|
Previous |
|
Bali 's Historie van de 6
de eeuw tot 1949 |
|
Over het verbranden der
dooden op Bali. |
|
Onderstaand artikel van W.O.J.Nieuwenkamp verscheen in het boek "Insulinde"
in 1924, onder redactie van o.a. D.Wouters. Al eerder is dit artikel
gepubliceerd in "Zwerftochten op Bali", waarvan de eerste editie in 1912
verscheen, en een tweede in 1922. Het verslag van een lijkverbranding op
Bali wordt zo authenthiek weergegeven dat het als historisch
ooggetuigeverslag uniek is. In het onderstaande is de spelling, die in
1924 gebruikelijk was, aangehouden. |
|
Alleen door verbranding des lichaams wordt het der ziel mogelijk den
hemel van Indra – Indraloka – en van daar dien van Siwa – Siwaloka – te
bereiken. Zelfs den reinsten zielen kleeft iets aan van het kwade,
waarvan alleen het vuur ze bevrijden kan. Priesters gaan na verbranding
regelrecht naar den hoogsten hemel, doch gewone stervelingen kunnen daar
eerst komen, na zevenmaal als mensch herboren te zijn. De ziel van een
lijk, dat behoorlijk verbrand is, keert als dauw op aarde weder, terwijl
de ziel van een onverbrand lijk de gedaante van minderwaardig gedierte
aanneemt, b.v. hond of aap. Kinderen, die nog niet van tanden hebben
verwisseld en gerekend worden dan nog geheel voor rekening te staan van
hun beschermengelen, hebben geen zielreiniging noodig. Dien hemel van
Siwa stelt een Baliër zich voor als een lusthof, waar prachtige
hemelnimfen amrêta, godendrank, ronddienen. En als tegenstelling kent
hij ook een hel, - kawah – een eeuwigbrandend vagevuur, waar de
schuldige zielen duizenden jaren gepijnigd worden voor de zonden, die
staan opgeteekend in het boek van Sang-Soeratma, den geheimschrijver van
Jama, god van de onderwereld. Niet een ieder mag verbrand worden, en dus
kon ook niet iedereen den lusthof in de hemel bereiken. Zoo b.v. ter
dood veroordeelden en de aan de pokken overledenen, of vrouwen die
gedurende de zwangerschap gestorven zijn. Er is geen bepaalde tijd
binnen welken een lijk mag worden verbrand, terwijl het eveneens een
ieder vrijstaat, of voorlopig te begraven, of een lijk tot op den dag
der verbranding in huis te bewaren. Dit laatste heeft echter meest
alleen plaats met lijken van priesters of vorsten, en bij de zulken wier
familie de middelen bezit om zich die luxe te veroorloven niet alleen,
maar ook om de kostbare verbranding binnen een niet al te lang
tijdsverloop te doen plaats vinden. De gewone inlander is al blijde, als
hij eenige maanden na den sterfdag, meest in vereeniging met anderen, de
kosten daarvan – van zes tot twaalf honderd gulden en meer! – betalen
kan. Sommigen moeten tien, ja, twintig jaren daarvoor sparen. na zooveel
jaren gebeurt het natuurljk wel, dat in het graf slechts beenderen
worden gevonden, of dat het graf zelfs niet meer terug te vinden is.
Maar dat maakt weinig uit: men tekent dan op een plankje van een
bepaalde houtsoort een mannetje of vrouwtje. Dat plankje neemt dan de
plaats in van het niet te vinden lijk, en de verbrandingsplechtigheid
geschiedt, alsof dit er werkelijk bij tegenwoordig was. De lijken, die
men aan huis bewaart, worden dadelijk na den dood door nabestaanden – of
wanneer het een vorst geldt, door jongere vorsten van bevriende rijkjes
- gebalsemd met welriekende en bederfwerende kruiden, en daarop stevig
met linnen en matten omwonden. Dan worden ze in een zoogenaamde
doodentent neergelegd – balé-bandoeng - op een rustbank, die hooger is
naar mate de overledene tot een hoogere kaste behoorde, en ten slotte
toegedekt met een menigte, vaak zeer kostbare, gekleurde weefsels. Wie
een lijk in huis heeft, verzuimt niet de noodige spijs en drank en sirih
naar de balé-bandoeng te dragen, om de ziel van de of den overledene,
die natuurlijk reikhalzend haar verlossing tegemoet ziet, het wachten
mogelijk en aangenaam te maken; ook dient er dagelijks schoon badwater
naast te worden neergezet. Dit offeren duurt zoolang tot het lijk geheel
is uitgedroogd, dat is ongeveer een maand of zes. Het lijkvocht wordt
zorgvuldig opgevangen in een apart daarvoor bestemd bakje en daarna
weggeworpen. Zoodra iemand gestorven is, komen familieleden en kennissen
een bezoek afleggen. De dames brengen dan rijst, vruchten, koekjes, enz.
mede in een mand, die den bijzonderen naam van sok-padjenoekan draagt.
