|
Bali 's Historie van de 6
de eeuw tot 1949 |
|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
1911 Zwerftochten door Bali |
|
Door Henry Hubert van Kol, Lid van de
Eerste Kamer der Staten Generaal |
|
Inleiding |
Beperking is noodig, wanneer men schrijven wil over dit merkwaardige
eiland door mij in 1879, 1881, 1902 en 1911 van verschillende zijden
bezocht en duchtig doorkruist. Een vergelijking van de toestanden vóór
en na de annexatie, zal grootendeels aan den belangstellenden lezer
worden overgelaten. Op de aanleiding en het verloop der laatste
expeditie zal, voor zoover noodig, bij elk landschap afzonderlijk de
aandacht worden gevestigd, waarbij achtereenvolgens Karang Asem,
Kloengkoeng, Bangli, Tabanan, Gianjar en Badoeng worden behandeld. De
reeds oude afdeling Boeleleng (met Djembrana), waarover reeds zoo vaak
werd geschreven, blijft thans onbesproken en eenige onderwerpen van
algemeenen aard, als het vroegere Vorstenbestuur, de rechtspraak, de
godsdienst en het kastenstelsel, zullen, benevens de economische- en de
volksontwikkeling, het volkskarakter, de volksgezondheid, en het lot der
vrouw op Bali, bij de behandeling van een der opgenoemde landschappen
worden ingelascht. Hoe verleidelijk dit ook wezen moge, aan een
beschrijving van het vele, dat de minnaar van de schoonheden der natuur
daar kan genieten, zal ik ml] niet wagen; het lot der bewonen en de
gevolgen van onze inmenging in hun bestuur eischen al m^n aandacht Doch
een kreet van bewondering moet mij uit de borst over dit land en zulk
volk, waar alles zoo geheel anders is dan op Java, zoowel de wolken als
de bodem, de planten als de diemi, de menschen als hun godsdienst, zeden
en gedachten. Dat land waar alles Iets flinks en oprechts heeft, en het
leven in deze blijde wereld, dat er, vrij van vreemde invloeden, zijn
vleugels kon uitslaan; dat er een bekoring heeft, waaraan hij die
eenmaal Bali bezocht, zich nooit meer kan onttrekken. Bali, Bali, met
weemoed blijf ik u herdenken I
Op Maandag 28 Aug. 1911 bracht de stoomer Valk mij in 8 uren van
Banjoewangi naar Boeleleng, wat volgens de legende «de vrouw met het
scheeve hoofd" schijnt te beteekenen. Kalm gleed onze boot door de
rustige wateren dicht onder de Oostkust van Java, voorbij de donkere
basaltmassa van Watoedodol, waarachter de Kawah Idjen zijn rook uitstiet
hoog boven de wolken. Den grillig gevormden Goenoeng Baloeian kwamen wij
nader, en in de verte was de lichttoren van het Duiven-eiland zichtbaar;
alle plekjes, waar ik in mijn jonge Jaren zoo menigen voetstap had gezet
en zoo menigen zweetdruppel gelaten. Nauwelijks veranderde onze koers,
of kabbelende golfjes, als van een snelstroomende rivier, deden ons
vaartuig hevig slingeren, al werden het ditmaal geen .bakats", wraarmede
ik vorige malen maar al te goed had kennis gemaakt, en die reeds Houtman
in 1597 ^met sulcken furie, gewelt ende ghetier was teghen ghecomen,
dattet water schuimde," zoodat hij moest terugkeeren. Te Pabean
Boeleleng zette ik dus op het eiland Bali weer voet aan wal.
Bali, sedert 1882 een afzonderlijke residentie geworden, beeft een
oppervlakte van 5800 v. k. kilom., dus
ongeveer even groot als de residentie Madioen of de provinde Noord-Brabant
Het aantal inwoners wordt zéér verschillend geschat; het klimaat is er
gezond en opwekkend, heeft veel overeenkomst met dat in den Oosthoek van
Java. Van de talen die er gesproken worden, kan ik tot mijn spijt
slechts weinig mededeelen.
Het laag-Baiisch is de oude volkstaal, terwijl het hoog-Baliscb meer met
oud-lavaansche woorden, uit de tijden van Modjopahit, is vermengd.
Talrijke woorden waren voor mij herkentiaar, docb andere als „toekad" (rivier),
„wanen" (dapper), ,ngamab" (eten), „nèh" (pak aanl) enz., kon ik zonder
woordenboek niet terecbt brengen. „Ndoro", is de ook op Java bekende
beleefdheidsvonn, waarmede iemand wordt aangesproken, voor men weet of
bij al of niet van kaste is. Men schiijft steeds met een puntig mesje op
lontarbladen, die vooraf 14 dagen worden geweekt en dan gedroogd; om de
ingegrifte letters duidelijker te doen uitkomen, worden deze met de asch
van gebrande kemirinoten flink ingewreven. Wat, in de Oudheid, de
Grieken waren in de toenmaals be-
schaafde wereld, zijn thans de Baliers in ons Insulinde; zoowel wat hun
kunst en zeden, als wat hun sociaal, hun godsdienstig en politiek
gevoelen, hun genotzucht en hun onafhankelijkheidsgevoel betreft.
Hellas onder de tropische zon . Vrijmoedig en toch beleefd, gastvrij
en behulpzaam voor den vreemdeling, trotsch op hun land en hun tempels,
trouw aan bun Goden, hun desa's en soebaks, genieten zij een welvaart
als op Java niet bekend. Elke dag bracht mij nieuwe leering, verschafte
mij nieuwe kennis, en vergaarde ik
nieuwe ervaring door talrijke ontmoetingen en levendige gesprekken.
Langs een fraaien en breeden weg, gedurende mijn eerste bezoek, 33 jaren
geleden, voor gewone stervelingen nog onberijdbaar, bracht een vurig
span paarden mij in korten tijd van de havenplaats Pabean naar de
residentswoning te Singaradja. De vieze kleiwanden langs den weg waren
vervangen door nettegemetselde muren; de begraafplaats „Semo" was niet
meer te herkennen, en een fraai park verving de kampong vóór de nette
woning van het hoofd van gewestelijk bestuur. Doch overigens zijn de
ambtenaren van het B. B. op Bali nog ellendig gehuisvest; de controleur
van Kloengkoeng woonde in een afgekeurde opiumverkoopptaats; de
assistent-resident van Zuid-Bali moest tot heden nog wonen in een huis
van particulieren overgenomen ; de pasanggn^an van Tabanan heet een
broeinest voor malaria en dysenterie, enz. enz. Het éénige steenen
gebouw dat in de hoofdplaats Dèn Pasar wordt gebruikt, is het opiumdépOt,
en alom langs de wegen is het éénige steenen huis de opiumverkoopplaats,
die
dan ook als hötel en restaurant dienst doet voor doortrekkende Gouv.
reizigers. De Ned. Regeering zorgde beter voor de huisvesting van haar
heulsap dan van naar ambtenaren.
In hoofdtrekken werd de volgende reisroute gevolgd. Van Singaradja
naar Ampenan, een kort nachtelijk uitstapje naar Mataram (Lombok), en
toen naar de haven van Benoea en de hoofdplaats van de ass. residentie
Zuld-Bali, Dèn Pasar. Van Dèn Pasar naar Sanoer en naar Tabanan en terug,
om daarna over Soekawatie
en Oeboed, Gianjar te bereiken; van hieruit naar Kloengkoeng en langs
den strandweg — voorbij Koesambe, Ooewa Lawas, en Mangus — naar Karang
Asem, van waaruit de haven Oedjoei werd bezocht Over Selat en Rendang
liep mijn weg van Karang Asem naar Bangli, van waaruit een dagtocht naar
Tlikoep werd gemaakt om een lijkenverbranding bij te wonen. Noordwaarts
ging het toen van Bangli over Bangklet en Kintamani aan het
Batoermeer naar Koeboe Tambahan en Singaradja, van waaruit 27 Sept. de
terugtocht naar Java werdondernomen. Nadere détails dezer 31-daagsche
reis, zullen bij elk der Landschappen — en ik bezocht ze alle — worden
medegedeeld.
Volgens een opgave in de Ind. Gids van 1883 I p.733,telde de
toenmalige 7 (thans 6 staatjes, daar Mengwl werd verdeeld) in het geheel
623.600 inwoners, waarvan 2.430 Chlneezen en 11.100 vreemde Oosterlingen,
die vooral In Badoeng verblijf hielden. Volgens de laatste opgaven wonen
er 640.000 menschen, dat isongeveerveer 190 per vk. K.M
Rond te zwerven door die prachtige landschappoi, na eens te midden
der ongerepte en majestueuse natuur, dan weer door fraaie rijstvelden,
langs hooge bergen en trotsche vulkanen met liefelijke meren en
vriendelijke dalen dan wel ijzingwekkende avonden, is een waar genot .Doorsnijdt
men de prachtige rijstvelden, afge-
wisseld met het donkere groen der klappertuinen, dan streeltvroolijk
geklater der ontelbare watervalletjes het oor; heeft men een bergtop
bereikt dan treft een onvergetelijk panorama het oog met een wazigblauwe
zee op den achtereind en een azuren hemel boven het hoofd.
De wegen zijn meer bruikbaar en beter berijdbaar dan bij mijn
voorlaatste bezoek; het wemelt er van karretjes, waarin mooie vrouwen
met naakte bovenlijven lachend heen en weer schommelen. De steile
hellingen of trappen van kalisteenen (zelfs te paard moeilijk te
overwinnen), en langs een effen baan vervoeren grobaks en pik paarden
allerlei goederen, drijven ranke kerels prachtig vee voor zich uit,
wandelen vrouwen met kruiken op het hoofd, kakelen klppen invoor de
voeten van den voorï)yganger, kraaien vechthanen in
hun korven een strijd- dan wel een minnelied. Bonte tempelpoorten, door
grijnzende wachters bewaakt; hooge kleimuren met slechts een enkele
smalle poort, ,koeri", niet dan langs een steenen trap bereikbaar, en
waarover (tot smaakvoIIe figuren gevlochten) lontar- bladeren zijn
opgehangen, terwijl boven die muren talrijke offernisjes uitsteken,
vormen de dorpsstraten, vaak in breede, beschaduwde lanen herschapen.
Doch laat mij liever een kunstenaar aan het woord laten, die meer dan
een onzer de schoonheden van Bali in zijn hart heeft opgenomen en door
zijn teekenstift zoo meesterlijk weergegeven, W. o. J. Nieuwenkamp,
zooals hij door een man met zulk fijn artistiek gevoel als Rouffaer
wordt ingeleid:
.Alles wat daar (op Bali) de Inlanders bouwen, schijnt slecbis te
strekken om de trotsche natuur des te geweldiger te doea schenen; hun
huizen, en vooral hun tempels, versteende bioemboomen gelijk, vormen
geen schrille contrasten met de omgevingi maar lossen er zich in op en
vormen er één geheel mede" '). Hem
treffen, schrijft Rouffaer, „de eindelooze rijstvelden, de geheimzinnig
donkere wouden, de diepe afronden, de vredige dalen met hun vlietende
kreken, de in nevel gehulde bergtoppen, de dreigende kraters, de stille
bergmeren, de koele schaduw van varens en palmen, de kusten met hare
vlakke stranden of hemelhooge kalk-
rotsen en uiteenspattende branding, en daarbij de dorpen met hunne
drukke markten, de gehuchten van schamele hutten, de prachtige
tempelhoven met slanke, wonderlijk gevormde poorten, de van booge
kleimuren omringde paleizen en woonerven."
En dan, na deze beschrijving van het milieu, hoe innig voelt men bij
deze beide mannen, evengoed als bij Augusta de Wit en alle
niet-Imperialisten die den Balier leerden kennen, hun vurige sympathie
voor dit merkwaardige volk.
