
in twijfel getrokken.
Op den 19 Mei moesten alzoo de 4000 man hulptroe- pen van den vorst
van Mataram nog aan wal gebragt en daarentegen het halve 5e bataillon,
benevens de sectie bergartillerie, weder ingescheept worden. Dit alles
kwam ter zijner tijd tot stand, dank zij den onverdroten ijver en de
inspanningen onzer zeemagt.
In den nacht van den 19 op den 20 begaven de hulptroepen zich op
marsch naar de zijde van Oedjong. Te gelijker tijd werd het berigt
ontvangen, dat benden van Klonkong en Gianjar in beweging waren naar
Karang Assam. Eene verkenning evenwel, die gezonden werd naar de kampong
Bloembang, gelegen op den weg van Klonkong naar Karang Assam, bespeurde
daarvan niets.
Het eskader, dat voor den togt naar Oedjong bestemd was, ligtte vroeg
in den morgen van den 21 het anker. De opperbevelhebber bevond zich daar
in persoon aan boord en had gedurende zijne afwezigheid het bevel d«r
overige troepen opgedragen aan den luitenant ' kolonel VAN SWIETEN.
Door de hulp der stoomschepen was men weldra voor Oedjong aangekomen
en reeds uit de verte ontwaarde men, dat boven alle kampongs de witte
vlag wapperde. Een zendeling van den goesti Made Djoengoetan kwam
terstond aan boord en bragt de tijding, dat de radja van Karang Assam,
reeds den vorigen avond, van meest al de zijnen verlaten, en door de
voorhoede der Lombok- kers en een deel zijner eigene onderdanen
aangevallen was geworden. Weldra had het geringe overblijfsel zijner
magt hem geheel aan zijn lot overgelaten en had hij den dood gevonden,
na vooraf, met eigen hand, zijne vrou- wen om het leven te hebben
gebragt.
De gewezen vorst van Bleling met goesti Djilantiek waren, van slechts
weinigen verzeld, naar het gebergte ge- vlugt, doch werden van alle
zijden vervolgd en opge- spoord. De generaal wel gissende wat bloedig
lot hen te wachten stond, gaf bevel hen, zoo mogelijk, levend aan hem
over te leveren.
Alzoo was de oorlog tegen Karang Assam geëindigd, zonder dat onze
troepen daaraan deel hadden behoeven te nemen. Deze uitkomst mogt dubbel
gelukkig worden genoemd, want in de eerste plaats bleek, dat eene lan-
ding te Oedjong onmogelijk zou zijn geweest. De rol- lingen der zee
waren zóó zwaar , dat de generaal zelf , verzeld van eenige officieren,
niet zonder moeite en ge- vaar aan wal kon gaan, hoezeer hij eene
uitmuntende sloep ter zijner beschikking had. De togt naar Karang Assam
had dus geheel over land moeten geschieden, hetzij uit Laboean Amok of
Padang Cove, hetzij uit Tjoelik aan de noordoostkust. Zware en zeer
vermoeijende marschen over hooge en woeste bergruggen, hadden dan moeten
worden ondernomen, waarbij vermoedelijk, behalve kleine mortiertjes,
geen geschut had kunnen worden mede- gevoerd. Door het gering aantal
koelies zou men ook slechts schaarsch van levensmiddelen en andere
benoodigd- heden zijn voorzien geweest; groote ontberingen hadden dus
aan onze krijgers opgelegd moeten worden. Had men nu daarbij eenen
tegenstand gevonden, gelijk door eene eendragtige en goed aangevoerde
bevolking kan ge- boden worden, dan zouden de kansen op slagen, inder-
daad gering zijn geweest.
De omwenteling in Karang Assam heeft ons de ver- overing van dat land
gemakkelijk gemaakt ; die omwente- ling is door ons op aUerlei wijzen
bevorderd geworden, maar gewis had zij, zonder de verovering van
Djagaraga, nimmer haar beslag gekregen. Hadden wij onze wapenen tegen
Karang Assam gekeerd, zonder Bleling vooraf met nadruk te hebben
gekastijd, dan hadden de omwente- lingsgezinden het vermoedelijk niet
gewaagd hun hoofd op te steken, en wij hadden hier een nog krachtiger
tegen- stand kunnen vinden, dan die in het rijk van Bleling werd
overwonnen. Het blijft zelfs zeer twijfelachtig, of de radja van
Mataram, wel zoo gretig zou zijn geweest om zich onder onze vanen te
scharen , wanneer die niet waren omstraald geweest met den luister der
overwinning van Djagaraga.
Het blijkt dus dat de generaal Michiels zeer juist had geoordeeld,
door den veldtogt niet te openen met eene landing op de zuidoostkust van
het eiland.
Den 22 Mei was het eskader weder in de baai van Laboean Amok
teruggekeerd, en onmiddelijk werd nu overgegaan tot het nemen der
noodige beschikkingen, om den 24 over Koesoemba naar Klonkong te kunnen
oprukken^
Met groot leedwezen ontwaarde evenwel de bevelvoe- rende generaal,
dat het getal zijner troepen reeds bijna tot op de helft was verminderd.
Op den 23 Mei had hij nog slechts 66 officieren en 2096 onderofficieren
en manschappen onder de wapenen, voorwaar een groot ver- schil tegen de
116 officieren en 3768 onderofficieren en manschappen, waarmede hij Java
had verlaten; gewis was ook de bezetting, die te Bleling was
achtergebleven, in deze vermindering begrepen, maar het overige, ten
bedrage van 1400 hoofden, was, zoowel door ziekte als door het
vijandelijk lood of staal, voor goed uit de ge- lederen gevaagd.
De officieren van gezondheid, hoewel aangemoedigd en voorgegaan door
hunnen kundigen en ijverigen chef, de dirigerende officier van
gezondheid der Ie klasse G. Wassink, schoten met den besten wil te kort,
in hunne pogingen tot het behoorlijk verplegen van zooveel lijders. Ook
ontbrak, in de daartoe opzettelijk inge- rigte hospitaalschepen , de
ruimte om al de zieken te kunnen opnemen. Er werd dus bevel gegeven, om
de lijders, die daar niet meer konden verpleegd worden, aan boord te
brengen der transportschepen , die voor hunne korpsen waren gehuurd, en
ze daar, door de geneesheeren van die schepen, te doen behandelen. Op
den 22, 23 en 24 Mei werden bovendien 460 der zwaarste zieken naar het
hospitaal te Soerabaya verzonden, en nog bleven niet alleen de beide
hospitaalschepen, maar ook vele trans- portschepen en het bivak
opgepropt met kranke soldaten.
Het getal koelies was op ongeloofelijke wijze vermin- derd, men kon
er met de grootste moeite naauwelijks 1000 vinden om voor drie dagen
levensmiddelen en 50 draagbaren mede naar het Klontongsche te nemen. Een
getal van 5 h, 600 koelies lag krank daar neder.
Ten einde zijne troepenmagt te vermeerderen, besloot de generaal
Michiels, voor den togt naar Klonkong, de hulp in te roepen van het
landingsbataillon der marine, onder den kapitein ter zee Botjeicius. Dit
bataillon, sterk 586 hoofden, werd door den vice admi- raal terstond ter
zijner beschikking gesteld.
IV.
DE TOGT NAAR KASOEMBA EN HET SNEUVELEN VAN DEN GENERAAL MICHIELS.
Beschr^viDg van het terrein en van de v^andel\jke stellingen
tussclien Padang Cove en Kasoemba. — De tempel van Soenla Lawas. —
Beschikkingen voor den togt derwaarts, — Het nemen van Soenla Lawas. —
Beschikkingen voor den marsch naar Ka- soemba. — Overwinning te
Kasoemba. — Hardnekkigen tegen- stand des vijands, zelfs na het gevecht.
— Inlegering onzer troepen te Kasoemba, en veiligheidsmaatregelen aldaar
geno- men. — Nachtelijken aanval op Kasoemba. — De v^and wordt met groot
verlies afgeslagen. — De generaal Michiels wordt doodelijk gewond. —
Verliezen der onzen in de laatste ge- vechten.
De weg, die van Padang Cove naar Kasoemba voert, gaat eerst door een
naauwen pas van het gebergte , dat de baai omringt, en loopt vervolgens
door bouwland evenwij- dig aan het strand. Het gebergte verwijdert zich,
dan eens wat meer en dan eens wat minder, van het strand, doch strekt
zich op twee plaatsen, met laag afloopende ruggen. tot aan den oever der
zee uit. De eerste dezer plaatsen is op omtrent 2 palen van Padang Cove
gelegen, en de tweede ongeveer 1200 schreden verder naar de zijde van
Kasoemba. Tusschen deze twee punten vormt het gebergte eene kleine bogt,
die een terrein omsluit, dat uit bouwland bestaat en met heggen en
struikgewas door- sneden is. Het zeestrand vormt hier den weg naar Ka-
soemba. Aan het tweede punt ligt een tampat dewa of tempel, die voor de
oudste op Bali wordt gehouden, en waarbij zich eene heilige grot
bevindt. De vijand had dien tempel eenigermate versterkt, en naar men
be- weerde, besloten hem te verdedigen met al den moed en de
standvastigheid, die het bezit dezer geheiligde plek, volgens zijne
overtuiging, waardig was te betoonen.
Voorbij den tempel verwijdert het gebergte zich weder meer en meer
van de zee, en zal daarvan, ter hoogte van de kampong Kasoemba, welligt
op 200 schreden afstands gelegen zijn. Verder wendt het zich geheel naar
het westen, en vormt met de kust den zuidelijken hoek van het eiland,
waarin de rijken Klonkong, Gianjar, Mengoei, Tabanan en Badong liggen.
Voorbij den tempel, tot aan de kampong Kasoemba, bestaat het terrein,
dat tusschen het gebergte en het strand is gelegen, geheel uit bouwland,
dat met vele doom- achtige heggen doorkruisd en hier en daar met kokos-
boomen beplant is. Kort bij het gebergte lag nog een tamelijk groote
kampong.
Ten westen van Kasoemba strekte zich eene ruime opene vlakte uit,
bestaande uit drooge rijstvelden, die met zeer weinig klimming naar het
gebergte oprezen. Deze vlakte zal misschien 1500 schreden breed zijn ge-
weest. Het plan, hier achter gevoegd, zal den verderen toe- stand van
het terrein duidelijk maken.
Eer men Kasoemba kon bereiken , dat de generaal be- stemd had tot
nachtverblijf op den eersten dag, moest de stelling van Soenla Lawas of
de versterkte tempel ge- nomen worden.
De volgende beschikkingen waren dienovereenkomstig voor den 24 Mei
uitgevaardigd.
Twee kompagniën van het 7e bataillon moesten tot dekking van de
magazijnen te Padang Cove achterblijven.
Eene voorhoede, bestaande uit het 13e bataillon, het linker halve 5e
bataillon, de bergbatterij (die na aftrek van de sectie die te Bleling
was gebleven, nog sterk was, twee kanons è, 3 ^ en twee mortieren a 11^
dm.) , benevens twee mortieren è. 11| dm. van het positie geschut en de
sappeurs, moesten, onder aanvoering van den luitenant kolonel van
SwiETBN, bij het aanbreken van den dag, op marsch gaan.
De overige troepen bestaande uit het 3e, het 7e en het marine
landingsbataillon, moesten met de halve veld- batterij, alles onder de
bevelen van den generaal in per- soon, een uur later volgen.
De troepen moesten vóór den afmarsch eenen maaltijd houden en wijders
voor een dag gekookt eten, door ieder man zelf te dragen, mede nemen.
Wij hebben reeds gezegd, dat nog bovendien voor drie dagen
levensmiddelen, benevens 50 tandoe^s of draagbaren, door koelies werden
medegevoerd.
Ten einde zoo min mogelijk oponthoud te ondervinden, werd de halve
veldbatterij, den avond te voren, door den moeijelijken bergpas bij
Padang Cove gebragt. Zij bivak- keerde aan gene zijde van den pas, onder
bedekking van eene kompagnie van het 5 e bataillon.
Toen op den 24 Mei den dag begon te schemeren , marcheerde de
luitenant kolonel van Swibten met zijne voorhoede in de volgende orde
af:
twee kompagniën van het 13e bataillon , gezamenlijk 83 hoofden sterk,
als voorwacht; het 13e bataillon; de sappeurs; de artillerie ; het halve
5e bataillon.
Toen de voorhoede genaderd was tot aan den eersten bergrug, die zich
tot aan zee uitstrekt, werd deze bergrug door de voorwacht beklommen en
bezet, en vervolgens de komst der hoofdkolonne afgewacht.
Voorwaarts zag men den tempel van Soenla Lawas , die sterk door den
vijand was bezet, terwijl nog meer troepen van Kasoemba in aantogt
waren. De naauwe doorgang tusschen den tempel en de zee, was met eene
zware traverse bijna geheel gesloten. De tempel lag tegen eenen bergrug,
waardoor hij zelf, zoowel als de geheele stelling volkomen werd
beheerscht.
Tegen 8 uur naderde de opperbevelhebber met de hoofdkolonne, waarop
de volgende beschikkingen werden genomen.
Het halve 5e bataillon, onder den luitenant kolonel Helbach , daalde
in de bogt of kom neder , die hier door het gebergte en de zee wordt
omsloten; het leunde, met zijnen , door tirailleurs gedekten , regter
vleugel aan de laagste berghellingen. De artillerie, onder kapitein van
Maanen, kwam links van dat halve bataillon en op 3 a 400 schreden van
eene borstwering, waardoor de tempel werd gedekt, in batterij. Het 13e
bataillon daalde insgelijks in de kom neder, en stelde zich achter de
artillerie inkolonne. Onderwijl was de hoofdkolonne geheel
opgemarcheerd. De halve veldbatterij 6 ^ onder den kapitein Keller- MAN
, rukte terstond in linie bij de vuurmonden , die onder kapitein van
Maanen reeds waren opgesteld.
Het 7e bataillon onder den luitenant kolonel le bron DE Vexela, het
3e bataillon, onder den luitenant kolonel Poland , en later ook het
marine landingsba- taillon, onder den kapitein ter zee Bouriciüs,
plaatsten zich, in geslotene kolonnes met divisiën, links en achter de
halve veldbatterij.
De gezamenlijke artillerie opende nu haar vuur op de vijandelijke
stelling. Het 5e bataillon kreeg bevel langs den voet van het gebergte
voorwaarts te rukken, ten einde die stelling om te trekken, en den
bergrug die haar beheerschte te bezetten, waartegen de vijand geene
maatregelen scheen genomen te hebben. De 6e kom- pagnie van dat
bataillon — kapitein Sorg — maakte den uitersten regtervleugel uit en
dekte tevens en tirailleur de beweging. Hoewel het bataillon ruimschoots
van goUoks of kapmessen en klewangs was voorzien, tot het oprui- men der
doomachtige hagen, die zich alom op het bouw- land bevonden, kon het ,
door deze hindernissen , toch slechts langzaam vooruit gaan.
De artillerie ging intusschen steeds voort met het onderhouden van
een wel gerigt vuur, op den tempel en zijne verdedigers , waardoor zij
te meer een groot verlies moeten hebben geleden, dewijl zij door gebrek
aan vuur- wapenen , daartegen niets konden ondernemen.
Toen het 5e bataillon tot op korten afstand van de versterkingen
genaderd was , beklom een peloton tirail- leurs van de 6e kompagnie,
onder den 3den luitenant J. W. KöNiG , de sterk met struiken en hagen
bewassen rand van het gebergte, en bereikte, niet zonder groote
inspanning , het bovenste gedeelte van den berg , die zoo als wij gezegd
hebben, de stelling geheel beheerschte. Het plongerend geweervuur dat
van hier geopend werd, had eene moorddadige uitwerking op den vijand,
die reeds zoo lang door de artillerie was bestookt geworden, en
eindelijk begon te wankelen en den terugtogt scheen te willen aannemen.
Zoodra de weifelende houding des vijands werd be- speurd, hield het
artillerievuur op, en liet de luitenant kolonel Helbach door het overige
gedeelte van zijn bataillon, met de flankeurs voorop, de versterkingen
be- stormen; te gelijkertijd rukte de 5e kompagnie van het 7e bataillon,
onder kapitein Hachez langs het strand op, om den tempel ook van die
zijde aan te vallen.
De verschillende kompagniën wedijverden om de eer van het eerst in de
stelling te zijn en den vijand van daar te verdrijven. Schier
gelijktijdig drongen zij in den tempel binnen, die even als de
daarachter liggende borst- wering, bijna uitsluitend met de lans,
hardnekkig en voet voor voet werd verdedigd. Des vijands verlies was
groot, maar zijnen dapperen tegenstand verdiend geprezen te worden.
Eenmaal uit den tempel verdreven zijnde, deed de vijand nog eene
wanhopige poging om hem te hernemen, maar toen ook deze poging was
verijdeld, trok hij in twee kolonnen ordelijk, naar de zijde van
Kasoemba, terug.
