|
Previous |
|
Bali 's Historie van de 6
de eeuw tot 1949 |
|
1906 Augusta de Wit-Reizen
door Bali |
|
Singaradja |
|
De boot die van Soerabaja uit de buurt ingaat der kleine Soenda-Eilanden
komt in den ochtend voor Boeleleng aan. Met het aanlichten van den dag
al is de Balische kust in zicht gekomen. Twee doorschijnend blauwe
toppen rijzen, zachtaan, omhoog aan de Oosterkim, spits de eene, de
andere als een lange golf geleidelijk op zich heffende. Zij groeien de
breedte en de diepte in, tot een groep van schoone bergen, tot een lange
keten dan, donker langs de hellingen van woud. Langs den voet in wijde
slingers van kaap en inham, loopt naar het Zuiden toe een zacht-glooiend
strand weg; breedten flonker-blauwe zee, waar fel in de al klaarder
schijnende zon witte zeilen blinken, liggen tusschen bosch en verren
bergwand. In de diepte van een wijd-uitgebogen baai kleuren stippels
helder rood; dat zijn de daken van Boeleleng. Zoo haast ligt het schip
niet stil, of in een zwerm van bootjes, kano’s, prauwen, komt, met den
oogst van het land het volk er aangevaren; het is of het eiland zelf het
aangestevende schip tegemoet komt. De schuitjes liggen opgehoopt met
vruchten, allerlei daaronder dat nieuw is in vorm en kleur. Op breede
prauwen, bij dertig en veertig tegelijk, komt goudgeel vee aangedreven,
zoo sierlijk van bouw, dat de groep denken doet aan een in ’t nauw
gedreven en samenschuilende kudde herten. En de mannen, die uit de
dobberende vaartuigjes in de doorzichtig blauwe slagschaduw onder het
schip naar het dek komen opklimmen, zijn rank en krachtig tegelijk van
lijf, en hebben lichte gezichten, waarin de oogen lachend staan.
Boeleleng, dat met zijn uiterste huizen tot vlak aan het water reikt, is
een drukke handelsplaats. Altijd liggen aan weerszij van de pier schepen
en schuiten; de booten van de Paketvaart, Chineesche zeilers,
Makassaarsche prauwen, die als een oud-Hollandsch galjoen van voor naar
achter steil oploopen, prachtig als met opgespreide wieken zwemmende
zwanen op het water; bij twintig tegelijk dobberen geankerd de
Inlanderbootjes langs het strand, de zeilen tusschen schuins hangende
kokospalmen. Naast den vervallenden dooden-tempel, vlak aan het water,
waarvan de schoone, rijk gebeeldhouwde poorten nog staan, ligt een groot
pakhuis, onder het afdak waarvan troepen vrouwen koffie verlezen.
Verderop zijn houtstapelplaatsen en schuren waar bergen huiden liggen
opgestapeld. En de lange winkelstraat is vol van allerlei Chineesch en
Britsch-Indisch goed. Als overal in aan zee gelegen handelsplaatsen
heeft ook hier het drukke verkeer het lands-eigene weggesleten. In die
lange, nauwe straat, waar de winkeltjes tegen elkander aangedrongen
staan, is niets te zien dat niet in een Soerabajasche of Semarangsche
winkelbuurt van het mindere slag ook gevonden kan worden. Het is er
Oostersch-internationaal. In de schaduwige diepte van de openstaande
koophuizen komen, donker tegen een achtergrond van bonte sarongs en
stukken sits, haviksprofielen van magere Arabieren te zien en
paffig-witte vollemaansgezichten van Britsch-Indiërs wien een met goud
geborduurd kapje schuin op het haar staat. Armeniërs, zwart gebaard, met
tapir-gezichten, een en al neus en vooruitstekende bovenlip, wandelen
gewichtig, zelf-bewust als mannen van geld. Overal zijn Chineezen, en
Chineezen van alle slag, gezeten handelsmannen, marskramers, die hun
staart in een vettigen krans om het hoofd gebonden hebben, koelies. Zij
bewonen een geheele buurt, rechthoekig op de zeestraat aangebouwd. Het
is goed te zien hoe overwegend hun aandeel in het handelsleven van het
eiland al sedert oudsher is: de pasmunt is Chineesch. De bronzen duiten,
met een gat in het midden voor het aanrijgen, hangen den marktgangers
aan snoeren over den schouder.
Voor de prachtig getooide poort van den dorpstempel houden, de knots
op de knie, boloogde reuzen de wacht.
Van Boeleleng naar Singaradja, de hoofdplaats van Bali, loopt een lange,
breede, rechte weg, sedert kort pas aangelegd, met jonge
tamarindeboompjes aan weerszij, gemetselde kanalen voor het afvloeiende
sawah-water en een leiding, die uit de bronnen van het gebergte—hoog en
blauw in het verschiet—het zuivere drinkwater de vlakte in brengt. Ten
halve maar verborgen achter die westersche regelmatigheid en orde begint
hier het echte Bali, het Bali van de Baliërs. Een muur langs de
heuvelhooge bermen van den weg beneemt het gezicht op de Inlander-huizen;
maar de daken, dicht opeen, zonder ergens een groenen boom ertusschen,
de gevels van grauwen steen of klei, een rijstschuurtje, door als pauwen
gevleugelde leeuwenbeelden bewaakt, een godenhuisje, versierd en
bebloemd, komen hier en ginder er boven uit. De pasar ligt op een
viersprong, en daarnaast, tusschen geboomte, het aan vier zijden open
feest-gebouw, door een vervaarlijk gevlerkt, geklauwd en geslagtand
monster boven den hoofdingang bewaakt; wat verderop de ommuurde
badplaats der aanzienlijken; en daar, waar de weg begint te klimmen naar
de heuvel-gehuchten, de dorpstempel met zijn prachtig getooide poorten,
Wat mooi slag van menschen! Groot, rank, rechtop. Het mooist zijn de
vrouwen. Zij dragen zware lasten—zoo zwaar, dat zij zonder hulp die niet
op kunnen tillen—op het hoofd, en de voortdurende spanning heeft de
spieren van hals, borst en rug tot volkomen schoonheid ontwikkeld. Een
arm opgerekt naar den in evenwicht zwevenden last, met de andere hand
een tip van de donkere boven-sarong sierlijk optillend, waaronder een
bont onderkleed te voorschijn komt, het tot den gordel naakte bovenlijf
omfladderd van een dunne, kleurige slendang, purper, oranjegeel,
fel-groen, viool-paars, gaan zij daarheen met wiegende passen, een
weinig draaiend. Het is een lust hen aan te zien komen, een lust hen na
te zien. Hun haar zit in een dikke wrong schuins tegen den linkerkant
van het hoofd geschikt. Allen hebben zij er bloemen in gestoken,
tjempaka’s meest, of roode en witte oleanders. Zij zien er uit,
niettegenstaande dien zwaren last op hun hoofd, of zij naar een feest
gaan.
De mannen zijn over het algemeen groot van stuk, met forsche ledematen.
Zij bewegen zich met een zelfbewuste waardigheid. Van de Hollanders, die
zij groeten, ontvangen zij een wedergroet. Zelfs armelijk-gekleeden, ja
zelfs koelies, hebben hun sarong op een doordacht-sierlijke wijze
geschikt, met een van voren tot op den grond afhangende slip, die, men
begrijpt niet recht hoe, wegwuift voor elke schrede die zij neerzetten.
Het kastenstelsel heerscht op Bali, sedert, haast vijfhonderd jaar
geleden, de Javaansche Hindoes, in volksverhuizing vluchtend voor den
Islam, het hier invoerden. Maar van de scherpe afscheiding die de echte
Hindoe-zede eischt, is, uiterlijk, zoo min iets aan hen te bemerken als
van Javaansche gedweeheid en gedempte vormelijkheid. Wel moet het een
krachtig ras zijn geweest, dat oorspronkelijke Baliërvolk, dat trekken
van zijn wezen zich hebben kunnen handhaven tot in een zoo ver
nageslacht toe, tegen zooveel en zoo sterke vreemde invloeden in.
Of de hedendaagsche Baliërs daarvan iets gevoelen? Men moet aannemen van
niet. Want zij plachten vanouds op de Baliërs van het binnenland, de
Bali-aga, die zich met de Javanen niet hadden vermengd en hun
oud-Heidensche gebruiken in eere hielden, met minachting neer te zien
als op “boschmenschen.” En met trots noemen zij zichzelven
Javanen-afstammelingen, “lieden van Madjapahit.” Maar de herinnering
heeft wel veiliger en dieper schuilhoeken dan in het brein. En een
herinnering die niet in de hersens zit maar in het bloed, onbewust en
onverdringbaar, zulk een herinnering aan die verre voorouders, die “boschmenschen,”
zou datgene wel eens kunnen wezen wat den Baliër van vandaag juist als
Baliër kenmerkt: zijn waardigheid, zijn vrijheidszin, zijn levenslust.
1 De drie kasten zijn in afdalende rij, die der Brahmanen, die der
Ksatrya, die der Wessya. De leden der Triwangda hebben nog enkele
historische voorrechten op de gemeenen, de Kaoela. De Ksatrya zijn zoo
goed als verdwenen en de Wessya nemen hun plaats in.
In den zuidwestelijken hoek van den wegen-viersprong bij Singaradja ligt
een wijk gevoegd, waarbinnen alles bijeen is wat tot de samenstelling
behoort van een Balische stad: een buurt geringe huisjes, een badplaats,
de markt, de feest-loods, eenige huizen van aanzienlijke leden der drie
kasten, en de dorps-tempel. De aanleiding tot mijn eerste bezoek daar,—het
gold de geringe buurt,—was een eenigszins griezelige. Er was gesproken
in de pasanggrahan, over de wijzen waarop de Baliërs handelen met hun
dooden. De Hindoe-wet beveelt lijkverbranding. Maar de ceremonie is
kostbaar: van twee tot drieduizend gulden is er mee gemoeid. Hoe doen de
armen? De allerarmsten, was het antwoord, begraven hun dooden tot tijd
en wijle een lijkverbranding plaats heeft. Hun wordt dan door den rijke
verlof gegeven tot mededoen, en de opgegraven overblijfselen, of als die
in stof zijn verdwenen, een den doode verbeeldende figuur van lontarblad,
wordt meegedragen in den stoet en bij het feest der verbranding. Die
echter eenigermate bemiddeld zijn, houden het stoffelijk overschot van
die hun lief zijn geweest, in hun woning. De echt-Balische manier is,
door een bijzondere behandeling het lijk te doen krimpen en drogen, tot
het hard is als hout; in windsels stijf gewikkeld blijft het dan, in een
afzonderlijk opgericht huisje, op het familie-erf, den dag der
verbranding afwachten. Onder Westerlingen-invloed heeft zich dit gebruik
veranderd in het kisten van het lijk, nadat het met bepaalde,
eenigermate bederfwerende middelen is behandeld; ook de kist blijft op
het familie-erf, en zelfs vlak bij de woning. Het verhaal leek mij
ongelooflijk; ik volgde den Baliër, die het mij had gedaan, naar een
huis in de volksbuurt, waar hij me zeide, dat ik met eigen oogen mij kon
overtuigen van de nauwkeurigheid zijner mededeelingen.