,De Baliers," verklaarde de oud-controleur J. C. van Eerde, ,zijn een
krachtvolk, het beste uit onzen heelen archipel . Wie voortaan, na
Nleuwenkamp's rijken schat van allerlei illustraties, nog durft beweren
dat de Baliérs niet zijn een volk van verwonderiijken kunstzin en kracht,
iets prachtigs en verheffends in onzen Indlschen archipel ~ laat dien
gaan en praten I" En dan, denzelfden indruk weergevende, dien ik in
1902, dus
vóór ons gewelddadig ingrijpen, in zoo sterke mate ontving, na de
hartverscheurende ellende in Midden-Java en elders aanschouwd.
Was het wel noodig zooveel bloed te doen vloeien, zooveel tranen te doen
storten? Waren die expeditifin onvermijdelijk? Bezaten wq het moreele en
politieke recht daartoe, en zullen de schoone beloften worden vervuld?
Zal Nederland, als eenmaal zeKs een Kielstra dichtte : .den Balifir de
zegeningen van ons be-
stuur doen deelen, en als een reusachtige waringintioom, rust en schaduw
aanbieden aan allen, die zich daaronder nedervleien" ')?
Die vraag laat zich niet met een enkel woord beantwoorden; hel vóór
en tegen moet zorgvuldig in de weegschaal worden geworpen en dan nog is
een beslissing moeilijk te nemen. Zal een Regeering, die na 3 eeuwen
bestuur den Javaan neerdrukte in hurking, z^n hoofd deed buigen, zijn
rechtsgevoel dempte en
zijn lust naar vrijheid doofde, geschikt zijn bij den fieren Balier hare
taak, vrijwillig op zich genomen, te vervullen? Zal zij, waar ze op Java
slechts verdrukking bracht en ellende, op Bali den Inlander nog meer
welvaart brengen dan reeds zijn deel was? in de volgende artikelen
zullen slechts gegevens worden verzameld,
medegedeeld wal ik zag en hoorde, aan den lezer dan verder het einde
oordeel overlatende. |
|
IN HET LAND VAN GOESTI
DJILANTIK. |
|
A. VAN GOEWA LAWAS NAAR DE HOOFDPLAATS.
Karang Asem , het land van den wet eens als ,den Bismarck van Bali"
gekenschetsten Vorst, werd door mij, komende van Kloengkoeng, langs den
heeten strandweg tot aan de hoofdplaats en de haven Oedjong te paard
doorreden om het — na een vrij langdurig verblijf — over Selat en
Rendang gaande naar Bangli
te verlaten. Bijna geheel in beslag genomen door den G. Agoeng of Piek
van Bali en het Seraja-gebergte, vloeit het regen- water door korte,
smalle en diep ingesneden kloven naar zee, wat den aanleg van wegen en
bevloeiingswerken moeilijker maakt Zwaar bevolkt, is alle bruikbaar land
bereids ontgonnen, moet er
jaarlijks rijst worden ingevoerd, doch verlaten de bewoners slechts
ongaarne het land hunner goden en van hun geboorte.
Niet lang was ik, 9 Sept. 1911, het zwarte duinzand van Koesambe
voorbij of aan de Goewa Lawas moest worden halt gehouden. Aan den voel
van een heuveltop, als een kaap in zee uitstekende, had zich een sombere
grot gevormd, waarin talrijke vleermuizen rond fladderden of roerloos
aan het plafond hingen. Nu en dan
komen een paar lichtgroene reuzenslangen met platte koppen te voorschijn,
zonder iemand of iets eenig letsel te doen, om dan weer terugkeeren in
hun geheimzinnig en duister verblijf. Méroe's met 7 en H afdaken,
benevens een reeks offemissen en goden- huisjes, wezen op de heiligheid
dezer plaats, waar kort vóor de verovering van geheel Zuid-Bali een
drietal Vorsten , bijeenkwamen om over hun houding tegenover de
Nederl. troepen te beraadslagen. De Tjokorda van Bangli, Sema-rabawa uit
Kloengkoeng en Ooestt Bagoes van Karang Asem, zwoeren elkander trouw te
blijven tot in den dood, bij hun verzet tegen de annexatielusten van het
Nederl. Gouvernement.
G. Djilantik voorspelde aanschouwelijk de toekomst, die hun gewapend
verzet stond te wachten, door een ei tegen den rotswandte pletter te
weipen. .Badoeng's Vorst was het ei dat vernield zou worden; de
Compagnie kreeg als de rots, eentie spatten, door een witkwast spoedig
op te ruimen, doch het aloude Vorstengeslacht zou voor goed van den
aardbol verdwijnen
Deze profetie werd vervuld.
Aan godenbeelden natuurlijk geen gebrek; een groote N^a was
ondergebracht in een afzonderlijk gebouw; godinnen met olifants- snuit
en een beeld diep verscholen in de grot, die, naar de Baliers beweren,
doorloopt tot aan de groote Poera te Besaki vulden de ruimte. Op den
voorgrond lagen rotsblokken, die, naar bet
heet, soms een rooden gloedtint aannemen. Als versiering van de
tempelwanden deden fraaie borden met Chineesche figuren dan wel met de
Halve Maan der Arabieren dienst, waarvan echter meerderen waren gestolen
en dat niet door inboorlingen ....
De kuststrook, volgende op O. Lawas tot aan Manggis, had in vroegere
jaren veel geleden door de onderlinge twisten van Kloeng koeng en Karang
Asem ; thans was daar alom een rijke klappercultuur ontstaan. In sommige
zware boomen zag men holle klapperstammen hangen met een kleine opening
in het middenschot, waardoor een bijenkorf was ontstaan. Op 22 K.M.
afstand van den voormaligen zetel van den Dewa ^oeng werd te IManggis de
snikheete voor- galery der opium-verkoopplaats bereikt, waar op een
harde bank en bij schraal voedsel op den maneschijn werd gewacht om de
resteerende 20 K.M. des nachts af te leggen. Langs den weg naar Mangis
getuigden hooge wadaks van een naderend lijkverbrandingsfeest, terwijl
op den top van een hoogen heuvel eveneens toebereidselen voor
godsdienstige feesten in gang waren.
De straat- dan wel erfmuren alhier, waren van langwerpige harde
kleiballen gemaakt, die bij de opeenstapeling kleine tusschenruimten
overlaten, waardoor uitzetting van de klei mogelijk is, en het
elders zoo hinderlijke scheuren der wanden wordt voorkomen.
Vaak moest in den pikdonker, voetje voor voetje, met het paard aan de
hand, de steenachtige bodem van ravijnen worden gepasseerd, waarbij soms
de smeekende welluidende tonen eener meteriange fluit aan de prachtige
schets van Augusta de Wil, in haar „Orpheus in de desa", deed denken.
Stil voortgaande tusschen
de hoge desamuren stond ik soms lang te luisteren naar het melodieuse
voorlezen van Balische verhalen uit lang vervlogen eeuwen, waarnaar de
jongelieden aandachtig hoorden, om nu en dan in koor een zacht refrein
aan te heffen. Langs den weg buiten de bewoonde dorpskommen moest men
zich hoeden voor de pakers van .sambal toelang" heesters, aan wier
bladeren druppels hangen ,die het oog blind maken", en eveneens zich
wachten voor de kale takken van den „raweh-matjan"-boom, die over ons
pad hingen, en waarvan elke aanraking met sterken jeuk dan wet wonden
die wekenlang niet genezen, moet worden geboet. De talrijke papaja's op
de desa-erven getuigden van een groote voor- liefde dezer bevolking voor
opium, waarvan de as&ingeerende eigenschappen aldus worden bestreden.
Daar men te Manggis bij gebrek aan gras onze paarden droog duinkruid,
misschien wd van de .padang boebeng" had laten eten, begonnen deze te
hoesten en later te braken en zoo viel de zware tocht, dien zij heden
moesten afleren, hun verre van gemakkelijk. Ongeveer 8 KM. vöor Karang
asem -werd de desa Boegboeg doorsneden, waar een eigen taal wordt
gesproken, al behooren de bewoners daarvan, vanwege hun gebruik der
lijkverbranding, waarschijnlijk niet tot de aloude Ball ^a.ga.Mendira,
waar vele kalicbranderljen worden gevonden, is uitsluitend door
Mohammedanen bewoond, die in goede verstandhouding leven met hunne
Hindoe-vereerende buren. Het was laat in den nacht, eer ik voor de
tweede maal in de hoofdplaats van Karang Asem belandde, wel eens
bij een Balischa Parijs vereleken, waar de mannen van het Rijk heengaan
om hun geld te verteren door dobbelen op hanen, door het schuiven van
opium, dan wel door het bezoeken van bordeelen, en waar talrijke vrouwen
zicb vestigen om aldus geld te verdienen. |
|
B. BIJ O .GOESTI DJILANTIK |
Als Vorst bemind door zijn volk; gehaat en bestookt door zijn naaste
bloedverwanten ; tot kort geleden gewantrouwd door de Indische Regeering,
stond deze Oosterling steeds tusschen landgenoot en vreemde
overheerschere. Westerlingen, waarvan hij de kracht der wapenen maar al
te goed had leeren kennen. Diplomaat bij uitnemendheid, trachtte hij
immer door uitstel de gemoederen te verzachten om een botsing te
voorkomen. Zoowel in het heilige dom van Goewa Lawas, als tijdens den
Lombok-oorlog had z^n vraag: „wanneer het ei wil vechten tegen den steen,
wie verliêst dan?" geen ander doel, dan om fiere karakters en mannen vol
rechtsgevoel te doen buigen voor het nu eenmaal onvermijdelijke noodlot
dat hun wachtte. Daardoor heeft O. Djilantik zoowel Nederland als Ball
het verlies van talrijke menschenlevens bespaanL
Het domme geluk heeft den man des gewelds, den G. Q. v. Heuts, een
dapper soldaat doch een bekrompen en roekeloos staatsman, gediend bij
zijn imperialistisch drijven. Had O. Djilantik met iqn oi^niseerend
talent de zijde der Balische Vorsten gekozen, dan wel ware de raad
opgevolgd van den Radja van Bangi, om een
guerilta-krijg te voeren- in plaats van zich ten doode te w^den, veel
grootere offers aan bloed en tranen waren geplengd.
Negen jaren was het geleden, dat ik onder drukke gesprekken menig uur
doorbracht in de poer! van dezen Vorst, waar mij gastvrijheid was
verleend. Thans, nu in Karang Asem een pasanggrahan wordt gevonden, nam
ik d^ mijn intrek, doch v«zuiinde niet mijn ouden vriend herhaaldelijk
te bezoeken en z^n oordeel in te winnen. Z^n wangen zijn holler geworden,
zijn lichaam ouder — hij telt thans 74 jaren; doch even vurig schitteren
n^
de gitzwarte oogen in het sprekend gelaat, en even levend^ zijn nog de
gebaren, waarmede hij zijn korte, doch goed doordachte zinsneden
begeleidt Zijn lust naar leeren is nog even groot. zijn zucht tot vragen
naar alles en nog wat, niet in het minst getemperd. De schijnbaar
hardvochtige man met zijn stoere trekken
bleef levenslang trouw aan zijn jeugdige liefde voor een dochter van den
laatsten Vorst van Lombok, en daarom, toen deze verbintenis onmogelijk
bleek, steeds ongetrouwd. Kort geleden nog in levensgevaar doordat zijn
hart dreigde stil te staan, was hij door wantrouwende Baliers
gewaarschuwd tegen het vergif dat de
Europeesche dokter hem zou toedienen. Half bewusteloos lag deze
menschenkenner op zijn sponde, toen hem door dezen mensch- lievenden
geneesheer medicijn werd aangeboden. Plotseling wordt zijn geest weer
helder, komt er opnieuw glans In zijn oogen, steekt hij zijn hand uit
met de woorden: ,neen, gij bedriegt mij
nietl" en ledigde in één teug den kelk die hem redding wacht .