. Het bezetten der veroverde stelling werd opgedragen aan eene
kompagnie van het marine bataillon, terwijl het overige gedeelte van dat
korps in de nabijheid bleef post vatten. Toen de vijand echter geene
pogingen meer deed om den tempel te hernemen, kreeg het weldra bevel
naar Kasoemba op te rukken.
De overige troepen hadden zich onderwijl reeds der- waarts in
beweging gesteld. In de verte zag men hoe sterke massa^s vijanden van
alle rigtingen te voorschijn kwamen, en zich in en bij Kasoemba
verzamelden. Dit gaf reeds de overtuiging, dat de Baliërs de plaats niet
zonder hardnekkigen wederstand zouden ontruimen, maar het deed ook het
vermoeden rijzen, dat de krijgsmagt van den dewa agong nog door troepen
uit andere rijken werd versterkt. Het bleek dan ook later, dat de radja
van Gianjar zijn woord niet getrouw was gebleven , maar zijne gewapenden
naar Kasoemba had gezonden , in stede van zich af te scheiden van de
partij des vorsten van Klonkong.
De navolgende beschikkingen werden door den gene- raal genomen.
Het halve 5e bataillon kreeg last het strand te verla- ten en door
het bouwland, dat regts daarvan en naar de zijde van het gebergte
gelegen was, voorwaarts te gaan. Het werd gevolgd door het 13e
bataillon, dat zich nog meer regts wendde, en derhalve den uitersten
regtervleugel uitmaakte.
Het 7e bataillon onderhield het verband tusschen het halve 5e
bataillon en de troepen, die langs het strand marcheerden.
De bergbatterij bewoog zich op den linker vleugel van het 7e
bataillon en nog op het strand.
De overige troepen, bestaande uit het 3e bataillon en de veldbatterij
, waarbij zich ook weldra het marine bataillon aansloot, rukten langs
het strand regtstreeks in de rigting van Kasoemba op.
Het eerste vuur werd in de rigting van liet lialve 5e bataillon
gehoord, dat, in het zeer doorsneden en bedekt terrein, al zeer spoedig
op den vijand stiet. Op het vernemen der hevigheid van dit vuur, zond de
generaal de bergbatterij en vervolgens ook het 7e ba- taillon, tot
ondersteuning van dit korps, meer regts af.
Het halve 5e , het 7e en het 13e bataillon , benevens de bergbatterij
en de insgelijks derwaarts gezonden kom- pagnie sappeurs, te zamen
ongeveer 1200 man sterk , vorm- den nu den regtervleugel onzer
krijgsmagt, en hadden de bevelen te volgen van den luitenant kolonel van
Sweeten.
De overige troepen, onder de bevelen van den generaal in persoon ,
vormden den linker vleugel , en bleven, met eene kompagnie inlanders va»
het 3e bataillon, onder den kapitein Jhr. V. M. de Brauw, als voorwacht,
langs het strand hunnen marsch vervolgen.
Eene kompagnie flankeurs en eene kompagnie inlanders van het 3e
bataillon, onder de kapiteins J. W. Macdo- NALD en H. Mater,
onderhielden de verbinding tusschen de beide vleugels.
Zoodra had het 3e bataillon, na het overtrekken van een klein
riviertje, zijnen marsch niet op den ingang van de kampong Kasoemba
gerigt, of eene sterke vijandelijke bende trad, met gevelde lans en
onder groot geschreeuw, daaruit te voorschijn en rukte de onzen te
gemoet. Door een bedaard en welgerigt tweegelederenvuur tot staan ge-
bragt en vervolgens door twee kompagniën Afrikanen met de bajonet
aangegrepen wordende, stoven zij weldra terug en lieten het voorste
gedeelte van de uitgestrekte kampong in handen der onzen.
De luitenant kolonel Poland liet nu het 3e bataillon behoedzaam door
de kampong voorwaarts rukken tot aan den kraton van den radja, van waar
hij in verschillende rigtingen kompagniën afzond om den vijand, ook uit
de overige gedeelten, te verdrijven. Deze week echter niet dan voet voor
voet, en trachtte met de grootste hard- nekkigheid zich staande te
houden. Vooral werd een? door muren omringd, blok huizen, waarin zich
ongeveer 100 man hadden genesteld, met woede verdedigd. Eeeds driemaal
waren de onzen naar binnen gedrongen, maar ook driemaal hadden zij weder
moeten wijken. Men was verpligt geschut te doen aanrukken en door de
sectie hou- witzers eene bres in den muur te doen schieten. Een ge-
deelte der 5e kompagnie, onder den kapitein P. J. Nack, gevolgd door
eenige Afrikanen, stortte zich nu naar bin- nen en joeg alles wat niet
kon vlugten over de kling. De 2de luitenant H. J. Daniels werd hier
gewond.
Het marine bataillon was onderwijl in een kokos-boom- gaard voor de
kampong opgesteld geworden tot dekking van ambulance en veldtros.
Zien wij thans wat er intusschen bij den linker vleugel was
voorgevallen.
De kompagnie die aan het hoofd marcheerde van het halve 5e bataillon,
was al spoedig door eene groote overmagt van vijanden teruggedrongen.
Door het toe- snellen der beide overige kompagniën, die in het moeije-
lijke terrein een weinig achter waren gebleven, waren de Baliërs echter
spoedig tot staan gebragt. Het halve ba- taillon ontwikkelde zich nu in
bataille op een terrein, dat met kokosboomen was beplant, met den linker
vleugel op eenigen afstand van Kasoemba. Toen de vijand zich herzameld
had, drong hij, voorafgegaan door eenige tirailleurs, met gevelde lans,
voorover gebogen hoofd en onder woest geschreeuw op de onzen in. Deze
lieten hem bedaard naderen en toen hij goed onder hnn schot was,
ontvingen zij hem met een duchtig tweegelederen vuur, dat hem eerlang
aan bet wankelen bragt. Het was in dezen oogenblik, dat de bergbatterij,
die door den generaal was afgezonden, zich links van het halve 5e ba-
taillon had opgesteld. Eenige kogelschoten, die de op- eengepakte
drommen der Baliërs doorkliefden, deden hen nu spoedig den aftogt
kiezen, door de opene vlakte, die zich tussen hen Casoemba en het
gebergte bevond.
Op dit tijdstip marcheerden ook de 7e en 13e ba- taillons ter hoogte
van het halve 5e bataillon op en rukten het zelfs eenigzins voorbij,
waardoor de troepen, die hier het eerst in het gevecht waren geweest,
meer en meer verademing kregen.
De gehèele linker vleugel had nu het bedekte terrein verlaten en was
op de opene, uit drooge rijstvelden be- staande vlakte, ten westen van
Kasoemba, gekomen.
De luitenant kolonel van Swieten nam thans de na- volgende stelling
aan:
het 13e bataillon op den regter vleugel met divisiën, op pelotons
distantie in kolonne;
het 7e bataillon in dezelfde orde op 50 passen voor- waarts van het
13e en échelon; dit bataillon had de sappeurs op zijn linker vleugel;
de bérgbatterij links en voorwaarts van het 7e ba- taillon;
het gedeployeerde halve 5e bataillon, dat met zijn linker vleugel
reikte tot nabij de dessa Kasoemba , die hier reeds door het 3e
bataillon was bezet, maar waarom in het middelste en zuidelijke gedeelte
'nog hevig werd gestreden. In deze orde liet de luitenant kolonel van
Swibtbn zijne troepen voorwaarts rukken, ten einde den vijand, die zich
nog in sterke benden op de vlakte vertoonde, onder het schot te krijgen.
De Baliërs hielden niet alleen stand, maar beproefde zelfs een
regtstreekschen aanval, aan eene omtrekkende beweging, te paren.
De 7e en 13e bataiUons, waarop dien regtstreekschen aanval vooral
gemunt was, vormden carrés; de bergbat- terij deed weder wel aangebragte
kogelschoten in de digte vijandelijke massa^s; en het halve 5e battlllon
zond eene kompagnie en tirailleur. De omtrekkende beweging der Baliërs
werd door twee kompagniën van het 13e ba- taillon , onder den kapitein
J. C. J. Smiïs , verhinderd.
Bijna te gelijkertijd was het 3e bataillon geheel meester van de
kampong geworden, althans sterke vijandelijke benden verlieten Kasoemba
aan de noordwéstzijde , en togen naar de vlakte, terwijl zij hevig
vervolg* werden door tiraiUeurs der Ie en 4e kompagniën van genoemd
bataillon. Onmiddelijk daam^ kwam ook de sectie 6 <8, der halve
veldbatterij , uit Kasoemba te voorschijn en de vijand, nu in het front
door de bergbatterij , en in zijne regterflank op korten afstand door de
6 ^ en ook nog door de tiraiUeurs beschoten wordende, maakte regtsom
keert en trok voor goed in de rigting van Klonkong terug.
Het was toen omstreeks drie uur in den namiddag, en een uur later
hadden onze zeer vermoeide troepen hunne kwartieren in Kasoemba
betrokken. Dit had echter niet zonder moeite en strijd mogen gelukken,
want of- schoon het vijandelijk leger was teruggetrokken, zoo waren er
toch nog verstrooide vijanden hier en daar in de huizen achter gebleven,
en deze schenen met de grootste woede jegens de onzen te zijn bezield.
Toen de korporaal Broersma van het 7e bataillon de hem aangewezen woning
wilde binnen treden, werd de deur achter hem, en eer zijne manschappen
hem hadden kunnen volgen, digt geworpen. Voor hij ontzet kon worden had
hij zeven wonden bekomen, maar zijne ver- raderlijke aanvallers moesten
hunne snoodheid met den dood bekoopen.
Ook in de kwartieren van het 13e bataillon werd door zeven Baliërs
amok gemaakt, zij verloren alle het leven, maar twee der onzen werden
daarbij gewond.
De gevechten van dien dag hadden een hernieuwd blijk gegeven van het
groote overwigt, dat men op de meest dappere en talrijke tegenstanders
erlangt door goede wapenen, eene goede oefening en eene goede
organisatie, gepaard aan orde en krijgstucht. De overmagt, die de
meestal met lansen gewapende vijand op dezen dag ten toon spreidde, was
weder hoogst aanzienlijk en niettemin was hij verslagen geworden en
waren zijne verliezen be- langrijk grooter dan de onze. Het overwigt van
gere- gelde en wel aangevoerde troepen op ongeregelde, hoewel dappere en
sterke, vijanden zou den volgenden nacht nog veel duidelijker uitkomen.
Onze krijgsmagt had slechts een klein gedeelte van de zeer
uitgestrekte kampong bezet en was hoofdzakelijk rondom den kraton
gelegerd. In den kraton, die aan zijne noordelijke en oostelijke zijden
opene ruimten had, bevond zich het hoofdkwartier.
Het 7e bataillon lag in de huizen ten zuiden van het hoofdkwartier;
ten noorden en ten westen lag het 3e ba- taillon; ten noordoosten naar
de zijde van Soenla Lawas het 13e, terwijl het marine bataillon
oostelijk van den kraton, naar de zijde van het strand lag. Het halve 5e
bataillon^ de halve 6 % veldbatterlj en de sappeurs lagen meer in de
nabijheid van den kraton, tusschen deze en de kwartieren van het 7e en
3e bataillon; de bergbat- terij lag tusschen het hoofdkwartier en het
marine bataillon; de koelies en de veldtros eindelijk tusschen het 18e
ba- taillon en het midden van de kampong. (Zie de schets)^
Door de korpsen, die hunne kwartieren het meest naar de buitenzijde
hadden, waren wachten en posten zooda- nig uitgezet, dat zij in
onderlinge verbinding waren en eenen kring rondom de legerplaats
vormden.
Bij het 7e bataülon stond de 1ste luitenant J. A. jm Haan, met eene
wacht op het uiteinde van eenen weg, die Kasoemba van het noordoosten
naar het zuidwesten doorsnijdt. De 2de luitenant J. H. H. A. BacKE van
hetzelfde bataillon, stond insgelijks met eene wacht op eenen weg, die
in zuidelijke rigting liep.
Ieder korps had zijne alarmplaats, nabij zijne kwartie- ren, en de
troepen hadden bevel gekregen, zich gekleed en gewapend ter ruste te
begeven. De luitenant kolonel VAN SwiETEN, oudstc hoofdofficier bij de
expeditie, had zich vóór het vallen van den avond, in persoon overtuigd,
dat alle gevorderde veiligheidsmaatregelen waren genomen en van zijne
bevinding verslag gedaan aan den opperbe- velhebber.
Het ware welligt wenschelijker geweest de troepen, ge- durende den
nacht, op de opene vlakte, ten westen van Kasoemba, te doen bivakkeren,
maar de ontberingen en ongemakken, waaraan de soldaat bij eenen veldtogt
in Indië is blootgesteld, zijn reeds zóó groot, dat men er teregt tegen
opziet, die te vermeerderen door maatregelen, die ook door eene
verdubbelde waakzaamheid van wachten en posten kunnen worden vervangen.
• De nachf ging rustig voorbij; er vielen slechts enkele geweerschoten
aan de uiterste voorposten, maar ten 3 uur in den morgen van den 25 Mei
hoorde men plotseling, eerst aan de wacht van den 2de luitenant BaoKX en
ver- volgens ook aan die van den 1ste luitenant de Haan, een krachtig
geweervuur.
' Onmiddelijk werd bij het 7e bataillon en vervolgens ook bij al de
andere korpsen alarm geslagen.
Na eerst eene poging gedaan te hebben tot het aan- vallen der
wachten, die door de waakzaamheid onzer soldaten werd verijdeld, kwam de
vijand op nieuw opda- gen en begaf hij zich naar den zuidelijken ingang.
Hij werd hier door de wacht van den luitenant BScke, bij- gesprongen
door de 6e kompagnie van het 7e bataiUon, niet alleen lang genoeg
tegengehouden om de overige troepen tijd te geven onder de wapenen te
komen, maar zelfs teruggeworpen. De wacht met de genoemde kom- pagnie
trok vervolgens langzaam op het 7e bataillon terug.
Tot ondersteuning der wacht van den 1ste luitenant S)^ Haan, waren
onder den majoor Hemmes al dadelijk gezonden, de Ie kompagnie van het 7e
bataillon (Ie luitenant Eaat) en 50 Afrikanen van de 6e kom pagnie.
• De wacht stelde zich links en de troepen van den majoor Hemmes
regts van den weg; de twee kanons h 3 ^, die middelerwijl op dit punt
waren ' aangekomen, plaatsten zich op den weg in batterij en de rest van
het 7e bataillon daar achter in kolonne.
De vijand naderde, nu ruim voorzien van brandende flambouwen,
waarmede hij hier en daar de huizen van de kampong in den brand stak.
Bij het licht der flak kerende vlammen kon men hem nu voldoende
onderschei- den, om aan de luitenants D. P. de Haan en Seeuo gelegenheid
te geven, ieder een 8 ^ met de grootste naauwkeurigheid op hem te
rigten. Eene doodsche stilte heerschte in de gelederen der onzen; het
was alsof een ieder begreep, dat de naderende aanval slechts door be
daardheid en koelbloedigheid kon afgeslagen worden.
Toen de vijand tot op 100 schreden genaderd was, ontving hij de
kogelschoten der 3 ^ in zijne digt ge- schaarde gelederen; dit stuitte
hem in zijne vaart en deed hem terug deinzen; drie malen herhaalde hij
zijnen aan- val, maar telkens werd hij op dezelfde wijze afgewezen. Hij
splitste zich vervolgens in twee massa's, waarvan de eene zich naar de
zijde van het marine bataillon begaf en de andere, na zich nog vertoond
te hebben voor de kompagniën van den majoor Hemmes, de kampbng aan- viel
bij de kwartieren van het 3e bataillon.
Het marine bataillon stond geschaard op eenen weg, even buiten de
kampong, met het front naar het zuiden. Zijn linkervleugel was gedekt
door eene aan het strand opgestelde wacht van 40 man, onder den
luitenant ter zee 2c kl. J. O. H. Arntzenius; zijn regteyvleugel door
eene kompagnie, onder den kapitein der mariniers Ernst genaamd van
Seiveet , die aan een klein riviertje leunde. Voor het bataillon
bevonden zich sawahvelden en bouw- land, met heggen doorsneden.
Eeeds bij het begin van het alarm, had de 4e kom- pagnie, onder den
luitenant ter zee Ie kl. J. C. Baak, die het eerste op het terrein was,
door een fiks twee* gelederenvuur , èenige vijanden verdreven.
Ten 3J. uur kwamen de Baliërs, die door het 7e ba- taillon waren
afgeslagen, vermoedelijk nog door andere versterkt, regt op het front en
den regtervleugel van het bataillon aanrukken. De kapitein ter zee
Botjeiciüs liet de donkere massa naderen, tot hij duidelijk hoorde, dat
zij eene nabijzijnde heg poogde door te breken; hij liet toen het
tweegelederen vuur openen en gedurende eenigen tijd met kracht
onderhouden. De vijand week daarvoor terug, tot men hem in de duisternis
uit het oog verloor.
Het gedeelte dat zich, na afgeslagen te zijn door het 7e bataillon,
naar den kant van het 3e wendde, werd daar met evenveel koelbloedigheid
ontvangen, en vooral door het vuur der 6e kompagnie, onder den kapitein
VAN Houten, tot wijken gebragt.