Door dit bezoek is men verontreinigd en mag men geen tempel betreden
alvorens door wassching en offers zich gereinigd te hebben. Een huis
waarin een lijk ligt, is n.l. onrein, zoo zelfs, dat het paleis, waarin
een overleden vorst ligt, niet door diens opvolger bewoond, maar alleen
door bedienden van den overledene bewaakt wordt. Ook wanneer het lijk
uit het huis is gedragen wordt dit nog een tijdlang voor onrein gehouden;
bij de laagste kaste rekent men daarvoor meer dan een maand, bij de
hoogste kaste maar acht dagen. Wordt een lijk niet aan huis bewaard, dan
wordt het in een bamboe-omhulsel gepakt, met kains omwonden en onder
groot misbaar en het zingen van vrij triviale liederen en begeleid door
een talrijke schare grafwaarts gedragen. Alleen de rijken begraven hun
dooden in een soort van kist. Elke kaste heeft haar eigen begraafplaats,
alleen de verbranding mag op dezelfde plek geschieden, want voor de
goden zijn alle mensen gelijk. Is er eindelijk genoeg geld bijeen om de
onkosten te bestrijden en heeft een priester den daartoe gunstigen dag
aangewezen, dan kan de verbranding plaats hebben. De feestelijkheden bij
deze gelegenheid, welke dagen achtereen aanhouden, worden in twee
soorten onderscheiden, en wel in gênènan mêwatan, waarbij het lijk,
bewaard of opgegraven, aanwezig is, en gênènan angoen, waarbij een
plankje, of een gevlochten poppetje, den doode representeert. Alleen in
het laatste geval hebben invitatie's plaats. Voor de mannelijke gasten
is het een stilzwijgende conditie, dat zij hun hakmes bij zich hebben,
om bij het slachten en vleeschhakken een handje te helpen. De vrouwen
zouden weinig welkom zijn, als zij niet de nodige rijst, vruchten en
gebakjes mede brachten. In de allereerste plaats en al weken vóór dat er
gedacht kan worden aan de toebereidselen tot de feestmaaltijden, is
echter gezorgd voor wat men den lijkwagen – wadah of badé – zou kunnen
noemen, overgebracht. Zoo'n lijkwagen is een hooge stellage met katoen
bekleed, en rustend op een breed en vierkant onderstel van lange
draagbamboe's. Voor een eenvoudige begrafenis wordt een wadah gebruikt,
dat is een toestel met slechts één spits toeloopend dak. Het bestaat dan
uit drie, naar boven toe smaller wordende verdiepingen, waarboven een
rustbank - balé baléjan – is aangebracht. Voor sommigen mag het
onderdeel alleen met wit linnen bekleed worden – wadah poetihan –
anderen mogen er voorstellingen op laten schilderen of er koppen of
beelden op aanbrengen. De hoogere kasten mogen hun lijkkoets met
ongesponnen kapas bespannen – wadah mêgamêt – en boven de rustplaats
drie tot elf boven elkaar geplaatste daken, als bij een mêroe in een
tempel, aanbrengen. Dan heet het toestel badé of wadah toempang. Is de
wadah gereed, dan begeven bloedverwanten en vrienden zich naar het
kerkhof om den overledene of wat er nog van hem te vinden mocht zijn, op
te graven en in doeken gewikkeld in een ruwe, houten kist, onder
godsdienstig gezang, in optocht naar het sterfhuis te brengen. Hier
wordt het lijk op een balé gezet en begint een priester de gebeden voor
de dooden op te dreunen. Met het luiden van een bel kondigt hij hiervan
het einde aan, waarop een helpster nader treedt en den priester een
gouden ring overreikt, die deze, onder het prevelen van een formule op
de tong van het lijk legt. Daarna wordt op gelijke wijze een stukje
staal tusschen de voortanden en een melattibloem tusschen de oogtanden
gestoken, terwijl een lelieknop voor de neusgaten, een stukje was voor
de ooren, een stukje spiegelglas voor de oogen en een intaranblad voor
de wenkbrauwen bestemd is. Dit alles als bescherming tegen booze geesten
en ook om bij wedergeboorte een begaafde tong te hebben, mooie tanden,
fraai gevormden neus en ooren, verleidelijke oogen en sierlijk gebogen
wenkbrauwen. Dan volgt een wassching met een mengsel van eierdooiers,
bloemen en wijwater en wordt het lijk afgedroogd met sipakabloemen; dit
bewerkt een schoone gestalte als van den liefdegod Sêmara zelf of als
van een hemelnimf. Bovengenoemde voorwerpen worden met het lichaam
verbrand, behalve de kostbare ring, die door een bloem vervangen wordt.