Gedurende de 3de Bali-expeditle in 1849 hadden de hulptroepen van den
Vorst van Lombok den tempel van Goewa Lawas en met ons leger een deel
van Kloenkoeng overmeesterd; de Vorst van Karang Asem werd gedood, en
dit landschap afgestaan aan Lombok, dat er een Stedehouder plaatste. De
meest rechthebbende
opvolger, Goesti Made Karang, oudste zoon van Djilantik*s broeder
Poehieb, had zich schuldig gemaakt aan een adat-misdaad wegens
kaste-vermenging: als Wesjia had hij zich de liefde verworven van een
Brahmaansche, waar onherroepel^k de doodstraf op staat ten einde het
land voor vreeseliike rampen te bewaren. G. Djilantlk slaagde er in, den
Stedehouder te bewegen dit wreede vonnis uit te voeren, en baande zich
aldus den weg naar het iKwind, dat bijna 20 jaren in zijn handen bleef.
Djilantik wist door een oorlog (1893) den overmoed van den Dewa
Agoeng te fnuiken ; de macht zijner Poenggawa's te onder- mijnen, het
bestuur met vaste hand te voeren en zijn zetel op een stevig fundament
te grondvesten. In waarheid een goed landsvader, was knevelarij bem
vreemd ; alle geleverde goederen werden
trouw betaald; van hanenkloppen en de daaraan verbonden weddenschappen,
had hij een afkeer; de geheven belastingen waren matig en legden steeds
een geringen druk op de bevolking, die hem zooveel mogeiyk, zoo niet
geheel en al, vrij liet van werken in heerendienst Toen deze onlangs
door onze Regeering voor den
bouw van wegen wel wat bovenmatig werden opgedreven, had Djilantik
medelijden en zond de artieiders voedsel en lekkernijen. Menige vrouw,
schuldig aan overspel, waardoor de beleedigde echtgenoot hef recht kreeg
haar te dooden, vond een toevlucht in z^n poen, waardoor haar leven was
gered. De bevolking in
zijn land, overigens geenszins bevoorrecht door de natuur, is dan ook
welvarend en bezit geen zweem van de slaafschheid, die b.v. de Javanen
kenmerkt; vrijmoedig in haar uiting durft zij een eigen
oordeel vellen, en weet zij voor haar klachten den weg naar de poeri te
vinden.
In dit ruime verblijf, omringd door zware muren, is O. Djilantik voor
een leder genaakbaar, en menige raad werd hier gevraagd, menige
inlichting gewonnen. Wanneer er gasten zijn, komen de heerlijkste
vruchten te voorschijn, vooral zijn djeroeks genieten een welverdiende
vermaardheid ; van de boomschors Iaat hij de
buitenste laag afkrabben en rondom den stam dan ijzeren spijkers in den
grond slaan om hun smaak te verbeteren. Wanneer hij op een houten klok
slaat, verzamelen zich boven water de snuitjes van talrijke visschen in
de vijvers vóór het logeerverblijf, die dan door den ouden heer zelf
worden gevoederd, doch — ik weet daarvan mede te praten — ook aan
kennissen worden gezonden- Van eenvoudige hazardspelen is hij een
liefliebber, — ten koste van zijn lieveling Goesti Bagoes, den
tegenwoordigen Stedehouder, die daarvoor meer dan hem welkom is van zijn
nachtrust moet opofferen. Dankbaar voor geschenken. Iaat hij bijna elken
bezoeker den zwaren gouden kettine zien hem als tegengeschenk door H. M.
de Koningin geschonken, en hij beklaagde er zich tegen mij over, dat een
monumentale fontein, reeds een paar jaren geleden beloofd, nog altijd
niet werd gebouwd. Thans zal deze — sedert ik de bevoegde autoriteiten
op dit verzuim wees — wel
tot stand zijn gekomen.
Geheel onverwacht kwam hij op zekeren avond, slechts door één volgeling
vergezeld, mij opzoeken in mijn afgelegen pasang- grahan, waar mij tal
van vragen werden gedaan over de tegenwoordige macht der Vorsten in
Europa, over de grootste landen van de wereld, over de uitbreiding van
het koloniaal bezit in de
laatste jaren, enz. enz. ; vragen waardoor hij tot de kleinste
bizonderheden trachtte door te dringen om alles volkomen te begrijpen.
Het onbeweeglijk zitten op een stoel scheen hem lastig; nu eens slingert
hij z^n beenen rond de sporten, dan weer geraken deze onder zijn dijen,
en er was verband merkbaar tusschen de belang-
stelling die een of ander onderwerp hem inboezemde, en de bewegelijkheid
van zijn tenger persoonQe. Woordspelingen als zijn: .een Radja moet
patoet (d. i. rechtvaardig zijn), of het woord gepoetoet (afgezet)"
liggen in zijn mond bestorven. Alles in alles, is G. Djilantik een
merkwaardige persoonlijkheid, een
buitengewoon man, veel te lang gewantrouwd door de Regeering en in
vroegere jaren schandelijk miskend.
Als zijn opvolger had Ooesti Gede Poetoet meerdere rechten dan de
lieveling van zijn oom Goesti B^oes, waardoor twee elkander vijandelijke
partijen ontstonden, waarvan de eerste zich bij de verzetspartij tegen
de Regeering schaarde, zoodat haar leiders uit Bali werden verbannen. De
wensch van G. Djilantik werd
vervuld. G. Bagoes, die bereids in 1902 op mij den Indruk van .een
intelligent jong mensch" maakte (1. c. p. 434), is Stedehouder geworden,
nadat in 19(M zijn oom een groot feest had gegeven .om af te doen met
alle wereldsche zaken," en zich gereed te maken om .gelouterd het
eeuwige leven in te gaan." B^ die ge-
legenheid deelde hij allerlei geschenken uit, en werd behalve de
Koningin ook mijn persoonqe bedacht met diverse voorwerpen betrekking
hebbende op voeding en kleeding, op woning en verdediging, op studie en
godsdienst. Voor de waarde ad ƒ10.000 toenmaals aan de Indische
Regeering geschonken, werd hem
bovenvermelde fontein beloofd, waarop hij zoolang tevergeefs vol
droefheid moest wachten. Thans leidt G. Djilantik een trouw gods-
dienstig leven, is hij een kalme toeschouwer geworden van den loop der
zaken, doch is z^n invloed op G. Bagoes en over geheel Bali nog niet
gering te schatten.
Verlost van z^n beide ontevreden neven, van wier aanhang men na z^n
dood nog wel eenige troebelen vreest kon O. Djilantik zijn volle
medewerking verleenen aan de door het Gouvernement gewenschte
hervormingen in zake rechtspraak, heeren- diensten, opiumregie,
belastingen enz., waarbij G. Bagoes zich van harte aansloot, zoodat het
besturen door tusschenkomst van de Inlandsche hoofden faier met veel
succes Is toegepast. De
ïigetreden Stedehouder schonk uit eigen kas een school voor het
onderwijs, een tjoenlaprauw voor het lossen der schepen op de woelige
reede van Oedjoeng, en zelfs een moskee aan zijn Mohatnmedaansche
onderdanen. Met hem verdw^ijnt eerlang een figuur van beteekenis voor de
historie van Bali en Lombok, die onder
vaak moeilijke omstandigheden steeds den juisten weg wist in te slaan,
zooals nog in de laatste jaren is gebleken.
De invoering van de opiumregie gaf, zooals nader zal blijken, in
Kloengkoeng aanleiding tot rusttverstoringen, die ook in Karang Asem
werden verwacht, indien de bejaarde Stedehouder niet meer zoo krachtig
als vroeger tegen de ontevreden elementen zou kunnen optreden. Het
verzet aldaar (April 1901) bracht ook hier de ge-
moederen in beweging. De Stedehouder en zijn neef (Q. Bagoes) waren
echter in alles behulpzaam, al trof dat verzamelen van troepen in hunne
hoofdplaats hen pijnlijk. G. Djilantik deed de toegangswegen naar het
kampement bewaken, en verbood der bevolking des nachts dat terrein te
betreden. Een officier der marine
van het oorlogsschip op de reede, dat voortdurend zijn zoelklichten op
de stad liet spelen, drong onverwacht met enige dekking de poen binnen,
om den aldaar aanwezigen ass.-resldüit mede te deelen dat de oorlog in
Kloengkoeng een aanvatting had genomen. Deze ambtenaar, de heer Kroon,
bleef steeds kalm en rustig, toonde volkomen vertrouwen In zijn gastheer
en bield zel^ gedurende dien tijd van spanning, zijn ech^enoote bij zich
om eiken schijn van wantrouwen te vermijden, Djilantik en z^n Poenegawa
als terloops herinnerende aan hun eed van trouw aan de Ned. Regeering.
Talrijke geweren (meer dan 400) werden ingenomen, het metaal tot
koevoeten versmeed en aan de bevol- king teruggegeven. De politieke
toestand was echter door het woelen der boven vermelde verzetspartij
bepaald ongunstig te noemen, en onze Stedehouder bleef, in het oog van
zijn volk, ,de Vorst" aan wiens bevel men gehoor zou hebben gegeven. De
Poenggawa van Selat, die clandestien opium had verborgen, werd door den
controleur opgelicht gedurende een samenkomst met geestelijke en
wereldlijke hoofden, zonder dat ergens de rust werd verstoord. De partij
der animositeit, aan wier hoofd toen stond de Anak Agoeng K'toet
Djilantik, bij mijn bezoek door mij genoemd .een gluiperig vadsig
individu met een echte gruweltronie' (Uit onze Koloniën p. 43^, bleek
niet opgewassen tegen den invloed van Djilantik en O. Bagoes, wiens
leven voortdurend werd bedreigd.
De verzetspartij wilde alle verdere bestuursinmenginen tegengaan, en
.liever een eervollen dood sterven dan over zulksct)t)n- gez^ beschikken.'
Djilantik slaagde er weer in tijd te winnen. Een openlijke bestrijding
ware op botsing ui^eloopen; door het wachten op feesten, waarna «onze
zielen gelouterd ten Honej kunnen stijgen om biemamaals een zegenrijk
bestaan te genieten,* dwong hij baar geduld te oefenen. Toen meerdere
troepen en drie oorlogsschepen waren aangekomen, legde de partij van den
oorlog het hoofd in den schoot, en de voomaamsten hunner werden
verbannen naar Parigi (Selebes) en elders. Gedurende de aan- wezigheid
der troepen — bijna tersluiks in Karang Asem binnen geloodst, doch
waarmee de slimme Djilantik volkomen bekend bleek — werd gebruik gemaakt
van de gelegenheid om een nieuwe administratieve Indeeling in te voeren,
om de afschaffing van pandelingschap en slavernij, deze laatste zonder
eenige schadevergoeding, en andere hangende zaken door te drijven. G.
Djilantik echter verzocht (Sept 1901) af te mogen treden ter wille van
G. Bagoes Djilantik.
Niet meer vrijwel als alleenheerscher kunnende optreden, deed deze
forsche figuur liever atstand van zijn troon.
De tegenwoordige Stedehouder, L. Goesti Bagoes Djilantik, Is de zoon
eener Padmi-vrouw ') die hij met trouwe liefde omringt, en aan wie ik
niet zooder eenigen trots werd voorgesteld. Dit geschiedde op het hooge
terras zijner ietwat Chineesch uitziende nieuwe woning met twee
verdiepingen, waar ik ook kennis maakte
met zijn drie dochtertjes. In een ware rommelkamer toonde hij mij
interessante voorbeelden van Balische kunst, vooral krissen *), waarom
ik hem aanraadde die te verzekeren tegen brandgevaar. Tijdens de
besprekingen der Vorsten in de Goewa Lawas speelden kinderlijke hoogmoed
en onbezonnenheid hem parten, doch nauwelijks aan het bewind gekomen,
toonde hij zich vatbaar voor goede wenken, eerlijk, volgzaam en oprecht,
en is uit hem — dank zij de opleiding van Djilantik — een goed en
volkomen betrouw-
baar bestuurder geworden.