In weerwil van al de waakzaamheid en oplettendheid der onzen, was het
toch aan eenige vijanden gelukt, tusschen het 3e en 7e bataiUon, als ook
tusschen dit en het marine bataillon heen te sluipen, en naar de zijde
van den kraton door te dringen. Men ontwaarde hunne tegenwoordigheid
binnen Kasoemba het eerst aan het door- snijden der parklijnen van
eenige paarden en aan het verwonden en afmaken van sommige dezer dieren.
Dit doordringen binnen een open kampong met menig vuldige toegangen,
kon zoo bijzonder moeijelijk niet val- len aan lieden, die met de
plaatselijke gesteldheid vol- komen bekend waren , en die door hunne
donkere kleur en het niet bezigen van schoeisel, de eigenschap bezitten
onhoorbaar en bijna zonder gezien te worden, gelijk schaduwen, zich te
kunnen bewegen.
De generaal Michiels stond, met de officieren van zijnen staf en de
kommandanten der artillerie en genie, in de opene ruimte die den kraton
omringde en vaardigde van daar zijne bevelen uit. Om zooveel mogelijk
alle verwarring voor te komen , liet de kommandant der artillerie,
majoor Küyck, nu en dan een lichtkogel ontsteken. Kort na het ontbranden
van den eersten vielen plotseling uit de nabijheid eenige schoten, waar-
van een den opperbevelhebber gevaarlijk in het regter been trof, zoo dat
hij onmiddelijk neder stortte, en een ander, den officier van gezondheid
L. Scheinee, ern- stig in den arm wondde.
Bijna te gelijker tijd had een hernieuwden aanval plaats op het 7e
bataillon, die met even veel nadruk en koel- bloedigheid als de eerste,
werd afgewezen. Het vuren hield op verschillende punten nog geruimen
tijd aan, maar verminderde toch van lieverlede. Dte vijand, die overal
met kracht teruggedreven was, verwijderde zich en toen eindelijk de dag
aanbrak, was hij geheel ver dwenen.
Wij hebben getracht de gebeurtenissen, die in den vroegen morgen van
den 25 Mei voorvielen, met eenige orde en regel te schetsen, maar het
spreekt wel van zelve, dat die orde en regel, gedurende den strijd, in
de leger- plaats der onzen, niet zoo volkomen aanwezig waren. Schrik en
verwarring zijn de onafscheidbare gezellen van nach- telijke
overvallingen, zelfs bij de meest gedisciplineerde troepen. En geen
wonder dat zij zich Her deden gelden, te midden van het huilend
geschreeuw en amok roepen van zoo vele duizende vijanden; van het
knetteren der vlammen, die op verschillende plaatsen in de kampong
oprezen; van de zware slagen, der door het vuur splij- tende bamboe; van
het kraken der instortende muren; het knallen van geweerschoten in alle
rigtingen; het dreunen van kanonvuur; het fluiten der kogels; het bries-
schen en trappelen van losloopende paarden; het kermen van gewonden en
in één woord, te midden van al de ontzetting, die een der ijsselijkste
tafereelen van het oor- logsleven kan te weeg brengen.
Het kan dan ook geenszins bevreemding wekken, dat niet alle bevelen
en handelingen in volkomen overeen- stemming waren met den jtiisten
eisch der omstandighe- den. Zoo was de opperbevelhebber zelf — die
gelijk wij zagen, het inlegeren der troepen en het verzekeren van de
veiligheidsdienst aan den luitenant kolonel van SwiETEN had opgedragen
-— gedurende een oogenblik Van meening eene vijandelijke bende te zien,
daar, waar zich het 13e bataillon bevond. Hij beval den kapitein der
artillerie Kelleehan daarop het vuur zijner 6 ^ te rigten. Deze bragt
hem zijne dwaling onder het oog, maar de generaal herhaalde zijn bevel
in de meest stellige be- woordingen en met den grootsten nadruk. De
wakkere Kellerman besloot echter, zich liever aan persoonlijk ge- Vaar
bloot te stellen, dan schromelijke ongelukken te stichten; hij weigerde
te gehoorzamen* Gelukkig voor sijne toekomst en voor het behoud van het
18e bataillon werd des generaals dwaling, weinige oogenbUkken later,
boven aUen twijfel verheven.
Indien men de stoutheid des vijands in overweging neemt, die binnen
eene sterk bezette legerplaats door- drong, daar schrik en ontsteltenis
aanrigtte en reeds ver- scheidene der onzen met de lans nedervelde, dan
moet men overdonderd zijn over het geringe verlies der Neder- landers,
dat gedurende den 24 en 25 Mei slechts 7 dooden en 28 gewonden bedroeg
(1). Men moet evenwel ook lof toezwaaijen aan den bedaarden moed van
troepen, die, te midden der verschillende vaak hagchelijke ge- vechten
dezer dagen, geen oogenblik aan het wankelen werden gebragt en geholpen
door het overwigt, dat hunne vuurwapenen hen schonken, hunne aanvallers
een verlies deden ondergaan, dat volgens zeer geloofwaardige berigten,
op 800 dooden en 1000 gewonden kan geschat worden.
V.
TERUGTOGT NAAE PADANG COVE EN AAN- LEIDINGEN TOT HET HERNIEUWEN DEB
KRIJGSVERRICHTINGEN TEGEN KLONKONG.
De Generaal Michiels sterft aan de gevolgen van een wonde. — Zijne
verdiensten, ^~ Het bevel is overgegaan op den luiÜenant kolonel TAN
SwiETBN. — Beschouwingen over den verderen loop der zaken en redenen van
den temgtogt naar Fadang Cove. — Deernis- waardigen toestand onzer
üx)epen. — Minder gnnstigen stand van zaken« -c- Dood van den radja van
Bleling en van goesti Djilantikk. — Handelingen van den radja van
Bangli. — Brief van den dewa agong van Klonkong. — De luitenant kolonel
van Swietem belegt eene zamenkomst der Balisdie vorsten. — B^'eenkomst
van den aanvoerder der Lomboksdie troepen met gemagtigden van den dewa
agong, bQ Soenla Xawas. — Uitslag daarvèn. — Brieven van den Kederland-
schen agent te Badong. — De dewa agong schignt zich met zQne
bondgenooten aan de Nederlanders te willen onderwer- pen. — De
oorlogsgezinde partij in Klonkong , benevens hare inzigten en
handelingen. -^ Ongepaste brief van den rgksbe* stuurder van Klonkong. —
Idem van den radja van Gianjar. — • Berigten dat de Baliërs voortgaan
zich te versterken en te wa- penen. — ^ De lnite:iant kolonel van
Swieten besluit de v^an- delijkheden te hervatten. — Aanmerkelijk
verbeterde gezond- heidstoestand onzer troepen. — • Bij de koelies is
dit niet het geval. — Het wenschel\jke der oprigting van een koeliekorpe
in Indië. — Voorbereidingen tot den tweeden togt naar Kasoemba.
Diep en ontmoedigend was de indruk ^ die de mare der verwonding Van
den opperbevelhebber op de Neder- landsche troepen maakte. De generaal
zelf was kalm en gelaten, hoezeer de officier van gezondheid Ie klasse
VoiGT, chef der ambulance, hem het gevaarlijke van zijnen toestand
geenszins had verborgen, en hem al dadelijk, hoe- wel het nog duister
was, de amputatie had voorgesteld van het regterbeen , dat door een
geweerkogel van zeer groot kaliber, ernstig was verbrijzeld. De generaal
wenschte die pijnlijke kunstbewerking echter uit te stellen, tot hij
zich aan boord zou bevinden van het stoomschip Etna , dat gedurende de
expeditie zijne vlag voerde. Be- hoedzaam werd hij op een veldbed
nedergelegd en toe- vertrouwd aan de zorgen van den officier van
gezondheid Batjer, die hem, onder goede bedekking, naar Padang Cove
overbragt. Dit geschiedde des morgens ten half zeven uur, en te
gelijkertijd werden ook de overige zwaar ge- wonden naar de schepen
vervoerd.
Ten 12 uur werd den generaal het been, ter hoogte van de regterdij,
afgezet door den heer Wassink, chef der geneeskundige dienst bij de
expeditie. De generaal zelf had zich weinig goeds van de heilzame
gevolgen der operatie voorgesteld, en reeds des avonds ten elf uur gaf
hij den geest.
Zijn stoffelijk overschot werd naar Batavia gebragt en verliet, aan
boord van het stoomschip Etna, den 27 Mei de reede van Laboean Amok.
Het vaderland verloor in den generaal Michiels een zijner
uitstekendste dienaren en het Indische leger, een zijner dapperste en
bekwaamste aanvoerders, die het her- haaldelijk ter overwinning had
geleid.
De Indische regering getuigde van hem in haar offi- cieel blad,dat
zelden in Nederlandsch Indie iemand meer uitgeblonken had door
dapperheid en roemrijke wapenfeiten, zelden iemand in daden van
burgerlijk be- stuur meer schranderheid en doorzigt had aan den dag
gelegd.
Het bevel der troepen ging, na zijn overlijden, over op den luitenant
kolonel J, van Swietbn, maar wij hebben reeds in de inleiding gezien ,
dat de uitgebreide volinagt, aan den generaal majoor Michiels
geschonken, niet in zijn geheel op dezen overging. Hij moest terstond
nadere bevelen vragen aan den gouverneur generaal; hij mogt geene andere
beschikkingen treffen of maatregelen nemen, dan die voor den oogenblik
volstrekt onvermydelfjk waren en hij moest dienaangaande dan nog in
overleg treden met den chef van den staf bij de expeditie en met deij
kapitein adjudant Jhr. van Gafellen, die meer bepaal- delijk voor het
behandelen der politieke aangelegenheden aan den opperbevelhebber was
toegevoegd geworden.
Nu had de generaal Michiels voor het verlaten van Kasoemba, wel is
waar den luitenant kolonel van Swieten aangeraden, den togt naar
Klonkong voort te zetten^ maar het was voor dezen hoogst moeijelijk, zoo
niet on- doenlijk, de krijgsverrigtingen te vervolgen, zoodra het van
ieder zijner handelingen, het volstrekt onvermijdelijk^ moest kunnen
betoogen, en ze telkens vooraf aan de goed- keuring moest onderwerpen
van personen, die niet eens duidelijk waren aangewezen. Immers moest al
dadelijk de vraag rijzen, of.de bevoegdlieid, om in deze omstan digheden
gehoord te worden, persoonlijk aan den toen, wegens zijne wonde, nog
afwezigen luitenant PE BjBAUW , dan wel aan den chef van den staf wie de
betrekking ook mogt waarnemen — was verleend ge worden. Hoewel het nu
met het oog op alle mogelijke omstandigheden niet te wraken was, dat de
uitgebreide volmagt, die aan den generaal Michiels was gegeven, niet
onvoorwaardelijk, op zijnen tijdelijken opvolger in het be- leid der
zaken, overging (1), gaf de gemaakte bepaling toch weder het bewijs, dat
beperking of verdeeling van gezag in oorlogszaken, niet raadzaam is. In
het bestaande geval, ging de eenheid in het bevel er door verloren, en
waar die gemist wordt, draagt de krijgsvoering maar al te spoedig den
stempel van beginselloosheid en weife- ling. Men kan het dan ook den
bevelhebber niet euvel duiden, dat hij ~ wetende dat hem de bevoegdheid
ont- brak, om in alle voorkomende omstandigheden, zonder dralen en op
eigen verantwoordelijkheid te handelen , en begrijpende in dien toestand
weinig nut te zullen stich- ten — er de voorkeur aan gaf, niets te
ondernemen, eer hij van nadere bevelen zou zijn voorzien.
Er waren echter nog andere redenen, die den luitenant kolonel van
Swieten deden besluiten, niet onmiddelijk naar Klongkong voort te
rukken.
Zijne artillerie had een groot gedeelte van hare munitie verbruikt^
en nog slechts eene voldoende hoeveelheid overgehouden voor een enkel,
niet al te scherp, gevecht.
Het ligchamelijk gestel van de groote meerderheid zijner
krijgslieden, had door het gerekt verblijf aan de zoo ongezonde
noordwestkust van het eiland, veel ge- leden Bijna een ieder droeg de
kiem van «ich rond, en een toereikend aantal officieren van ge-
zondheid, was niet meer aanwezig. In den morgen van den 25 waren
bovendien de vermoeijenissen van den vorigen dag, niet door eenen
verkwikkenden slaap her- steld geworden, en een honderdtal nieuwe
koortslijders zich bij de geneesheeren aangemeld. Is het nu reeds
onmogelijk dat in kwijnende, afgematte ligchamen eenen opgewekten geest
kan wonen, dan houde men nog daar- enboven in het oog, dat de
gemoederen, der te Ka- soemba aanwezige krijgslieden, diep geschokt
waren ge- worden door de gebeurtenissen van den verstreken nacht, en
vooral door het verlies, dat zij in hunnen opper- bevelhebber hadden
geleden. De troepen, die de luite- nant kolonel van Swieïen ter zijner
beschikking had, waren dan ook in één woord, wat men noemt, gedemo-
raliseerd.
Een niet onaanzienlijk gedeelte daarvan — de houding des vijands had
er hem van overtuigd — zou hij bij het voortrukken naar Klonkong, te
Casoemba moeten achter- laten, ter verzekering van zijne gemeenschap met
Pa- dang Cove en de vloot, ter beveiliging van den aanvoer van mond- en
krijgsbehoeften en van het terugbrengen van "zieken en gewonden. Dit een
en ander zou tevens de behoefte aan koelies sterk hebben doen
aangroeijen en juist was hun aantal gedurende de jongste 24 uren aan-
zienlijk verminderd. Vele waren door ziekte aangetast geworden en andere
hadden zich, tijdens den nachtelijken aanval, uit de voeten gemaakt, om
zich waarschijnlijk niet weder te vertoonen.
Men wist al verder, weinig met zekerheid aangaande de juiste ligging
van Klonkong en men had die plaats moeten gaan zoeken, dewijl de gidsen,
die door onze bondgenooten zoo stellig waren beloofd, nog steeds op zich
lieten wachten.
De luitenant kolonel yan Swieten had dus met eene verzwakte,
afgetobde en geheel ontstemde krijgsmagt, met onvoldoende
transportmiddelen en zonder gidsen, moeten voorwaarts gaan in een land,
waar nog zoo vele moeije- lijkheden en ontberingen te wachten waren, om
die krijgs- magt eindelijk aan te voeren tegen eene plaats, die ver-
moedelijk, door duizende geestdrijvende vijanden, als het palladium van
hunne nationaliteit en hunne eeredienst met woede zou worden verdedigd.
En dat eene dergelijke verdediging inderdaad te gemoet gezien mogt
worden, kon men niet alleen opmaken uit ^s vijands kloeke houding in de
jongste gevechten, maar ook uit het geheel achterwege blijven der reeds
lang verwachte berigten van onze bondgenooten. Zelfs bij den generaal
Michiels was hierdoor reeds het denkbeeld van verraad of althans van
onwil gerezen.
Wanneer het nu ook tegen alle verwachting, onder omstandigheden en
met middelen, gelijk wij beschreven hebben, aan den luitenant kolonel
van Swieten, gelukt ware den vijand te Klonkong te verslaan en die
plaats te bezetten, dan zou hij — bij gemis van de vereischte volmagt —
nog buiten de mogelijkheid hebben verkeerd, terstond van zijne
overwinning partij te trekken en tot eene ons gunstige regeling der
zaken over te gaan. Er zou dus te Klonkong evenzeer eenen stilstand in
zijne handelingen hebben moeten plaats vinden; de vijand had zich gedu-
rende dien tijd kunnen herstellen en op nieuw tot den aanval overgaan en
de gevolgen daarvan hadden bij den toestand, waarin wij gezien hebben,
dat de Nederlandsche krijgs^ magt zich bevond, allerbedenkelijkst kunnen
worden.
De tijdelijke bevelhebber nam , op grond van alle deze overwegingen,
het besluit , aan zijne troepen rust te schen- ken , terwijl hij op de
bevelen van den gouverneur gene- raal wachtte, en hen tot verademing te
doen komen, om later, wanneer hunnen gezondheidstoestand verbeterd, en
zoo hij hoopte ook hunne krachten hersteld zouden zijn, hen met meer
vertrouwen, zoo het noodig was, tegen den vijand te kunnen aanvoeren.