Den volgenden dag heeft het noenoen pada plaats, de plechtigheid der
absolutie. Hiertoe trekken de bloedverwanten naar de woning van den
priester, die hen op zijn erf in vol ornaat afwacht. De medegebrachte
offers, in sierlijke mandjes of op zilveren schalen, worden door den
padanda neergezet en door dezen gezegend. Eén der vrouwen biedt hem
daarna in eerbiedige houding een mandje aan, waarin tusschen rijst,
bloemen, vruchten en duiten een van lontarblad geknipt beeldje – prerahi
– uitsteekt. Dit beeldje stelt den dooden voor, die nu den
vertegenwoordiger der goden vergiffenis komt afsmeeken voor de zonden
gedurende zijn leven begaan. De priester raakt de prerahi even met zijn
voet aan, of, wat hetzelfde is, met een lotus. De overledene heeft des
priesters voet op zijn hoofd gedragen en waar de aardsche godheid hem
aldus in genade afneemt, daar kan hij zonder schroom voor de goden in
den hemel verschijnen. Dien zelfden middag heeft nog een optocht naar
den tempel of naar de woning van den pêmangkoe plaats, om van daar de
pemoespa-an - lange bamboe, waaraan allerlei figuren hangen – den
zoogenaamden eerestaf der pitara's of geesten der afgestorvenen, af te
halen. Tegelijk met dezen staf begeeft zich de ziel van den overledene
naar het sterfhuis en van daar den volgenden dag naar de
verbrandingsplaats om de wadah af te wachten. Om de zielen des avonds
bij het in- en uitgaan den weg te wijzen, wordt aan den ingang van het
erf een soort lampion – damar koeroeng – opgehangen. De eerste
lijkverbranding die ik bijwoonde, was die van twee vrouwen, een jong
meisje en een getrouwde vrouw, beiden ongeveer een jaar tevoren
gestorven en gedurende dien tijd in huis bewaard gebleven. Op den dag
der verbranding lagen beide lijken in de balé-bandoeng op fraai
versierde rustbanken, zoodanig toegedekt met een groot aantal kains en
witte doeken, die over een bamboestolp lagen uitgespreid, dat het wel
twee enorme, zeker een meter hooge kussens geleken. Boven op elk dezer
witte heuvels stond een lampje van eigenaardige constructie. Op een
zilveren schaal lag drie kwart van een klapperdop, rustend op een kring
van aaneengeregen duiten. De klapperdop was gevuld met rijst en in de
rijst stond een eierschaal, waarvan de top was afgesneden, gevuld met
olie waarin een brandend pitje. Naast het ei stond een soort boompje,
kunstig vervaardigd van lontarblad en gekleurde katoenen draden. Onder
de zilveren schaal lag, armen en beenen over den geheelen berg kleederen
uitgestrekt, een pop die samengesteld was uit dunne goudplaatjes, die
door kettinkjes aan elkaar waren verbonden. Op armen, beenen en hoofd
lagen gouden peperhuisjes met sirihbladeren, welriekende bloemen en
enkele duiten er in. De beide rustbanken waren van een hemel en
gordijnen voorzien en versierd met veelkleurige linten, terwijl aan het
voeteneinde een menigte zilveren schalen stonden met vruchten en
allerlei offers; elke schaal was toegedekt met een kunstig gevlochten
deksel. Tusschen de praalbedden stonden bij het hoofdeinde twee
altaartjes op palen, met lange, kleurige, van uitgeknipt papier,
lontarblad en bont katoen vervaardigde en naar beneden afhangende
versieringen bekleed. Op twee daarvan kwamen gestyleerde, van lontarblad
gesneden vrouwenfiguurtjes voor. Op het gehele erf, waar een aantal
muzikanten onophoudelijk, en met veel geraas verschillende gamelans
bespeelde, heerschte een gezellige drukte van komende en gaande gasten,
allen op 't mooist uitgedost. Ten laatste brak de tijd aan voor de
overbrenging van de dooden naar de plaats der verbranding, op ongeveer
een half uur afstand. Een menigte vrouwen naderden nu de balé-bandoeng
en namen elk een zilveren schaal met offeranden en ze op het hoofd
plaatsend, vormden ze een stoet en begaven zich aldus in optocht buiten
het erf. Eenige mannen namen de in lakens gewikkelde lijken onder de
stolpen vandaan en brachten ze door een apart voor deze gelegenheid in
den buitenmuur gemaakte opening eveneens buiten het erf en naar de
gereedstaande wadah. Een lijk wordt nimmer den gewonen ingang
uitgedragen, om, zooals te lezen is in het verslag van een gezantschap
naar Bali in 1663, "den duyvel, die de passagie van de rechte deure
bekent is, en het besijden gebrocken gat niet en weet" niet te ontmoeten.