De weg er heen, vol hobbels en kuilen, ging langs lage muurtjes, waar
hier en daar bloeiend en vruchtdragend geboomte overheen hing: een
vonkel-bloemige granaatappel, een citroen-boom vol wit en goud, een
purperen djamboe. Hij stiet een houten poort open, die langs posten en
bovendorpel versierd was met prachtig snijwerk, lotusbloemen
voorstellend en een geweldigen Vogel Grijp, en bracht mij binnen in een
ruimte, waar alles één kleur leek—de kleur van den grond-zelf. Een
twintig huizen van grauwen, met grauwe klei bepleisterden, baksteen
stonden hier bijeen in groepen, die door lage leemen muren gescheiden
waren. Er lagen daken op van droog riet, droog gebladerte, drogen vezel,
bruin, grijs, zwart. Een geheele kudde varkens, slijk-zwarte ruige
borstelbeesten met een stijf-opstaande maan, van kop tot staart den
geheelen rug langs, en vervaarlijke slagtanden snuit, was aan het
wroeten in allerlei onnoemelijke vuilnis. Uit alle hoeken kwamen honden
aangeschoten, scharminkelig mager en afzichtelijk van schurft, die met
den staart tusschen de beenen en opgestrekten kop losbarstten in een
tegelijk woedend en bang, scherp-huilend geblaf. Op dat teeken van
onraad kwamen menschen te voorschijn; omringd door een troep spiernaakte
kinders, mannen en vrouwen in gore kleedij. Zij brachten ons,
dienstvaardig, waar wij wezen moesten, bij het gezin dat eenige weken
geleden een der grootouders had verloren. En daar zag ik werkelijk,
onder een soort troonhemel, bedekt met bonte kleeden en omgeven met
schalen vol offeranden van vruchten en bloemen en allerlei symbolisch
sieraad, de lijkkist. In de kleine loods, vlak tegen het woonhuis aan,
waar zij te praal stond, waren de kinders aan het spelen;
muziekinstrumenten stonden in een hoek. Naar de woning, waar het
weefraam der bedrijvige huisvrouw te zien kwam, stond de deur wijd
open.—Het angstige ontzag voor den dood is iets Westersch-Christelijks:
dat wordt iemand op een ietwat verbijsterende wijze in het bewustzijn
teruggeroepen door zulk een tooneel.
Het geheele gezin—een knap paar de vader en moeder, en de kinders, het
een al mooier dan het ander—was ons tot gidsen op een wandeling door de
buurt. Overal was het hetzelfde: vuiligheid. Overal wroetende varkens,
schurftige honden, afval, modder, lompen, stank. Naar de handbreede
scheuren in de leemen huismuren zag men onwillekeurig, met het idee, dat
dáar straks nog meer vuiligheid uit zou komen, doorlekkend van binnen
uit. Maar het was duidelijk dat het niemand hinderde. De klaaroogde
kinderen, die tusschen varkens en honden als tusschen prettige
speelkameraden over den grond rolden, kraaiden het uit van pleizier. Een
jonge vrouw, aan den arbeid voor den maaltijd van het gezin, zat op den
huisdrempel groenten tot moes te wrijven, vlak naast een reusachtig
zwijn, dat zijn rug schuurde tegen den deurpost. Languit op een mat lag
een man, pas terug van de sawah, waar hij met zijn buffels den geheelen
werkmorgen,—van zes tot elf,had geploegd, siësta te houden. Wat rondom
stonk was erger dan een mestvaalt; maar hij, de armen onder het hoofd,
lag daar in schaduw en niets-doen, te neuriën van onuitsprekelijke
tevredenheid. En, eigenlijk
De koele rustplaats van den zanger was de vloer, die tusschen de palen
van een héél hoog gebouwde rijstschuur als een soort van luchtige, naar
alle zijden opene, tweede verdieping maakte, waar een weefraam de gewone
plaats aanwees der vrouwen van het gezin, en, tusschen een sirihdoos en
allerlei keukengerei, een vechthaan in zijn korf stond. De vloer van de
rijst-bewaarplaats hield dit alles in de schaduw. Naar boven kijkende,
zag ik daar iets bonts. Het waren aan weerszijden, naast de hoekpijlers
der schuur, alleraardigste godenbeeldjes, opgesierd als dansers, en in
een houding of zij juist wilden beginnen. Wat een vroolijkheid moet er
in het hart van den beeldsnijder geweest zijn, toen hij zoo luchtig hun
gevouwen kleeren schikte, en hun al dien mooien opschik aan hals en
polsen gaf, en dien lach op het gezicht! Zijn naam, waarnaar ik vroeg,
wist het echtpaar niet. “Ieder werkman hier kan zoo iets maken.”—Gelukkig
Bali!
Voor afscheid brachten mijn geleiders mij naar de Godenhuisjes: enkel
vierkante pilaren, met een nis er in, bij wijze van verblijf voor den
god. In éen lag een tak blankbloemige tjempaka, tusschen witte en gelige
lelies. Zeker was het de akkerman, die uit een bloeiend boschje buiten
den ruiker had geplukt; en zijn huisgod aangeboden, met een gemurmeld:
“Ik vraag zegen!”
Een dag of wat later kwam ik terug in de stadswijk om een bezoek te
brengen aan een aanzienlijk en zeer rijk man, een lid van de laagste der
drie heerschende kasten, die der Wessya’s, en als zoodanig den titel van
Goesti voerend, die een beroemde collectie van Balische kunstvoorwerpen
bezit, houtsnijwerk, gouden en zilveren vaatwerk, antieke wapens en
zijden stoffen.
Hij kwam mij tegemoet, gekleed als voor een feestelijken gang naar den
tempel, in een purperen, met goud doorweven opperkleed, dat, van onder
de armen in een plooienrijke slip afhangend, sleepte voor zijn voeten.
Zijn handen, waarvan de linker nagels had van vier of vijf centimeter
lang—kenmerk van den aanzienlijke die geen handenwerk verricht—fonkelden
van de ringen. En hij had een kris in den gordel die in een gouden
scheede stak, en waarvan de greep, een gouden godenbeeldje, kwistig
versierd was met robijnen. Zijn zoon was maar weinig minder kostbaar
gekleed. Met een trots dien zij verborgen achter glimlachende
hoffelijkheid, toonden zij mij inderdaad vorstelijke schatten.
Ingemetseld in den muur der voorgalerij (het huis is naar Europeeschen
trant gebouwd) een beeldhouwwerk in djatihout, dat den strijd voorstelt
van twee fabelachtige wezens, een draak en een gevleugelden leeuw, te
midden van de opstrevende en in slingers afhangende takken van een
fantastisch gewas. Daarna wapens, sedert onheuglijke tijden al erfelijk
in hun geslacht, krissen, breede klewangs, lansen en speren, waarvan het
kostbare versieringsmateriaal, ivoor, zilver, goud, edelgesteente, zoo
kostelijk niet was als de fantasie die er de zonderlingste en schoonste
voorstellingen in had uitgedrukt. Allerlei tempelgereedschap ook:
schalen voor bloemen- en vruchtofferanden, bekers voor gewijd water,
gouden horentjes, waarin de biddende de bloem steekt die hij tusschen
saamgelegde vingerspitsen opheft naar de nis van het godenhuisje. Ten
laatste zijden stoffen, waarvan sommige met goud- of met zilverdraden
doorweven waren, andere een teekening vertoonden van zeer zacht in
elkander overgaande kleuren, en andere weer motieven van bloemen,
vruchten en vogels. Dat alles was het werk van de vrouwen der familie.
“Zij doen niet anders, hun geheele leven lang,” zei de Goesti. Het was
den meisjes, die nu werden binnengeroepen, aan te zien, dat zij met zulk
prachtig werk stilzittend hun leven doorbrachten. Alles aan hen, hun
gezicht, handen, hun bouw, hun houding, was fijn en ietwat zwakkelijk.
Zij geleken maar weinig op die schoone sterke vrouwen uit de volksklasse,
die met een zwaren. last op het hoofd als dansende over den weg gaan.
De dorpstempel is een meesterstuk van onze bekwaamste bouwmeesters en
beeldhouwers.
De meisjes brachten mij door het huis en over het geheele erf. En daar
zag ik nu weer, in hoe andere vorm en verhouding dan ook, wat de vorige
maal op het erf van den Soedra in de volksbuurt mij zoo getroffen had,
de “innige vermenging” van vuil en kostelijk mooi. Zooals op het
Soedraerf de fijne godenbeeldjes, midden tusschen de varkens, de modder
en de lompen, zoo hier in het Wessya-verblijf gore bedden, groen
uitgeslagen muren en als een korst van viezigheid, overal te midden van
de gouden schatten en meesterwerken van oude sierkunst.
De Goesti, die veel met Westerlingen omgaat, is zich klaarblijkelijk
bewust van den indruk dien die vereeniging van dingen, in hún
voorstelling onvereenigbaar, op hen maken moet. Hij kwam, wat hij wist
dat mijn gedachte moest zijn, tegemoet. Terwijl hij mij de “feest-loods”
toonde (de pendoppo van de Javanen), die verwonderlijk mooi versierd was
met schilder- en beeldhouwwerk langs alle stijlen en onder het
middelpunt van de als in stralen nederdalende zoldering een leeuw, die
pauwen-blauwe vlerken uitspreidt, nam hij uit het vergulde lofwerk een
bloem weg, die al half kleurloos was geworden en, wormstekig,
afbrokkelde. “Wij maken mooie dingen, maar ze onderhouden, dat doen wij
niet.” Ik vroeg waarom? De vraag bleek lastig. Het voorhoofd fronsend,
bracht de Goesti zijn langgenagelde, zwaar beringde linkerhand aan de
kin.Eindelijk: “Zoo is het,” zei hij. “Zie een huis als dit, waarin
vroeger de broeder van den Radja heeft gewoond: het is kostbaar; het
vervalt. Zie den dorpstempel, waarvoor wij allen zeer veel geld hebben
opgebracht, en dat gaarne, en meer, velen van ons, dan wij volgens den
aanslag behoefden te geven, want een Baliër eert de goden met vreugde.
De dorpstempel is een meesterwerk van onze bekwaamste bouwmeesters en
beeldhouwers. Ook de dorpstempel vervalt. Wij láten hem vervallen.
Waarom? Ik ben een Baliër, en ik weet het niet.” En ineens ontplooide
zich zijn voorhoofd en hij begon uit volle borst te lachen.“Zóó zijn wij
Baliërs!” riep hij, “zoo zijn wij!”Ziedaar.
Er zit niet anders op, dan zich er in te schikken. |
  |
 |
|
Rijst en rijstbouwers |
Wie van Singaradja naar het aardige heuveldorp Gitgit gaat, volgt een
weg tusschen rijstvelden door. Zij liggen, blank als licht kabbelende
vijvers langs de helling, hier, ginder beginnen zij al te sprieten. Op
plekken staan zij, flonkergroen, vol in den halm en het dunne
zilverwaasje begint er al over te komen van den opengaanden bloesem. De
weg klimt slingerend, voorbij grauwe dessa’s, leemen huizen met rieten
daken achter een hoogen leemen muur, die tegen week worden en wegspoelen
onder stortbuien beveiligd is door bossen slordig er over geworpen
alang-alang; voorbij bonte tempelpoorten, door grijnzende monsters
bewaakt, die uitpuilende oogen hebben en slagtanden en vlerken aan de
schouders; voorbij pasars, waar koopers en verkoopers aan een warong
koffie zitten te drinken: onderwijl staan hun korven met vechthanen in
de schaduw, en tegen den kant van den weg liggen, in wijdmazig
bamboe-vlechtsel, een soort fuik, waarin zij door twee man naar den
pasar gepikoeld zijn, knorrende zwarte varkens. Allerlei marktvolk komt
den steilen weg af, koopwaar vervoerend op grobaks en op pakpaardjes,
dragend aan het juk, dragend op het hoofd. Jonge, ranke kerels drijven
goudkleurig vee voor zich uit. Een oud wijfje wandelt met een varken,
dat zij een touw om het lijf heeft gebonden. Een geheele rij vrouwen
komt er aan met kruiken sagoweer op het hoofd, zakken ketela, groente,
rijst, stapels kains en sitsen goed, en zelfs levende biggetjes, die
worstelend tegen het touw, waarmee zij aan elkander en aan den
vierkanten draagbak vastgesjord zijn, zwarte snuiten in de hoogte steken
en wijdmuils schreeuwen, terwijl de draagster onbekommerd voortloopt met
haar lichte, sierlijke schreden. De grauwe gehuchtjes, de tempels, de
pasars komen er aan, staan even stil, zijn voorbij, de marktgangers
haasten de steilte af, den klimmende tegemoet, en zijn verdwenen, maar
altijd door blijven de rijstvelden, blanke, gespikkelde, flonkergroene,
zilverig overwaasde rijstvelden. De hellingen zijn er mee bekleed. De
toppen flikkeren er van. Het kleine gemurmel van de watervalletjes, die
van elk hooger gelegen naar elk lager gelegen veld afsuizelen over de
dijkjes, is héél zacht te hooren onder het bruisen van den
aanstrijkenden bergwind door, die de stijfbladerige palmen ontroert. De
reuk van de bloeiende rijst maakt de lucht zoet.