Nog jong zijnde, had de Regeering voorgesteld hem naar de school te
Boeleleng te zenden, doch zijn oom kon niet scheiden van zijn lieveling.
Deze betreurt thans ernstig dat gemis, tracht door ijverig Hollandsche
lessen te nemen daarin alsnog te voorzien, en is van plan zijn
eventueeien zoon naar Java te zenden om daar
zijn opvoeding te voltooien. Onder het gesprek maakt Q. Bagoes een
prettigen indruk; zonder aarzelen deelt hij openhartig zijn opinie mede,
die blijkbaar op ernstig nadenken berust. Wat de opvoeding betreft,
meende hij, moet men de kinderen tot hun 12de jaar met suiker (dat is
zacht), daarna met kinine of streng
opvoeden, en na hun 18 de jaar aan hun eigen ontwikkeling zooveel
mogelijk den vrijen loop laten. Over den priesterstand was zijn oordeel
niet onverdeeld gunstig, hoe hoog deze in den regel in de Balische
maatschappij staat aangeschreven. „Er zijn onder hen," aldus was zijn
meening, .veel goede padenda's, los van aardsche belangen en drijfveeren,
trouw en oprecht in hun godsdienstige overtuiging, doch niet allen zijn
zoo." Hun medeweriang is noodig om raad te krijgen dan wel hulp van de
Goden, doch hen die daardoor vaak veel geld verdienen, geheel vrij te
stellen van belasting vond hij niet „patoet", en — hoeveel wrevel dat
ook tegen hem moge opwekken — wanneer de resident daarin wijziging wil
brengen, zal hij dien last trouw opvolgen. Een uit-
nemend kenner van de oude Balische wetten, van de .oendang- oendang" en
de „agama", had hij werkelijk verlichte theorienover de taak en de macht
der vorsten. „Daar alles, zoowel grond als lucht, water en wind door God
is gemaakt, behoort dat alles niet aan den Vorst, doch aan den Schepper
van het heelal. De vorst heeft alléén het recht om daarover te
beschikken niet ten eigen bate, doch ter wille van het algemeene welzijn.
Hij moet steeds zijn een „Sangpraban" (afgeleid van hoofd), die de
hersenen heeft om te denken voor zijn volk, waarvoor hij zich een vader
moet toonen, voor wien alle kinderen gelijk zijn, zoodat niemand
mag worden bevoorrecht ; de stouten en slechten mag hij straffen, maar
dan ook de goeden beloonen.
O. Bagoes staat bekend om zijn liefde voor de waarheid; bij de
rechtspraak houdt bij zich trouw aan de adat, tenzij het bestuur dat
anders wil. Deswege schuift men op hem de schuld der zwart
heerendiensten en van den meerderen druk der belastingen en is z^n
populariteit aan bet tanen om redenen buiten hem zelf gelegen,
daar het slechts de arm is die uitvoering geeft aan de van B.B.
ontvangen bevelen. Ofschoon tuk op mooie kleeren, is hij volkomen
belangeloos in zijn doen en laten, en keert hij van z^n
zes-en-dertigduizend gulden tractement en schadeloosstelling geregeld
niet minder dan 30 duizend uit aan G. Djilantik, die aldus
over ƒ38.000 jaarlijks kan beschikken. Daarvoor moet echter door hen
belden een hooge stand worden opgehouden en een talrijk poeri-personeel
worden bekostigd, terwijl zij met steun in geval van nood geenszins
karig zijn. Alles in alles vindt men in Karang Asem een stel hoogstaande
Vorsten, wat van allen op Bali wel
niet kon noch kan worden gezegd. |
|
C. HET VROEGERE VORSTENBESTUUR. |
|
De oorspronkelijke Balische Wetten en de regeling van het beshiur waren
werkelijk goed en werden in mijn Uit onze Koloniën p. 4^en volg.
omschreven. Wat de rechtskracht betreft, zoo doet het boek Adigama onder
voor het boek Agama, en dit voor de Oewagama, dat op zijn beurt
ondergeschikt is aan de schriftelijke Vorsten- edicten (peswara's of
oebaja's), die weder moeten onderdoen voor de Vorstelijke bevelen,
terwijl ten slotte alles wordt beheerscht door de uitspraken der Goden.
Van eenig goddelijk gezag der Vorsten was geen sprake. Zij werden
beschouwd als gewone menschen, zij 't ietwat verheven .anak-agoeng", en
ontleenden hunne macht aanvankelijk aan de mate van onpartijdigheid,
waarmede zij als arbiters optraden bij de talrijke geschillen door
toename van het aantal desa's (over grenzen, vee, water, enz.) ontstaan.
Hun invloed bestond slechts in den eerbied dien het volk hun vrijwillig
bewees, en naarmate zij door te zorgen voor het welzijn van hef volk hun
plicht vervulden. Bij verkeerde handelingen hunnerzijds begon die
eerbied te tanen en nam de ontevredenheid toe; en eenmaal het verzet
losgebarsten, eindigde dit met hun dood dan wel met ontzet uit de
vorstelijke macht door het opzeggen van de gehoorzaamheid aan hun
bevelen. Geleidelijk veranderde echter de vrije keuze van den Vorst in
een wettelijke waardigheid en werd hun meer vrijheid van doen gelaten,
doch steeds bleef gehuldigd de leuze : de Vorst Is er voor het Volk 1"
Oorspronkelijk had de Vorst alléén plichten, geen rechten, die hem
later door de machtige desa-vereeniglng vrijwillige werden toe- gekend
dan wel door hem geQsurpeerd. Met de bebouwde gronden had de landsvader
,Sang Mawa boemi" slechts bemoeienis in zoover daarover geschillen
tusschen de desa-lieden onderling waren
ontstaan. Ook in onze dagen t>emoeIden de Vorsten zich weinig met de
Staatszaken, wier behandeling in den regel aan een rijks- besfierder, .mantja
negara", werd overgelaten, meestal uit zijn eigen familie gekozen. Aan
dezen waren toegevoegd de correspondenten of secretarissen «kantja oetar
dalem", de .pembekel kakandel" of schattKwaiu'der, en de .sedahan agoeng"
of hoofd der bevloeüngen. Aan het hoofd van de districten stonden dan „poenggawa's"
of .pembekel gede", die langzamerhand kleine Vorstjes in hun gebied
zijn geworden, naarmate hun meer macht door de anak ^;oeng werd gelaten.
Zij hadden een soms groote rechts- en politiemacht en het toezicht op de
heerendiensten, die evengoed als de aanleg van wegen en bevloeüngswerken
buiten den Vorst om werden geregeld. Een bepaalde groep van desa's werd
door de «mantja's" beheerd, die dus een soort van onderdistrictshoofden
vormden, terwijl als vertegenwoordiger van den poenggawa .pembekels" in
de desa's aanwezig waren, die met het inwendig dorpsbestuur, uiterst
democratisch geregeld, niets hadden te maken. Het werke- lijke hoofd der
.sekaha desa" of desa-vereeniglng, de ,klian-desa" dus, werd door de
bevolking gekozen. In beginsel beheerden de Vorsten, landsgrooten,
poenggawa's en mantja's niet een bepaalde landstreek, doch een zeker
aantal personen, die zich onder hun
hoede hadden geschaard. Voor ingrijpende maatregelen was de Vorst
gedwongen overleg met zijn poen^awa's te plegen.
De voortdurende naijver der Vorsten, die onophoudelijk de bevolking
ophitsen om de gehoorzaamheid aan een anderen radja op te 2e^en, ten
einde hun eigen gebied uit te breiden, was een ernstig nadeel van dit
stelsel. Hun verblijven of poeri's werden daardoor ware versterkingen,
uitsluitend bevolkt door tal van lieden,
geheel en al van hen afhankelijk, niet minder met slaven, allen aan hun
dienst en verdediging gewijd. Misdaad, krijgsgevangenschap en het
tjampoetan-stelsel *) voerden tot slavernij, die echter zeer dragelijk
werd genoemd ; het aantal slaven was bereids stak geslonken, terwijl er
wetten bestonden om hen te beschermen.
Steeds meer wisten de Vorsten tal van desa-rechten tot zich te
trekken, en werd hun macht feitelijk onbeperkt, indien zij slechts het
in den Balifir sterk ontwikkeld gevoel van recht en billijl^- heid
wisten te ontzien, en te groote willekeur werd vermeden. Anders stond
hun het recht van „metilas" te wachten. De taak der Vorsten was dus
bescheiden ; hun voornaamste streven hun inkom- sten te vermeerderen
door belastlngen en domeinen, waarbij bet erfrecht op de nalatenschap
van overledenen die geen mannelqke nakomelingen badden dan wel
gerechtelijk ten doode waren gedoemd, hun goed te stade kwam. Sommigen
hunner werden als alleen- heerscheis of wel als dwingelanden geschetst ;
van hun wreedheden wordt hoog opgegeven, vooral wanneer expeditiën in
aantocht waren. Waarschijnlijk leefden wel velen hunner, zooals trouwens
de meeste Vorsten op den ganschen aardbol, als parasieten op den kleinen
man, die aan allerJei belastingen, heffingen, knevela- rijen, t>oeten en
verbeurdverklaringen was onderworpen ; rijk waren de meesten hunner
echter niet Hun voornaamste streven was achter de dikke muren van hun
poeri lekker te leven met vrouwen
en opium, zich te verlustigen in hanengevechten, komedie-spel .gamboel",
benevens de dansen van „légongs" en .djogeds". Talrijke heerendiensten
voor hun poeri's waren daarvan het gevolg, terwijl de wellustige Radja
mooie vrouwen en meisjes tot de zijne maakte. Populair waren dan ook
weinigen ; de bevolking beschouwde
hen meer als een noodzakelijk kwaad, en daaraan is het te danken dat het
volk van Zuid-Bali, toen het tot een botsing kwam tusscben de
Nedeliandsche Regeering en de inlandsche Vorsten, hen alléén liet
vechten.
Het recht van .Metilas", waardoor elk Balier als individu het recht
bezat om zich te scharen onder den Vorst aan wien hij de voorkeur geeft;
dit „recht van opzegging" had een krachtig middel kunnen worden om bij
doeltreffend toestuur onzen invloed op dit eiland op vreedzame wijze te
doen toenemen; geen enkele maal
Is door ons daarvan gebnitk gemaakt. Indien geen geweld wordt gepleegd
op de landsinsteltingen, zoodat deze onbelemmerd kunnen werken, zijn de
Balische hoofden in niet onbelangrijke mate afhankelijk van het volk ')•
en wordt op Bali een meer democratisch bestuur gevonden dan waar ook in
onzen ganschen Indischen
Archipel; een toestand waarvan men voor Java nog niet durft droomen.
Vooral in het bestuur en bet beheer der dorpgemeen- schap en der
waterschappen komt dit duidelijk aan het licht. |
|
D. HET DESA-WEZEN. |
|
De eenheid van het maatschappelijk leven op Bali Is de desa. Aan de
plaats waar hij geboren is blijft de Balier sterk gehecht, verhuizen
daaruit Is uiterst zeldaaam, vertbanning een zware straf; en sedert vele
eeuwen is de desa-vereeniging de bewaarster zijner rechten, de
bewaakster van zijn twiangen in dit leven en in het hiernamaals.