Lijken van vorsten worden over den vaak zes meter hoogen buitenmuur van
hun paleis heengedragen over een apart voor dat doel vervaardigde brug.
Een zestal mannen klom nu op de wadah, en stelde zich op verschillende
hoogte op. De onderste namen de lijken aan en gaven of liever gooiden ze
over hun hoofden, alsof het pakken hooi waren en ze een hooischuur
moesten vullen, den boven hun staanden toe, op welke wijze ze spoedig in
de bovenste verdieping aanlandden. Ze werden op de rustbank neergelegd
en met enige doeken toegedekt en stevig vastgebonden, wat met het oog op
den verderen tocht hoog noodig bleek. Aan weerszijden van de balé
baléjan waren een paar levende kuikentjes – ibêr-ibêr – vastgebonden,
die bij verbranding de twee zielen op hun reis naar den hemel tot
voertuig zouden strekken. Hoewel een paar jonge kuikens heel weinig geld
kosten, zoo denkt een Baliër er toch geen ogenblik aan, om zijn eigen
diertjes daarvoor op te offeren, of ze op de markt te gaan koopen. De
zorg voor de ibêr-ibêr wordt aan de jongens overgelaten, die vroeg in
den morgen het dorp intrekken en er een paar stelen, welke diefstal niet
strafbaar is en waar zich dan ook niemand tegen verzet. Een vijftig of
zestig mannen tilden nu de wadah, waarop nog enige lieden waren blijven
staan, bij de draagbamboe's op en draaiden onder een ontzettend gegil en
gebrul, om de booze geesten op een afstand te houden, de heele stellage
een keer in de rondte, holden er een eindje mede weg, keerden dan weder
naar de woning terug, draaiden daar nogmaals de wadah eens rond en
liepen toen weder op een drafje een eind weg, en nu wat verder dan de
eerste keer. Toen hielden ze plotseling stil, om de heele krakende en
schommelende stelling nog weer eens rond te draaien; daarna ging het
vlug op weg naar de verbrandingsplaats. Het scheiden van de vroegere
woning viel den afgestorvenen zwaar, vandaar dat de dragers telkens, als
door een onzichtbare macht gedwongen, op hun schreden terugkeerden. Ook
bij het inladen van de lijken in een wadah heeft ditzelfde vaak plaats,
en worden de lijken pas na herhaaldelijk heen en weer gezeuld te zijn,
onder een formaal gevecht van de dragers, op hun plaats gelegd. Op het
dorpsplein aangekomen, werd nog een laatste maal haltgehouden en de
wadah driemaal om het plein gedragen en toen zoo hoog mogelijk opgetild
om den jongeren leden van de familie gelegenheid te geven er driemaal
onderdoor te kruipen. Vóór aan de lijkkoets zat een lang touw –
nagabandha – waarvan het eene uiteinde door een priester werd
vastgehouden, die daarmede, steeds vooruit hollend, al de zooeven
uitgevoerde bewegingen geleid had. In de andere hand hield de priester
een groot hakmes, waarmede hij den weg van booze geesten zuiverde, welk
mes daarom panastas djalan of wegbereider wordt genoemd. Het lange touw
is een plaatsvervanger voor de grote slang, die wanneer de overledene
tot de tweede kast behoort, aan de wadah of balé wordt vastgehecht. Deze
slang, die rijk versierd en met groote vleugels getooid is, heeft dan
wel de lengte van 30 of 40 meter en wordt door een menigte mannen
ondersteund en vooruit gedragen. Vóór dat dan de optocht zich in
beweging stelt, schiet een padanda viermaal, van elk der vier
windstreken ééns, met bloempijlen naar den kop van de slang, wier kwade
invloed daardoor vernietigd wordt. Hij gebruikt daartoe een houten pijl,
aan het einde waarvan witte bloemen zijn gehecht, en wel zoodanig, dat
alleen de bloemen naar de slang worden geworpen. Dit eigenaardige
gebruik vindt volgens de Baliërs zijn verklaring in een episode uit lang
vervlogen eeuwen, toen de aardsche goden – de Brahmanen – en de vorsten
elkaar beoorloogden. Een zeker machtig vorst n.l. had de gewoonte de
Brahmanen te bespotten, vooral hun bovennatuurlijke kracht. Toen eens
een groot priester op bezoek was bij hem, liet hij in stilte een gans in
een put zetten, en deze toen dichtmaken. Hij vroeg nu den priester welk
beest er in den put was, en deze antwoordde: een slang – naga -, waarop
de vorst hem luide begon uit te lachen. Toen de put echter werd
opengemaakt kwam er inderdaad een reusachtige slang uit, die den vorst
toekwam, waardoor deze hevig ontstelde. De priester redde den koning
door de slang te dooden, en van dien tijd af moet elke Ksatrija een
slang aan de balé hebben, die dan door de priester gedood moet worden.