Gitgit ligt vrij op een rondom van dal en diepte omgeven top. Bij de
pasanggrahan, half weggescholen onder een groep zware kanariboomen ligt,
midden in een tuin waar frisch de rozen bloeien, een luchtig tuinhuisje,
aan den uitersten rand der steilte. Daar vandaan ziet men, van de
donkere bergen in het Zuiden en Oosten afhellend naar de Noordelijke
zee, het geheele wijde land liggen; en van de bergen tot de zee is het
groen van rijst. De barre steen en het zilte water enkel zijn zonder dat
schitterige groen, waar het geheele menschenleven van het eiland van
groeit en gedijt.
De Baliër is er trotsch op, dat op zijn eiland meer en betere rijst
groeit dan op Java, overigens voor hem het land van alle
voortreffelijkheden, en dat zelfs Javanen naar Bali komen, om zijn wijze
van rijstteelt te bestudeeren. De irrigatie hier is eene voortreffelijke.
Het land is zeer steil en bergachtig, de rivieren loopen snel en driftig
door diepe ravijnen, en de taak om het water te vangen en gelijkelijk te
verdeelen over de velden, was dus een zeer moeilijke. Dat de Baliër haar
zoo goed volbracht heeft, dankt hij aan de eendracht die ook hier macht
is. Van den beginne aan is hij te werk gegaan in vereeniging met
kameraden, en aan twintig, veertig, vijftig mannen viel gemakkelijk, wat
voor een enkele onmogelijk ware geweest. De landbouw hier berust op
coöperatie. Eigenaars van sawahs (dikwijls zij, wier velden uit een en
dezelfde leiding het water ontvangen), sluiten zich aaneen tot een
vereeniging, eenigermate vergelijkbaar bij onze oude waterschappen, die
alles regelt wat op den rijstbouw betrekking heeft.
De “Soebak” stelt den tijd van bevloeien, ploegen, planten, oogsten
vast. Hij bepaalt de hoeveelheid water waarop ieder akkerman recht heeft;
hij houdt het toezicht op dammen, tunnels en leidingen; hij int
bijdragen en stelt het door ieder verschuldigde vast; en het recht van
boete-heffing geeft hem het middel, zich te doen gehoorzamen. Als een
oogst mislukt, wordt door den Soebak een onderzoek ingesteld, om uit te
maken of nalatigheid van den landman zelf soms schuld is daaraan. De
vergadering beslist bij meerderheid van stemmen. Wordt de boer schuldig
bevonden, dan moet hij niet alleen het volle belastingbedrag, over een
goeden oogst verschuldigd, betalen, doch een boete op den koop toe. Al
de Soebak-leden om de beurt maken deel uit van het bestuur. Alle leden
zijn gelijk voor zijne wetten; een lid van een der drie kasten heeft
geen meerdere rechten noch mindere verplichtingen dan een eenvoudige
Soedra (of om hem te noemen met den naam dien hij liever hoort, Kaoela).
Wat, in het voorbijgaan gezegd, den hoogen ouderdom van deze
volksinstelling bewijst, en haar kracht, waartegen de veroverende
Hindoe-Javanen hun voorrechten niet hebben kunnen handhaven. Als vele
andere voortreffelijke dingen in het Balische volksbestaan is ook de
Soebak een erfenis der oer-Baliërs. De Nederlandsche regeering heeft het
systeem volgens haar eigen lijnen uitgebreid; de Soebaks, waarvan de
indeeling waar dat kon in overeenstemming is gebracht met den loop der
rivieren, vereenigd in groepen, met ieder een eigen bestuur; en als
hoofd van al de groepen in een landschap een ambtenaar met uitgebreide
bevoegdheden aangesteld, die den alouden titel voert van
“Groot-Soebakhoofd” Sedehan Agong. De Sedehan Agong van Boeleleng, een
man van kunde en rusteloos-ijverig, heeft den rijstbouw in het landschap
opgevoerd tot een nieuwe hoogte. De Javaansche deskundigen komen bij hem
in de leer.
Op dit oogenblik is, in het grootste gedeelte van de vlakte, de
rijstbouw begonnen. Ware ik een paar weken vroeger gekomen, ik had het
feest kunnen bijwonen van het herbeginnende landbouw-jaar, het wed-ploegen.
Nu moest ik me tevreden stellen met de beschrijving die de Sedehan Agong
er mij van gaf.
Eerst wordt een optocht gehouden naar den Soebaktempel midden in het
veld, die aan de Rijstgodin, Dewi Sri, is gewijd, en naar het
offerhuisje,enkel een vierkante baksteenen pilaar, met een nis er in van
den Watergod, om beider hulp en zegen te vragen voor het beginnende werk.
Dan komen de boeren op een groot veld bijeen, ieder met zijn ploeg en
zijn span stieren. De beesten zijn prachtig opgesierd; sommige met een
bekleedsel van uitgeslagen, beschilderd en verguld leer, in den trant
van de ornamenten die wajang-spelers dragen, allen met groen en bloemen.
Zij dragen geweldig groote houten klokken om den hals, van anderhalf tot
twee voet breed, die een klank geven als van een gong, en die hen
dwingen den kop hoog te dragen. Het is de trots van den eigenaar wanneer
de stier ook den staart hoog draagt bij het ploegen, in het verlengde
van den rug gestrekt, en dan met een hoek naar beneden gebogen. Voor een
mooi span wordt tot vierhonderd rijksdaalders toe gegeven, (om te
rekenen als een Baliër, die niet anders kent dan een Chineeschen duit en
een Hollandschen rijksdaalder). Zulk een hartstocht heeft de Baliër voor
mooi vee. Als dan de groote goudgele prachtig-opgetuigde beesten
langzaam voorbij treden over het veld, met gespannen spieren den ploeg
trekkend, dien de feestelijk-gekleede akkerman bestuurt, terwijl het
gebeier van al die diepe houten klokken een heerlijke muziek maakt, dan
viert de Baliër zijn verheuglijkste feest. Het ernstige, strak-belijnde
Brahmanen-gezicht van den Sedehan Agong glansde terwijl hij er van
verhaalde.
Nu dan is het ploegen in vollen gang. Om 5 uur al gaat de boer met zijn
span naar den akker; en met zijn beesten samen plonst hij door het
zwalpende lauwe sawah-water tot elven toe. Dan is het siësta-tijd. Is
het ploegvee een stieren- of ossen-span, dan keert het naar de dessa
terug; maar karbouwen blijven in het veld om te baden in een poel. Met
een touw aan de horens getuierd aan een paal in ’t veld liggen de groote
grauwe beesten daar als schepen voor anker. Zij verroeren zich niet,
uren achtereen; het water rimpelt boven hun gelijkmatigen ademtocht. De
ploeger ligt niet ver van zijn vee in het gras langs den weg, of op de
bale-bale van een wachthuisje. Zijn kinderen brengen hem zijn middagmaal,
rijst met een droog vischje, een gezouten ei, wat scherpe toespijs, en
allicht een portie varkensvleesch. Misschien brengen zij ook een kruik
water mee uit de nieuw aangelegde leiding. Maar, zoo niet, dan weet hij
toch wel aan een dronk te komen. In den sawah-plas staat vastgemetseld
een groote filter, een gefatsoeneerd en uitgehold rotsblok. Het water
siepelt van buiten naar binnen. (“Zooals bij de filters van Pasteur”
verduidelijkt de dokter djawa). Hij treedt naar den filter, doopt er
zijn kruik in en laat ze vol-klokken; en het hoofd achterover giet hij
zich den straal recht in de keel eerst, over gezicht en borst dan;
gedrenkt, druipnat, water van buiten, water van binnen, staat hij als
een plant na den regen te glanzen van sap en frisschigheid.
’s Middags werkt hij niet met zijn vee; met de spade bearbeidt hij de
hoekjes en zoomen, die met den ploeg niet te bereiken zijn geweest. Hij
zorgt dat de twee Soebak-inspecteurs niets te berispen zullen vinden als
ze straks voorbij komen op hun ronde. Als de rijst uit de kweekbeddingen
is overgeplant, (anders dan elders is dat hier mannenwerk), heeft hij
vooreerst vacantie. Alleen geregeld wieden is noodig en het onderhoud
van de dijkjes. Het neemt weinig tijd. Hij heeft de dagen vrij voor zijn
geliefkoosd spel van hanen te laten vechten. Nu al zijn velen zoo ver.
Op den grooten weg—mijn kamer in de pasanggrahan ziet er op uit—zie ik
den geheelen dag mannen voorbij drentelen met gekooide vechthanen; en in
de feest-loods, en in alle warongs en pasar-schuurtjes langs de wegen
zitten ze in groepen bijeen. Zij wedden met hartstocht; men zou zeggen,
met verwoedheid, als zulk een woord paste bij een Baliër. Een oude
inwoner van Singaradja, goed van inlander-zaken op de hoogte, verzekert
mij dat een gewone Soedra-boer op een enkelen dag soms tot twee, drie
honderd gulden verliest. Hij wedt met handenvol rijksdaalders. Dat trekt
hij zich verder niet aan. Vandaag verloren, morgen gewonnen, denkt hij.
En verder, is de geldschieter er goed voor; en verder zijn vrouw, die
dan maar eens wat ijveriger moet zijn op de markt, en aan den weefstoel;
en ten slotte, zijn rijstoogst, ook al is die al verpand en verkocht.
Alles komt terecht op Bali, zoo lang er rijst is! En die is er altijd.
Nu zelfs, terwijl in de vlakte pas de bouw is begonnen, zijn op de
heuvels al velden rijp. De eerste oogst-processies gaan voorbij, muziek
voorop, met bonte wimpeltjes aan bamboestaken en in het midden een
verguld miniatuur-tempeltje op een baar gedragen. De vrouwen, die van al
de landbouwverrichtingen aan den oogst alleen deelnemen, dragen
sierlijke mandjes op het hoofd met offergaven van vruchten en bloemen.
En hun stemmen klinken schel boven die der mannen uit in het feestgezang,
dat Dewi Sri en al de goden van den akkerbouw prijst.
|
|
De Balische Vrouwen |
Den geheelen dag van zonsopgang tot donker, en overal, behalve enkel en
alleen in het veld, zijn hier bij menigte de vrouwen te zien; en altijd,
arbeidende.
Dat begint al voor dag en dauw. Tegelijk met het gekraai van den eersten
haan is het getokkel te hooren van stampers in het rijstblok; op een erf,
waar niemand anders nog beweegt, staan ongekamd en slordig in de kleeren,
de vrouwen de rijst te stampen voor het maal van elven. De zon is nog
niet boven de boomen, of in troepen al komen zij den weg af naar den
pasar, op horden, in manden, in zakken en gevlochten nappen hun koopwaar
op het hoofd torsend. Zij zitten den heelen dag achter het tafeltje van
een warong, naast een draagbaar leemen oventje waarop boven een
houtskool-vuur, de eene versnapering na de andere wordt klaargemaakt
voor den gaanden en komenden man. Tegen zonsondergang kan men hen bij
troepen vinden zitten rondom de steenen pijlers van de waterleiding;
ieder op haar beurt vullen zij onder de kraan de groote zwart steenen
potten, zoo zwaar, dat de eene de andere moet helpen bij het optillen,
als zij die, boordevol, op het hoofd plaatsen. En het is al lang donker,
en op zijn baleh-baleh ligt de akkerman zichzelven in slaap te zeuren
met een of anderen eentonigen deun, als nog langs de dorpsstraat de
dubbele tik van haar weefspoel klinkt, bij het licht van een pitje in
een halven klapperdop vol olie heen en weer geworpen door de schering:
de ijverige huismoeder doet af wat zij nog afgedaan kan krijgen van haar
eindelooze taak om haar gezin in de kleeren te houden, met twee stel van
alles voor ieder per jaar. En of het nu in het begin van het
landbouwjaar is, wanneer ook de man zwaar werkt, of later in den tijd,
wanneer hij er zijn rust en zijn genoegen van neemt, dat maakt voor haar
geen onderscheid: zij werkt maar gestadig door.