Het gebied der desa behoort aan de Goden, aan wie tempels worden
gewijd, door samenwerking te onderhouden, terwijl ook ten behoeve van de
zorg voor de veiligheid en de handhaving der orde onder de hoede van
haar beschermgod, een desa-vereeniging de .sekaha" is geschapen, die
over uigebreide macht en zelfs rechtspraak beschikt. De Vorst neemt
alleen kennis van wat in de desa is geschied en door de vereeniglng
bereids werd beschikt. Zijn vertegenwoordigers of die van de poen^awa
leggen de ge-
schillen bij de door de desa aan hun oordeel onderworpen. In ruil van
dit scheidsrechterlijk optreden voorziet de desa in ruime mate in de
vele behoeften van den Vorst Zij bouwt zijn paleis, houdt de wacht bij
zijn poeri, stelt meisjes voor hem beschikbaar, biedt hem geschenken aan
uit de beste voortbrengselen des lands,
en verleent hem gastvrijheid als hij het dorp passeert. De radja, als «n
echte >roi fainéant", geeft er de voorkeur aan zoo min mogelijk te
worden gestoord in zijn indolente levenswijze, en laat liefst de
dorpsgemeenschap haar eigen zaken beredderen, wat trouwens in den regel
het geval Is. Om niet al te uitvoerig te worden, moet voor de
verschillende typen van desa's, de opneming en het aantal harer leden,
de regeling en samenstelling van haar bestuur, de dorpsreglementen en de
dorpsvergaderingen, haar coOperatie en inkomsten, naar het standaardwerk
van Ltefrink, .Bijdrage tot de kennis van het eiland Bali", *) worden
verwezen.
De desavereenigingen zijn van zuiver democratischen aard; alle leden
heblxn volkomen gelijke rechten ; de meerderheid van stemgerechtigden
beslist op de vergaderingen, bij volle en nieuwe maan des molens in den
dorps- dan wel den doodentempel gehouden. De .sekaha" beheert het
geheele gebied der desa en
de daarop wonende personen ; strenge straffen treffen den onwil- lige,
wiens goederen worden verbeurd verklaard, wiens leven onaangenaam wordt
gemaakt, ja die soms door hem dood te ver-
klaren, „kapalng", uit de gemeenschap wordt verdreven. Doch dit Is een
zeer hooge uitzondering; bij voorkeur tracht men door overreding een „minnelijke
samenleving" in de desa te bevorderen. De volkomen gelijkheid der leden,
tot welke kaste zij ook bebooren, is een bewijs dat dit desa-wezen nog
dateert van voor den Hindoe- tijd en nauw Is saamgeweven met het
Polynesisch Heidendom.
Elke desa vormde vroeger een kleine republiek, en de tegen- woordige
landschappen zijn slechts a^IomeiatiSn van desa's, door toeval en
willekeur ontstaan. Van gemeenschappelijke belangen, van een nationale
eenheid was dus op Bali geen sprake en daaraan was .voor een koloniale
mogendheid de gunstige kans te danken om op Bali hare macht blijvend te
vestigen."
Welke wijzigingen In een en ander reeds zijn gebracht, dan wel worden
voorboorbereid, kan beter aan het slot van deze Reisbrieven over Bali
worden besproken.
|
|
A. DE ONDERGANG VAN EEN VORSTENGESLACHT. |
Dit eenmaal zoo machtige Rijk van den .Kheyser of Konlngh van Bali, een
rijck Prince wel bemint en ghefiert van zijn onder- saten', *) (oudtijds
de zetel van de Opperheeren van tiet eiland, die zich bovendien Heeren
van Seli^Kirang — Lombok — lieten noemen, een titel die, volgens de
Encyclopaedie v. Ned. Indië, tot
het laatste aan toe ook wel in officieele stukken voorkwam) ge- ntakte,
als zoo vele andere Rijken in den Indischen Arcliipel, onder en door het
regiem van Heutsz ten val. In vorige eeuwen woonde de Vorst te Qelgel en
liet hij de verschillende rijkjes van Ball door z^n vazallen besturen,
die zich echter steeds meer onaflian-
kelijk maakten. Onder Daendels voerde Kloengkoeng een leven- digen
slavenhandel met Java, waaraan de Engelschen natuurlijk een einde
maakten *).
De aandacht onzer handeldrljvende voorvaderen bleef voortdurend op
Ball gevestigd, zonder dat de herhaaldelijk aangeknoopte betrekkingen
echter tot een vaste bezetting hebben geleid. ,Wel werd er reeds in 1620
een zoogenaamd .logis' gebouwd, maar, om welke reden is niet bekend,
werd het reeds het volgende jaar
weer opgebroken. Later heeft de Compagnie telkens gezanten naar den .Koning
van Bali' afgevaardigd en werden met dezen van tijd tot tijd contracten
gesloten, waarvan echter de levering van slaven den hoofdinhoud
uitmaakte. Wat die levering te beteelcenen had, blijkt uit het feit dat,
volgens eene officieele opgave, in het jaar 1778 alleen in en om Batavia
niet minder dan 13000 Bali- neezen gevestigd waren I Aan dezen handel is
eerst, zij het ook niet voor goed, een einde gemaalct onder het bestuur
der Engelschen, die zich overigens ook verder niet met de zaken van Bali
hebben ingelaten. Meermalen in twist met zijn landgenooten, was het
langzamerhand het kleinste, zij het een der meest invloedrijke der zeven
landschappen van Bali geworden. De voornaamste inkomsten van zijn Vorst
bestonden uit domeingronden, uit enkele licht drukkende belastingen, het
gtjampoef'-stelsel en vooral uit den opium- verkoop.
Na het optreden van een anderen Soesoehoenan dan er tijdens mijn
vorige reis het bewind voerde, was er in het bestuur van Kloengkoeng wel
verbetering gekomen. Hangende kwestien werden thans spoedig door hem
opgelost; naar zijn gebied gevluchte misdadigers onmiddellijk
uitgeleverd; zijn verplichtingen volgens de
gesloten contracten werden trouw door hem nagekomen (Kol. Verslagen 1904
en 19(M). Alle maatregelen, welke het gouvernement in het belang der
bevolking noodig achtte, had men zonder geweld kunnen doorvoeren, indien
men dit werkelijk had ver- Uingd. De Dewa Agoeng Gedeh werd door onze
ambtenaren ge-
schilderd als goedhartig, gehoorzaam, een man van weinig wilskracht,
doch alléén streng voor alles wat binnen de poeri & strgd met de aloude
gebruiken en daarbuiten met de Balische adat was. Alle kwestiën door den
controleur onderzocht, werden naar ge- noegen geregeld ^).
Voor en tydens de expeditie van 1906 naar Badoeng en Tabanan, had de
Dewa /^eng ons gesteund bij de dwangmaatregelen tegen Badoeng. Ook was
de Dewa Agoeng niet in verzet gekomen, had zelfs geen tegenstand geboden,
toen de Hollandsche troepen enkele tochten door zijn rijk maakten. Kort
daarna werd bem voor
de zooveelste maal een nieuw contract afgedwongen, waarvan de
voornaamste bepaling betrekking had op de overneming der tot dusver door
den Vorst geheven rechten op opium *). Verder moest de Vorst tevens
afstand doen van de belangrijke enclaves Abeansemal en Sabang, tusschen
Gianjar en Tabanan gelegen, en bijna even groot als het eigenlijke
Kloengkoeng; alle versterkingen moesten worden geslecht, alle geweren
ingeleverd en feitelqk werd hem alle macht ontnomen. Een fier Balisch
vorst van aloude afkomst, die zich niets te verwijten heeft, dwingen
zich aan zulke voorwaarden te onderwerpen, was eenvoudig een herhaling
uitlokken der tragische gebeurtenissen van Badoeng, waardoor een gansch
Vorstengeslacht ten doode werd gedoemd. Van het schit- terende gevolg
van duizenden lans- en krisdragers, die 17 0ctober 1906, na den val van
Badoeng en Tabanan, te Gianjar met den Dewa Agoeng hun opwachting kwamen
maken aan den vertegenwoordiger der Nederlandsche regeering aldaar, zijn
daardoor de edelsten en dappersten gevallen in een krijg zonder ëénige
kans van slagen, en die onzerzijds nauwelijks een offer eischte.
Buigende voor onze overmacht gehoorzaamde de Vorst aan het hem gestelde
ultimatum, en teekende de hem met geweld afgeperste en buitensporige
voorwaarden. Dat er na dien tijd wrok is ontstaan kan wel als zeker
worden aangenomen.
N'en déplaise den lofzanger van elke imperialistische gewelddaad in
Nederlands koloniën, dr, E. B. Kielstra, moet thans even worden
besproken in hoever men in de Staten-Oeneraal het recht had in deze over
,een opium-krakeel" te spreken. De zooeven Gids, verklaart rondweg: >de
aanslag op zyn inkomsten door de
Invoering van de opiumregie heeft bij hem (den Vorst) blijkbaaar den
emmer doen overloopen" (1. c. p. 818). De officier Haremaker sneuvelde
bij den overval van een opiumverkoopplaats (id.), en DE Java Bode van 24
April 1908 schreef bet volgende: .de oor- zaak van het verzet in
Kloenglcoeng — dat als een politiek oog-
punt slechts welgevallig kan zijn ') — zal gezocht moeten worden in de
invoering der opiumregie. En verder: «tijdens de vijfde Bali-expeditie
was de Vorst, de Dewa Agoeng, zoo tegemoet- komend, dat wij hem
fatsoenshalve wel van het lijf moesten blijven. Thans is de annexatie
van Kloengkoeng een kwestie van
slechts enkele dagen.' Ook werden tijdens ,de te verwachten
verwikkelingen' veel opiumverkooppiaatsen gesloten; het per- soneel van
de opiumverkoopplaats te Gelgel werd vermoord. De mantri opium te
Kloengkoeng werd door de Baliers gewaarschuwd om te vertrekken, wat hij
weigerde; vele anderen echter gaven aan de waarschuwing gehoor, en deze
verstrekte men zelfs leef- tocht voor de reis. Nauwelijks hadden de
troepen de hoofdplaats verlaten om den poenggawa van Gelgel te gaan
tuchtigen, waarbij alle goederen voor het opiummagazijn werden
gedeponeerd, of dit werd aangevallen, en bovenvermelde mantri, toen hij
zich
verzette, werd met 2 helpers .neergelegd' ; zijn vrouw werd echter
ongedeerd gelaten. De waarde van het geroofde opium werd later door de
schuldige desa's vergoed.
Als schadeloosstelling voor de door den Vorst van Kloenkoeng gederfde
inkomsten werd „voor de pacht van den in- en uitvoer van opium, ijzer,
staal, klapperolie, coprah en huiden in Kloengkoeng en van opium, huiden
en varkens op het eiland N. Penida =: ƒ7.175 uitkeerd per Balisch jaar
van 420 dagen.' Voor ons jaar bedraagt dit dus pim. ƒ6.200, waarbij nog
komen ptm. f 2X160 .voor het voordeel van den Soesoehoenan c. s. voor
aan
de poeri's tegen Inkoopsprijs te leveren opium door den pachter', dus
samen ƒ8.280 per jaar.
Goesti Djilantik ontving veel meer, en wel ƒ57.622 jaariijks in ruil
van genoemde beffingen en de invoering der Gouvemements- opiumregie op 1
April 1908. Toen de oude heer hoorde dat voortaan dit heulsap niet meer
in ballen, doch ,in potten" (tubes) zou Worden gedebiteerd, was hij
razend, daar hij vreesde dat de smaak
van het Gouv. -opium zou tegenvallen, doch later legde hij zich daarbij
neer. Maandelijks werden voor de schuivende bewoners der poeri (±i 400
in getal) 160 thail verstrekt, doch de aanvraag mindert geregeld. Bij de
bevolking was nog veel pachtersopium in voorraad, doch vooral door
Dewa-feesten als b.v. te Sokota
moest deze wet snel slinken. De door D|ilantik gevreesde rustver-
storlngen bleven niet achterwege, en bij den opgelichten poenggawa van
Selat bleek veel clandestien opium verborgen.