Voor het doel van den tocht bereikt was stond de gehele stoet nog een
paar maal stil, tegengehouden door dichte drommen kala's en boeta's,
doch na een kort gevecht wist de priester deze kwelgeesten uiteen te
jagen. Het was een hele optocht. Vooral een groot aantal vrouwen met de
offers voor de booze geesten, die als ze niets bekwamen, de zielen op
weg naar den hemel voorzeker erg lastig zouden vallen. Dan volgden een
groot aantal vrouwen en jonge meisjes met potjes wijwater op 't hoofd en
vrouwelijke bloedverwanten met de oepatjara, de kostbaarheden, die de
overledenen gedurende haar leven gedragen of gebruikt hadden en nu de
eigenaressen tot aan de verbrandingsplaats als het ware uitgeleide deden.
Is het lijk in de wadah dat van een welgesteld man, dan ziet men vaak in
de optocht ook diens lievelingspaard, rijk uitgedost, door eenige mannen
geleid en soms door een zoontje of kleinzoontje van den overledene
bereden. Eenige andere mannen en vrouwen droegen de pangoeriaga op een
soort zeef voor zich uit, welke offers bestemd waren om de ziel uit
Jama's hel los te koopen. Hier en daar liepen tusschen den stoet, waarin
al spoedig in 't geheel geen volgorde meer te bekennen viel, eenige
kleine jongens met kleine bamboe's, waaraan een bundeltje wit en
gekleurd garen, benevens een ris kèpèngs bevestigd was. Dit moesten
staatsielansen voorstellen. Verder was er nog een man met het doodengeld,
dat onderweg onder het toekijkende volk werd gestrooid. Natuurlijk
ontbrak ook de gamelan niet. Den geheelen weg over werd er gezongen,
voornamelijk door de dragers van de wadah; ze zongen echter geen
treurzangen maar geliefkoosde episoden uit Bratajoeda, Ramajana of
andere aan heel het volk bekende werken. Nog voor de verbrandingsplaats
bereikt was wrongen een aantal jongens en mannen zich tussen de dragers
door en klauterden tegen de wadah op. Daar begonnen ze tot mijn groote
verbazing het fraai versierde toestel te plunderen, terwijl zij zich met
de eene hand krampachtig aan het schommelend gevaarte vastklemden,
rukten ze met de andere alles af wat maar los was te krijgen, de bloemen
en vlinders van klatergoud, de ontelbare spiegeltjes, het snijwerk en
zelfs brokstukken van de met voorstellingen van gevechten tusschen apen
en goden beschilderde katoenen bekleeding en wierpen alles aan
medehollende vrienden toe. Op de plaats van bestemming aangekomen,
werden de dooden uit den nu totaal leeg geplunderden lijkwagen naar
omlaag gebracht en neergelegd in twee op een verhooging gereed staande
verbrandingskisten. De wadah zelf werd in brand gestoken; in een oogwenk
stegen de vlammen langs de verschillende verdiepingen omhoog. Luid
knallend barstte de bamboe van het geraamte uiteen en in korten tijd was
de kostbare lijkwagen ineengestort en verteerd. De kisten waar de lijken
nu in lagen, hadden den vorm van een bed met een hoog hoofdeinde. Ze
stonden op een vloer, die op palen rustte; drie treden voerden naar dit
platvorm. Boven de kisten verhief zich een op vier stijlen rustend dak.