Maar het moet den Baliër niet gezegd worden, dat eigenlijk de vrouwen
de harde werkers zijn op zijn eiland. “Wat verdient een vrouw? Misschien
een kwartje op een dag!, niet eens genoeg dat zij er zelf van eten kan.
Neen, die verdient en het werk doet, dat is de man. Hij werkt op de
sawah!” Dat zij niet mee doet aan wat voor den Baliër het eigenlijke
werk is, aan den rijstbouw, dat maakt de vrouw voor hem tot een
minderwaardig wezen. En de minachting voor haar als zoodanig brengt het
weer mee dat het werk dat zij wèl verricht, en alléén verricht,
gekleineerd wordt. Dat zij veel meer verdienen moet dan een kwartje per
dag, om haar gezin in stand te helpen houden, hier, waar de
levensstandaard hoog is en ruim ƒ 0.30 gerekend wordt voor den
dagelijkschen kost alléén van een volwassene, behoeft geen betoog, te
minder als men bedenkt hoeveel, in de tijden dat hij zelf weinig of
niets verdient, een man op Bali noodig heeft voor zijn genoegens,—hanengevechten,
dobbelen, opiumschuiven. Maar het komt nu eenmaal in zijn kraam te pas
zijn vrouw en dus haar arbeid, voor niets te tellen.
Een Balische vrouw is voor een Balischen man geen mènsch; zij is een
ding, dat hem behoort zooals andere dingen hem behooren, en waarmee hij
doen kan wat hij wil.
De eerste eigenaar van een vrouw is haar vader. Hij telt haar niet mee
onder zijn kinderen; “kinderen” dat zijn alleen de zoons. Hij waardeert
haar alleen,—dat echter nog al hoog—als een soort productie-middel: van
arbeid eerst, van geld later. Het gaat een huisgezin goed, waarin veel
meisjes zijn. Van hun vijfde of zesde jaar af werken zij. Niet aan wat
wij huishoudelijk werk noemen—in een Balisch huis is voor “huishouden”
geen gelegenheid, noch noodzaak; gekookt wordt maar eens per dag:
gewasschen wordt nooit iets; een Baliër draagt zijn kleeren zooals ze
zijn—of worden—tot ze hem, letterlijk!—van ’t lijf vallen; zij werken
aan geld-inbrengend werk. Kinders, die hun moeder nog niet tot aan het
middel komen, loopen al achter haar aan mee naar de markt met een last
groenten, hout en geweven goed op hun hoofdjes. Kinders van zes jaar
zitten al aan den weefstoel en weven geruite kains. En ze zijn nog niet
veel ouder als ze met koekjes aan den weg zitten en de duiten narekenen
van hun klanten.
Zijn ze volwassen, dan brengen ze een som inéens op, wanneer zij
geschaakt worden, in werkelijkheid haar koopprijs, in naam de boete, die
de minnaar voor zijn rooven van het meisje aan den vader moet betalen.
Hoe mooier en van hoe aanzienlijker geboorte zij is, hoe hooger die
prijs of boete.
De schaking is er maar een voor den vorm, zij is met het meisje
afgesproken, en iedereen, de vader incluis, is op de hoogte van de
plannen van den “schaker” en het volkomen met hem eens. Daardoor wordt
zij het eigendom van haar man, die nu op zijn beurt zooveel voordeel uit
haar trekt als hij kan. Hij laat haar werken, zooals hij het zijn
buffelspan en zijn mager paardje laat doen: eer meer dan minder. En
zoomin als jegens zijn ploegvee en lastdier legt de Baliër-wet hem
tegenover haar verplichtingen op. Totdat het Nederlandsche gouvernement
paal en perk stelde aan zijn rechten over haar, waren zij onbegrensd:
hij kon haar, om zijn schulden te betalen, verpanden of verkoopen; het
kwam dikwijls voor bij in weddingschap-schulden geraakte liefhebbers van
hanengevechten; hij kon haar, voor ontrouw, dooden, zonder dat iemand
hem ter verantwoording riep. Dat hij haar verstiet, als ’t hem in zijn
hoofd kwam een andere te nemen, en twee tegelijk hem te lastig docht in
huis, was iets dat vanzelf sprak. Het kon ook voorkomen—en het kwam
werkelijk nog al eens voor—dat een meisje zich niet tot vrouw wou láten
nemen, noch als zóoveelste, noch zelfs als eerste en voorloopig eenige.
Dan werd zij, in ernst en meenens, geschaakt: met geweld. En tenzij zij
bevrijd werd voor de roover met zijn handlangers haar het huis van een
helper had binnengesleept, werd zij, door die daad van roof en geweld
zelf, zijn wettig eigendom en tegen wil en dank zijn vrouw. Een boete,
of eigenlijk koopprijs, viermaal hooger dan de gewone, werd voldoende
schadeloosstelling voor haar familie geacht. Aan eenig recht van
haarzelve dacht niemand. Een poging om zulk een recht geldend te maken
en te verdedigen zou haar zelfs duur te staan zijn gekomen. Het is
voorgekomen, dat de roover, door de bloedverwanten van het meisje
achterhaald, haar doodde, liever dan haar los te laten. Een dokter-djawa
in deze streek heeft eens een meisje te verplegen gekregen dat uit
zeventien wonden bloedend op den weg was blijven liggen, toen de
woesteling die haar geschaakt had op de vlucht ging voor haar
bloedverwanten. Wonder boven wonder herstelde zij. Het is nog niet lang
geleden dat een ambtenaar van het binnenlandsch bestuur, nu nog op het
eiland, heelmeesters-diensten bewees aan een ander arm schepsel, die
zelve zich had trachten te bevrijden uit den greep van haar roover, en
wie hij in woede zijn kris dwars door de borst had gestooten. Zij stierf
na ondragelijke pijnen. Behalve waarschijnlijk de moeder, trok niemand
zich veel van het geval aan. Het Nederlandsche bestuur, dat de
schaking-voor-den-vorm, als een volksgebruik en de wettige huwelijksvorm
der Baliërs, erkent, heeft aan de echte schaking een eind, of zoo goed
als een eind gemaakt, door bedreiging daarvan met de eenige straf
waarvoor een Baliër werkelijk beducht is: verbanning. Het is een van de
vele maatregelen, waardoor in den laatsten tijd de toestand der vrouw
hier te lande eenigermate is verbeterd.
Men zou denken, dat de ruwheid van zeden, die in zulk een verdrukking
van de zwakkere zich uit, alleen kon heerschen onder de afstammelingen
der oorspronkelijke bevolking van Bali, der Bali-aga, der “boschmenschen.”
Niets daarvan. Onder de op hun adel en oude beschaving zoo trotsche
triwangsa is het niet anders. Ik vroeg een aanzienlijk en zeer rijk man,
een Wessya, wiens vrouw en dochters als prinsessen gekleed gaan bij de
tempelfeesten, van voorhoofd tot enkels overflonkerd van goud en
gesteente, en bedreven zijn in allerlei prachtig en kunstig sierwerk,
terwijl de meisjes, die school zijn gegaan, lezen en schrijven kunnen en
vloeiend Maleisch spreken, behalve laag en hoog Balineesch,—ik vroeg den
Goesti, of de vrouwen van zijn kaste in haar eigen huis en gezin eenig
gezag hadden? Zijn verbaasde lach was als antwoord duidelijk genoeg.
Degene dien ik een vorig maal zoo minachtend over vrouwenarbeid had
hooren spreken, een kundig, en, naar Baliër-begrippen, fijn beschaafd
man, was een Brahmaan. Zij hebben zelfs de hun toch stellig vreemde zede
van de schaking-met-onderling-goedvinden aangenomen. Kort voor de
vestiging van het Nederlandsch gezag is hier te Singaradja op
klaarlichten dag een meisje uit de familie van den Radja geschaakt, wie,
om het geval goed duidelijk te maken, de schaker een mand over het hoofd
had gezet, zoodat het leek of zij blindelings en hulpeloos de vrouwen
volgde, die haar aan de handen voorttrokken, den “roover” na en zijn
woning binnen. De zoo naijverig bewaakte voorrechten van de triwangsa
gelden in het geval van de vrouwen alleen tegenover het laag-geboren
volk: tegenover hun mannelijke gelijken in rang zijn zij zoo al iets,
dan toch zeer weinig meer dan tegenover den Soedra-man de Soedra-vrouw
is.
En niettemin! De Baliër-vrouw, de vrouw uit de volksklasse vooral, is
een vroolijk, onafhankelijk zich gedragend, van lijf en geest krachtig
mensch. Niemand kan haar aanzien en waarnemen in haar dagelijksch zijn
zonder door die tegenstelling tusschen haar uiterlijke omstandigheden en
haar karakter getroffen te worden. De druk zelf heeft haar weerstand
tegen den druk gegeven. De harde arbeid heeft haar sterk gemaakt. De
klein-handel, die geheel in haar handen ligt, en de gestadige omgang met
die geslepen kooplui en geldschieters, Arabieren, Klingaleezen,
Chineezen, heeft haar omzichtigheid geleerd en berekening en tegelijk
zelfbeheersching en zelfvertrouwen. En het bewustzijn zooveel bij te
dragen tot de welvaart van haar gezin vervult haar met een rustigen
trots.
In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit Goesti Djilantik als
een stille toeschouwer bij de dingen waarvan hij zoo lang de bewerker en
beweger is geweest.
Is het misschien een zijdelingsche erkenning van de rechtmatigheid van
dien trots? De wetten van al die vereenigingen die het maatschappelijk
leven van den Baliër beheerschen, van de dessa-vereeniging en den Soebak
af tot den kleinsten “bandjar” toe, verbinden het recht van lidmaatschap
aan den huwelijksen staat: geen vrouw, geen rechten. Een jonkman telt
niet: een weduwnaar moet een vrouwelijke bloedverwant in huis nemen om
als lid der dessa-vereeniging gehandhaafd te blijven. En ook de
godsdienstige zede ruimt der vrouw plaats en rechten in naast den man.
Er zijn vrouwelijke priesters, even hoog in aanzien als de mannelijke,
en die denzelfden titel van pedanda voeren en gelijken dienst verrichten
in de tempels. Aan de jonge meisjes, die de godsdienstige feesten met
gezang en reidans opluisteren, is het vergund een vereeniging te vormen
ter behartiging van haar eigene belangen. Ook vrouwelijke dokters—half
heksen en waarzegsters, half kruidkundigen—staan in aanzien en goede
verdienste. De practijk heeft, ook hier, de theorie verbeterd, en het
leven de wet.
De Balische vrouwen laten de wetten wetten zijn, en lachen het leven aan
met haar heldere oogen. Zij weten wel waarom.
|
  |
|
Goesti Djilantik |
Hij is nog in leven.