In Kloengkoeng, waar geen zoo krachtige hand als in Karang Asem
heerschte, konden bloedige botsingen niet uitbleven. Wd koesterde de
strijdlustige Tjokorda van Gegel het plan de Compagnie aan te vallen,
toen haar troepen in 1906 door zijn gebied trokken, doch de Dewa Agoeng
belette dit door diens geheele poera met gewapenden te omringen,
waardoor de vechtlustige Tjokorda feitelijk was opgesloten. Na den moord
in 1908 van het personeel der opiumverkoopplaats aldaar, rukten onze
troepen naar Gelgel, en vermeesterden na een kort doch hevig gevecht de
poeri, waarna de poenggawa dwars door de sawahs naar Kloengkoeng
vluchtte, terwijl onze zwakke macht terug moest trekken naar Lebih in
Gianjar. De patronen waren verbruikt, en ongezien wa- dende door een
waterleiding, kwamen onze troepen nog juist aan het strand, waar marine-schepen
hen toevallig konden oppikken en naar genoemde havenplaats brengen,
aldus een échec voot^
komende, dat alom het verzet had kunnen doen ontvlammen. Meer dan 100
Baliers waren echter gevallen, die, de kracht onzer geweren niet
kennende, tevergeefe een toevlucht zochten achter de dunne muren van een
erf tegenover de poeri gelegen. De fraaie tempel In de nabijheid bleef
gelukkig gespaard, en bleek bij mijn bezoek keurig onderhouden, terwijl
daar een portret der keizerin van China werd aangetroffen.
Uit de hoofdplaats van het voormalige .Keyserrijck" waren talrijke
inwoners gevlucht en stond de Dewa Agoeng vrijwel alléén, toen zich zijn
uit Gelgel verdreven oom aanmeldde, hem om be- scherming verzocht en tot
verzet aanspoorde. De poeri van Kloeng- koeng werd snel versterkt; er
werden kuilen gegraven met boom-
stammen en kleigrond bedekt, die een veilige schuilplaats boden tegen de
zwermen granaten, die kort daarna vanaf de oorlogsschepen in het land
vlogen, Gelgel verwoestten en vele gebouwen te Kloengkoeng vernielden,
doch weinig Baliërs buiten gevecht stelden.
Tot een feitelijk treffen zou het niet komen. Na een herhaald
bombardement werd de hoofdplaats zonder tegenweer bezet; werden vlak
vóór de poeri de kanonnen opgesteld en stonden de repeteer- geweren
klaar om te vuren. Elk verzet was verlamd, elke weerstand nutteloos. De
Vorst, slechts omringd door een 200-tal volgelingen, waaronder veel
vrouwen en kinderen, offerde zich als een echte Balier door een
hopeloozen poepoetan." En weer herhaalde zich, 16 April 1908, de
bloedige tragedie van Badoeng, waarbij een gansch vorstengeslacht liever
te gronde ging, dan te bukken voor vreemd geweld.
Plotseling trad de Vorst te voorschijn en bleef met z^n lans in de
rechterhand op 200 M. afstand van de kanonnen staan. Op raad van den
Tjokorda van Gelgel stak hij de heilige kris In den bodem, waardoor een
gapende kloof zich zou openen, en alle vijanden worden verzwolgen. Toen
viel een kanonschot, dat zijn
knie verbrijzelde; doch fier stond hij weer op tot hij doodelijk
getroffen neerviel ; zijn zoontje en de Tjokorda werden door onze kogels
doorboord. Zes van zijn vrouwen knielden naast hem neer en lieten zich
een kris door het hart steken. De trouw gebleven hoofden, ^waarachter
vrouwen en kinderen, deden een lansaanval ; een moorddadig vuur van
artillerie en infanterie deed de waanzinnigen nederzijgen. Gewonde
vrouwen zag men al stervende haar kinderen den doodsteek geven ; enkelen
die ongedeerd bleven liepen naar voren om eerst de gewonden en daarna
zich zelve te krissen ; een moeder, doodelijk gewond, hief haar kind
omhoog om eveneens getroffen te worden ; allen hunkerden naar den dood .
Een afschuwelijk, hart en zenuwen verscheurend tooneel speelde zich daar
af, nauwelijks op 100 M. afstand van de soldaten. Een ooggetuige
verhaalt hoe ^de goddelijke Vorst" daar ter neer lag met verbrijzelde
hersenpan en uitgestorte hersenen; Iets meer naar voren zijn vrouwen,
doodelijk getroffen. Daarachter een hoopje menschen, waaronder nog
levenden, badende In bloed; hier en daar verscheurde ledematen en
vleeschmassa's. Een man met geheel verbrijzelden schouder, de arm hing
enkel nog aan de huid, wentelde zich om en om van pijn; een moeder met
haar kind aan de borst waren beiden door één kogel doorboord ; een
kindje van één jaar speelde vroolijk in de armen van een neergeschoten
moeder. Het hart trilt bij de herdenking van zulk een slachting van
weerloozen, van helden als de geschiedenis van kra^roem weinig aanwijst.
Al wat, om een of andere reden, nog overbleef van het Kloengkoengsche
Vorstenhuis, zoowel de ons goed als de ons kwaadgezinden, werden
verbannen; meer dan 19 voornamen zijn naar Lombok overgebracht. Het
verblijf van den Dewa Agoeng, de .Inem Semara Poera", werd geheel
afgebroken. Slechts een enkele poort is nog overgebleven, die toegang
verleent tot een slordige kazerne voor pradjoerits en een inlandsche
gevangenis.
Deze wanhopige aanval van Balische Qrooten, die zich ten doode wadden,
kan niet nalaten bewondering te wekken voor hun fleren heldenmoed.
Grootsch was bet aloude geslacht der Dewa Agoengs in zijn ondergang; bet
Rijk van Kloengkoeng echter had opge- houden te bestaan. |
|
B. DE REIZEN IN KLOENGKOENG. |
Ditmaal kwam Ik Kloengkoeng van de zijde van Gianjar binnen, na enkele
steile ,prigt's te zijn afgedaald en beklommen en de vernielde brug over
te Boeboeh te hebben aanschouwd. Dit ongeval, waardoor een ijzeren brug
van 2 maal 14 M. spanning geheel werd verwoest, was het gevolg van
onverstand der technici ; hier-
over nader, wanneer de onder Europeeschen invloed aangelegde wegen en
bruggen (hoofdst. IV Bangli) zullen worden besproken. De 11 K.M. afstand
die de beide hoofdplaatsen scheidde, was spoedig afgelegd, en op het
emplacement der door de Nederlanders afgebroken poeri, vond ik in een
tijdelijke pasangrahan een vol-
doend onderkomen. Een enkele poort en enkele brokken buitenmuur is alles
wat nog overbliift van dit fraaie paleis, vroeger door een droge gracht,
waarover een brug, omringd; thans was ook de vijver waarin het heilige
eiland van den Dewa was gelegen, opedroogd. Wat vuile loodsen, een
telefoonkantoor en B. O. W.- bureau, vulden met de boei het terrein waar
lange jaren een ,Kheyser" zetelde. De niet geroofde godenbeelden zijn nu
in een loods ondergebracht, en nog wordt de plek aangewezen vanwaar de
Dewa Agoeng uitging, toen htj met zijn getrouwen den hemel zocht Want de
Balische „poepoetan" draagt wel degelijk een godsdienstig karakter;
alléén door tegen vreemde overweldigers fier den dood tegemoet te treden,
gaat de ziel regelrecht naar de
„Soearga" der Hindoes, en daarom neemt men zijn vrouwen en kinderen mede.
Op vermelde poort had men in zandsteen Euro- peanen uitgehouwen met
jassen aan en hooge hoeden op. die men als „Orang Portugal (Portugeezen)
kenschetste.
Kloengkoeng, het eens zoo machtige rijk, welks Vorsten de
alleenheerschers van geheel Bali waren, was reeds het minst bevolkt van
allen, en telde met zijn 4 enclaves (Tampaksiring, Pajangan, Abeansemal
en Sabang,) resp. 4,0 — 7,0 — 8,0 — en 8,0 dus 27 duizend inwoners,
bevattende, benevens de Noesa-eilanden(5duiz.),
niet meer dan ongeveer 67 duizend zielen, waarvan er 3000 in de
terrasgewijze aangelegde hoofdplaats woonden. De twee eerste enclaves
zijn thans administratief bij Gianjar, de beide anderen bij Badoeng
getrokken, zoodat voor Kloengkoeng zelf niet veel meer overblijft.
Noesa Penida is een dor koraalrif, als Nias steil van het strand tot
480 M. naar boven loopende. Vroeger een ballingsoord, zijn er slechts
ongebaande wegen, mist men er alle levend water en moet drinkwater soms
2 palen ver worden gehaald. De bewoners leven er armoedig van den
aanplant van djagoeng, toch treft men er
prachtig vee.
Een wandeling naar Gelgel op 3 K.M. van Kloenkoeng gelegen, deed mij
de hoogste .méroe" (d. i. verblijfplaats der Goden) van Ball aanschouwen,
daar deze 13 afdaken telt Talrijke oud- Chlneesche borden, als
omamenteering van dezen zoo heiligen tempel gebruikt, waren door de
Nederl. soldaten, bij een poging
om ze te rooven, met de klewang stuk gehakt. Een ooggetuige wees mij ter
plaatse het geheele verloop van het gevecht, waarvan gaten in de poort
en muren nog getuigden, evenals de met dyna- miet gesprongen bres
waardoor onze troepen de poeri van den Tjokorda binnendrongen.
Een andere tocht bracht mij naar Koesambé, in 1849 na een hardnekldge
verdediging door generaal Michiels bezet, die echter in den nacht door
duizenden Kloengkoengers werd besprongen en aan zijn wonden overleed.
Gelukkig hadden de Vorsten van Badoeng en Tabanan op dienzelfden dag de
hoofdplaats bezet en den Dewa Agoeng gedwongen de wapens neer te leggen,
waardoor de derde Balische expeditie voor ons een gelukkig, zij het een
minder roemvol einde nam. In den volksmond wordt over deze feiten als
een overwinning der Baliers gesproken, die trouwens den Hollandschen
bevelhebber hadden gewaarschuwd. Praatjes, dat de blanda's op
beestachtige wijze hun vrouwen en meisjes zouden schoffeeren, hadden tot
dien lansaanval geleid.
Bij mijn doorreis naar Karang Asem moest de breede bedding der Toekad
Oenda — die door haar groot verval reusachtige steenblokken medesleept,
en wier afbrokkelende oevers haar loop voortdurend doen veranderen —
over een lange, wiegelende bamboe-loopbrug worden overgestoken. Hoe meer
men het midden
naderde, hoe meer zij natuurlijk schudde. Na een stevigen klim werd het
scheidingspunt bereikt van de beide wegen die naar K. Asem voeren: de
noordelijke over Selat, de zuidelijke over Goewa Lawas en Manggis langs
het strand, welke richting door mij gevolgd werd.
Op de banken van deze en andere rivieren waren bonte vlaggen geplant
van verschillende kleur, die de talrijke kudden eenden dan als de hare
erkenden *). Het was juist pasardag; en met vlijen tred, ondanks de
lasten van de 42 K.G. die zij droegen, draaraen de vrouwen van den
hoogen rivieroever naar beneden. Dat enkelen tiarer met baadjes liepen
in plaats van met het bovenlijf bloot, bewees dat ook Sassaksche vrouwen
van Lombok hier waren doorgedrongen. In de waroengs langs den weg, waar
reizigers versnaperingen genoten in ruil van enkele kèpëngs, vindt men
geen houten, doch vrijwel uitsluitend steenen banken, want voor de
bewerking van hout en bamboe toont de Balifir weinig vaardigheid, doch
in het metselen is hij een baas te noemen.