In de nabijheid van deze stellage stond een soort tafel waarop veel
potjes met wijwater, in den optocht meegevoerd, waren neergezet. Dit
waren geschenken van verwanten en vrienden, die dan ook aan elk potje
een lontarblad hadden gebonden met hun naam er op. Nu ving er een
ceremonie aan die meer dan een uur duurde. Elk der gevers van de zooeven
genoemde potjes wijwater nam zijn geschenk van de tafel en beklom er de
verhooging mede, waarop de kisten stonden, na vooraf eerst de handen te
hebben gewasschen met gewijd water, dat een priester er uit een koperen
ketel overgoot en dan den mond te hebben gespoeld, eveneens met wijwater
uit een gendi, door dezelfden priester aangereikt. Met allerlei vreemde,
doch uiterst sierlijke gebaren en onder eentonig gezang sprenkelde de
bloedverwant of vriend het wijwater in de kisten, wierp er de bloemen
in, die in de potjes op het water dreven en keerde ten slotte het potje
boven een der kisten om en wierp het daarna op den grond aan stukken. En
zoo ging het al maar door, tot elk zijn beurt had gehad, waarna de
priester de lijken nog met een grote hoeveelheid wijwater overgoot.
Onderwijl hadden enige mannen met patjols een hoeveelheid klei gespit en
met water uit het langs het terrein vloeiende beekje vermengd en de
weeke massa op den vloer onder de kisten uitgespreid. Nu werd het dak
weggenomen en een groote hoeveelheid hout op de kleilaag onder de kisten
geschoven met bundels gedroogde klapperbladeren als vuurmakers er
tusschen. Een aantal rappe handen namen toen het dak bij de vier stijlen
en droegen het de verhooging af; onderwijl werd er petroleum over het
brandhout gegoten en dit aangestoken en weldra stegen de vlammen
knetterend omhoog en belikten aan alle kanten de lijken die in de kisten
op een dun bamboe vlechtwerk lagen. Door de kleilaag, die zoo nu en dan
met water dat met bamboekokers werd aangedragen, begoten werd bleef het
houten platform gespaard en door de dikke kalklaag waarmede de kisten
besmeerd waren, hadden ook deze maar weinig te lijden. Al heel spoedig
waren de lijken door het dunne bamboevlechtwerk op de brandende takken
gevallen; eenige mannen, met staken gewapend, zorgden dat de beenderen
en vooral de schedel niet uit den vuurgloed rolden. In een half uur
tijds was alles verteerd. Er heerschte een grote vroolijkheid, en zoowel
de mannen met de staken, als die het water aandroegen, schudden vaak van
het lachen om de een of andere aardigheid, wierpen elkaar de volle
lading water over het lijf, of zaten elkaar met de staken achterna.
Gedurende het branden had er een eigenaardige vertooning plaats.Een
twaalftal als soldaten verkleede inlanders, in allerzonderlingste
uniformen en gewapend met houten geweren met loopen van blik, waarin
enige steentjes, die bij het aanleggen geschud werden, wat dan snelvuur
moest beduiden, voerden allerlei standen en bewegingen uit. Eén er van,
met een kolossale scheur in zijn broek en een blauwe bril op zijn neus,
was aanvoerder en leidde, gewapend met een enorme sabel, deze uitvoering,
terwijl twee mannen met een klewang, elk gevolgd door een man met een
pajoeng, tot afwisseling van de spiegelgevechten, sierlijke, maar vaak
ook zeer onkiesche dansen ten beste gaven. Men vertelde mij, dat dit
alles een overblijfsel was uit den tijd van de regeering der vorsten,
die bij de verbranding van verwanten of hooggeplaatste personen door hun
lijfwacht de plechtigheid lieten opluisteren. Het vuur was nu uitgebrand
en de vertooning afgeloopen; een ieder keerde huiswaarts. Slechts een
paar der naaste verwanten bleven nog achter om de asch der lijken bijeen
te garen en met wat kleine offeranden in doeken te wikkelen. Eigenlijk
was het hun taak om den heelen nacht de wacht te blijven houden, maar
daar de gewoonte het veroorlooft zich door een poppetje te doen
vervangen, maakten zij daar dankbaar gebruik van. De kala's, die nu
mochten komen opdagen, zouden de dooden naar hooger gewesten verhuisd
vinden en geen der levenden aanwezig om hun woede op te koelen. Den
volgenden dag had het vervolg op de hierboven beschreven plechtigheid
plaats. Zal de ziel namelijk andermaal in een menschelijke gedaante
willen terugkeeren, zoo mag er ook niets van 't vorig, stoffelijk