In zijn zwaar ommuurde poeri te Karang Assem zit hij als een stille
toeschouwer bij de dingen, waarvan hij zoo lang de krachtige bewerker en
beweger is geweest. In de dagen van de Lombok-expeditie klonk zijn naam
tot in de verste hoeken van Indië en van Nederland. Nu is die een leeg
geluid geworden. In de overgroote meerderheid wordt geen gedachte meer
wakker bij dien klank. De enkelen echter, bij wie hij een herinnering
oproept, zeggen: “De verrader!” Die hem kennen, en het best weten hoe
zijn gedrag geweest is in 1894 op Lombok en in 1906 te Karang Assem
tegenover de Hollanders, in de jaren daartusschen tegenover zijn eigen
volk, weten dat hij beter verdient dan smaad of vergetelheid. En als
eens de geschiedenis hem herdenkt, zal zij hun eenparig oordeel moeten
bekrachtigen en getuigen, dat Goesti Djilantik, door welke beweegredenen
dan ook geleid, beiden, Nederland en Bali, het verlies van honderden
menschenlevens heeft bespaard en dat het voor een niet gering deel zijn
verdienste is, zoo het Balische volk gereedelijk en met goeden wil den
weg is opgegaan, waarlangs het komen zal tot de zeer te wenschen
ontwikkeling van zijn stoffelijke, verstandelijke en zedelijke krachten.
Goesti Djilantik, die de stedehouder van Karang Assem is geweest, eerst
onder den vorst van Lombok, toen onder de Nederlandsch-Indische
Regeering, is de afstammeling van een Hindoe-Javaansch geslacht, waarvan
de stichter omstreeks de helft van de vijftiende eeuw naar Bali kwam om
het eiland voor den vorst van Madjapahit te veroveren. Toen deze, voor
den Islam vluchtend, van het vermeesterde eiland zijn nieuw rijk maakte,
gaf hij zijn veldoverste Karang Assem land in leen. De afstammelingen
van Gadja Mada vergenoegden zich niet lang met het vazallenschap. Zij
stonden op tegen de opvolgers van hun leenheer, de vorsten van
Kloengkoeng, ontnamen hun groote stukken van hun gebied, veroverden het
omliggende land, en waren vorsten van Lombok geworden toen omtrent 1700
de Oost-Indische Compagnie in deze streken zich trachtte te vestigen.
Het was een Karangassemer dien Valentijn noemt als “den Coninck van Baly;”
en een Karangassemer ook was die radja van Boeleleng tot wien de O.-I.
Compagnie het verzoek richtte haar het monopolie te gunnen van die zeer
voordeelige trafiek, den slavenhandel. Nu begon in den levensloop van
het oude geslacht een nieuwe periode: de tijd van het geweld was voorbij,
de tijd van overleg en list was begonnen. De Karangassemers moesten zien
hoe zij de positie, die zij op de oorspronkelijke inwoners van Bali
eerst en op hun Hindoe-Javaansche stamgenooten later veroverd hadden, nu
op hun beurt handhaafden tegenover den veroveraar uit het Westen, die
weer sterker was dan zij. Zij deden het door beurtelings voor hem en
voor hun landgenooten partij te kiezen, aldus de politiek beginnend die
hun late nazaat Goesti Djilantik ten einde zou voeren. Na den val van de
Compagnie volgden zij tegenover de Nederlandsch-Indische Regeering
dezelfde gedragslijn. Zij behandelden haar als gelijke. Dat werd hun
mogelijk niet alleen maar zelfs gemakkelijk gemaakt door de Regeering
zelve. Het was in de Jan-Saliedagen van het nieuwe Koninkrijk der
Nederlanden. En toen daar een nieuwe kracht wakker werd, had die nog te
zeer zich te weren tegen de overal haar belemmerende sleur binnen de
eigen grenzen, dan dat zij in Indië, en nog wel in zulk een uithoek van
Indië als Bali, de hand aan het werk had kunnen slaan. Het meeste wat op
Bali verkregen werd was een contract met de vorsten der acht
landschappen van het eiland; een contract waarmee de Nederlandsche
Regeering een erkenning van haar oppergezag bedoelde, terwijl de
Balische vorsten er niet anders dan een vriendschapsverbond in zagen,—bedrogen
naar het wel schijnt, aangaande den zin van dien term souvereiniteit die
in hunne taal niet over te zetten is: van Hoëvell althans verklaart dit
in ronde woorden.1 Der Regeering eerste poging om haar “rechten” geldend
te maken deed den oorlog losbarsten. De Karangassemers volgden hun oude
taktiek van “jagen met de honden en loopen met den haas.” Maar ditmaal
tevergeefs. Zij kwamen in het gedrang, moesten vluchten, en het hoofd
van het geslacht verloor zijn rijk aan Nederland en zijn leven aan zijn
eigen opstandige onderdanen. Karang Assem werd als loon voor bewezen
diensten toegevoegd aan dat Lomboksche rijk dat vroeger van Karang Assem
uit veroverd was, en waar nog een afstammeling uit het Karangassemsche
vorstengeslacht regeerde. Deze zond twee van zijn neven—het waren
broeders—als stedehouders naar het nieuwe wingewest. De twee broeders
hadden een derden, zeer veel jongeren, zoon van een andere moeder, een
kind nog toen zij, in ’49, naar Karang Assem gingen. Een en dertig jaar
later kwam die broeder, een man van veertig nu, uit Lombok tot hen
gevlucht uit vrees voor zijn leven. De vluchteling was Goesti Djilantik.
In de poeri levende van zijn oom, den radja van Lombok, had hij liefde
opgevat voor een van diens dochters en de wederliefde van het meisje
gewonnen. Nu was zij, als dochter van eene Ksatrya vrouw, de meerdere in
kaste van Djilantik, wiens moeder tot de lagere kaste der Wessya
behoorde en het huwelijk van een vrouw uit hoogere met een man uit
lagere kaste is een misdrijf, waarop de Baliër-wet de doodstraf voor
beiden stelt. De verhouding der twee werd ontdekt. Door overhaaste
vlucht alleen kon Djilantik zijn leven redden, dat zijn vijanden, eene
sterke partij in de poeri, eischten, ter voldoening aan de wet. De oude
vorst was hem welgezind: misschien heeft die zijn vlucht begunstigd.
In elk geval, hij liet het toe, dat zijn beide stedehouders in Karang
Assem den vluchteling opnamen en hem als “poenggawa” het bestuur gaven
over een deel van hun gebied. Tien jaar later stierf de eene der twee
stedehouders. Toen stelde de radja Goesti Djilantik in zijn plaats aan.
Bij den kort daarop gevolgden dood van den tweeden maakte hij hem zelfs
tot eenig stedehouder van Karang Assem.
Djilantik betoonde zich een wijs en rechtvaardig bestuurder. Anders dan
vroeger zijn oudere broeder, dien het volk “Doeniet” noemde, nam hij de
belangen van den kleinen man ter harte. Hij vergde geen zware
heerendiensten; hij perste geen arbeid noch opbrengst van de velden af;
hij was geen wedder bij hanengevechten; meisjes en vrouwen waren veilig
in zijn gebied,—een zeldzaam iets in een land, waar maagdenroof niet
voor misdrijf geldt, en waar, in sommige streken, de bevolking er toe
gekomen is, haar dochters het gezicht te mismaken met sneden over de
wangen, om hen te vrijwaren voor het lot, naar de poeri van den vorst te
worden gesleept. Het volk van Karang Assem werd Djilantik’s vriend.
Zijn naaste bloedverwanten echter waren zijn vijanden. Zijn benoeming
tot stedehouder had de rechten gekrenkt van de nakomelingen zijner beide
oudere broeders. En in zijn grenzenlooze eerzucht had Djilantik den
meest rechthebbende, den oudsten zoon van zijn broeder Poetoe, uit zijn
weg geruimd door wat niet anders genoemd kan worden dan een zedelijke
sluipmoord. De jonge man had zich schuldig gemaakt—als indertijd
Djilantik zelf—aan kastevermenging. Zelf een Wessya zijnde—alle vorsten
van Bali (met uitzondering slechts van die van Kloengkoeng, Bangli en
Gianjar) behooren tot deze laagste der drie kasten, die gaandeweg de
eigenlijke vorstenkaste, de Ksatrya, verdrongen heeft—had hij de liefde
verworven van een Brahmanen-dochter. Zijn eigen vader liet hem, met het
meisje te zamen, krissen. Maar die hem daartoe had overreed en aangezet,
was Djilantik. Het is mogelijk de vrees voor weerwraak geweest, die
Djilantik, met prijsgeving van de toch zoo brandend begeerde en met
zoodanige middelen verkregen macht van het stedehouderschap, Bali deed
verlaten, toen de oude radja van Lombok, zijn oom, hem een
poenggawa-schap op zijn eiland aanbood, als loon voor de hulp, door
Djilantik hem bewezen in een oorlog tegen de oproerige Sasaks.
Daar begonnen de dingen, die den radja in botsing moesten brengen met de
regeering. Djilantik kwam te staan waar sedert anderhalve eeuw zijn
vaderen telkens gestaan hadden tusschen landgenoot en vreemden
overheerscher in het nauw. Hij deed als zij gedaan hadden, en als ten
slotte toch ook natuurlijk is dat een zwakkere doet: hij trachtte
tusschen beiden door te glippen. Den poenggawa’s, die tot den oorlog
dreven—want de machtige edelen waren de strijdlustigen, niet het volk,
noch de oude radja, die stokdoof en zoo goed als verlamd, zelfs tot de
gedachte aan vechten niet in staat meer was—den poenggawa’s ried hij te
wachten tot na het lijkverbrandingsfeest van zijn broeder, den ouden
stedehouder van Karang Assem, die het vorige jaar was gestorven. Den
Nederlandschen ambtenaar en bevelhebber der troepen verklaarde hij, dat
geen oorlog te vreezen was: hij hoopte werkelijk dien met uitstellen,
paaien en nogmaals uitstellen te kunnen voorkomen. Dat is zijn “verraad”
geweest. Voor rechtvaardigheid is het woord te hard, al moet erkend, dat
zijn houding geen volkomen eerlijke was. Dit echter is wel te onthouden:
hij verzette zich tegen de oorlogspartij uit alle macht; hij verklaarde
bij het eerste schot dat viel, met zijn twaalfhonderd Baliërs, Lombok te
zullen verlaten, en volvoerde dat voornemen; hij weigerde het
radja-schap, dat nog op het allerlaatste oogenblik de poenggawa’s hem
aanboden, om hem tot blijven en deelneming aan hun strijd te bewegen.
Natuurlijk niet uit “trouw aan het gouvernement,” maar omdat zijn helder
verstand hem de vergeefschheid toonde van den strijd tegen Westersche
wapenen. Zooals hij het den poenggawa’s had voorgehouden: “Wanneer het
ei wil vechten tegen den steen, wie verliest dan?”—Te Karang Assem
loerden zijn neven, Poetoe en K’toet, op hem. Hij vluchtte naar het
gebergte. Toen bleek de vriendschap van zijn volk. Gewapenden waren
opgeroepen om “een vijand van de vorsten” dood of levend terug te
brengen: maar zij wisten niet, dat die vijand Djilantik was. Toen het
hun gezegd werd, stieten de mannen hun lansen met de spits in den grond,
ten teeken van hun weigering om hem te bevechten. De neven werden tot
vergiffenis vragen en onderwerping gedwongen.
Tien jaar later kwam de beurt die Lombok had gehad aan Bali: het
Nederlandsch gezag, dat tot nog toe een naam geweest was, werd een
werkelijkheid. Weder was het toen Djilantik die tusschen “het ei” en
“den steen” zijn handen hield. Zonder hem had zijn neef Poetoe, de
onverzoenlijke vreemdelingen-vijand, Karang Assem medegesleept in een
met Bangli en Kloengkoeng gezamenlijk te voeren oorlog tegen Nederland.
De wijze, waarop Djilantik dat voorkwam, was weer dezelfde die hij op
Lombok had gevolgd: ter wille van het goede doel zoowel vriend als
vreemde misleiden. Tegenover de Nederlandsche ambtenaren ontkende hij,
dat eenige beweging gaande was; tegenover de poenggawa’s eischte hij
uitstel, met belofte van latere vrijheid tot handelen. Een groot
godsdienstig feest, waarvoor al sedert drie jaren de vorstelijke familie
zich voorbereidde, was het gereede voorwendsel. Het uitstel dat hij dus
won was er een van een half jaar. De regeering maakte zich den tijd te
nutte. Haar oorlogsschepen en troepen kwamen aan drie dagen voor het
feest, waarop tienduizend gewapende mannen, tempel-gangers in schijn,
oorlogvoerders inderdaad, met Poetoe aan het hoofd, verschenen zouden
zijn. Djilantik’s taktiek had verschrikkelijkheden voorkomen.