Hij had nu te Kasoemba gevestigd kunnen blijven, maar ook hier tegen
bestonden overwegende bezwaren. In den morgen van den 25 , woedden de
vlammen aldaar nog voort; om die mènlter te worden, scheen veel
inspanning van de troepen geëist moeten worden , en dan was het nog
onwaarschijnlijk, dat te midden der rookende puinhoopen, een voldoend
aantaitnizen zou overblijven, tot hunne inlegering. Bovendien bezet
houden van Kusoemba, nagenoeg dezelde meijelijkheden bestaan, omtrent
het aanbrengen van levensniiddelen en het terugvoeren van zieken. \
Daar nu aan het bezit van Kasoemba , voor hetogen blik geen
overwegend gewigt kon gehecht worden be- sloot hij tot den terugtogt
naar Padang Cove. \
Ten einde aan den terugtogt geheel en al het idee eener vrijwillige
handeling te geven, werd hij pass’ morgens ten elf uur aangevangen. Des
namiddag ^ vier uur had men Padang Cove bereikt, en derwaarts, leverde
het meest volkomen bewijs, uitgeputten en diep neerslachtigen toestand ,
waarin onze troepen zich bevonden. De grote meerderheid wankelde slechts
met de uiterste inspanning voorwaarts, telkens zag men soldaten of
koelies doodelijk afgemat nederzinken. Yooral het marine bataillon waar
aan soortgelijke krijgsvenigtingen minder gewoon was, had veel te lijden
van den marsch in de brandende zon en door het mulle zand; de luitenant
ter zee Ie klasse G, H. VAN NouHUYS bezweek onder weg aan de ver-
moeijenissen. Dit zelfde treurige lot viel ook ten deel aan den 1ste
luitenant J. W. TJ. Sindikus, van het 5e bataillon infanterie.
Van de gevechten die geleverd waren, en van den dood des
opperbevelhebbers, werd nu berigt gegeven aan de bevriende of althans
aan de onzijdig gebleven vorsten, en hun medegedeeld, dat nadere bevelen
waren gevraagd aan den gouverneur generaal te Batavia.
Men wachtte voorloopig af, welke de indruk zou zijn, die de gevechten
van Soenla Lawas en Kasoemba op den vijand hadden gemaakt. In den
aanvang bleek daarvan weinig gunstigs, en het was niet onwaarschijnlijk
dat zoo wel de dood van den opperbevelhebber , als de terugtogt naar
Padang Cove, daarop van invloed waren geweest. Men vernam zélfs van
goesti gedeh Eai , aanvoerder der Lomboksche hulpbenden in Karang Assam,
dat wij in den nacht van den 27 op 28 Mei, met eenen aanval op Padang
Cove waren bedreigd geweest, maar dat de vijand weder onverrigter zake
was afgetrokken.
Van den heer Lange, Nederlandsch agent te Bali Badong, werden
eveneens berigten ontvangen, die niet iu allen deele bevredigend waren.
De vorst van dat land, onze bondgenoot, had tot driemalen toe en wel Op
den 17, op den 18 en op den 22 Mei, getracht in Mengoei te vallen, maar
was bij de laatste ontmoeting
geheel geslagen, en met een verlies van 30 dooden en , 100 gewonden,
teruggedreven geworden. Tabanan was ter hulp van Mengoei gesneld , en de
radja van Badong was, door de hevigheid van den ondervonden tegenstand,
geheel onthutst en ter nedergeslagen. De radja van Gianjar, die aan dien
van Badong had doen gelooven, dat hij tegen Karang Assam zou oprukken,
had inder daad zijne troepen naar Klonkong gevoerd, en daar op den 24 en
25 Mei tegen ons gestreden. De dewa agong had ook pogingen gedaan, om
den vorst van Badong op zijne zijde te krijgen, maar deze was
standvastig blijven weigeren ; die pogingen waren op den 28 Mei nog
herhaald geworden, maar hadden toen geene betere uitkomst gehad. Tijdens
de gevechten van den 24 Mei was het gebulder van ons geschut tot in Ba-
dong gehoord geworden, en had aldaar den grond doen dreunen. Dit had wel
eenigzins bijgedragen om den vorst en zijne onderdanen in hunne trouw
jegens ons te stijven.
Op den 28 Mei verscheen de goesti gedeh Eai, aan- voerder der
Lombokkers, in het hoofdkwartier van den luitenant kolonel van Swieten.
Hij vertoonde de krissen der vorsten van Karang Assam en Bleling,
alsmede die van goesti Dhlantiek. Zij hadden alle het leven ver- loren,
de beide laatsten waren op hunne vlugt achter- haald en omgebragt. De
goesti gedeh Eai meldde ook, dat de vorst van Bangli nog altijd in eene
vijandelijke houding tegenover het thans onderworpen Karang Assam stond,
en niet ophield tegen dat land aanvallender wijs te handelen.
Daar de vorst van Bangli van onze zijde nog geen berigt had ontvangen
van den veranderden staat van zaken in Karang Assam, dat voortaan niet
meer tct onze vijan- den behoorde, zoo werd hierin onmiddelijk voorzien.
Tevens werd van de tusschenkomst van den goesti gedeh Eai gebruik
gemaakt tot het zenden van brieven naar Klonkong.
Deze brieven naar Klonkong hadden ten doel, den dewa agong geheel uit
den waan te brengen, dat onzen terug- togt van Kasoemba een gevolg was
van den door hen geboden tegenstand.
Hem werd geschreven, dat het Nederlandsche gouver- nement, door het
verslaan der Klonkongsehe benden te Kasoemba, volkomen geslaagd was in
het bestraffen zijner trouwelooze handelingen en, in het belang der be-
volking, thans een einde wilde maken aan het verder bloedvergieten; dat
het, als een edelmoedig vijand, hem aanbood zijne onderwerping aan te
nemen, en hem onder voorwaarde dier onderwerping op den troon zou laten;
dat hij dan evenwel ten spoedigste gezanten naar Padang Cove had te
zenden, en eindelijk dat, wanneer die ge- zanten niet binnen 8 dagen
waren aangekomen, de Ne- derlanders, vereenigd met die van Lombok,
andermaal naar Kasoemba zouden oprukken. Binnen de gestelde 8 dagen
hoopte de luitenant kolonel van Swieten antwoord te hebben op de punten,
die, tot verdere regeling der zaken, aan de overweging van den
gouverneur generaal waren onderworpen.
Deze voorwaarden werden nog op den 28 Mei verzon- den, en aan de
gedane bedreiging werd klem bijgezet door het stoomschip Hekla, kapitein
luitenant Sterk, dat, nog op dien eigen dag, naar Soenla Lawas ging en
de aldaar op nieuw verzamelde vijanden met grenaat- en kartetsschoten
uit elkander dreef.
Door het veroveren van * Bleling en Karang Assam , het herstellen van
het rijkje Djembrana en door de uit- breiding van grondgebied, die aan
den radja van Bangli vergund was geworden zich zelf te verschaffen,
waren de grensscheidingen tusschen deze landen geheel gewij- zigd.
Overal stonden nog troepen te velde en op ver- schillende punten rezen
bestendig misverstand en verwik- kelingen. De goesti gedeh Eai gaf, dien
ten gevolge, aan den tijdelijken bevelhebber in overweging, om eene
bijeenkomst te beleggen van al de vorsten, die de zijde der Nederlanders
hielden, ten einde dit alles ten spoe- digste te regelen. Daar eene
dergelijke bijeenkomst ook kon dienen, om de genoemde vorsten
onmiddelijk met de bevelen van den gouverneur generaal bekend te maken,
zoodra die zouden zijn ontvangen, en derhalve kon strekken tot eene meer
snelle en ordelijke afdoe- ning der zaken, zoo werd hiertoe besloten en,
op den 81 Mei, onmiddelijk tot het verzenden der noodige brieven
overgegaan.
De bijeenkomst zou den 6 Junij te Oelakan in de Laboean Amok baai
plaats hebben.
Op den 1 Junij zond de goesti gedeh Eai eenen brief, dien hij van den
dewa agong van Klonkong had ontvangen. In dien brief werd gezegd, dat de
dewa agong genegen was zich aan de Nederlanders te onder- werpen, en aan
den goesti voorgesteld, met des dew» agongs broeder, eene zamenkomst te
houden, op het voorgebergte, dat zich tusschen Soenla Lawas en Padang
Cove tot aan het strand uitstrekt, ten einde met elkander over de
Balische aangelegenheden te spreken. Goesti gedeh Eai gaf te kennen, dat
de brief wel is waar in allen deele welvoegelijk was en schijnbaar niets
dan ver- trouwen verdiende, maar dat hij daarom nog geenszins overtuigd
was van de goede bedoelingen der Klonkongers, dewijl zij Lombokkers,
maar al te veel bewijzen hadden van de weinige opregtheid der Baliërs.
Hij was niette- min genegen zich op de zamenkomst te laten vinden, maar
verzocht den luitenant kolonel van Swieten maat- regelen te nemen, om
hem tijdig te kunnen bijsprin- gen , ingeval men hem slechts in eenen
strik had willen lokken.
Die maatregelen werden in der daad genomen, doch bleken naderhand
noodeloos te zijn geweest. Op de bijeenkomst, die den 2 Junij werd
gehouden, waren be- halve de afgevaardigden van Klonkong, ook nog de
vorsten van Mengoei en Gianjar, ieder slechts van een klein getal
volgelingen verzeld, aanwezig. Zij boden eene onvoorwaardelijke
onderwerping aan het Nederlandsch gouvernement aan, en beloofden tevens,
dat zij zouden verschijnen op de bijeenkomst van Balische vorsten, die
den 6 Junij zou plaats hebben. Hunne betuigingen waren zeer nederig, zij
verzekerden in vrede en goede verstand- houding, niet alleen met de
Nederlanders, maar ook met de nieuw aangestelde regeringen te willen
leven.
Hoewel de herhaald betoonde trouweloosheid der Bali- sche vorsten
niet toeliet een volkomen geloof aan hunne betuigingen te hechten, zoo
werd niettemin daardoor de hoop, op een spoedig en vredelievend einde
der zaken, niet weinig verlevendigd.
Die hoop nam nog meer toe door de berigten, die men in de
eerstvolgende dagen ontving. De heer iANGE, Nederlandsch agent te
Badong, meldde in verschillende brieven, dat na de gevechten van den 24
en 25 Mei, nog herhaalde en dringende uitnoodigingen , ja zelfs be-
velen, van den dewa agong te Badong en Tabanan waren ontvangen, om de
vorsten dezer landen te nopen, hem met hunne krijgsmagt bij te staan.
Deze vorsten waren evenwel volstandig blijven weigeren, maar hadden zich
aan- geboden als bemiddelaars, tot het sluiten van den vrede,
optetreden. Dit was ten laatste door den dewa agong aan- genomen, en hij
had zelfs den wensch geuit, dat de beide vorsten zich naar Klonkong
mogten begeven, opdat hij met hen zou kunnen raadplegen. Ook hierin
hadden de twee radja^s bewilligd, zij hoopten zich den 6 Junij bij den
dewa agong te bevinden, en hadden den heer Lange uitdrukkelijk verzocht,
hiervan aan den Nederlandschen bevelhebber kennis te geven, en hem voor
te stellen de bijeenkomst van vorsten , die op dien zelfden dag was
bepaald, tot later te verschuiven. Daar dit zelfde ver- zoek ook door
den goesti gedeh Eai van Lombok , na- mens den dewa agong was gedaan,
zoo werd die bijeen- komst tot den 10 Junij uitgesteld.
De radja van Mengoei had de tusschenkomst van den heer Lange
ingeroepen om vergiffenis te verlangen en tot onderpand voor zijne goede
gezindheid, zijn eenige zee- haven Sessa afgestaan, waar voorloopig de
Nederlandsche vlag was geheschen.
De vorst van Bangli zond geschenken, maar liet zich tan het bijwonen
der belegde vergadering verschoonen, dewijl hij vreesde, dat de
Klonkongers en die van Men- goei, tijdens zijne afwezigheid , in zijn
rijk zouden vallen. Bij de vele reden tot wantrouwen, die de Balische
vor- sten elkaar voortdurend gaven, kon men deze vrees niet geheel
misbillijken , al kon men dan ook de gegrondheid daarvan niet zoo gaaf
aannemen. Men berustte in de aan- geboden verontschuldigingen en besloot
den radja later naar Bleling op te roepen.
Hoezeer de luitenant kolonel van Swieten nog altijd twijfelde,
begonnen de handelingen, der tot nog toe vijan- dig gezinde Balische
vorsten, toch meer en meer den schijn van opregtheid te verkrijgen.
De dag naderde evenwel met rassche schreden, waarop men andermaal
eene teleurstelling zou ondervinden.
Er was in Klonkong eene partij, die afkeerig was van den vrede en in
haren hoogmoed voort bleef gaan de Nederlanders te trotseren. Het was
aan haar, dat de vijandige gezindheid moest worden toegeschreven, die de
dewa agong reeds zoo lang tegen ons had gekoesterd.
Aan het hoofd dier partij stond de dewa agong Istri, zuster van den
dewa agong. Reeds de generaal Michiels had het aan haren invloed
geweten, dat de partij van BleUng en Karang Assam, of die des oorlogs,
zoo sterk was te Klonkong. Zij was eene vrouw met mannelijke geestkracht
en met een trotsch karakter; aan haar moet voornamelijk den hardnekkigen
tegenstand worden toege- schreven, die de onzen bij Soenla Lawas en
Kasoemba vonden; het was op hare aansporing, dat de nachte- lijke aanval
van den 25 Mei plaats had , en zij was het eindelijk, die bewerkte, dat
men bestendig voortging met het bouwen van verschansingen te Klonkong.
De rijksbestuurder dewa Ketoet Agong was haar volko- men toegedaan,
en in den radja van Gianjar had zij eenen trouwen bondgenoot.
Toen onze troepen naar Padang Cove terugtrokken, herleefde haren moed
en dacht zij dat onze geleden ver- liezen van dien aard waren, dat zij,
gepaard aan den dood van den opperbevelhebber, ons verhinderden de
krijgsverrigtingen voort te zetten. Het bewustzijn van eigen grootheid
en kracht klom daardoor aanmerkelijk.
Uit dezen waan werd zij echter onzacht gewekt door den brief van den
28 Mei, die den dewa agong met eenen nieuwen aanval bedreigde, wanneer
hij niet binnen acht dagen afgevaardigden zond, tot het aanbieden zijner
on- derwerping.
Deze brief gaf de overtuiging dat onze inzigten, ten aanzien van
Klonkong, nog onveranderd waren. Door de geleden verliezen was men daar
echter buiten staat, ons vooreerst, met hoop op goeden uitslag, het
hoofd te bieden. Men besloot derhalve gebruik te maken van den aange-
boden termijn, die later, gelijk wij zagen, tot den 10 werd verlengd, om
zich tot eenen hernieuwden en krach- tigen tegenstand voor te bereiden.
De engte van Soenla Lawas, door welke wij weder in het rijk van Klonkong
zouden moeten binnen nikken, en die uit haren aard reeds eene zoo sterke
stelling opleverde, zou door kunst- middelen nog sterker worden gemaakt.
Ten einde daarin te kunnen slagen, dienden de lastige bezoeken der
stoom- schepen, die nu en dan werden herhaald, op te houden, en eene
schijnbare onderwerping, met het doen van aUe- zins aannemelijke vredes
voorslagen , was daartoe het beste middel. Men slaagde hierin werkelijk,
want men begon die bezoeken, aan onze zijde, voor onnoodig te houden, en
wilde bovendien den Baliërs ongaarne be- letten hunne godsdienst waar te
nemen in een heiligdom, dat zij daartoe bij voorkeur bezochten.
Toen de tijd daar was , waarin een langer veinzen on- mogelijk was,
wierpen zij het masker af.
Op voorstel van den goesti gedeh Rai, had de luitenant kolonel van
Swieten aan den dewa agong een brief van vrijgeleide, ten behoeve zijner
afgevaardigden op de aan- staande bijeenkomst, gezonden. De goesti
meende, dat daardoor aan den dewa agong meer gerustheid zou worden
gegeven en hij beter de overtuiging zou erlangen, dat hem geen leed zou
geschieden en hij in zijne waardigheid zou blijven bevestigd. De brief
was, gelijk dit aan In- dische vorsten gebruikelijk is, met Arabische
karakters op papier geschreven en in een omslag van geele zijde genaaid
geworden; hij was overigens, met in acht neming der vereischte vormen,
verzonden.
Den 9 Junij werd daarop een antwoord ontvangen, waarvan niet zonder
eenige verbazing kennis werd geno- men. Het was geteekend door dewa
ICetoet Agong, rijks- bestuurder van Klonkong en gerigt aan den goesti
gedeh Eai van Lombok. Het hield in, dat de dewa agong Gedeh Poetra niet
alleen, noch zelve, noch door middel van gemagtigden op de vergadering
van den volgenden dag zou verschijnen, maar, dat hij het bovendien zeer
onwelvoegelijk vond, dat de luitenant kolonel van Swebten hem tot eene
zamenkomst had opgeroepen. Hij voegde er bij, dat, wanneer men een einde
aan de vijandelijkhe- den wilde zien, de luitenant kolonel zich naar
Kasoemba had te begeven, om den dewa agong vergiffenis te vragen voor
het aantasten en vernielen dier plaats.
Te gelijker tijd ontving men ook eenen brief van den radja van
Gianjar, slordig op lontarblad en in zeer on- beleefde vormen
geschreven, om bekend te maken, dat hij niet in de vergadering kon
verschijnen, dewijl hij door een godsdienstig feest werd terug gehouden
en de- wijl de Hollanders bovendien wijs genoeg waren, om de zaken,
zonder hem, te regelen.
