Een ongehoord moeilijk probleem: al de feitelijke gegevens
staan vrijwel vast, en toch is een bevredigende oplossing haast
niet te vinden.
Vast staat allereerst, dat het niet aangaat, en ook niet
mogelijk is, een volk van anderhalf millioen zielen, dat zijn
eigen leven en zijn eigen aspiraties heeft, tot
cultuur-reservaat te verklaren. Het zou daartoe bovendien te
laat zijn. De instrooming van Westersche dingen en denkbeelden
is reeds lang aan Bali niet bespaard gebleven. Wie zal het den
Baliërs verwijten, dat zij na de aardbeving van 1917 voor het
duurdere atap tot dakbedekking gegalvaniseerd ijzer kozen, wie
zal het hun beletten? Laat men echter ook niet aankomen met een
‘liberale politiek’, die zou heeten voor te schrijven, om Bali
aan al wat het Westen te bieden heeft, zonder onderscheid,
weerloos over te leveren.
Vast staat voorts, en hierin ligt eenige hoop, dat de Balische
cultuur, wat men ook van godenschemering of stervende goden
heeft willen schrijven, springlevend is. Laat men toch ophouden
met praten van Marken en Volendam, van een opzettelijk in zwang
houden van afgestorven gebruiken terwille van de Amerikaansche
touristen! En ook met verwijten aan de Paketvaart, die het
eiland tot dat doel zou exploiteeren; let wel, een volk van
anderhalf millioen! Zoolang de Paketvaart op Bali haar
tegenwoordige agenten houdt, wordt het, immers onafwendbare,
touristenverkeer er op intelligente wijze langs een bepaald pad
geleid, en buiten die route êer geweerd dan bevorderd.
Wie niettemin iets meer mocht zien dan de muziek en dans voor
het hôtel te Badoeng (Den Pasar), - een voorstelling, voor den
tourist gearrangeerd, schoon daarom nog niet onecht -, weet, dat
hij iets volkomen eigens, echts en levends heeft aanschouwd, dat
als verrijking en verdieping van zijn begrip voor cultuur in
zijn herinnering blijft bewaard. De avond in een tempelhof van
een desa, waar bij een paar petroleumlampjes een broederschap,
met koorzang van vrouwen, en maatgeroep van mannen, de kleine
danseressen oefenden, dat was een blik in het leven van een volk,
zooals geen land van Europa hem meer zou kunnen bieden.
De cultuur van Bali is geheel in godsdienst gefundeerd. Het
eiland is van de goden, van hen houdt de Baliër zijn grond, als
genadige gunst, niet in pacht. Het geheele akkerleven en
rechtsleven verloopt in cultusvormen. Naast de tallooze
‘tempels’ vindt men een offerplek op ieder woonerf, in elken
boomgaard, op elken akker, op elke drie- of viersprong. Op alle
wegen ontmoet men steeds weer de kleine optochten, die offers
naar een tempel dragen. Weest toch voorzichtig met van sleur en
doode vormen te spreken, gij die dit alles niet begrijpt, omdat
gij er niet in leeft! De priester die zich tegenover onzen
onschatbaren gids bescheiden verontschuldigde, dat deze wellicht
beter dan hijzelf zijn liturgie (in het oude, lang vergeten
Sanskrit) verstond, liet geen oogenblik twijfel opkomen aan den
heiligen ernst en de diepe devotie, waarmee hij de treffende
godsdienstoefening volvoerde.
Nu komt de moeilijkheid. Het Christendom, door de regeering,
sedert een mislukte proef, van het eiland verre gehouden, blijkt
opeens, desondanks, op Bali bescheiden vorderingen te maken. Een
Chineesch zendeling, in dienst van de Canadian Presbyterian
Missionary Alliance, wint, ofschoon hij slechts verlof heeft,
onder Chineezen te werken, ook Balineesche bekeerlingen; meer
dan honderd zijn er reeds gedoopt. Wat is natuurlijker, dan dat
men thans van Nederlandsch-Indische zijde de gevolgtrekking
maakt: de Baliër begeert kennelijk voor zijn leegen vormendienst
een dieperen, levenden inhoud, dus is het oogenblik gekomen, om
Bali voor een geregelde werkzaamheid van Zending of Missie of
beide, open te stellen?
Men is zich daarbij, ook van protestantsche zijde, waar weleer
dikwijls een bedroevend minimum van ontzag voor volksgebruiken
heerschte, thans wel bewust, dat hier een teer en kostbaar gewas:
de Balische cultuur, te sparen valt. Van een man als Dr Kraemer,
die juist een maand van ernstige studie op Bali is gaan
doorbrengen, en allerwege om raad en waarschuwing heeft gevraagd,
behoeft niemand te vreezen, dat hij rauwelijks zal schenden en
omverwerpen, wat eeuwen van een gelukkig volksbestaan tot wasdom
brachten. Men heeft den uitgesproken wil, de Balische cultuur
zelve te kerstenen.
De groote vraag blijft: zal dit mogelijk zijn? Uitstekende
kenners van Bali, die volstrekt niet onsympathiek tegenover de
Zending als zoodanig staan, ontkennen het. Het is een illusie,
zeggen zij, een cultuur te willen sparen, waar men den bodem uit
slaat. Een christelijk-Balische cultuur, met behoud van het oude
leven en de oude schoonheid, is onbestaanbaar.
Voor den Christen van leerstellig omschreven overtuiging houdt
zulk een antwoord geen afdoend verbod in, om toe te tasten. Ook
dan, moet zijn conclusie zijn, is het onze plicht, Bali, nu de
teekenen wijzen, te kerstenen.
Dus, met het Christendom, een nieuwe cultuur te brengen voor de
oude. Een nieuwe, niet meer eigen, cultuur. Zij zal niet die
zijn van het christelijk ideaal, - de Kerk zelve weet en erkent
het. Zij zal, in aardschen zin, niet beter of slechter zijn dan
andere christelijke samenleving. Zal zij gelukkiger zijn?
De white man's burden weegt hier zwaar. Evenwel, meent men,
alles overwogen, Dr Kraemer's arbeid niet te moeten toelaten,
dan dient, in ieder geval, ook de Amerikaansche Chinees te
verdwijnen.*In de rubriek Stemmen uit de Redactie van De Gids,
96e Jrg. no. 11, November 1932, p. 124-127. P.N. van Kampen &
Zoon N.V., Amsterdam.
|