De knaap heeft het witte gewaad der biddenden aangelegd om in den
tempel te gaan offeren.
Het moet den ouden man zwaar gevallen zijn; maar toen de vestiging van
het Nederlandsche gezag op Karang Assem een eind maakte aan zijn
levenslangen droom, de herwinning van het radjaschap, heeft hij bij het
voldongen feit zich neergelegd, en den nieuwen staat van zaken zonder
voorbehoud aanvaard. Meer dan dat. Toen hij er eenmaal van overtuigd was
geworden, doordat hij met zijn eigen oogen het zag, dat de Westersche
beschaving hemzelven en zijn volk verder zou brengen dan zij ooit op hun
eigen wegen konden komen; dat bruggen over rivieren en ravijnen, wegen
van het gebergte uit naar de zee, rijtuigen en paarden (er waren er geen
hier, onder Hollandsch bestuur pas reed het eerste karretje over de
eerste brug), dat stoomschepen, telegraaf en telefoon nuttige dingen
waren, toen heeft hij zijn uiterste best gedaan om die aan Karang Assem
te verschaffen. Toen hij aan zichzelven de uitwerking had leeren kennen
van kinine en begrepen had wat hygiënische voorzorgen vermogen tegen
velerlei ziekten, die onder dit ongeloofelijk-vuile en zorgelooze volk
heerschen, heeft hij op een vaderlijk-listige manier zijn Karangassemers,
wantrouwig en weerbarstig als zij waren, voor het geloof in Westersche
wetenschap gewonnen. Zijn neef Bagoes, te wiens behoeve hij van het
stedehouderschap afstand deed, heeft hij diezelfde denkbeelden ingeprent.
En voor het opkomende geslacht gezorgd door den bouw uit zijn eigen
middelen, met ruime hand verstrekt, van een school.
Hij is vier-en-zeventig nu: maar oud naar het lichaam alleen: zijn geest
is zoo krachtig en frisch als die van een jongen man. In het hol-wangige
en door het verlies van de tanden klein geworden gezicht, waaromheen het
haar, dat glad naar achter gekamd tot in den nek afhangt, een gitzwarten
glans heeft, staan de donkere oogen vurig, bijna fel. Hij maakt
levendige gebaren onder het spreken, als een echte Baliër, dien geen
adat tot vormelijkheid kan bedwingen. Wat hij zegt, zegt hij met een
zekere drift, alsof hij met zijn geheele persoonlijkheid voor zijn
opinie instaat. En hij vraagt—vraagt veel—met de tot in bijzonderheden
doordringende volharding en op de systematische wijze van wie iets
nieuws volkomen begrijpen wil om het in zijn beschouwing van de menschen
en het leven organisch te kunnen opnemen. Een antwoord neemt hij niet
voetstoots aan: maar bewaart het tot hij het op zijn waarachtigheid
heeft beproefd door vergelijking met het antwoord op dezelfde vragen
door een anderen zegsman gegeven. Zelfs als hij zich een
telefoon-toestel of een ontsmettingsmethode laat uitleggen, gaat hij op
die wijze te werk; het Oosterlingen-wantrouwen blijft wakker, ook waar
het niet behoeft.
De beide malen dat ik gelegenheid kreeg hem te zien en te spreken, en
het gesprek te volgen, dat hij, geruimen tijd achtereen en over
verschillende onderwerpen, met anderen voerde, kreeg ik den indruk van
een buitengewone persoonlijkheid. Wat zijn bestuur en voorbeeld op Bali
tot stand hebben gebracht, zal, ten volle, pas de toekomst toonen. |
 |
|
Bali als het land van Goden
en Geesten |
|
In de voorstelling van den Baliër is zijn eiland het Land der Goden: en
hij heeft het van hen in bruikleen. Zooals op Java de vorst de souverein
van den grond is, zoo is het hier de godheid. Haar geldt de hulde en de
dienst van alle menschelijke bewoners van het land. Haar raad wordt
ingewonnen, haar hulp afgesmeekt, haar wordt dank betuigd, vergiffenis
gevraagd, verontschuldigingen aangeboden, onder alle omstandigheden van
het leven. De Baliër gaat met haar om als met een onzichtbaren doch alom
tegenwoordigen en al-machtigen vorst, uit wiens handen hij alles heeft
ontvangen wat hij bezit, en wien hij daarvoor dank, rekenschap en dienst
schuldig is.
In de theorie is deze zijn godsdienst een der ontelbaar vele vormen van
het Hindoeïsme op Bali; immers vond het Javaansche Hindoeïsme een
veilige wijkplaats toen het voor den Islam vluchtte die Java vermeesterd
had. Maar een andere godsdienst leefde in de harten der Baliërs, toen de
Javanen hier kwamen: het antieke Polynesische Heidendom. En onder den
nieuwen invloed van het veroverende en hooger beschaafde volk bleef het
oude zich handhaven, zooals, onder den vloed van zoet water aan een
rivier-uitmonding in de zee het zilte blijft, en de groei van koralen en
zee-anemonen diep in de donkerte. De machten door de oorspronkelijke
Baliërs geëerd, de zon, de zee, de lucht, het water van meren en
rivieren, de geheime kracht die het veld vruchtbaar maakt en de kudde,
die allen worden, soms onder den naam van Hindoe-godheden, soms ook
onder hun eigenen nog, tot op dezen dag toe, geëerd en gediend op het
eiland. Het is een toestand zooals het Westen in de middeleeuwen kende,
toen onder het officieele Christendom de oude Heidengoden een maar half
hen verbergende wijkplaats hadden gevonden, en aan Maria offers werden
gebracht zooals Freya er verlangde, en op Kerstmis met groote vuren en
het slachten van vee het Winterfeest der sedert eeuwen al vergeten
voorvaderen werd gevierd.
De groote schoone tempels zijn gewijd aan de Hindoe-goden; Siwa wordt
genoemd als de opperste van alle goden; de drie Hindoe-kasten, die der
Brahmanen aan het hoofd, doen het Kaoela-volk, de Soedra-kaste, waartoe
zij, de overwinnende Javanen, het oorspronkelijke Baliër-volk verlaagd
hebben, bukken voor hun gezag; dooden worden verbrand en hun asch in zee
of in een immers naar de zee stroomende, rivier geworpen, naar de zede
der Hindoes. Maar niettemin meent de Baliër als hij Siwa zegt, de zon of
de lucht, met Brahma het vuur, met Wisjnoe het water; niettemin heeft
zich onder de Soedra’s een afzonderlijke klasse gehandhaafd,
afstammelingen waarschijnlijk van aloude aanvoerders-geslachten, die in
een zekere mate deel hebben aan de voorrechten der triwangsa, zelfs aan
het priesterlijke der Brahmanen-kaste; en er waren nog voor betrekkelijk
korten tijd geheele dorpen op het eiland die hun dooden in het bosch
neerlegden, en het wijwater der Brahmaansche priesters weigerden. Dit
ook is klaarblijkelijk een revanche van den ouden godsdienst, dat niet
de goden, maar de geesten, de “boeta’s” in de eerste plaats, ontzien en
geëerd worden. Als hun aanbidders en “landgenooten” zijn deze oude
Heidensche goden tot een lageren rang neder gedwongen door den
veroverenden Hindoe; monsters en reuzen heeten zij nu inplaats van goden.
En zij moeten, “in effigie” voor de poort gezeten der tempels, het
verblijf van hun overwinnaars bewaken als het Kaoela-volk de poeri van
vorst en edelman. Maar met dat al hebben zij zich gehandhaafd in de
harten, en niet van het Kaoelavolk alleen, maar van het kwansuis
Hindoesche Javanendom even goed, en dat wel zoo krachtig, dat eerst de
booze geest wordt gevleid en verzoend, voor de goede god wordt
aangebeden.
Want als boos stelt de Baliër zich alle geesten voor: misschien wel
omdat zij verdrongen zijn uit hun eigen land en rechten? Hij probeert
hen te paaien. Dat kost niet veel geld of moeite: een geestenhand is
gauw gevuld! Een paar koperen duiten als men heel vrijgevig wil zijn,
een kliekje eten, anders desnoods een paar bloemen, aardig op een blad
geschikt, dat is al genoeg voor den dagelijkschen dienst. Natuurlijk bij
groote gelegenheden komt er meer aan te pas. Als iemand ziek is,
bijvoorbeeld, wat immers altijd de schuld is van een boozen geest, dan
begrijpt een ieder, dat die geest al in een bijzonder booze bui
verkeeren moet en dat er dus iets bijzonders gedaan moet worden om hem
weer in zijn humeur te brengen, zoodat hij toelaat, dat de zieke beter
wordt. Daarom worden bij epidemieën groote godsdienstige feesten gevierd,
waarop de booze geest wordt voorgesteld onder de gedaante van een
reusachtigen, rood-en-goud-geklauwden tijger, wiens woede bedaart door
het gezang en den dans van prachtig gekleede kinderen. Hier in het
Badoengsche, bijvoorbeeld, waar ik nu sedert eenigen tijd ben, heerschte
verleden jaar de cholera. Toen gaf de poenggawa van Mengwi, die
buitengewoon gezien is, omdat men hem voor zeer geleerd in geheime
wetenschappen en eigenlijk voor een toovenaar houdt, zulk een feest: de
tijger was een tijger, zooals hij bij zulk een voornaam heer past: hij
had een gouden kop en een gouden staart, en zijn geheele lichaam was
bedekt met pauweveeren. De dansers die voor hem dansten, de wierook die
werd ontstoken, de instrumenten waarop muziek werd gemaakt, het was
alles van het allerprachtigste. Tegen zooveel beleefdheden was de booze
luim van den cholera-geest niet bestand. Het bestuur, dat rivieren en
leidingen had doen desinfecteeren, zag dat het zich die moeite had
kunnen besparen. Dadelijk na het feest te Mengwi nam de cholera af en na
een korten tijd was er in heel Badoeng geen zieke meer. Zulke
“verzoenings-feesten” hebben echter nooit meer dan een tijdelijke
uitwerking. Het is noodig, daarom, de geesten in den waan te brengen van
tijd tot tijd, dat er in het geheel geen menschen meer zijn op Bali, aan
wie zij hun toorn en wrok kunnen koelen, dan blijven zij vanzelf weg.
Voor een poosje althans. Dan wel is waar komen zij toch weer terug. Maar
de Balische geestenleer ignoreert zulke kleinigheden. Een maal in het
jaar daarom wordt de groote plechtigheid van het “Eenzaam Maken”
gehouden. Met vreeselijk getier, geschreeuw, gegalm, met slaan op gongs
en op houtblokken worden alle geesten uit hun schuilhoeken opgejaagd en
mettervlucht de lucht ingedreven. Dan trekken de Baliërs zich terug in
hun huizen en sluiten de dorpspoorten. Vier-en-twintig uren lang mag
niemand zich op den weg vertoonen, mag geen licht schijnen, geen vuur
branden, moet het geheele eiland verlaten lijken en leeg. Werken op de
sawah, koopen en verkoopen op de markt, blijven gedurende verscheidene
dagen nog verboden. Het gebruik, dat den nieuw opkomenden handel van den
Pasar belemmerde, is voor deze streek onschadelijk gemaakt door een
vaderlijke list van het bestuur; de Balische geesten, heeft het
verklaard, hebben het alleen op Balische menschen voorzien; op
Europeanen, op Chineezen, Arabieren en al het overige “Islam-volk,”
slaan zij geen acht. Zijn er dus slechts geen Baliërs op den weg dan
geldt voor de geesten Bali als ledig en verlaten, en zij vliegen ver weg
van dat woeste land. Met die uitlegging hebben de Baliërs volkomen
genoegen genomen. Nu blijven zij in hun huizen terwijl de handel zijn
ongestoorden gang gaat, en beide partijen zijn tevreden. Het zal
overigens misschien zoo lang niet meer duren of ook Baliërs—zij krijgen
bij den dag meer belang en rechtstreeksch aandeel in den al levendiger
wordenden handel—zullen er iets op vinden om mede te profiteeren van
deze schikking met de geesten.