De ontvangst dezer beide brieven ging gepaard met die van een berigt,
aangebragt door den luitenant ter zee Ie klasse C. J. Beeghuys, die eene
verkenning der kust had verrigt, en dat inhield, dat honderde Baliërs te
Soenla Lawas ijverig bezig waren met het opwerpen van verschansingen. Er
was dus geen twijfel aan, of er moest andermaal naar de wapens worden
gegrepen. Gaarne had de luite- nant kolonel van Swieten nog de komst der
bevelen af- gewacht, die hij van Batavia te gemoet zag, maar door te
toeven, liep men gevaar de engte bij Soenla Lawas zoo- danig te zien
versterken, dat zij niet dan met de grootste opofferingen zou kunnen
worden genomen. Bovendien was de tijd niet ver meer af, waarin de vloot
zich uit deze wateren zou moeten verwijderen. Het was derhalve '
volstrekt onvermijdelijk al dat gene, wat nog met de wa- penen beslist
moest worden, binnen den kortst mogelijken tijd, tot beslissing te
brengen.
De luitenant kolonel van Swieten besloot, zich dus reeds den
volgenden morgen, zijnde den 10 Junij, naar Kasoemba op marsch te
begeven.
De dagen van rust, onderwijl te Padang Cove doorge- bragt, hadden den
meest heilzamen invloed gehad op den gezondheidstoestand der troepen.
Het verblijf in die oorden scheen hun niet, als dat op de noordwestkust
van het eiland, nadeelig te zijn; de dagen waren er minder warm en de
nachten niet zoo koud. Er waren 200 sol- daten meer beschikbaar dan bij
den eersten opmarsch naar Kasoemba. Niettemin had men hier nog het
overlijden te betreuren gehad van den kapitein J. Vobstenbos en van den
officier van gezondheid 3e klasse J. Stabel.
Naarmate het lichaam in welstand was toegenomen, was ook de geest in
betere stemming geraakt. De troe- pen waren blijkbaar meer opgeruimd dan
vroeger, men nam meer geestkracht onder hen waar; zij hadden niet alleen
in getalsterkte, maar ook in gehalte veel gewonnen. Bij de koelies waren
evenwel niet dezelfde gunstige verschijnselen aanwezig; in weerwil dat
hunne voeding veel beter was dan die, waaraan zij in hunne haardsteden
gewoon waren; in weerwil het klimaat hun minder vreemd was dan aan de
troepen , hadden zij toch veel meer geleden dan deze. Het stellen der
koelies onder gezaghebbers van hunnen landaard, en zelfs onder zonen en
aanverwanten van hunne vorsten, had geenszins die gunstige uitwerking
gehad, die men zich er van had voorgespiegeld. Al dadelijk werd een
groot aantal koelies aan hunne eigenlijke bestemming onttrokken, ten
dienste van de vele over hen gestelde hoogere en mindere hoof- den. De -
onderscheiding die men de meeste dezer hoof- den , waaronder prinsen ,
behoorde te doen genieten , was een groote hinderpaal om dit misbruik
tegen te gaan. Men kon met den besten wil over de koelies , niet een zoo
naauwkeurig toezigt uitoefenen, als noodig ware ge- weest. Onder die
omstandigheden werden zij slecht ver- zorgd en door hunne hoofden, die
hun eigen belang voor alles lieten gaan, niet voorzien van de hun toe-
komende levensmiddelen en soldij. Meestal zonder dak en zonder
beschutting, slecht gevoed en slecht verpleegd, daarbij uit vooroordeel
afkeerig, om zich onder de behande- ling onzer geneesheeren te stellen,
was het lot dier lieden zeer te beklagen. Het bleek bij deze gelegenheid
maar al te zeer , dat een goed zamengesteld korps lastdragers, op
eenigzins militaire wijze ingerigt , in Indië, noodza- kelijk is ,
wanneer men den oorlog met klem en voort- varendheid wil voeren. Een
dergelijk korps , wat naar behooren gevoed en verzorgd werd , zou zonder
eenigen twijfel, meer diensten bewijzen, dan een dubbel aantal koelies,
wat slechts tijdelijk uit de kampongs wordt ge- requireerd. Immers de
vermoeijenissen die de koelies tijdens eenen veldtogt te verduren
hebben, zijn over het algemeen niet grooter, dan die waaraan de troepen
zijn bloot gesteld. Zij hebben oneindig meer te lijden door slechte
verpleging en het kwalijk aanwenden hunner krachten.
Bij een onderzoek, dat, door den chef van de genees- kundige dienst,
gehouden werd, bleek, dat niet meer dan 800 koelies in staat waren aan
den togt deel te nemen. Aangezien dit getal geheel onvoldoende was,
verzocht en verkreeg de luitenant kolonel van Swieten van den wnd.
kommandant der scheepsmagt (1) , kapitein ter zee Ferguson, dat 150
inlandsche sloeproeijers, die op de vloot aanwezig waren, aan wal werden
gezet, om als lastdragers te worden gebezigd. Met behulp van deze, kon
men medevoeren, voor drie dagen levensmiddelen en 50 tandoes, die den
eersten dag met rijst werden geladen.
Op het medevoeren van eenigen voorraad van munitie voor de
infanterie, kon niet gerekend worden, maar daar ieder soldaat van 50
patronen voorzien was , en men dus in het geheel over '130,000 h,
140,000 patronen kon beschikken, zoo hoopte men, bij een spaarzaam
vuren, daarmede te zullen toekomen.
Ook voor de artillerie kon geene reserve munitie wor- den
medegevoerd, men kon derhalve slechts beschikken over hetgeen in de
munitie kistjes der voorwagens en op de draagpaarden der bergbatterij
aanwezig was^ en dit bedroeg in alles 500 schoten van verschillende
soort en kaliber.
Ten einde evenwel niets te verznimen, zouden door de stoomschepen nog
7 praauwen, geladen met levens- middelen en munitie, naar Kasoemba
gesleept en beproefd worden, een en ander daar aan wal te brengen.
Voor de eigenlijke krijgsverrigtingen , werd weder de hulp ingeroepen
van het marine landingsbataillon en die van eenige stoomschepen. De
laatsten moesten den aan- val op Soenla Lawa en Kasoemba door hun
kanonvuur, van uit zee, ondersteunen.
Alles voorbereid zijnde, werd door den luitenant kolo- nel VAN
SwiETEN bepaald, dat Padang Cove bezet zou blijven door eene kompagnie
van het marine bataillon en voorts door de ligte zieken en
convalescenten. Het be- vel aldaar werd opgedragen aan den majoor Hemmes
van het 7e bataillon; zijnde dit bataillon het eenige, waarbij zich nog
twee hoofdofficieren bevonden.
De troepen zouden in den morgen van den 10, ten vier uur — bij
maanlicht — afmarcheren, en ieder sol- daat moest voor een dag gekookt
voedsel met zich dra- gen. De sterkte bedroeg ongeveer 3000 hoofden,
waar- onder 2700 man infanterie.
De Lomboksche troepen zouden, door het gebergte, naar Klonkong
marcheren en de regter flank der onzen dekken. Deze marsch werd voor
onze troepen ondoen- lijk geacht, en zelfs voor de Lombokkers scheen zij
ge- vaarlijk te zijn.
Even als de vorige keer, werd de halve 6 ^ batterij nog den avond te
voren door de bergkloof nabij Padang Cove gebragt. De stoomschepen
Phoenix, luitenant ter zee Ie klasse J. Ma.y, en Vesuvius, luitenant ter
zee Ie klasse H. Camp, waren bestemd tot het beschieten der vijandelijke
stellin- gen en moesten ten 6 uur voor de versterking van Soenla Lawas
liggen.
Het stoomschip de Onrust, luitenant ter zee 2e klasse J. A.
NiEUWENHUiZEN, mocst de praauwen slepen en de beide andere stoomschepen,
zooveel doenlijk, met zijn vuur, bijstaan.
VI. DE TWEEDE TOGT NAAR KASOEMBA.
Marscliregeling. — Gevecht bij Soenla Lawas. — De vijand is blijkbaar
overvallen. — Voortzetting van den togt naar Ka- soemba. — - Gevechten
bij Kasoemba. — Inlegerins: der troepen aldaar. — Voorbereidingen voor
den togt naar Klonkong. — Plotselinge wending in den loop der zaken. —
Vredesaanbie- dingen van wege den dewa agong. — Oorzaken daarvan. —
Kloeke handeling van den heer Lange, Nederlandsch agent te Bali Badong.
— Zware eischen aan den dewa agong ge* steld, — De ridmeester voN Stampa
brengt die, met den heer Lange, over naar Klonkong. — Hij verkent tevens
het terrein derwaarts. — De vorsten ontvangen hem met de meeste
voorkomend- heid, en nemen de gestelde voorwaarden aan. — Komst van Z.
H. hertog Bernhabd van Saxe Weimar met versche troepen. — De handelingen
van den luitenant kolonel tan Swieten worden goedgekeurd. —
Gezantschappen van de Balische vorsten aan den gouvemenr generaal. — De
hertog van Saxe Weimar houdt eene wapenschouwing over de troepen te
Kasoemba. — Z. H. ontvangt al de vorsten van zuidelijk Bali ten gehoore.
— Over- zigt van den stand van zaken. — De hertog van Saxe Weimar stelt,
naar aanleiding zijner instructiën, de grondslagen vast, waarop de
tractaten moeten berusten, die met de vorsten zullen worden gesloten. —
Z. H verlaat met de troepen de Z. O. kust van Bali — Hij begeeft zich
naar Bleling en ontvangt aldaar den radja van Bangli. — Treurige stand
van zaken bij onze troepen te Bleling. — Z. H. vertrekt naar Batavia,
nadat de troepen der expeditie bereids in hunne garnizoenen op Java zijn
terug gekeerd.
Onze troepen begaven zich, bij heldere maneschijn, op weg; de
regeling van den togt was als volgt:
twee kompagniën van het 3e bataillon en 50 sappeurs als voorhoede;
de halve bergbatterij (3 ^^s) ;
het 3e bataillon infanterie;
de halve veldbatterij (6 ^'s);
het halve 5e bataillon infanterie;
het 7e bataillon infanterie;
het marine landingsbataillon;
de veldtros en levensmiddelen, onder dekking van eene kompagnie van
het 7e bataillon;
het 13e bataillon infanterie, dat eene achterhoede leverde.
Voor men de eerste engte, die het gebergte met de zee vormt, genaderd
was, werd eene halte gemaakt om de troepen en veldtros te doen opsluiten
en de stoomsche- pen, die nog een weinig achter waren, in te wachten.
Deze waren weldra op zijde der troepen en nu ging het langzaam
voorwaarts naar Soenla Lawas.
Na het doortrekken der eerste engte, zag men dat de toenadering tot
de beheerschende hoogte achter den tem- pel, door kleine schansen was
gedekt, en dat men eene borstwering had opgeworpen langs een gedeelte
van haren bovenrand, waarover het 5e bataillon op den 24 Mei was
getrokken. Het was dus niet wel mogelijk, andermaal langs dien weg in
den tempel te geraken.
Bovendien werd door eene tweede zware, nog niet ge- heel voltooide,
traverse, die zich aan de werken rondom den tempel aansloot, de
toenadering langs het strand be- moeijelijkt. Men zag overigens slechts
weinig verdedigers.
Zoodra de beide stoomschepen dwars van den tempel en zijne werken
waren gekomen, openden zij daarop een duchtig vuur uit hunne
grenaatkanons, terwijl de hou- witzers der landmagt op 500 passen
zoodanig in batterij werden gesteld, dat zij de borstwering, die
evenwijdig aan het strand liep, enfileerden. Toen het geschutvuur
ongeveer een kwartier uurs had aangehouden, zonder dat het in het minste
werd beantwoord, besloot de luitenant kolonel van Swieten de
vijandelijke sterkte door infanterie te doen aanvallen.
Het halve 5e bataillon kreeg bevel haar door het bouwland regts te
naderen, terwijl twee kompagniën van het 3e bataillon langs het strand
voorwaarts rukten. Naauwelijks waren deze troepen de verschansingen tot
op ongeveer 150 schreden genaderd, of een wel onderhouden geweervuur
kondigde aan, dat zij bezet waren gebleven. Er werden toen nog eenige
worpen uit de handmortieren gedaan en deze dreven de weinige verdedigers
— wier aantal misschien 2 è. 300 bedroeg — op de vlugt. De infanterie
trok daarop binnen de sterkte; wij hadden slechts een gewonde bekomen.
Het bleek ten duidelijkste dat de vijand verrast was geworden, en er
geenszins op had gerekend, reeds heden te zullen worden aangevallen. Hij
had met zooveel oor- deel gebruik gemaakt van hetgeen de ondervinding
hem, in het gevecht van den 24 Mei, had geleerd, dat noch het vuur der
stoomschepen , noch dat onzer houwitzers hem uit zijne stelling had
verdreven.
Na eenigen tijd gerust te hebben, werd de marsch naar Kasoemba
voortgezet. Even als op den 24 Mei werd een gedeelte der troepen — het
halve 5e en het 7e ba- taillon met het berggeschut — bestemd om den
regter vleugel te vormen en, door het bedekt en doorsneden terrein, naar
de drooge sawahvlakten voort te rukken. De overige troepen vervolgden
hunnen weg langs het strand, regtstreeks naar Kasoemba.
Nabij deze plaats werd de voor de onzen zoo kost- bare veldtros,
onder bedekking van het 13e bataiUon, op het strand achter gelaten.
Eenige vijanden werden door de voorwacht en door eene kompagnie van het
marine bataillion, uit het voorste gedeelte der kampong, verdreven.
De stoomschepen, die intusschen ter hoogte van Ka- soemba waren
gekomen, wierpen daarin eenige grenaten en stoomden verder naar mate de
troepen naderden.
Kasoemba werd nu door het marine bataillon en de sectie 6 ^ der halve
veldbatterij zonder tegenstand bezet. Het 3e bataillon, met de sectie
houwitzers dezer halve batterij, kreeg bevel aan de noordwestzijde der
kampong naar buiten en in de meergenoemde drooge sawahvlakte te rukken.
Zoodra deze troepen daar aangekomen waren, zagen zij op omtrent 6 è.
700 schreden afstands een getal van 2 è, 3000 gewapende Baliërs , die
evenwel terugtrokken, naar mate de onzen voorwaarts gingen. Intusschen
trad ook de regtervleugel uit het bedekt terrein te voorschijn; de
infanterie, in aanvals-kolonnes en het front gedekt door tirailleurs ,
rukte naast het 3e bataillon in de linie.
Daar de vijand steeds bleef terugtrekken , werden hem eenige grenaten
nagezonden en vervolgens twee kom- pagniën infanterie en tirailleur
opgelost. Deze vervolg- den hem nog eenigen tijd , zonder hem tot staan
te kun- nen brengen. Hij verdween in de rigting van Klonkong.
Het was naauwelijks 10 uur voor den middag, toen al deze voordelen
waren behaald, doch om de troepen en koelies de noodige rust te schenken
en hen te beter geschikt te doen zijn tot het overwinnen van den krach-
tigen tegenstand, die welligt te Klonkong zou geboden worden^ besloot de
luitenant kojonel van Swieten te Kasoemba nachtverblijf te houden, en
zich den volgenden morgen ten 4 uur naar Klonkong in beweging te
stellen, Kasoemba bleek minder, door den brand van den 25 , ge- leden te
hebben dan men aanvankelijk had gevreesd.
Er waren geene zieken en de troepen waren uitmuntend gestemd; de
bevelhebber besloot derhalve in Kasoemba geene bezetting achter te
laten, ter verzekering zijner ge- meenschap met Padang Cove, dat vooral
bij het terug- voeren van kranken noodig kon zijn, en er dus ook geen
depot van munitie en levensmiddelen te vormen, gelijk aanvankelijk zijn
voornemen was. Tot een en ander had hij ten minsten een bataillon
infanterie moeten afzonderen, en dat bataillon kon hij te Klonkong hoog
noodig hebben. Men had bovendien opgemerkt, dat het ontschepen van
levensmiddelen te Kasoemba, door de hooge rolling, geene gemakkelijke
taak zou wezen, zoodat de daarmede geladen praauwen naar Padang Cove
werden teruggezonden. Eene proef om te Kasoemba levensmiddelen aan wal
te bren gen, mislukte eenige dagen later volkomen.
Al de maatregelen evenwel, die door den luitenant ko- lonel VAN
SwiETBN op de 10 Junij nog werden geno- men, om Klonkong den volgenden
morgen krachtig aan te tasten, en zoo mogelijk den laatsten slag toe te
bren- gen, bleken noodeloos te zijn geweest. De fortuin had bepaald, dat
de onzen zich niet binnen Klonkong zouden vertoonen, maar zij onthield
hen daarom geen van de gunstige gevolgen, die het werkelijk bezetten der
zetel* plaats van den dewa agong voor hen zou gehad hebben.