omhulsel op aarde overblijven, zelfs de asch niet. Deze wordt daarom, na
andermaal door den priester te zijn ingezegend, in plechtigen optocht
naar het strand en vandaar met een bootje zoo ver mogelijk de zee in
gebracht, om, tegelijk met enige kleederen en offeranden, een prooi der
golven te worden. De plechtigheid heet makarim. Is de verbrandingsplaats
wat ver van zee, dan wordt de asch maar in een rivier geworpen, waaraan
dan de zorg voor de overbrenging naar zee wordt overgelaten. Behoort de
familie tot de hoogste kaste, dan mag reeds enkele dagen later het
hamboekoer gevierd worden. Dit is een groot offerfeest, waarbij de
laatste tol aan Jama wordt betaald en deze nu genoodzaakt is de hem
overgegeven ziel los te laten, die daarop, zoo spoedig zij verkiest, in
een nieuw lichaam op aarde kan nederdalen. Voor meer gewone inlanders
komt echter eerst nog het ngrorasin of feest van den twaalfden dag, bij
welke gelegenheid het lijk nogmaals, in beeltenis natuurlijk, en wel in
den huistempel, verbrand wordt, terwijl de asch dan nog dienzelfden dag
in zee of in de rivier wordt geworpen. Weer iets later volgt dan het
metoehoen – nederdaling -, een kostbare plechtigheid, waarbij eveneens
de adêgan de hoofdrol speelt. Hierbij wordt deze figuur echter niet
verbrand maar na zonsondergang buiten boven de poort gehangen. Een paar
maanden later nog een feest, het mêpêgat of sluitingsfeest, waarbij de
dorpsgoden bij monde van den pêmangkoe de verklaring afleggen, dat aan
alle gerechtigheid is voldaan, dat Jama niets meer van de ziel te
eischen heeft en deze dus vrij is om op den dauw – damoeh – neder te
dalen, zooals zij bij de verbranding in den rook - andoes – is
opgestegen. Doch laat ik u nu verhalen van het makirim, dat volgde op de
verbranding die ik in de vorige bladzijden beschreven heb. Daar het
zeestrand een uur ver en de rivier veel dichter bij was, zoo werd de
asch naar de rivier gebracht. Het was weer een heele optocht, en weer
was er een wadah bij van een dergelijke constructie, als die den vorigen
dag was gebruikt. Deze was echter geheel met wit katoen bekleed, met
talrijke spiegeltjes en een groote hoeveelheid klatergoud behangen en
bestond uit vijf verdiepingen, waarvan de bovenste in den vorm van een
zetel. Aan beide zijden daarvan, op de plaats waar bij een armstoel de
armleuningen zitten, was een fraai bewerkte naga met opgeheven kop
aangebracht. Op alle hoeken stonden boompjes met bloemen van klatergoud
en bonte uit hout gesneden figuren. Voorop ging de gamelan. Dan volgden
twee mannen, die ieder aan een langen bamboestaak een fluwelen jasje,
een slendang en een saroeng en een bos kèpèngs droegen. Dit waren
kleeren en geld, noodig voor de reis naar de andere wereld; daar de
zielen echter alleen behoefte hebben aan de zielen der voorwerpen, zoo
werden ze na afloop der plechtigheid door de dragers als belooning mee
naar huis genomen. Deze beide mannen werden gevolgd door twee andere met
groote zonneschermen. Dan volgden weder twee lieden die ieder aan een
draagbamboe twee grote manden droegen, die gevuld waren met houtskool
van klapperomhulsel, eenig aarden vaatwerk en wat bloemen; ook al voor
de aanstaande groote reis. Daar deze voorwerpen maar luttel waarde
vertegenwoordigden, zoo werden ze later bij de asch in de rivier
geworpen. Na een wandeling van een klein half uur, waarbij eenige vrij
steile hellingen moesten worden afgedaald, en de wadah dan veel gevaar
liep van onderst boven te duikelen en slechts met de grootste moeite
door de talrijke dragers onder ontzettend gebrul in evenwicht kon worden
gehouden, werd de rivier bereikt.En weer herhaalde zich hetzelfde
tooneel van den vorigen dag en was in enkele oogenblikken de wadah
geheel geplunderd, zoodat slechts het bamboe raamwerk overbleef. Zelfs
de enkele planken, die er aan voor kwamen, werden als een kostbare buit
naar huis gesleept. Eén kerel was gedurende de plundering boven op het
toestel geklommen en ontstak daar een menigte zevenklappers, die de
zonderlingste bochten en wendingen makende, de plunderaars en dragers
met een zee van vonken overstelpten. De twee witte pakjes met asch
werden nu naar beneden gebracht en in de rivier leeggeschud. Toen er
niets meer te punderen viel, keerde iedereen huiswaarts. Een artikel