Wat de goden betreft, die zijn goed en eischen geen offers ter
verzoening, maar offers van hulde en dankbaarheid alleen. Die worden hun
dan ook met genoegen gebracht. Geen erf of men ziet bloemen liggen in de
“godenhuisjes” en een van bladreepen gevlochten versiersel voor de nis,
naast de poort, van den “taksoe,” den dienenden geest die als
bemiddelaar optreedt tusschen menschen en goden; geen dag in het jaar of
men ziet offeraars, feestelijk gekleed en sierlijke schalen vruchten en
bloemen dragend, op weg naar de tempels. Er zijn er ten minste drie in
elk, zelfs het kleinste, gehucht: de dorps-tempel, om zoo te zeggen het
geestelijke gemeentehuis, waar alle openbare zaken behandeld worden, en
tevens feesten gevierd en gasten—goden zoowel als menschen van elders—geherbergd;
de tempel op of bij de begraafplaats, waar de dooden de verbranding
wachten, aan de doodengodin Doerga gewijd: de tempel aan het strand, ver
gelegen soms van het dorp, maar niettemin aan dat dorp behoorend, waar
de goden der zee worden geëerd. Op grootere plaatsen wordt dat getal van
drie een veelvoud van drie. Te Singaradja bijvoorbeeld, te Karang Assem
en hier te Badoeng1 zijn er tempels meer dan buurten en wijken. Zij
vertoonen alle hetzelfde type: dat van het Balische erf in het groot en
in het mooi. Rondom loopt een muur, bij de “armere” tempeltjes van klei,
bij de “rijkere” tempels van steen; twee poorten, een op het Zuiden, een
op het Westen, staan daarin open: uit den voorhof, waarheen zij toegang
geven, leidt een derde poort tot het heiligste binnengedeelte, dat door
een versierden muur, een soort steenen scherm, vlak achter die poort
gebouwd, wordt beschut tegen den blik van voorbijgangers, juist zóo als
de Baliër zijn huiselijkheid tegen den blik van den vreemde-op-de-straat
beschut. In dat binnenste gedeelte staan de woningen van de goden, van
de mindere, de Dewa’s, en van de hoogere, de Batara’s, die sierlijk zijn
al naarmate de huizen van hun aanbidders dat ook zijn; soms enkel maar
van bamboevlechtsel en in de zon gedroogden steen; soms gemetseld, en
versierd met beeldhouwwerk, door steenen monsters bewaakt, gedragen op
beschilderde en vergulde pijlers, en van deuren voorzien, een en al fijn
gestoken werk, kleur en goud. De Chineesche invloed, die veel moois en
ook veel leelijks op Bali heeft teweeggebracht, is hier een erg storend
element; juist de mooiste tempels worden ontsierd door een optooiïng met
porcelein. Het is begonnen, waarschijnlijk, met Chineesche borden en
schotels, die althans op zich zelven mooi toonen, hoe leelijk dan ook
als toevoegsel aan architectuur. Op het oogenblik echter zit allerlei
grof goed in tempelmuren gemetseld; tot boeren-aardewerk van Regout toe,
zooals het volk van de Gooistreek het koopt op de Hilversumsche markt,
heb ik hier in het Badoengsche en in Mengwi gevonden. De soldaten van de
expedities van 1906 hebben hier en daar, alle discipline ten spijt,
geprobeerd de borden die hun de mooiste leken, uit het metselwerk te
lichten, en in die poging alles doen barsten en breken. Nu, leelijker
dan het was, kon het niet worden. Het is verdrietig om te zien; zelfs de
prachtige Meradjan Kesiman, een vorstelijke familie-tempel, is
geschonden door al die witte en bonte ronde plekken, als door een
afschuwelijken uitslag. Er is een inspanning der gedachte noodig om,
zelfs in de herinnering, daarover heen te komen.
Naar die vele tempels, Balisch gebouwd, Chineesch versierd, door
Hindoe-goden bewoond, gaan dag aan dag de honderden. De godsdienstige
feesten van het Bali-jaar zijn ontelbaar; bij alle belangrijke
familiegebeurtenissen wordt er een gevierd; evenzoo voor “den verjaardag”
van het vee, van de wapens, van de vruchtboomen en tuinen, van de kunst
van het lezen en schrijven. Ik had een geleerden Goesti op bezoek,
onlangs, toevallig juist op “den verjaardag van het letterschrift,” die
mij dat denkbeeld poogde duidelijk te maken. “Dit,” zei hij, en lei zijn
van ringen flonkerende hand op een brief, “dit noemt u letters: maar het
is een Godin! en deze dag is de dag, waarop zij, voor eeuwen “uit haar
moeder kwam.” Daarom vieren wij haar heden met optochten, en niemand mag
van morgen- tot avondschemering lezen of schrijven.” Daarbij keek hij
naar mijn pen of hij zeggen wou “het is u ook geraden dat maar te laten
vandaag.”—Behalve al deze algemeene feestdagen heeft elk dorp er nog
bijzondere voor zijn eigen bijzondere goden—de bijzondere goden, in wie
de oude beschermgeesten van den Heidentijd zoo licht te herkennen zijn.
Zoodat van de 420 dagen van het Balische jaar er weinig zijn, of geen
misschien, zonder den glans van een godenverheerlijkend feest; een
optocht soms, met galm van gongs en bamboekokers; op andere keeren een
dans van dessa-maagden en jonge mannen, of van kinders in de dracht van
krijgslieden en prinsessen; een tocht naar het zeestrand om een
wonderdadig beeld te baden; een pelgrimsgang, alle de tempels van een
landschap rond, waarbij de meegedragen goden elkander bezoeken; en,
altijd, een vroolijk maal aan de offeranden den goden aangeboden,
waarvan de hemellingen den geur alleen tot zich nemen, de substantie
overlatend aan hun aanbidders.
In het koepeltje hangt de koelkoel, het holle houtblok, dat dreunend
geslagen uit mijlenverren omtrek al het volk oproept.
En dat, offers en eerbewijs, is alles wat die goede goden den menschen
afvragen; het is maar voor de leus, als, een heel enkele maal, eens
wordt gerept van zedelijke verplichtingen. De goden-zelven nemen het
onder elkander óók zoo nauw niet, als ieder wel weet, die de heilige
verhalen kent. Een hulde-betoon dat op zichzelf een genoegen is; meer
vergen zij niet. En in ruil daarvoor geven de milden een gelukkig
bestaan op Bali en de eeuwige zaligheid in een hemel, die een
verheerlijkt Bali is.
Wat kan tegenover zooveel aangenaams, eenige andere godsdienst stellen?
En wat wonder als niet één er in geslaagd is in eenigen getale belijders
te winnen op Bali?
|
|
  |
|
Het verleden op Bali en de
toekomst |
|
Aan den grooten weg van Dèn Pasar naar Mengwi, tegenover het schoone met
Ganeça-beelden versierde torenkoepeltje van den “koelkoel” het holle
houtblok, dat dreunend geslagen, uit mijlenverren omtrek al het volk
oproept, daar ligt, modderig van nooit wegzakkende plassen en ruig
overgroeid, de ledige plek waar eenmaal de poeri stond van den Radja van
Pametjoetan; en de plaats is nog aan te wijzen van de poort, waaruit de
vorst met al de zijnen, vrouwen, kinderen, bloedverwanten, volgelingen
en slaven, dien vreeselijken uitval deed, den dood tegemoet, waarbij wie
niet viel door de kogels van den vijand, stierf onder de lanssteken van
den vriend, en vrouwen en kinderen elkander afmaakten met de kris. Aan
deze en gene der vele tempels van den omtrek der stad is de schade nog
te zien, door baldadigheid hier, bij ongelukkig toeval ginder,
toegebracht aan muren en beelden. Men hoort nu en dan van leden der oude
vorstenhuizen van Bandoeng, van Tabanan, van Gianjar en Bangli, die in
ballingschap leven op Lombok, en geregeld bezocht worden door hun
getrouwen. En men ziet een enkele maal in den dichten drom der
toeschouwers bij een hanengevecht of een of andere wayang-vertooning,
mannen die het litteeken dragen van een kogelwond of een lanssteek, en
die, soms, ontvlucht zijn uit den massamoord van 1906, en soms de door
ambulance en artsen uit den zieltogenden hoop geredden. Een ledige plek,
verminkte tempelmuren, litteekens: dat zijn de eenige zichtbare
herinneringen aan den grooten ommekeer die het verleden van Bali scheidt
van zijn heden en zijn toekomst. In de gedachte van het volk is er,
indien dat kan, nog minder van overgebleven. “De Baliërs denken alleen
aan hun eigen belangen. Om hun vorsten denken zij niet!” Een Wessya, die
met mij sprak over vroeger en nu, zeide dat met een zekere bitterheid.