Het verdere deel der reis van de grens van Kloengkoeng af, is onder
hst II (Karang Asem) beschreven. Daar Kloengkoeng zich steeds deed
kennen als de meest trouwe handhaver der adat, moge echter een en ander
over de Ballsche rechtspraak vermeld worden, en ook of er thans meer
rechtszekeriieid en veiligheid heerscht . |
|
|
|
C. DE RECHTSPRAAK OP BALI.
De Inheemscbe rechtspraak was gesteld in handen van de
desavereenigingen, van de poen^awa's of districtshoofden, en van den
Vorst met den Raad van kerta's.
De Vorst deed uitspraak in hoogste ressort, waarvoor hij echter het
advies moest inwinnen van één of meer padendas; in de meeste gevallen
Het hij echter een raad van kerta's t>eslissen, van 2 of 3 leden,
meestal Brahmanenpriesters. Deze oude eerwaardige padendas, bladerende
in door den tijd gebruinde wetboekjes, een
staf als teeken hunner waardigheid in de hand, genoten en verdienden als
rechters het algemeen vertrouwen ; aan bun onkreukbaarheid en
waarheidsliefde wordt door niemand getwijfeld. In Landschappen onder ons
rechtstreeks bestuur, als Boeleleng, is de geheele rechtspraak te veel
door ons Gouvernement samen-
getrokken in handen van den Raad van Kerta's. Overladen met werk, kan
deze aan de talrijke zaken de noodige aandacht niet wijden, en wordt ook
de zoo goed werkende desa-instelling te veel op zijde gedrongen in
plaats van deze lagere rechters te hand- haven. .Kantjas" treden bij
deze Raden op als pleitbezorgers, en
hebben door de bekende proces-zucht der rechtzoekende Baliers vaak een
ruim bestaan, evenals de procureurs, die hun buiten de rechtzaal advies
verlenen. Gelukkig waren in den Vorstentijd de
kosten der procedure op Bali gering, en werden vele zaken per rekwest
afgedaan, vooral waar het gold de rechtmatigheid om een of anderen titel
te dragen, dus tot een bepaalde kaste te behooren. De ongelijke
behandeling van de hoogere kasten, een soort «kas- ten-justitie" te
stellen naast onze „klassen-justitie", blijft echter een ernstig euvel,
waarin niet gemakkelijk kan worden voorziea
De grondslag der rechtspraak was echter vastgelegd in Kawiwetboeken,
In vroeger eeuwen uit Java medegebracht In een compilatie van wetten is
veel ovei^enomen uit de .Manawa* Dharma Sastra", terwijl de .peswaras"
van den Vorst, die aan bet geheele volk ter kennis kwamen, een andere
rechtsbron vormden.
Een grondig onderzoek naar de adat en het gewoonterecht, wel eens door
sommiger willekeur vervalscbt, zou een vasten Itid- draad verschaffen
bij de rechtspl^ng. Daarin behoeft nauwel^ verandering te worden
gebracht
Zij kan immers den toets met die op Java best doorstaan, en weet, wel
verre van een versteend recht te wezen, zicli t>UJkbaar uitnemend aan te
passen aan nieuwe behoeften. Door bespreking met de rondborstige kleine
luiden zal men kunnen nag^ wat van de oud-Javaansche wetboeken, van de
peswara's der^ Vorsten
en van de desa-reglementen ingang vond bij de rechtsbegrippen des votks.
Aldus zal de door vreemd geweld ongerepte volksadat op Balt blijven
leven en zich ontwikkelen naar de komende behoeften van het tand.
Ondanks herhaalde navraag vernam Ik weinig klachten over rechtspraak
van vóór onze komst; alleen In het vorstendom Tabanan scheen men zich
weinig aan de wetten te storen en gaf willekeur vaak den doorslag, en
wel omdat in den Raad van Kerta's geen padenda's waren opgenomen. Ook
was daar de eed die steeds
met veel ceremoniën in de Poera-Oalam moest plaats hebbea, kunstmatig
duur gemaakt Dat was te meer te betreuren, daar zelden getuigen werden
gehoord, de ééne kantja als griffier de zaak onderzocht en procesverbaal
opmaakte, de andere kantja optrad als pleitbezoi^er, doch ten slotte de
eed meestal beslissend
was, wegens de hooge waarde daaraan door den Balier gehecht.
De adat, krachtiger in deze dan het geloof der Christenen, stelt geen
straf op meineed; de bestraffing daarvan is aan de Goden oveigelaten,
door de folteringen die den schuldige in de hel „kawah" wachten. De
eedsformule wordt op een lontarblad gegrift, dit even door wijwater
gehaald en dit water daarna, met een weinig bloed vermengd, opgedronken,
waarom men dan ook van .najoeb tjar" of .minoem soempah" spreekt Deze
formule bevat allerlei vervloekingen; bij meineed zal den schuldige de
bliksem treffen als bij door de sawah loopt; de bandjir hem meesleuren
als hij door een rivier gaat; hij zal doodvallen wanneer hij in een boom
Uimt, en in het bosch komende door roofdieren worden ver- sclteurd, enz.
Dit alles wordt door den kantja op zangerigen toon afgedireund, alvorens
het blad in het potje met .toja-tirta" (eed- water) wordt gedompeld; na
afloop wordt het vaa^e verbrijzeld *)• Een zware eed grijpt plaats op
een kruispunt van wegen, wanneer
hij door een soedra wordt afgelegd ; is het iemand van adel dan moet
deze in den tempel ,medewa saksi", d. i. de Qoden tot getuigen nemen. De
groote kracht door den Balier aan den eed toegekend, en deze de spit
zijnde waarom de rechtspraak draait, vormde een ernstige waartioi^ tegen
valsche verklaringen en een tegenwicht tegen willekeur en onverstand der
rechters; vereenvoudigde aanzienlijk de bij ons zoo omslachtige
formaliteiten, en voorkwam het zoo te recht bespotte .koerang trang^'
onzer Landraden. Tegenwoordig wordt de eed niet meer geSischt wanneer de
zaak voldoende ,trang" lijkt voor de rechters, op wier vonnissen de
controleur toezicht uitoefent, en die bovendien nog door den resident
moeten worden bekrachtigd.
De macht der poenggawa's is in Boeleleng beperkt tot civiele zaken en
overtredingen ; het ware wenschelijk deze uit te breiden, al mag men
niet zóóver gaan ais sommige Vorsten, die aan enkelen hunner
Stedehouders (b.v. in geval van bloedschande) het recht toekenden een
doodvonnis uit te spreken.
De rechtsmacht der desavereeniging, oudsher vrijwel onbeperkt, dient
eveneens zooveel mogelijk te worden gehandhaafd. Zij mocht zelfs in
crimineele zaken een beslissing nemen, doch was streng gebonden aan de
desareglementen .awiq-avriq" of nkerta lima pesa", berustende op de oude
adat, en waarin geen spoor van kastenbevoorrechting wordt gevonden.
Steeds trachtten zij alle verschillen in der minne te schikken, en
anders gaf in hoofdzaak de eed weer den doorslag bij het uit te spreken
vonnis, meestal op boeten neerkomende.
De rechtspraak wordt in hoogste ressort door de priesters
uilgesproken, die hun wijsheid putten uit de Oud-Javaansche Wet- boeken.
Deze berust veel minder op de adat dan die der desa-vereenlgingen, vaak
samengesteld uit eenvoudige rechtschapen lieden. Aan de adat-rechtspraak
is de gewone man dan ook veel meer gehecht en — in strijd met de meening
van andere, overigens zeer tievoegde autoriteiten ter plaatse — moet met
ernst naar opheffing van etk kastenvoorrecht worden gestreefd, dat zelfs
in Britscb-
IndiS bereids geheel is verdwenen. Doch de Regeering handhave, zoo ver
slechte eenigszins mogelijk, de Balische rechtspraak; zij dringe den
Baliër geen vreemd recht op, dat zijn sterlc ontwikkeld rechtsbewustzijn
zou kwetsen, en hem alle vertrouwen in ons be- stuur en ons recht zou
doen verliezen. Bereids werd dit vertrouwen — straks volgen een paar
feiten — enkele malen gekrenkt Vooral de houding der Nederlandsche
regeering in zake den zeeroof te Sanoer, heeft een noodlottigen indruk
achtergelaten I
Steeds zal men de adate-delicten en de misdrijven van meer algemeenen
aard streng moeten uiteenhouden. Tot de eersten be- hooren vergrijpen
tegen het kastenwezen, het huwelijksrecht en de familiewetien ; tot de
andere moord, diefstal, brandstichting enz. Van de laatste kan men de te
strenge strafmaat geleidelijk
verlichten. Waar het adatmisdaden geldt, zal men alléén de scherpe
kanten kunnen wegnemen, om niet de diepste roerselen van bet menschelijk
hart, een oprechte en eerlijke godsdienstige overtuiging, te kwetsen.
Tegen wijziging der wetten tegen den woeker, — waardoor bij Peswara van
den resident (in 1910) de maximura- rente is bepaald op 2 pCt. per maand
en dat het totaal der rente nooit mag stijgen boven het oorspronkelijk
geleende bedrag, — zal wei niemand bezwaar hebben. Verbetering van het
erfreclit
ten t>ate van de meisjes en van het eigendomsrecht der vrouwoi, kan —
daar de wetboeken in deze vaak onduidelijk schijnen,— eveneens worden
nagestreefd, zooals in Boeleleng reeds in 1900 is geschied. Ook de
wreede straffen werden bereids verzaclit.
Buiten de padenda's om, schijnen de Vorsten wel eens tot wreede
straffen hun toevlucht te hebben genomen, b.v. het opsluiten ,boekti" in
een nauw hok tot de dood er op volgde, het krui- sigen, enz. Ook werd
veelvuldig (evenals in alle Islamitische landen) het afkappen eener hand
toegepast Gevangenisstraf kende men niet, en dus bleef de keuze tusschen
boeten of de doodstraf, bestaande in het krissen in het openbaar op de
sewo of
begraafplaats; een doodstraf trouwens minder walgelijk dan ons ophangen
aan de galg '). De kris werd aan den linkerkant achter het sleutelbeen
gestoken, waardoor de long werd doorboord en vaak het hart geraakt,
zoodat de steek direct doodelijk was.
Lichamelijk letsel toebrengen aan een Brahmaan werd gestraft m^t het
afkappen van hand of voet, doch — gedachtig aan het .noblesse oblige" —
moest een Weshya 2, een Ksat^a 4, een Brahmaan 8 maal zwaarder boeten
betalen voor een diefstal dan de gewone Soedra. Zoowel boeten als straf
wijzigen zich naar de
kaste waartoe klager en aangeklaagde behooren. Het verplaatsen van
grenspalen moet door allen zwaar worden geboet.
Gemeenschap met vrouwen eener hoogere kaste, .drati-krama", moet,
volgens het vaste geloof der Baliers, zware rampen brengen over het
gansche land, tenzij beide schuldigen daaruit ten spoedigste verdwijnen,
waarom zij onder het bestuur der Vorsten in zee werden geworpen en meer
dan één daartoe zijn eigen zoon
of dochter veroordeelde. Reeds sedert vele jaren is deze zware straf
voor zulk adat-misdrijf in „asoe poendoeng" d. i. levenslange verbanning
omgezet, waardoor hetzelfde doel wordt bereikt. Ook
bestaat het plan een vaste plaats daarvoor aan te wijzen in den Ned.-lnd.
archipel, en zou de vestigingsplaats van den eenig over- gebleven zoon
van den laatsten radja van Lombok, in Parigi (Selebes), aldus een
centrum voor Balische kolonisatie kunnen worden .