Ten 12 uur verscheen de heer Lange, Nederlandsch agent te Bali
Badong, aan onze voorposten, en bragt het blijde berigt, dat de vorsten
van Badong en Tabanan den vorigen dag, aan het hoofd van 16,000
gewapenden, binnen Elonkong waren getrokken. De dewa agong had zijn
gezag tijdelijk in hunne handen nedergelegd , en hun magtiging verleend
om den voortgang onzer wapenen te stuiten en voor hem den vrede te
bewerken.
Wij hebben reeds vroeger melding gemaakt van het voornemen der beide
genoemde vorsten , om zich den 6 Junij naar Klonkong te begeven, ten
einde den dewa agong tot het nederleggen der wapenen te bewegen, maar
aangezien men daarvan verder niets meer had gehoord^ zoo was door den
luitenant kolonel van Swieten ook niet meer op het volbrengen dezer
belofte gerekend. Thans waren zij evenwel nog veel verder gegaan, en
hadden den dewa agong gewapenderhand tot het staken der vijandelijkheden
tegen ons gedwongen. De ware aan- leiding tot deze hunne handelwijze ,
die zij als eene daad van trouw en gehechtheid aan het Nederlandsche
gouver- nement deden gelden, is men niet met zekerheid te weten gekomen,
doch er bestaan voldoende redenen om te geloven, dat zij haren oorsprong
vond in de reeds vroeger vermelde openingen, die aan den radja van
Bangli gedaan waren om hem tot dewa agong te verheffen.
De vorsten van Badong en Tabanan hadden aan den heer Lange hunne
bevreemding betuigd, dat op den 10 Junij , de dag die voor de
bijeenkomst der vorsten van Bali in ons hoofdkwartier bepaald was, door
ons vijandelijkheden waren gepleegd. Zij verloren echter uit het oog,
dat zij zelf zich tot het bijwonen dier zamenkomst, reeds in den avond
van den 9 , te Padang Cove hadden behooren te bevinden, en dat zij, in
den morgen van den 10, nog hoegenaamd geene aanstalten hadden gemaakt,
om zich derwaarts te begeven. Zij droegen bovendien ook nog geen kennis
van de brieyen^ door den dewa agong en den radja van Gianjar geschre-
ven aan den Nederlandschen bevelhebber.
Be heer Lange was juist dien dag van Badong op reis gegaan naar
KLonkong; hij had onder weg ons kanonvuur gehoord, maar was in weerwil
van het ge- vaar , dat hieruit voor hem als eenig Europeaan te mid- den
van zoovele duizende opgewonden inlanders ontstaan kon, doorgereden. Hij
had te Klonkong alles in de grootste verslagenheid, maar den dewa agong
en zijnen aanhang, niettemin gereed gevonden, zich tot het uiterste te
verdedigen. Hij hield den invloed, dien de dewa agong aan zijne
geestelijke waardigheid ontleende, voor zoo groot , dat hij er aan
twijfelde , of het den vorsten van Badong en Tabanan, in weerwil van
hunne goede gezindheid, wel gelukken zou, hunne onderdanen te beletten
hem bij te staan, indien hij te Klonkong door ons aangevallen werd. Hij
berigtte verder dat aldaar thans 83,000 gewapende Baliërs vereenigd
waren, als: 10,000 van Tabanan^ 6000 van Badong; 8000 van Gianjar; 4000
van Mengoei en 5000 van Klonkong zelf. Hij deelde ten slotte mede, dat
de verzamelde vorsten niets liever wenschten , dan met de Nederlanders
in vrede te leven , en dat zij bereid waren aUe voorwaarden aan te
nemen.
Als een conditio sine qua non, voor het staken der vij-
andelijkheden, vorderde de luitenant kolonel van Swieten, nu het zenden
van een gezantschap naar Batavia, met eenen brief van den dewa agong
Gedeh Poetea, aan den gouverneur generaal, waarin vergiffenis voor het
gebeurde werd gevraagd.
Van alle mogelijke eischen werd deze voor den dewa agong als de
zwaarste beschouwd , doch men wilde hem vernederen en tevens eene
schitterende voldoening , een openlijk blijk van onderwerping en hulde,
dat aan al de overige vorsten in den archipel bekend zou worden, aan het
gouvernement verschaffen. De verdere voorwaarden zouden later worden
bekend gemaakt, wanneer de bevelen, die van Batavia verwacht werden,
zouden zijn ontvangen.
Daar de heer Lange den wensch geuit had, bij zijnen terugkeer naar
Klonkong, van een of twee officieren ver- zeld te worden, zoo bekwam de
ridmeester von Stampa, sous chef van den staf, den last met hem
derwaarts te gaan, en tevens de opdragt, den weg dien hij zou volgen,
zooveel doenlijk te verkennen.
Den volgenden dag kwamen de H. H. von Stampa. en Lange, van Klonkong,
in het hoofdkwartier terug. De ridmeester was met de meeste
voorkomendheid door de vorsten ontvangen. De nog kort geleden zoo
opgeblazen radja van Gianjar vernederde er zich zelfs toe, hem in
persoon vergiffenis te vragen voor den onbeleefden brief dien hij
geschreven had. De ridmeester von Stampa berigtte nog, dat er twee wegen
van Kasoemba naar Klonkong voerden, waarvan hij den eenen in het heen-
gaan en den anderen in het terugkeeren had doorloopen; de eerste ging
door het diepe ravijn, waarin de rivier van Kasoemba stroomde en was
daardoor onbruikbaar voor ge- schut; de laatste was voor alle wapens
bruikbaar, maar liep door eene aaneenschakeling van welbewoonde
kampongs.
Kassiman radja van Badong, had, namens den dewa agong, al de gestelde
voorwaarden aangenomen. Hij liet den Nederlandschen bevelhebber weten,
dat het hem bij- zonder veel genoegen deed, dat hij niet tot Klonkong
was voortgerukt en hij verzocht tevens, in zeer beleefde bewoordingen
aan deze, zijne troepen naar Padang Cove te willen terugvoeren,
aangezien nu verder toch alles, zonder tusschenkomst der wapenen, zou
geregeld worden. Men had echter te veel bewijzen van de weinige goede
trouw der Balische vorsten ontvangen, om hierin te be- willigen, en de
luitenant kolonel van Swieten besloot derhalve Kasoemba niet te
ontruimen, voor het gezant* schap naar Batavia werkelijk zou zijn
vertrokken.
Den heer Lange werd derhalve verzocht dit aan den radja Kassiman
bekend te maken en er bij te voegen, dat de vijandelijkheden tot den 15
gestaakt blijven, maar daarna weder hervat worden zouden, indien aan
onze vorderingen alsdan nog niet was voldaan. Hem werd voorts opgedragen
de vorsten te herinneren, dat de ver- dere voorwaarden uit Batavia
zouden worden voorgeschre- ven en hen te berigten, dat Z. H. de
luitenant generaal hertog Bernard van Saxe Weimar. Eisenach, benoemd was
tot opperbevelhebber der expeditie en eerlang, mét Versche troepen, zou
verschijnen.
De tijding der aanstaande komst van Z. H. hertog Bernhard van Saxe
Weimar was door den vice admiraal Machielsen op den 11, bij zijne
terugkomst van Soera- baya, medegebragt.
Z. H. was pas kort geleden uit Nederland te Batavia aangekomen en had
aldaar ter naauwemood het bevel over het Indisch leger aanvaard, toen
het berigt van het over- lijden des generaals Michiels werd ontvangen.
Ofschoon nog niet lang genoeg in Indië geweest zijnde, om zich aan den
invloed van het tropische klimaat te kunnen ge- wennen, aarzelde de
hertog geen oogenblik, aan den gou- verneur generaal voor te stellen,
zelf het bevel over de expe- ditie op zich te gaan nemen en te handelen,
ingevolge de voorschriften aan den generaal Michiels verstrekt. Aan
groeten en hem met den stand der zaken bekend te maken. De verrigtingen
van den luitenant kolonel TAK SwiETEN, werden terstond door Z. H.
goedgekeurd. ^
De hertog ging den 13 Junij te Padang Cove aan wal en begaf zich nog
dienzelfden dag naar Kasoemba, waar de troepen bij zijne aankomst onder
de wapenen geschaard stonden. Na ze in oogenschouw genomen te hebben,
gaf Z. H. hen in vleijende woorden zijne tevre- denheid te kennen, niet
alleen over het dapper gedrag, voor zijne komst, door hen gehouden, maar
ook over hun goed uiterlijk na eenen veldtogt van drie maanden, die hen
zoo vele vermoeijenissen en ontberingen had opgelegd.
Naauwelijks was de komst van eenen Europeschen vorst te Kasoemba, aan
de radja's te Elonkong verzameld, be« kend geworden, of zij gaven — op
het voegzame van dessen stap, door den heer Lange oplettend gemaakt -
hun ver langen te kennen, bij Z, H. een bezoek te mogen afleg gen. De
hertog liet hen terstond weten, dat zij reeds den volgenden dag — 14»
Junij — zouden worden toegelaten.
In eenen tempel, omringd door eenen stoet van officie- ren en met de
kompagnie walbusschutters in zijne nabij heid als eerewacht, werden zij
door Z. H. ontvangen. Ten einde meer indruk te maken op hen, die nimmer
eene Europesche krijgsmagt van nabij hadden gezien, werden al de troepen
, met de nieuw aangekomene 8600 man sterk, op hunnen weg onder de
wapenen ge bragt. De luitenant kolonel de Brauw, chef van den staf, ging
hen te gemoet tot Gilgie, twee palen van Klonkong, en bragt hen van daar
naar Kasoemba.
Hoe verlangend zij ook waren Z. H. den hertog te ontmoeten, zoo
werden zij, bij het naderen der troepen, door geene geringe vrees
bevangen. Niet dan na ferme herhaalde bemoedigende toespraak en na
meniguldige verzekeringen Van den luitenant kolonel de Beauw en den
Nederlandschen agent te Badong, de heer Lakge^ dat hun geen leed zou
geschieden^ konden zij in hunne nabijheid worden gebragt.
Het eerst verscheen de radja Kassiman van Badong^ daarna radja dewa
Pahan van Gianjar, en vervolgens de rijksbestuurder van Mengoei radja
Moenak. Zij werden verzeld door verscheidene grooten van Klonkong en Ta-
banan, zoodat al de vorsten van zuidelijk Bali, hetzij in persoon,
hetzij door hunne afgezondenen, hier tegen- woordig waren.
Hun gevolg was zeer groot, maar ongewapend, slechts 20 man die de
bijzondere lijfwacht van den vorst van Badong schenen uit te maken,
droegen lansen. Hunne houding was over het algemeen eene geheel andere
en vrij wat demoediger dan die der vorsten, die weleer door den generaal
Michiels, te Singa radja en Sangsit, werden ontvangen. Duizenden
nieuwsgierigen waren uit de kampongs toegestroomd , om den optogt te
zien , en men rekent dat Kasoemba, in dien stond, door welligt 12,000
menschen was omringd.
Aan verzekeringen van eerbied en onderwerping aan het Nederlandsch
gouvernement, ontbrak het bij de Balische vorsten niet, doch de meest
gewigtige was die, waarbij de radja van Badong zich geheel
verantwoordelijk stelde voor de goede trouw van den dewa agong.
De vorst van Gianjar werd nog oplettend gemaakt op het onvoegzame van
zijnen brief, maar hij vraagde daarvoor in de nederigste woorden
verschooning en her- haalde , dat hij zich geheel aan de genade van het
gou* vemejnent onderwierp. Blijkbaar voldaan over do heusche ontvangst,
die zij van Z. H. hertog Bbrnhasd van Saxe Weimar hadden genoten,
keerden zij naar Klonkong terug.
De rijken van Bleling en Karang Assam waren nu veroverd, de vorsten,
die daar nog kort geleden de teu- gels van het bewind voerden, hadden,
met hunnen meest getrouwen en vaderlandslievenden dienaar, den dood ge-
vonden; Klonkong was getuchtigd en vernederd en aan den eisch tot het
zenden van een gezantschap naar Ba- tavia was voldaan. Alles derhalve,
dat op Bali door de wapenen moest tot stand gebragt worden, had zijn
beslag gekregen. Het tijdstip daarenboven, waarin de vloot verpligt zou
wezen, straat Lombok, te verlaten, naderde met rassche schreden. Nu
reeds was de gemeen- schap tusschen den wal en de vloot, door den
zuidoosten wind herhaaldelijk gedurende eenige uren gestremd geweest.
Volgens het algemeen gevoelen bij de zeemagt, zou de zuidoosten wind, na
het springtij, dat op den 18 of 19 Junij verwacht werd, voor goed en met
kracht doorkomen en zou alsdan op den geregelden toevoer van
levensmiddeleo en het aan boord brengen van zieken niet meer gerekend
kunnen worden.
Het weder inschepen der troepen zou, na dien tijd, met de grootste
moeijelijkheden verzeld gaan, en zelfs niet zonder gevaar kunnen
geschieden.
Alles wat nog in deze streken te verrigten overbleef, bestond in het
sluiten van nieuwe traktaten en hiermede zouden ten minsten nog veertien
dagen moeten ver- strijken.
In de instructie aan Z. H. hertog Beknhakd van Saxe Weimae verleend,
waren de grondslagen vastge- steld, waarop die traktaten zouden berusten
en er waren zelfs door den gouverneur generaal concepten bijge- voegd
van de verdragen , die hij wenschte te zien sluiten. Dit alles was
echter niet zóó onherroepelijk vastgesteld, of Z. H. behield de
bevoegdheid daarin , naar bevinding van zaken, wijzigingen te brengen.
Na eene zamenkomst met den luitenant kolonel van SwiETEN en den
kapitein adjudant Jhr. van Capellen, waarin op den voorgrond werd
gesteld, dat de Baliërs de kracht onzer wapenen thans in voldoende mate
hadden on- dervonden, om ons aanzien in hunne rijken niet alleen
hersteld, maar zelfs gerezen te achten, kwam Z. H. tot het be- sluit,
dat het vaststellen en teekenen der traktaten zonder bezwaar, na het
vertrek der troepen zou kunnen geschieden.
De geheele ontruiming van Bali, zeKs — na het tee- kenen der
traktaten — die onzer redoute te Bleling , kwam den hertog en zijne
beide raadslieden wenschelijk voor en te gereeder werd daartoe door Z.
H. besloten, daar ook de generaal Michiels van meening was geweest, dat
onze hangende geschillen met de vorsten van dat land, behoorden
vereffend té worden, zonder dat door ons een gedeelte hunner landen werd
in bezit genomen of gehouden.
De hertog gaf dien ten gevolge bevel tot den terugkeer der troepen
naar Padang Cove en tot hunne weder in- scheping. Den 14 Junij begon men
Kasoemba te ontrui- men en den 19 daaraanvolgende had de geheele vloot,
met de troepen der landmagt aan boord, door de hulp der stoomschepen, de
baai van Laboean Amok verlaten.
Daar de hertog van Saxe Weimar de vorst van Bangli nog wilde
ontmoeten en deze te dien einde te Bleling was bescheiden, zoo begaf Z.
H. zich aan boord van het stoomschip Etna derwaarts. Op den 19 Junij
trad de opperbevelhebber te Bleling aan wal en vond de aldaar
overgebleven bezetting in eenen deemiswaardigen toe- stand. Het aantal
zieken was er tot eene schrikbarende hoogte geklommen. Niet minder dan
370 man bevon- den zich in het tijdelijk hospitaal en daarvan behoorden
tot het halve 5e bataillon 190 man of niet minder dan de halve sterkte.
Het aantal dooden wisselde dagelijks af; tusschen 4 en 8^ en juist bij
aankomst van den her- tog werd een officier der hulptroepen begraven.
Deze ongunstige stand van zaken moest^ naar het ge- voelen der
geneeskundigen, hoofdzakelijk worden toege- schreven aan het verschil in
temperatuur, dat op den- zelfden dag werd waargenomen en soms tot 24® F.
steeg, voorts aan de felle heerschende noordoosten winden en aan het
gemis van alle schaduw, zijnde er in den omtrek van het kampement geen
enkele boom te vinden.
Gelukkig kwamen, weinige dagen later, de schepen, die onze troepen
uit dit oord van ellende wegvoerden, en xeeds het berigt van hun
aanstaand vertrek was van heil zamen invloed op hunnen toestand.
De radja van Bangli, dewa gedeh Tangkeban, werd op den 22 Junij door
Z. H. hertog Beenhabo van Saxe Weimab ontvangen. De daaraan volgende
dagen, werden besteed tot schikking van eenige der Balische zaken,
waarna Z. H. de volmagt aan hem gegeven, over droeg op den luitenant
kolonel van Swieten, en deze be lastte met de eindregeling der
staatkundige aangelegenhe- den van het eiland. Het stoomschip Phoemx
bleef ten dien« ste van dien hoofdofficier in de wateren van Bali
achter»
Z. H. de opperbevelhebber kwam den 4 Julij, over Soerabaya, te
Batavia aan, nadat bereids al de troepen ^ die tot de expeditie hadden
behoord, hunne vorige gar- nizoenen hadden betrokken.
BESLUIT.