Hij sprak als edelman: de tijd van de vorsten was ook zijn en zijner
gelijken tijd. Maar diezelfde woorden zouden op een anderen toon
geklonken hebben uit den mond van een Kaoela. En als het geringe volk de
vorsten vergeten is, dan komt dat, omdat het in de gelukkige natuur van
den Baliër ligt het kwade spoedig te vergeten; van hun vorsten hebben
zij zelden, indien al ooit, iets anders dan kwaad ondervonden. Goesti
Djilantik van Karang Asem is een uitzondering; een alleenstaande mag wel
gezegd; de overige Balische vorsten waren wat overal en altijd
alleenheerschers zijn geweest: dwingelanden. Zij en hun volgelingen
leefden van het kleine volk; en zij ontzagen het noch in zijn arbeid,
noch in zijn eigendom, noch zelfs in zijn lijf en leven. Zij hadden
honderd manieren voor éen om het bezit van den Kaoela tot het hunne te
maken: belastingen en heffingen tot in het oneindige; vonnissen voor
lichte overtredingen, waarvan verbeurdverklaring van veld, huis, vee en
alle overig bezit het gevolg was; naasting van de erfenis van hen, die
zonder zoons of allernaasten mannelijken bloedverwant overleden;
willekeurige grensveranderingen, waardoor de sawah van een Kaoela
plotseling de sawah van den vorst of van een zijner bloedverwanten of
edelen werd. Het volk kon nog van geluk spreken als zijn radja enkel
maar hebzuchtig was, en niet tevens wellustig en wreed. Er waren streken,
waar de mannen hun vrouwen en dochters met kerven over het gezicht
mismaakten, opdat de Radja hen niet zou doen oplichten en naar zijn
poeri sleepen. Het is nog maar kort geleden, dat de stedehouders van
Gianjar en Bangli bij verdrag met de Nederlandsch-Indische regeering
afstand deden van het recht weduwen en dochters van zonder zoon
overleden erflaters als slavinnen te nemen, evenals verstooten vrouwen
door den man als slavin aangeboden. Het is bekend, hoe in 1903 de zoon
van den pas overleden radja van Tabanan twee van zijns vaders vrouwen
tot den “vrijwilligen” vuurdood op diens brandstapel dwong. Minder
bekend, misschien, van welken aard de straffen waren waarmede de vorsten
overtredingen der adat-wet of, evengoed, persoonlijke “beleedigingen”
wreekten. Diezelfde Wessya, die zoo verontwaardigd sprak over de ontrouw
van het Baliërvolk aan hun vorsten, verhaalde mij afschuwelijke
bijzonderheden van terechtstellingen waarvan hij ooggetuige was geweest,
nog in 1905—ik zal ze den lezer besparen. En het volk van Karang Asem
spreekt nog met haat en vrees van den vorstenzoon K’toet, Goesti
Djilantik’s neef en doodsvijand, den zwaarlijvigen, vadsigen doe-niet,
die zijn genoegen vond in folteren. Het is te begrijpen, dat het volk
van Zuid-Bali, toen het, eindelijk, tot een botsing kwam tusschen de
regeering en de inlandsche vorsten, die vorsten hun eigene zaak alleen
liet uitvechten, en zich aan den vreemden overwinnaar gewillig
onderwierp. Zij konden het nooit slechter krijgen dan zij het hadden;
beter al heel licht. De uitzondering die Tabanan maakte, toen na de
gevangenneming en den zelfmoord van den vorst en zijn zoon, een opstand
uitbrak onder de aanvoering van eene zijner dochters, was een
uitzondering alleen in schijn. De Radja-dochter gedroeg zich als een
door de Godheid bezielde. Een dergelijk geval heeft zich nu pas in het
Kloengkoengsche voorgedaan, op kleine schaal. Door een beroep op zijn
godsdienstige gevoelens is de Baliër altijd te winnen. Maar zelfs toen
lieten de meesten het bij offers en wierook, die zij aan de prinses en
hare volgelingen aanboden als aan goden. Toen het op vechten aankwam,
vluchtte het grootste getal ook van hen die haar gevolgd waren. De
opstand was voorbij nog eer hij goed begonnen was, en de prinses, die
vóor het eerste treffen al een toevlucht had gezocht in het gebergte,
werd verlaten zelfs door haar bloedverwanten, die haar als Radja hadden
beloofd te huldigen. De weinige gewonden zochten vertrouwelijk de
ambulance op, om zich te laten verbinden, en de leiders boden, zonder
eenige vrees, hun onderwerping aan bij de regeering: zij hadden aan de
Godheid gehoorzaamd door te willen vechten; nu zij het verloren hadden,
waren zij wel tevreden weer naar huis te mogen gaan. Het doorslaande
bewijs van de eigenlijke gezindheid van den kleinen man in Bali werd het
volgende jaar, 1908, gegeven door de bevolking van Gianjar: een optocht
van eenige honderden kwam naar Dèn Pasar met het verzoek om uitbreiding
van het rechtstreeksche bestuur over Gianjar. Hun verzoek werd niet
ingewilligd: maar, langs een omweg verkregen zij toch wat zij verlangden,
zekerheid van eigendom en leven. De eenigszins ingewikkelde toestand was
deze: de vroegere Radja van Gianjar, de toenmalige stedehouder, was wel
gewillig tot toegeven aan de rechtmatige eischen van het volk, maar hij
dorst niet te handelen, uit angst voor een overmachtigen vazal, den
Tjokorda van Oeboet. Die was, en is nog, een der rijksten, zoo niet de
allerrijkste van Bali; door zijn schatten aan goud en juweelen, door
zijn uitgestrekt grondbezit en door de menigte van zijn
heerendienstplichtigen, schuldenaars, en volgelingen, vrijwillige en
gedwongene van alle slag, had hij de werkelijke macht in handen, waarvan
de Radja alleen maar den schijn bezat. En hij gebruikte die macht om een
ommekeer van zaken te beletten, die hem er van berooven zou. De optocht
der honderden naar Dèn Pasar echter was hem een waarschuwing. Hij
besloot dreigende gevaren te voorkomen. En om niet de mindere te worden
van andere rijksgrooten, bood hij de regeering zijn hulp aan bij het
invoeren van nieuwe wetten en bepalingen, die hun aller macht evenzeer
beperkten als zij het zijn eigene deden. Zoo heeft hij dus Gianjar van
zichzelven bevrijd. Er is nu, in de practijk, geen noemenswaardig
verschil meer tusschen den toestand van het volk van Gianjar onder het
bestuur van den stedehouder, en dien van het volk in de rechtstreeks
bestuurde landschappen.
In het Badoengsche beter nog dan elders, kan men zien hoe goed reeds nu
en met den dag nog hoeveel beter wordend, die nieuwe toestand is.
Het bestuur is begonnen met het eerst-noodige: goede wegen en bruggen.
Daar heeft eerst, natuurlijk, het volk veel tegen gehad: het is zwaar
werk wegen te bouwen in de tropen: de diensten die zij, zonder betaling
voor den vorst verrichtten, waren lang zoo zwaar niet geweest als deze
nieuwe heerendiensten. Maar ten slotte kwam de ervaring die hun leerde
dat zij met deze nieuwe heerendiensten ook hun eigen belangen hadden
gediend. De cijfers van in- en uitvoer uit de voornaamste haven van Zuid-Bali,
Benoa in Badoeng, zijn welsprekend. Een vergelijking van die over 1908
met die over 1911 toont dat de invoer méér dan verdubbeld, de uitvoer
bijna verdubbeld is: invoer 1908 voor een waarde van ƒ 646,280; 1911
voor ƒ 1,455,164; uitvoer 1908 voor ƒ 1,141,781; 1911 voor ƒ 2,179,209.
Het verschil kon nog sterker zijn als niet oude sleur nog een groot
gedeelte van den uitvoer, die van vee vooral, voortdreef langs de
gewende hoewel slechte wegen naar de havens in Noord en West. Maar
waarschijnlijk zal die gewoonte vanzelf wel uitsterven; te eer nu de
nieuwe haven er komt te Serangan tegenover Benoa (eergister werd het
Regeeringsbesluit bekend, dat den bouw toestaat) zoodat ook de al
grootendeels gebouwde weg van Dèn Pasar naar zee, waarmee gewacht werd
tot er zekerheid zou zijn omtrent de haven, nu voltooid zal worden.
Vroeger was de handel voornamelijk het bedrijf van vreemde Oosterlingen,
Chineezen vooral, die hier woonden als in de handelssteden van
middeleeuwsch Europa de Joden, rijk, geminacht en altijd bedreigd met
afpersing. Nu zal ook de Baliër zijn deel daaraan krijgen. Het begint al
met de copra; in het Karangassemsche zag ik een kelapatuin die zijn
eigenaar ƒ 4000 winst opbrengt in ’t jaar; de bewoner van een
onaanzienlijk huisje hier te Dèn Pasar zeide mij gemiddeld ƒ 13 per dag
te verdienen met den verkoop van copra. Van regeeringswege worden
inlichtingen verstrekt omtrent de beste wijze van bereiding. Er zal nog
veel meer verdiend worden als de Baliër zijn vruchten den tijd tot
rijpen laat, en enkel in de zon inplaats van op het vuur droogt. Het
strenge toezicht op den veestapel en het verbod van uitvoer van de beste
exemplaren, vroeger roekeloos aan Chineesche en Europeesche opkoopers
afgestaan, hebben ook den veerijkdom vermeerderd. En de bemoeienis met
den akkerbouw, den rijstoogst. Sedert de vaccinatie is ingevoerd, zijn
de pokken verminderd, vroeger hier endemisch, zóó, dat het volk den tijd
rekende naar de periodisch terugkeerende hevige uitbarstingen van de
ziekte. De dwang tot althans een eerste begin van zindelijkheid werkt
gunstig op den algemeenen gezondheidstoestand. Die voordeelen, die de
menschen elken dag in de beurs en aan den lijve ondervinden hebben hen
gaandeweg verzoend ook met wat hun in het begin hard viel. De
heerendiensten trouwens zijn hier niet zwaar. Als er in de weinige jaren
sedert de vestiging van het Nederlandsch gezag al zoo zeer veel is
verricht op Bali, meer dan in één van de Buitenbezittingen, dan komt dat
door de veelheid der handen, die het werk licht maakte. De
heerendienstplichtigen komen niet meer dan 40 dagen in het jaar uit:
maar zij tellen bij duizenden. Zuid-Bali heeft een bevolking van
gemiddeld 175 zielen op de vierkante mijl: 600,000 ruim in het geheel.
Evenmin als de belasting in arbeid, drukt de belasting in geld hen zwaar:
de landrente over het geheele zuiden van het eiland bedraagt niet meer
dan ruim een half millioen. Eene andere belasting wordt in Zuid-Bali van
inboorlingen niet geheven.
Het beschavingswerk is, natuurlijk, nog pas in zijn begin. Het wegennet,
moet uitgebreid over het geheele eiland: er moet gezorgd voor voldoende,
zuiver drinkwater; voor middelen van verkeer, sneller dan de Balische “grobak;”
voor uitbreiding van telegraaf en telefoon; voor scholen—de weinige die
er reeds zijn, kunnen de aantallen van onderwijs begeerenden niet bergen—;
voor geneeskundige hulp, die altijd door verlangd wordt door veel meer
zieken dan geholpen kunnen worden. Zeker moet ook, op den duur,
rechtsgelijkheid verkregen: de triwangsa, die over het algemeen niet
meer dan 5 pct. van de geheele bevolking uitmaakt, geniet, ondanks alle
sedert kort ingevoerde beperkingen, toch nog altijd groote voorrechten
boven het Kaoela-volk, dat langzamerhand ongeduldig wordt onder dien
door niets meer gemotiveerden toestand. Daarmee zou tegelijk de hardheid
vervallen, waarmede kastevermenging wordt gestraft, zelfs nu nog, nu het
Hollandsche bestuur de doodstraf van vroeger heeft vervangen door
verbanning. En zoo is er nog veel begeerlijks, dat de Baliër het recht
heeft van den Hollander te verwachten, om niet eens—als iets dat vanzelf
spreekt—te noemen den plicht om den inboorling te beschermen tegen
mogelijke verdrukking door de overmacht van het Europeesche kapitaal,
als het zich eenmaal hier gevestigd zal hebben. Niemand kan ook de
schoonheid aanschouwen van de Balische kunst in architectuur, tooneel en
dingen van dagelijksch gebruik, zonder den wensch, dat alles beschermd
moge blijven tegen ongunstige invloeden uit het Westen. Met die
bescherming is gelukkig al een begin gemaakt: van den assistent-resident
van Badoeng is een plan uitgegaan—en door alle poenggawa’s van het
rechtstreeks bestuurde gebied zoo goed als door de “zelfbesturen” is het
met instemming aanvaard—om te Dèn Pasar een museum te stichten, een
complex van gebouwen, dat een model van Balische architectuur en een
schatkamer tevens zal zijn van Balische kunst. Elk landschap zal er zijn
eigen gebouw hebben, in zijn eigen trant opgetrokken, waarin zijn
eigenaardige stijl in voorwerpen van dagelijksch gebruik een uiting
vindt en de voortbrengselen van zijn nijverheid tentoongesteld worden.
Het zal geen doode verzameling wezen van allerlei en nog wat. De tempel,
die erbij behoort, zal open staan, als elke poera; en het groote bad, de
“pantjoeran,” wordt ingericht voor dagelijksch gebruik. De opbrengst van
het voor verkoop tentoongestelde zal dienen voor onderhoud van het
museum, waarvoor men vreemdelingenbezoek mag verwachten, zoodra wegen
voltooid en een nu nog zoo goed als ten eenenmale ontbrekende
gelegenheid tot verblijf tot stand gebracht zal zijn. En dat aldoor
aanschouwde en door vreemden bewonderde voorbeeld van zijn eigen kunst
zal, zoo mag men hopen, helpen om den Baliër te beschermen tegen
navolging van uitheemsche wansmakelijkheden.
Dit alles is zeer te hopen en zeer goed te bereiken ook: in het geheel
geen onbenaderbaar ideaal. Maar er voor noodig is, behalve inzicht en
goede wil, kracht: een kracht, die oneindig grooter moet worden dan zij
nu nog is, om werkelijk iets blijvends tot stand te kunnen brengen. Er
zijn hier mannen noodig en vrouwen ook, die hart hebben voor het werk
der beschaving, het schoonste, dat de Westerling in het oude Oosten
volbrengen kan, en het éénige dat zijn verovering en zijn tijdelijk
bezit van des Oosterlings land rechtvaardigt.
Mochten zij toch, en spoedig, komen!
|
|
 |
|
|
|
  |
|
Previous |
|
|
|