Verschillende vergrijpen tegen de zeden, waarop vroeger de doodstraf
stond, worden thans lichter gestraft; de gewelddadige schaking echter
zwaarder dan weleer. Overspel leidde tot wreede kastijdingen; evengoed
als in Frankrijk, had de beleedigde echt- genoot het recht gedurende een
zekeren termijn den eerroover te
dooden. In den 'regel bekennen beide schuldigen volmondig hun daad,
wanneer zij .over het hoofdkussen waren heengestapt'. Op. bloedschande
stond onherroepelijk de dood, thans levenslange verbanning ; In geval
van bestialiteit, waarvoor eveneens de wraak der Qoden was te vreezen,
werden man en dier in een diepen
kuil geworpen, waarvan de bodem met dorens was bedekt Het staande
wateren van vrouwen tegen de poeri van den Dewa- Agoeng van Kloengkoeng
moest zwaar worden geboet; heeren- dienstplicbtigen die te laat op het
werk kwamen, stopte men soms den neus vol Spaanse peper. Als streng in
hunne straffen stonden zoowel de Stedehouder van Gianjar als de Tjokarda
Oeboet, benevens de Dewa Poetoeh van Bangli bekend, doch tegen
overdrijving in deze moet worden gewaaict Het was niet mogelijk juiste
gegevens te verkrijgen over de talrijkheid der verminkende straffen,
doch menige patrouille ontmoette wel eens mannen wier hand was afgekapt,
waarna de stomp in kokende olie was gestopt om het doodbloeden te
beletten. Te Sanoer had de Chineescbe havenmeester van den Vorst van
Badoeng gedurende meer dan 20 jaren slechts 2 maal het verdrinken van
schuldigen aan kasteschennis bijgewoond; in Bangli schatte een oude
Balier het op niet meer
dan éénmaal per 5 jaren dat een veroordeelde werd gekrist, wat dan
plaats greep door iemand door den radja daarvoor aangewezen
De boetestraf ,denda" was immers regel, te meer daar de opbrengst
daarvan werd verdeeld tusscben de rechters en de winnende partij,
terwijl de aanklager reeds vooraf .tolo" moest betalen aan den djaksa
voor het aanhangig maken zijner ziücen. Bij niet-betaling der boeten
werd op de eigendommen beslag ge-
legd, waardoor de inning geen bezwaren opleverde. En als uiterste heeft
de desavereeniging steeds het zware tuchtmiddel ter be- schikking,
namelijk het uitwerpen uit de gemeenschap, dus de moreele ,dood-verklaring"
van den schuldige. Alleen op hen die de boeten niet konden noch wilden
betalen, werden door den Raad
'van Kerta's verminkende straffen toegepast (Liefrinck. 1. c. p. 192).
Thans zal de gevangenisstraf worden ingevoerd, in den trant als door
mij te Singa-Radja (Boeleleng) werd aanschouwd. Aldaar waren 173 Baliers
opgesloten onder wie 3 vrouwen, allen tot betrekkelijk korte straffen
veroordeeld, daar de anderen naar Batavia worden gezonden. Enkelen
hunner stampten rijst anderen knut-
selden wat aan de wegen, doch de meesten waren gedoemd tot nietsdoen^
Lastig waren zij geen van allen, ontvluchtingen kwamen bijna nooit voor,
het toepassen der rottanstraf was uiterst zelden noodig, doch het aantal
zieken was niet gering.
Alles in alles was noch de rechtspraak, n6ch de wijze van straffen
voldoende reden om daardoor geheel Bali met geweld van wapenen te
onderwerpen, en of de veiligheid van personen en goederen (buiten het
geval Van oorlog) wel zoo enorm is toe-genomen, evenals de
rechtszekerheid, zou ik niet zoo botweg durven beweren. De veiligheid
van personen liet in den vorsten- tijd in den regel niet veel te
wenschen over voor landzaat nodig
voor vreemdeling. .Niet slechts het leven, ook het eigendom der
vreemdelingen" zoo schreef (waarschijnlijk Van der Tuuk) in 1872, ■zijn
hier zoo veilig als in de veiligste plek van onzen ganschen Archipel."
')
Veediefstallen waren nog steeds in Tabanan, en waarschijnlijk ook
elders op Ball, evengoed als op Java, talrijk. Roof- en ketjoe- partijen
komen ook nu nog veelvuldig voor in Karang Asem, in de 3 eerste
kwartalen van 1911 bereids 48, doch ook daarvan kan het reeds zoolang
rechtstreeks bestuurde Java mede spreken.
In de andere deelen van Bali zijn zij vrijwel onbekend. Kaste- schending
komt van oudsher vooral In Bangli voor, waarom dit daar strenger werd
gestraft dan moord. Moorden schijnen op Bali niet talrijk te wezen;
sluipmoord blijft er hooge uitzondering en van vergiftiging wordt niet
dikwijls gehoord. Hetzelfde is het
geval met verwondingen na vechtpartijen, waaraan dan nog meestal
vreemdelingen debet zijn. Nog eens: een vergelijking van het heden en
het verleden is in dit opzicht moeilijk te maken, en een regeering, die
voor de millioenen Javanen in deze nog zoo deeriijk te kort schoot,
voegt een ootmoedig zwijgen.
Een herziening der rechtspraak op Bali is thans in voorbereiding,
waarvan de grondslagen zullen zijn : snel en kort vonnissen, hoog houden
van het kastenwezen, en verzachting der buitensporige straffen. De
rechtspleging Is geregeld bij Residentspeswara van Sept 1908. De
uitspraak der rechtbanken geschiedt volgens de oude bestaande wetten,
volksinstellingen en gebruiken met inachtneming der wijzigingen daarin
door de Regeering gebracht Verboden zijn' voortaan alle folteringen en
verminkende straffen, het inroepen van eenig Gods-oordeel benevens de
veroordeeling (wegens wanbetaling van boete, dan wel van het
niet-betalen der schuld in civiele gedingen), tot een soort
pandeüngschap. Geen doodvonnis zal meer worden uitgevoerd zonder het
,fiat executie" van den Gouvemeur-Oeneraal.
De Raad van Kerta's wordt samengesteld uit 2 of 3 padenda's, 2^4
kantia's en een Stedehouder als voorzitter ; hij wordt zoowel voor
civiele als strafzaken bijgestaan door den controleur „als leider".
Water- en cultuurkwestiën worden ter beslissing overge- laten aan den
Sedahan Agoeng en diens ondergeschikte beambten. De straffen op
adat-misdaden zijn, als bereids vermeld, aanmerkelijk verzacht; er Is
meer éénheid gebracht in de strafmaat der verschillende Landschappen; de
levenslange verbanning alléén gehandhaafd voor de vrouwen der hoogste
kaste „satrija's dalam", terwijl ook naar Djembrana (in het afgelegen
Z.-W. Bali) kan
worden verbannen. De poe;iggawa's nemen kennis van de geschillen van
minder belang, waarvoor geen hooger boete dan ƒ10 of wel 6 cU^n
ten-arbeidstelllng worden uitgesproken. Een duidelijk blijk van
vertrouwen in deze inlandsche hoofden zal opvoedend werken, vooral onder
hen die reeds op een hoog peil van ontwikkeling
staan. De wenschelijkheid om de desa-rechtspraak te handhaven en zoo ver
mogelijk uit te breiden, is reeds hiervoren aangetoond.
Elke resident bekrachtigt alle vonnissen voor meer dan één jaar
dwangarbeid of ballingschap, op de anderen houdt de ass.-residetit van
Zuid-Bali toezicht; de resident kan elk vonnis wijzigen, dan wei een
nieuw onderzoek gelasten. Bezoldiging der rechten, anders dan uit eenig
aandeel in de boeten, mag niet langer achterwege blijven.
Dat de rechtszekerheid ook onder Ned. Bestuur niet verre van
voldoende is, bleek mij uit meerdere feiten, die natuurlijk slechts een
minimum getal van de werkelijk voorgekomene vonnen. Aan een Europeesch
advocaat uit Soerabaja, die in deze op Bali nuttig werk in overvloed zou
vinden, werd op grond van de krijgswet
het verblijf in Zuid-Bali ontzegd, waardoor steeds menige zaak in den
doofpot moet geraken.
Talrijk zijn de verzoeken van Baliers om herstel van geleden onrecht
ten tijde der Vorsten, die naar het schijnt, domeingronden onrechtmatig
hebben verworven; het geringe personeel van het B. B. kan aan al die
ingewikkelde kwestien onmogelijk de noodige aandacht wijden. Hetzelfde
is het geval bij de beoordeeling of
sommige personen al of niet tot een of andere kaste behooren, waarover
een goesti bij mij kwam klagen, verklarende dat hij den echtgenoot
zijner zuster zou neersteken, wanneer diens adel niet spoedig zou worden
aangetoond, — iets waaromtrent het oordeel verschillend was.
Erger was het geval met den Sedahan Agoeng van Dèn Pasar, die door
een ouden goesti, nauw verwant aan de gedoode vorsten van Badoeng,
beschuldigd werd van hem op arglistige wijze zqn dochter, zijn gronden
(300 bouws), zijn padivoorraad (300O ikat) en zijn fraaie kris te hebben
ontroofd, en door een valsche be-
schuldiging van .amok maken' hem in de boei deed opnemen. Herhaaldelijk
sprak Ik dien vertrouwen-wekkenden en eerbied- waardigen grijsaard; een
uitvoerig relaas werd in het Maleische opgesteld en den ass.-resident
aangeboden. Een sterke indruk heeft zich bij mij gevestigd, dat hier
werkelijk door een onzer invloed- rijkste inlandsche ambtenaren een
schandelilk onrecht Is bedreven. Reeds meer dan 2 jaren werd deze
beroofde Qoesti, die steeds vroeg «di mana djatonja hamba poenja harta*
(waar is mijn erf- grond gebleven?), van het kastje naar den muur
gestuurd. Thans laat hij alle hoop op rechtsherstel varen. Deze zaak is
door ge- heel Bali bekend geworden ; een hooge rechter in Boeleleng en
O. Djilantik van Karang-Asem stellen Qoesti Raka Oempak vol- komen in
het gelijk. .Helpt gij mij,' voegde deze grijze, nu dood- op geworden
man mij toe, .goed; doch slaagt gij niet, is dit ook niet erg. Ik ben
Immers reras oud en weldra zal mijn leven van armoede en gebrek een
einde nemen." Zijn berusting mag niet de onze worden, en ik heb alle
hoop dat de ijverige assis- tent-resident van Zuid-Bali de zaak reeds
heeft onderzocht en tot een goed einde gebracht, om den slechten indruk
van zulk een gebrek aan rechtszekerheid onder de Nederlandsche vlag —
indien mogelijk — nog weg te nemen >).
Staalties van verkeerd en onrechtvaardig beleid kwamen te mijner
kennis, en dat niet gepleegd door Inlandsche potentaten, doch door een,
reeds lang niet meer op Bali aanwezigen, ambtenaar van de Nederlandsche
Regeering. Talrijke beloften onmid- dellijk na afloop der expeditiSn
gedaan, o. a. bij het wegbreken van Balische kampongs, waarvoor andere
erven in ruil zouden worden gegeven, moesten — toen ik er was (Sept.
1911) — nog altijd worden ingelost Het bouwen eener eigen woning in
heeren- dienst, van steenen eener afgebroken poeri, welke later weer is
verkocht, benevens het niet teru^even van een geleend paard aan een
poenggawa, en verder heel wat sterker staaltjes van nepotisme en
oneerlijkheid werden mij medegedeeld; mijn pen weigert die neer te
schrijven, doch allen welke daarvan kennis dragen vervullen zulke dingen
met wrevel, met schaamte voor den Nederlandschen naam Wanneer deze zaken
mogelijk tHeken, mag men dan wel zoo scherp afgeven op Inlandsche
potentaatjes?
') Nur Ik vrees Is, ondanks mijn uitvoerige gegevens, deze zaak in
den
doofpot geraakt, wat veler rechtsgevoel moet hebben beleedigd en een
ernstige
politieke fout moet worden genoemd |
|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
|
|