Algemeenen aard der traktaten , die met de Balische vorsten wer- den
gesloten. — Meer bepaalden inhoud daarvan. — Toelichting^ van dien
inhoud. — De vorst van Bangli wordt begiftigd met het ryk van Bleling, —
Oorzaken daarvan. — De vorst van Mataram op Lombok , wordt begiftigd met
het rijk van Karan^ Assam. — Aanleiding daartoe. — ' Verlies van invloed
, door den dewa agong geleden. — B^eenkomst van alle Balische vor< sten
te Bali Badong , bij den luitenant kolonel van Swieten. — Onderwerpen
aldaar besproken. — De traktaten worden plegtig. aangenomen. — Eenige
verzoeken door sommige vorsten ge-> daan. -^ Slot.
Na het vertrek der troepen bleef nog over, het rege- len der
staatkundige aangelegenheden van het eiland Bali. De inzigten van Z. H.
hertog Beenhard van Saxb Wbimae en die van den luitenant kolonel van
Swieten over den inhoud der traktaten, die met de vorsten be- hoorden te
worden gesloten , kwamen, zoo als wij zagen, geheel overeen met die van
den generaal Michiels , gelijk wij ze in onze inleiding hebben
ontwikkeld. Nagenoeg dezelfde gronden als die, waarop de zienswijze van
den ge- sneuvelden opperbevelhebber was gebouwd, hadden ook hen
aanleiding gegeven, tot het vestigen hunner meening. De instructie van
Z. H. was met die meening in geenen deele in strijd, en zoo daarin ten
aanzien van onderge- schikte punten nog eenig verschil bestond, met
hetgeen hij voor nuttig en noodig hield, dan bevatte zij, gelijk wij
reeds aanmerkten, daarentegen ook de volmagt , om er naar bevinding van
zaken van te kunnen afwijken.
Toen derhalve de hertog van Saxe Weimar van Bali vertrokken was, en
de verdere behandeling der zaken had overgedragen aan den luitenant
kolonel van Swieten, bijgestaan door den kapitein Jhr. van Capellen,
stond ook bij deze op den voorgrond, dat Bali geheel door de
Nederlanders moest worden ontruimd, en dat in de traktaten, ten zij de
belangen van Nederland, of van de menschheid het uitdrukkelijk
vorderden, niets behoorde voor te komen, waarvan men niet zeker was, dat
het geene kiem tot latere verwikkelingen bevatte.
De luitenant kolonel van Swieten, kwam dien over- eenkomstig met de
vorsten van Bali, aangaande het na- volgende overeen.
Zij erkenden in de eerste plaats, dat hun rijk uit- maakt een
gedeelte van Nederlandsch Indië, en dus, als zoodanig geplaatst was
onder de opperheerschappij van Nederland. Zoo te land als ter zee namen
zij aan, de Nederlandsche vlag te voeren boven de hunne.
Zij beloofden hun land nimmer aan eenige blanke natie dan aan de
Nederlanders te zullen overgeven, noch met eene zoodanige natie, zonder
onze toestemming, ver- bindtenissen te zullen aangaan.
Zij zouden geene brieven, geschenken of gezantschap- pen zenden naar,
of ontvangen van andere natiën, zon- der onze voorkennis.
Zij yerbonden zich^ niet toe te laten dat Europeanen zich vestigden
binnen hun grondgebied, zonder onze voor- kennis en toestemming, en zij
beloofden van alle po- gingen daartoe, terstond kennis te zullen geven
aan het Nederlandsch gouvernement, daarentegen zouden zij be- scherming
verleenen aan alle Europeanen, die met ons goedvinden zich hun land ten
verblijf hadden gekozen.
Wij bekwamen het regt, des verkiezende, in hunne rijken
gevolmagtigden te zenden en te doen verblijven, •en namen aan, de
schepen uit hunne rijken in onze ha- vens te behandelen, gelijk die van
alle andere be- vriende Indische vorsten.
Zij beloofden de versterkingen te zullen doen slegten, die tegen ons
waren opgeworpen en ons naar hun ver- mogen te zullen bijstaan, wanneer
wij in oorlog mogten worden gewikkeld.
Zij namen aan niet te zullen toelaten, dat hunne onder- danen zeeroof
bedreven, en ook niet te zullen dulden, dat zeeroovers zich in hunne
rijken ophielden, of het geroofde aldaar verruilden of verkochten.
Zij deden voor altoos en onherroepelijk afstand van het regt, bekend
onder den naam van tawang karang of klip- regt, en beloofden aan
gestrande schepen en schipbreukelin- gen alle mogelijke hulp en bijstand
te zullen verleenen.
Voor geredde goederen werd hun een bergloon toege- staan, wat hooger
of lager was, naar mate aan het redden meer of minder gevaar en moeite
was verbonden geweest. Er werden ook regelingen gemaakt hoedanig
uitspraak zou worden gedaan, ingeval er verschil rees over het bedrag
van dat bergloon.
Zij verbonden zich den menschenroof en slavenhandel te zullen
verbieden en tegengaan , en zij namen op zich gevlugte misdadigers of
weggeloopen soldaten^ op onze aanvrage^ te zullen doen opsporen en
uitleveren.
Het Nederlandsch Indische gouvernement beloofde daar- entegen dat het
zoo lang het bovenstaande door de vorsten van Bali getrouwelijk werd
betracht, geene pogingen zou aanwenden, om zich in hun land neder te
zetten , noch zich met het inwendige bestuur daarvan zou bemoeijen, het
nam deze gelegenheid zel& waar om aan de vorsten te verzekeren, dat het
dit bestuur geheel aan hen over Het.
Een dergelijk traktaat werd gesloten met den dewa agong van Klonkong
, met de vorsten van Bangli , van Djembrana, van Bali Badong , van
Tabanan , van Gianjar en van Karang Assam.
Met den dewa agong werd bovendien nog eene a£sonder- lijke
overeenkomst aangegaan, bij welke hij, voor zich en zijne opvolgers,
zijne goedkeuring hechtte aan die, welke met de overige vorsten van Bali
waren gesloten, en zich wijders verantwoordelijk stelde voor de stipte
na- koming door de vorsten van Mengoei , van de voor- waarden, voor hem
zelf en andere vastgesteld.
Deze traktaten werden door den gouverneur generaal goedgekeurd en
bekrachtigd.
Men ziet dat daarin aan geen der vorsten was opge^ legd, het zweren
van eenen eed van getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement , gelijk
doorgaans van Indische vorsten wordt geëischt. Men had daarin te rcgt
eene rijke bron aan moeijelijkheden gezien, en zelfs gevreesd, dat het
stellen van dien eisch aanleiding zou geven , zoo niet tot het
verwerpen, dan toch tot het lang verschuiven van het teekenen, der
traktaten. De Baliërs in het alge- meen, hechten eene hooge waarde aan
den eed, en gaan er ongaarne en zeldzaam toe over hem te doen. De dewa
agong die nimmer, aan een mensch ter wereld, eenen eed had gedaan, zou
daartoe wel het minst van alle te bewegen zijn geweest; de radja's, die
ons steeds getrouw waren gebleven, zouden er moeijelijk toe hebben
besloten en bovendien in de vordering eenen twijfel aangaande hunne
goede trouw hebben gezien. Mogten sommige vorsten later hun verbond
willen breken, dan zouden zij daarvan door eenen eed van trouw niet
worden teruggehouden, dewijl, hoe heilig de eed bij hen ook wezen moge,
zij altijd in de hoogere waarde en meerdere heiligheid van den eed aan
den dewa agong, voorwendselen in overvloed zouden vinden, om dien aan
ons op den achtergrond te schuiven. De dewa agong kon hen als
opperpriester bo- vendien ten allen tijde van dien eed ontslaan.
Ook eene andere zeer gewone voorwaarde, namelijk, idat de gouverneur
generaal de wettige opvolgers, der vorsten die mogten komen te
overlijden, in hunne nieuwe waardigheden zou bekrachtigen, was
achterwege gebleven. Er bestonden toch in de Balische instellingen maar
al te veel aanleidingen om eene dergelijke bekrachtiging te kunnen
ontduiken, wanneer men vreesde, dat zij niet zou worden verleend. Zoo
regeerde de radja TCasstman reeds sedert 1828 over Badong en dit in
weerwil der regt- matige aanspraken van zijnen neef, den eigenlijken
troons- opvolger. Daar het echter aan den zoon verboden was zijnen vader
op te volgen, eer diens lijk plegtig was verbrand en radja Kassdian
daartoe aan zijn neef be- stendig de middelen onthield, zoo kon deze
zijne aan- spraken niet doen gelden.
Het jaarlijks zenden van voortbrengselen des lands , als eene hulde
aan den gouverneur generaal, dat in den aanvang wenschelijk voorkwam,
was almede niet gevor- derd. Om die hulde te bekomen, zou men verpligt
zijn geweest ook jaarlijks schepen te zenden om haar af te halen, en dit
ware weinig in overeenstemming geweest met het denkbeeld, dat men had
willen verwezenlijken. Bovendien kwam het zeer wenschelijk voor, nu men
een- maal besloten had Bali geheel te ontruimen, ook geene te vermijden
aanleidingen te behouden, om met de vor- £iten van dat rijk in aanraking
te komen.
De bevoegdheid tot het aanleggen van versterkingen op Bali en de
verpligting der vorsten om daartoe de materialen en het werkvolk te
leveren, had men niet willen doen erkennen, dewijl daarvan nimmer sprake
kon ^jn, dan wanneer men zich later op Bali op nieuw wilde vestigen.
Ging men daartoe over, dan zou het zijn ten gevolge van eenen oorlog of
bij minnelijke schikking met ieen der vorsten. Voor het eerste geval
kon, gelijk van zelve spreekt, niets vooraf geregeld worden; in het
tweede geval zou men aUes dienen te betalen, dewijl de vorsten op Bali
niets van dien aard, bij wijze van onvergolden heere- dienst of
verpligte levering, van de landzaten eischen en zij zelf geene middelen
hebben om in de betaling te voorzien.
Ook zou het vaststellen eener zoodanige bepaling zeer ligt
achterdocht hebben kunnen wekken.
Het niet toelaten van Europeanen op hun grondgebied zonder onze
toestemming eindelijk, was op uitdrukkelijke begeerte van Z. H. den
hertog van Saxe Weimab en met het oog op Serawak (Bomeo) bedongen
geworden.
Wij hebben thans nog na te gaan op welke wijze in de regering der
veroverde landen werd voorzien en te vermelden, waarom met Mengoei geen
afzonderlijk tractaat werd gesloten.
De troon van Bleling was door het sneuvelen van den radja Ngoeeah
Made Kabjlng Assam vakant geraakt; hij zelf had geene wettige erfgenamen
nagelaten, maar een zijner neven Bagoes Pandjie was reeds voor lang door
hem tot troonsopvolger bestemd geworden. Had deze zich, na de verovering
van Djagaraga en de on- derwerping der bevolking, aan de Nederlanders
aangeslo* ten, dan zou hij vermoedelijk door den generaal Michiels tot
pengawah van Bleling zijn benoemd geworden, en had hij later tot radja
kunnen in aanmerking komen»^ Hij had echter, naar het uiterlijk, steeds
eene vijandige houding bewaard; er bestonden redenen om aan te ne-^ men,
dat hij meer genegenheid toedroeg aan de voor- malige dan aan de
tegenwoordige orde van zaken, en men vreesde dus voor eene bloedige
reactie in het rijk van Ble- ling, wanneer hij eenmaal de regering zou
hebben aanvaard.
Ook den goesti Made Eai , die door den generaal Michiels tot pengawah
was aangesteld, had men tot radja kunnen verheffen, want hij was de
afstammeling van een oud vorsten geslacht. Dit was echter alles wat ten
zijnen gunste kon worden aangevoerd. Hij was geboren en opgevoed in eene
kleine, in het binnenland gelegen, kampong en was, door den verarmden
toestand zijner maagschap, bestendig buiten aUe deelname aan de rege«^
rings zaken van het land gebleven. Hij was daarenbo- ven zeer bloode,
zonder eenige geestkracht en niet wei- nig verslaafd aan het misbruik
van opium. Hij zoli zich moeijelijk hebben kunnen staande houden in een
land' waar zoo veel partijzucht hecrschte als té Bleling.
Vele waarborgen voor een goede gang van zaken, meende men daarentegen
te bekomen, door tot radja van Bleling te verheffen , den vorst van
Bangli, dewa gedeh
Tangkeban. Deze had den naam van veel geestkracht te bezitten en een
verstandig en regtvaardig regent te zijn , aan welke eigenschappen hij
nog die eener hooge geboorte en van veel persoonlijke dapperheid paarde.
Door staat- kundige verwikkelingen, en mogelijk ook wel door zijnen
trotschen aard en hooge geboorte, was hij met het groot- ste gedeelte
der Balische vorsten in vijandschap geraakt. Klonkong, Karang Assam,
Mengoei, Gianjar en vooral Bleling, hadden hem hardnekkige oorlogen
aangedaan, waardoor hij eerst Payangan en daarna Batoer had ver- loren,
zonder dat hij daarom tot den vrede had kunnen worden gedwongen. Hij
achtte zich van een hooger ge- halte dan al de andere vorsten van Bali,
en het innige bewustzijn dat hij daarvan bij zich omdroeg, gaf de
zekerheid, dat er nimmer eene opregte toenadering zou ontstaan tusschen
hem en de overige radja^s. Meer dan eenig vorst, kon die van Bangli dus
als onzen natuur- lijken bondgenoot worden aangemerkt.
Zijn land was evenwel aan alle zijden door andere rijken omringd.
Hoewel vruchtbaar had het geenen uit- voer, dan met goedvinden zijner
buren, en bij de ge- ringste oneenigheid zag het zich verstoken van een
der eerste levensbehoeften , namelijk van zout , dat nergens dan aan het
strand was te bekomen.
De vereeniging van Bangli met Bleling, was dus niet alleen
wenschelijk uit een staatkundig gezigtspunt, maar ook uit dat van het
huishoudelijk belang der beide be- volkingen. Immers wanneer Bangli
daardoor de vrije gemeenschap met de zee verkreeg, dan werd Bleling
daarentegen ook verlost van eene plaag , die Pangli zoo dikwerf het
verkoos over dat land kon brengen. Bangli toch was weder in het bezit
geraakt van het landschap
Batoer en daardoor meester van al het water dat Bleling voor den
rijstbouw behoeft. Het hing derhalve van Bangli af, of voortaan de
rijstbouw in Bleling al dan niet zou gelukken.
Toen Z. H. hertog Bernhabd van Saxe Weimar zijne goedkeuring had
gehecht aan de vereeniging der beide bedoelde rijken, werd bij dewa
gedeh Tangkedan vernomen, of hij genegen was de regering van het rijk
van Bleling te aanvaarden en overeenkomstig de aldaar bestaande wetten
en gebruiken uit te oefenen. Dit had plaats in de bijeenkomst, waarvan
aan het slot van het vorige hoofdstuk melding is gemaakt. Als voorwaarde
werd hem bovendien gesteld, dat hij moest afzien van alle aanspraken op
het landschap Payangan; dit toch was nog steeds in het bezit gebleven
van Klonkong en men wilde geene nieuwe verwikkelingen doen rijzen.
Na over dezen afstand eenigen tijd geaarzeld te hebben, trad hij toe;
hij betuigde ,de regering van Bleling, onder de gestelde voorwaarden, te
willen op zich nemen, en verzekerde dat hij zich sterk genoeg achtte, om
de tegen- werkingen te beteugelen , die hem welligt te wachten stonden.
Hij beloofde den pengawah goesti Made Eai tot rijksbestuurder te
benoemen van Bleling, en hem te zullen beschenken met de landen die aan
goQsti Djilan- TiEK, tot diens onderhoud, waren toegekend geweest.
Op den 25 Junij werd hij door den luitenant kolonel VAN SwiETEN, in
eene plegtige vergadering, als vorst van Bleling erkend, en hem daarna
eene door Z. H den hertog VAN Saxe Weimar geteekende akte uitgereikt. De
vorst van Bangli onderteekende het nieuwe traktaat , en de aanwezige
rijksgrooten werden aangemaand tot trouw en gehoorzaamheid aan hunnen
nieuwen beheerscher.
De luitenant kolonel van Swietbn had nog eene poging aangewend^ om
hem tot eenen eed van getrouwheid aan het Nederlandsch gouvernement over
te halen. Deze poging was echter volkomen mislukt; met den meesten
eerbied, maar tevens met groote standvastigheid was hij blijven
verzoeken, dat men zich met eene belofte van trouw mogt tevreden
stellen. De houding, in deze om- standigheid, van eenen vorst, die zoo
veel verpligting en zoo veel redenen tot getrouwheid aan het
Nederlandsch gouvernement had, gepaard aan de inlichtingen, die men bij
deze gelegenheid verwierf over de zienswijze der Ba- liërs en vooral van
hunne vorsten aangaande den eed, was een der voornaamste oorzaken, die
er van deden a£den, hem van andere te eischen.
Soortgelijke overwegingen als aanleiding hadden gegeven om dewa gedeh
Tangkeban te verheffen op den troon van Bleling, hadden ook ten gevolge,
dat het rijk van Ka- rang Assam gebragt werd onder het bestuur van den
vorst van Mataram op Lombok.