over lijkverbranding op Bali is niet compleet, zoo er geen gewag in
wordt gemaakt van de vroeger bestaan hebbende gewoonte om met het lijk
van een man één of meer van de vrouwen van den overledene levend te
verbranden, om hem hiernamaals te vergezellen. Nog in October 1903 had
in Tabanan zoo'n verbranding plaats, n.l. van twee weduwen van den
overleden vorst, en dat, niettegenstaande een Hollandsch ambtenaar al
zijn best had gedaan die gruwelijke daad te beletten. Maar dit is dan
ook de laatste verbranding van vrouwen geweest. Daar ik in Maart 1904
voor het eerst op Bali kwam, ben ik niet in de gelegenheid geweest zoo
iets bij te wonen, en kan ik er dus geen beschrijving uit eigen
aanschouwing van geven. En zelfs, al had die gelegenheid zich voorgedaan,
zoo ben ik er niet zeker van, of ik niet het voorbeeld zou gevolgd
hebben van onze voorvaderen, die, bij hun eerste bezoek aan Bali,
vernemende "datter verbrandt soude worden het doode lichaem van een
groot Meester, ende wel vijftigh levende vrouwen daer mede" dit zulk "een
schrikkelijck schouwspel" vonden, dat hun "soo seer teghen stond, datter
niet een van hun allen belust en was 't selve te gaen besien." Maar
reeds in het reisverslag van het gezantschap naar Bali in 1633, waarvan
ook vroeger al melding is gemaakt, vinden we een uitvoerige beschrijving
van zoo'n vrouwenverbranding. Ik laat hieruit enkele aanhalingen volgen.
"De vrouwen die gecrist off met den dooden sterven sullen, worden een
nacht ende dach te vooren, met dansen, singen ende speelen, sonder
eenige slaep, met alle melodije onderhouden: ende omme geen imaginatie
off verschrickinge van den dood te hebben, met eenige drancken halff
droncken ende buijten sinne gebracht. Niemant van de voorgeschreven
vrouwen ofte dienstmaegden is gehouden te branden als men sijn eijgen
vrije wille" wat heel mooi lijkt, maar dadelijk daarop volgt, "dan die
het refuseert, werden in een clooster geset, ende moeten aldaer, sonder
ijmand te mogen sien, haer leven eijndigen, ende die bevonden werden
haer verloopen te hebben, werden niet alleenlijck gecrist, maar oock
voor de honden geworpen ende opgegeten. Met het overlijden van den
grooten Coninck sterven 120, 130 à 140 vrouwen, maer geene van die wordt
gecrist, maer springen alle, van de minste tot de meeste, uit haer eigen
vrije wille in 't vuver." In de volgende aanhaling leest men van een
aantal vrouwen, die vóór het verbranden eerst gekrist werden. "Voor het
lijck wierden mede op Badij's - draagstoelen - , van bamboesen
toegemaeckt ende overal met bloemen behangen, in goede ordre met groote
triumphe ende spel van trommen ende gommen vooruit gedraegen, eerst de
slechtste ende daarna de gequalificeerste van de slavinnen van den
afgestorvenen, die omme het lijck in den Hemel te convoijeeren, mede
g'ordineert waeren, gecrist ende met het lijck verbrant te worden,
hebbende om haren Godt op te offeren, ijder voor haer staen een braet
verken, rijst ende andere snuisterijen. Dewelke ter bestemder plaetse
gecomen, ende in haeren back geset, als wanneer vijf manspersoonen ende
twee of drie vrouwen, buijten den back staende, haer alle bloemen ende
cieraat afnaemen. De condemneerden deden ondertusschen haere offerande,
met gevouwen handen, siri ende pinangh boven haar hooft houdende;
anderen hadden een levende duijff bij de poten ende schoten, die in de
lucht op, willende daermede te kennen geven, dat die haere sielen naer
den Hemel opvoerden, andere lieten een kuijcken levendigh los loopen.
Dit gedaen sijnde, wierden van alle cleederen – houdende alleen een wit
cleet voor haere schamelheijt – ontbloot, ende bij vier manspersoonen,
aen de armen ende beenen vastgehouden, ende sonder geblint te worden,
tot tweemael met een cris in de rechter sijde, tusschen de corte ribben
in ende bij de schouders nederwaerts aen, naer het hart gestecken, ende
lieten deselve als doen moedernaeckt, halffdoot, halff levendich,
soetjes op de buijck nedersincken. Als doen naemen de naeste vrunden van
de gecriste slavinnen off andere daertoe gehuijrt sijnde, de doode
lichaemen ende die met water afgewasschen ende rontsom – uijtgesonderd
het hoofd – met hout bedeckt hebbende, verbranden deselve tot assche." |
|
|
|
Previous |
|
|
|