De vorst van Earang Assam, Gedeh Ngoerah Eabang AssAM, had in den
strijd het leven verloren, maar vooraf met eigen hand zijne vrouwen en
kinderen ter dood ge- bragt.
Er bestonden dus geene regtstreeksche erfgenamen meer van den troon.
In Xarang Assam leefde nogthans zekere prins Ida Batos Moeda, een
zoon van den in 1838 onwettig ver- dreven vorst van Karang Assam Ida
Eatoe, die nu der- halve onmiskenbare aanspraken kon doen gelden. Maar
even als Baooes Pandjie, had de jonge Ida Eatoe Moeda iedere gelegenheid
om zich aan ons aan te sluiten ver- zuimd, en wat meer is, zelfs de
aanbiedingen onbeantwoord gelaten, die hem van wege den generaal
Michibls gedaan waren, en die er toe hadden kunnen leiden, hem in zijn
voorvaderlijk erfdeel te herstellen. Eerst toen het vol- doende was
gebleken dat op de medewerking van dezen jongen vorst niet kon worden
gerekend, had de generaal MiCHiELS het besluit genomen, de hulp te
aanvaarden, die hem door den vorst van Mataram op Lombok was aangeboden.
Uit het verhaal der krijgsverrigtingen hebben wij gezien, dat deze hulp
belangrqk had bijgedragen om de Balische zaken spoedig tot een voor ond
gewenscht einde te brengen.
De hem gedane belofte dat hij in ieder geval, door uit- breiding van
grondgebied , zou beloond worden voor de diensten, die hij ons zou
bewijzen, moest nu van zelf tot: het denkbeeld leiden, hem te begiftigen
met geheel Ka- rang Assam, op een gedeelte waarvan hij bovendien aan^
spraak maakte.
De vorst van Mataram was overigens in die oorden de oudste bondgenoot
der Nederlanders, en stond bekend als een man, die aan groote
geestkracht al de hoedanigheden van een goed regent paaide. Hij stond
sedert lang niet meer in vriendschappeUjke betrekking tot den dewa
agong, wiens beweerd gezag als oppergebieder van Lombok, hij ïdet wilde
erkennen.
Door het bestuur van Karaiig Assam aan dézen vorst op te dragen, werd
ook dit rijk onttrokken aan den in- vloed van den dewa agong, even als
Bleling daarvan werd los gerukt door het onder de regering te brengen
van dewa gedeh Tangkeban.
Een natuurlijk gevolg van dit een en ander was, dat de invloed der
Nederlanders op Bali moest toenemen, naar- mate die van van den dewa
agong verminderde. Immers, men kreeg nu aan de eene zijde de
landschappen Djem- brana^ Bleling^ Bangli^ Karang Assam^ Badong en Ta-
banan onder vorsten , die alle oude bondgenooten der Ne- derlanders
waren of aan hen door weldaden waren verbon- den, en die hetzij
openlijke, hetzij heimelijke tegenstan- ders waren van het gezag des
dewa agongs, terwijl dit gezag aan de andere zijde nog slechts werd
gehuldigd door Klonkong, Gianjar en Mengoei.
Toen de hertog van Saxb Weimae zijne goedkeuring had gehecht aan het
denkbeeld van den luitenant ko- lonel VAN SwiETEN, otu dcu radja van
Mataram op den troon van Karang Assam te plaatsen , werd hem dan ook
eene door Z. H. geteekende akte van investitnre, namens het Nederlandsch
Indisch gouvernement, uitgereikt.
Wij moeten hier nogmaals met een enkel woord mel- ding maken van het
groot verlies van invloed, dat de dewa agong door de jongste
gebeurtenissen had geleden. Hij werd gewis bij iedere gelegenheid nog
met eenen grooten, ja kinderlijken eerbied bejegend, maar inderdaad was
zijn aanzien gefnuikt. Veel had daartoe vermoedelijk bijgedragen, dat de
onzen niet naar IQonkong waren voortgerukt. Hadden zij daartoe moeten
overgaan dan zou de dewa agong, in de oogen der Baliërs, een rampspoe-
dig vorst zijn geweest, die alle deernis verdiende en bij hen welligt
eene fanatieke vereering had verworven. Thans evenwel was hij een
overwonnen , maar ge- spaard vorst, die zich verpligt had gezien het
Balische Kapok uit te spreken, hetgeen gelijk staat met: // Ik heb
schuld, maar vergeef mij , want ik zal nimmer weder zondigen/'
De vorst van Djembrana werd te Banjoewangie , wer- waarts de
luitenant kolonel van Swieten zich voor dienst aangelegenheden had
moeten begeven, onder den naam van ratoe goesti Poetoe Ngoeeah
Djembrana, be- vestigd. Hij teekende het traktaat en bekwam insgelijks
eene akte van aanstelling, die door den hertog van Saxe Weimab, namens
het Nederlandsch Indisch gouver- nement , voor hen was afgegeven.
Nadat de zaken van Karang Assam, Bleling en Djem- brana geregeld
waren, begaf de luitenant kolonel van Swieten zich naar Bali Badong,
waar hij den 2 Julij aankwam. Na een bezoek aan den radja Ngoebah
KASsiifAN en de overige prinsen van Bali Badong ge- bragt te hebben,
werd met eerstgenoemden geraadpleegd over de mogelijkheid, om de vorsten
van zuidelijk Bali, te Bali Badong en wel op de hoofdplaats Kotta en in
de woning van den Nederlandschen agent den heer Lange, te vereenigen,
ten einde hen bekend te maken met de voorwaarden van vrede, door het
Nederlandsch Indisch gouvernement gesteld en hen te hooien over de
belangen van Bali. Het gevolg hiervan was, dat de bedoelde vor- sten
verzocht werden, zich, op den 8, ter aangewezen plaatse te bevinden.
Aan den dewa agong Gedeh Poetba, die een man van hooge jaren was en
ernstig ziek lag, werd verzocht zijnen zoon en opvolger dewa agong Gedeh
te zenden met het rijks zegel, als een bewijs, dat hij volmagt had
namens zijnen vader te handelen. De overige vorsten werden uitgenoodigd
in persoon en verzeld van hmme rijksgroo- ten te verschijnen.
Het antwoord was allezins voldoende, allen namen de uitnoodiging aan
en zeKs de weleer zoo trotsche dewa agong, beloofde zijnen zoon te
zullen zenden. Daar de meesten echter op zeer goede gronden hadden
voorgesteld de bijeenkomst eerst op den 14 te doen plaats hebben ^ werd
Herin bewilligd.
Daar niet alle vorsten op den 14 tegenwoordig waren, zoo moest de
zamenkomst nog tot den volgenden dag worden verdaagd. Niettemin werd op
den 14, met de aanwezigen, eene voorloopige vergadering gebonden, ten
einde de artikelen van het traktaat te bespreken. De wijze waarop bij
die gelegenheid aangaande twee punten nadere toelichtingen werden
gevraagd, getuigde van den wensch der gezamenlijke vorsten om alles voqr
te komen, wat in de toekoxnst aanleiding tot botsing zou kunnen geven.
Het eerste had betrekking tot het strandregt. Het gebeurde volgens de
verzekering der vorsten dikwerf, dat schepen of praauwen, die op het
strand dreven, door hunne bemanningen werden verlaten en dat de
gezagheb- bers daarna, aan de gestelde magten op Java, ong^onde klagten
deden over geledene verliezen, waarvoor de vor- sten alsdan werden
aangesproken. Zij wenschten, dat aan^ de gezaghebbers en schepelingen
werd bekend gemaakt^ dat zij, ingeval van schipbrenk, veizekerd konden
rijn van de bescherming der Balische vorsten, maar dat zij alsdan ook
gehouden waren het gestrandde vaartuig, teif beveiliging der lading,
niet te verkten.
De luitenant kolonel gaf hen de verzekering, dat ilt dien geest eene
publikatie zou worden uitgevaardigd en; hij onthief hen van alle
verantwoordelijkheid voor het lot van vaartuigen, die ontijdig mogten
zijn verlaten.
De tweede bedenking werd alleen door den radja van Tabanan geopperd.
Zij betrof den slavenhandel. Hij vroeg of het houden van slaven of het
maken van slaven binnen de grenzen van het rijk van heden af verboden
was. De luitenant kolonel van Swieten gaf hierop ten antwoord, dat het
traktaat geene verandering bragt in de wetten van Bali, maar dat de
uitvoer van slaven of het verkoopen van slaven, met het doel ze uit te
voeren, niet meer mogt plaats hebben. De radja maakte daarop de
aanmerking, dat ligtelijk door Tabanansche hoofden slaven konden zijn
verkocht, die buiten zijn en hun weten naderhand werden uitgevoerd, en
hij verzocht te mogen weten in hoever hij persoonlijk daarvoor
verantwoordelijk zou worden gehouden. Daar de luitenant kolonel van
SwiETBN aan de wijze, waarop deze vraag geuit werd, ten duidelijkste
ontwaarde, dat hier slechts het verlangen bestond, om in de toekomst het
ongenoegen van het Nederlandsch Gouvernement te vermijden, geenszios
dat, om voorwendselen te berde te brengen tot het ontduiken van het
traktaat, en daar hij bovendien door den heer Lange vernam, dat de
uitvoer van slaven met Boeginesche praauwen menigvuldiger plaats had,
dan men wel ver- moedde , vorderde hij alleen, dat dien uitvoer openlijk
zou worden verboden. Hij beloofde verder dat, wanneer daarna
slavenhandelaars mogten worden aangehouden, deze en niet de radja
deswegens zouden worden aangesproken.
Op den 15 Julij had vervolgens de belegde vergade- ring plaats. Daar
waren tegenwoordig de zoon en opvol- ger van den dewa agong Gedeh Poetka
van Klonkong; ^e radja Nooebah Kasstman van Badong; de radja ratoe
Ngoebah Agong van Tabanan; de radja Dewa Pahan van Gianjar, benevens
Anak Agong Ketoet Agong radja van Mengoei. Zij hadden gezamenlijk een
gevolg mede- gebragt, dat op 20,000 man geschat en geheel op kosten van
den vorst van Badong, of eigenlijk van den heer Lange, gehuisvest en
gevoed werd.
Het zamenkomen dezer vorsten om, ten aanzien van duizenden hunner
onderdanen, een verbond van vrede en vriendschap te sluiten, met eenen
Nederlandschen ge- magtigde, was het meest overtuigende bewijs van den
grooten invloed, die wij ten gevolge der jongste gebeur- tenissen op
Bali hadden verkregen. Zelfs met de stoutste verwachtingen, had men
moeijelijk op eenen beteren uit- slag der krijgsverrigtingen kunnen
rekenen.
Het traktaat werd door al de vorsten zonder bezwaar aangenomen en
geteekend. Aan dien van Mengoei was geen zoodanig stuk voorgelegd
geworden, dewijl liij, naar het oordeel der overige, niet geregtigd was
voor zijn rijk een afzonderlijk traktaat aan te gaan. Zij verzekerden
dat Mengoei slechts een leen of gelijk zij zich uitdrukten, slechts een
koelie van IQonkong was. Klonkong is niet uitgestrekt genoeg, om in al
de behoeften des rijks en der rijksgrooten te voorzien, en Mengoei is
verpligt aan Klonkong al de diensten te bewijzen, die een vassal,
volgens de Balische instellingen, aan zijn leenlieer is ver- schuldigd.
De vorst van Klonkong had zich echter, ge- lijk reeds gemeld is,
verantwoordelijk gesteld voor de op- volging van het traktaat door
Mengoei, en de bezitter van dit leen had, als rijksgroote van Klonkong,
de trak- taten met dit rijk gesloten, mede onderteekend.
De te Kotta vereenigde Balische vorsten waren uiterst wellevend en
voorkomend jegens den Nederlandschen kom- missaris; zij herhaalden
meermalen den wensch voortaan met het Gouvernement in vriendschap te
blijven leven. Eenige hunner, zoo als de vorsten van Badang , Tabanan en
Gianjar, verzochten vergunning om na de ratificatie der traktaten een
gezantschap naar Batavia te mogen zenden, ten einde den gouverneur
generaal geschenken van voort- brengselen hunner landen aan te bieden.
Alle zonder onderscheid, zelfs de dewa agong, noodigden den luite- nant
kolonel van Swietbn uit, hun land te komen be- zoeken. De vorst van
Gianjar, die geen stempel bezat tot het zegelen zijner geschriften,
verzocht, dat er te Batavia een voor hem gemaakt mogt worden, waarop
zijn naam in Nederlandsche karakters voor kwam. De vorst van Tabanan
verzocht eveneens een stempel met Nederlandsche karakters te mogen
ontvangen.
De radja Kassiman deed een belangrijk verzoek; hij wenschte namelijk
twee metalen kanons ten geschenke te bekomen. Daar hij in dezen oorlog
inderdaad gewig- tige diensten had bewezen, en hij door de aanwezigheid
van den heer Lange in zijne staten, meer dan andere vorsten van Bali,
met de voordeden bekend was, die uit geregelde betrekkingen met
Europeanen voortvloeijen, zoodat hij alle reden had onze getrouwe
bondgenoot te blijven, werd later door den gouverneur generaal aan zijn
verzoek voldaan.
De bijeenkomst werd door den luitenant kolonel van SwiETEN gesloten
met eene aanspraak aan de gezamenlijke vorsten, die in de Balische taal
vertolkt en door hen in de beste gezindheid werd aangehoord.
Zoo was dan de taak der onzen op het eiland Bali geheel volbragt.
Onmiskenbaar waar mag het genoemd worden, dat de moed , de
inspanningen en de volharding in het door- staan van vermoeijenissen en
ontberingen van allerlei aard, die door onze krijgslieden waren betoond,
zoowel als het beleid en de geestkracht hunner aanvoerders, met de
schoonste uitkomsten waren beloond geworden.
Zware offers evenwel had het gekost, om den eerbied voor het
Nederlandsche gezag en den luister van onzen wapenroem op Bali te
herstellen, en daar de regten van zedelijkheid en beschaving te
handhaven. Behalve het uitstekend legerhoofd, onder wiens leiding de
veldtogt was geopend en voor een groot gedeelte volbragt, had — gelijk
ter zijner plaatse is vermeld — nog een tal van andere wakkere
krijgslieden, hetzij hun leven, hetzij hun bloed moeten prijs geven, om
in deze ver verwijderde oorden de belangen van het dierbaar vaderland te
dienen. En niet alleen 's vijands lood en staal, maar vooral het moor-
dend klimaat der kusten van Bali, had op eene vreesselijké wijze in de
gelederen der onzen gewoed. Eene vermel- ding der verliezen , die
gedurende de expeditie zelf zijn geleden, zou slechts een flaauw
denkbeeld vermogen iê geven van het getal menschenlevens , dat deze
krijgstogt inderdaad aan Nederland heeft gekost. Een menigte van wakkere
soldaten en officieren bleef in zijne garnizoenen, nog gedurende maanden,
lijden aan de schadelijke uit- werkselen van het Balische luchtgestel en
van de doorge- stane ellende, om eindelijk geheel uitgeput in het graf
te zinken. De namen der meesten hunner, zullen onbe- kend blijven aan
tijdgenoot en nageslacht. Doch kuimen wij hen in het bijzonder niet de
eer geven die hun toe- komt, dan mogen wij te minder verzuimen eena
welver- diende hulde te brengen aan het geheel, waartoe zij be- hoorden.
Het Indische leger heeft zich op Bali in 1849, onder de leiding van
hertog Bernhasd van Saxe "Weimab; van MICHIELS en van van Swietbn, op
nieuw in hooge mate verdienstelijk gemaakt en het heeft getoond ten
volle het vertrouwen waardig te zijn, dat daarop door ko* ning en
vaderland bestendig wordt gesteld.
De wakkere zeemagt, die aan de expeditie was toege- voegd, heeft
geene mindere aanspraken verworven op de erkentelijkheid van Nederland;
niet alleen is zij hoogst nuttig geweest door het vlug en vaardig
overvoeren, ont- en weder inschepen van troepen en krijgsbehoeften , en
heeft zij daardoor de kracht der expeditie aanmerkelijk vergroot, maar
zij heeft ook, op eene roemvolle wijze, gedeeld in de gevaren en
vermoeijenissen van den oorlog te land.
Den gouverneur generaal J. J. Rochussen, die dezen krijgstogt gebood
en met milde hand de middelen ver- schafte, die de bevelhebbers noodig
oordeelden om hem met klem door te zetten en te voleindigen, komt zonder
tegenspraak een groot deel van den roem toe, die door de Nederlanders in
1849 op Bali werd verworven. Hij had de zelfvoldoening, tot loon zijner
doortastende hande- lingen, onzen invloed bij de onafhankelijke vorsten
van den Indischen archipel aanmerkelijk uitgebreid te zien.
Wij mogen ten slotte veilig zeggen, dat allen, aan wie het handhaven
onzer regten in Indië destijds was opge- dragen, zich loffelijk hebben
gekweten. Moge het door hen verrigtte bij het Nederlandsche volk in
dankbare her- innering blijven!
EINDE. |