Ons eerste bezoek gold thans het aan de zuidpunt van Bali gelegen rijk
Badoeng. Daar we wind en stroom in ons
voordeel hadden, liepen we gemiddeld met een acht- mijls vaart. De
Commandant had besloten om niet de zoogenaamde ^veilige passage'^
tusschen Bali en Noesa Penida door te gaan, doch dit laatste eiland
rechts te laten liggen. Wij waren daardoor meer in open zee, doch hadden
nu ook verbazend veel last van het slingeren en stampen van het schipen
ik ging na bekomene vergunning bij den Eommandant op de campagne zitten
en
keek wat naar de hooge golven en naar de zeeën, die nu en dan over boord
sloegen. Wat eene bedrijvigheid heerschte er op het dek, de matrozen
klommen bij dozijnen letterlijk als katten tegen de touwen op; hier
werden zeilen bijgezet, daar zeilen weggenomen, de wind gierde door het
touwwerk en deed de zeilen bol staan; de dienstdoende Officier moest
alle krachten inspannen om bij zijne commando's, die rechts en links
vlogen, het huilen van den wind te overschreeuwen ; en boven dit alles
uit klonken van tijd tot tijd in duidelijk Hollandsch de commando's van
den Kommandant, kort en krachtig als eea mokerslag. Ik had mij ineen „fancychair^'
neérgevleid en was bijna: ^Eingewiegt von Meereswellen Und Yon
traumenden Gedanken^'
toen ik voor het ontbijt geroepen werd. Ik had nauwelijks mijn Yoet in
den ^long-room" gezet, of ik kwam tot de overtuigiug, dat zelfs op een
oorlogsstoomer niet alles bestendig is. Ik had mij, zooals ik zeide, tot
dusverre voor een landrot nog al goed gehouden, in weerwil het schip de
gekste cabriolen maakte, duoh toen ik beneden kwam en de wetenschap
opdeed, dat en de Gekommittecrde èn diens Sekretaris het veiliger hadden
gevonden, om in hunne kooien te gaan liggen, en veel moeite deden om
niet bij Neptunus op het ochtend-
rapport te komen, kreeg ook ik het te benauwd en ging eveneens op kooi,
alwaar mij door het geopende venster door een paar dartele Najaden al
spoedig een verfrisschend bad werd toegediend. Als maatstaf voor het
geweldige slingeren en stampen van het schip, kan eenigzins het feit
dienen, dat geen der zeekranke passagiers ooit te voren last had gehad
van deze unheimische gewaarwording, en dat, behalve wij, ook eenigen van
de bemanning voor mirakel lagen. Des middags tegen vijf uur lieten we
het anker vallen in Pantel
barat alwaar men in dezen tijd veiliger ligt dan in de oostbaai (Pantel
timor die alleen in den westmousson te gebruiken is, en waar ik, op mijn
vorige reis naar Badoen ten anker kwam. Beide baaien liggen aan
weerszijden van de landengte, die het eigenlijke Badoeng met den
tafelhoek verbindt. Doch ook in den oostmousson
is Pantel barat^ hoewel de eenigste ankerplaats iu dezen tijd, door de
vele ondiepten, die men er vindt, en de hevige rollers, die er steeds
zijn, alles behalve gemakkelijk te genaken, en ligt men er volstrekt
niet rustig. Wij lagen er ten minste aanhoudend te schom- melen. In de ^Zeemans-glds
van Smits'' wordt deze baai trouwens ook zeer ongunstig gekwalificeerd,
en gebeurt het volgens hem meer- malen, dat de schepen hier voor anker
worden weggeslagen. Wij hadden van Banjoewangl een loods meegenomen, die
met dit vaarwater uitstekend vertrouwd was en die ons netjes binnen
loodste.
29 Augustus. — Zonder in historische
beschouwingen over het rijk Badoeng te willen treden, moet ik evenwel
tot beter begrip van mijne beschrijving van dit rijk op eene
omstandigheid opmerkzaam maken.' Badoeng hoe klein ook, is verdeeld
onder drie vorsten, die oorspronke- lijk ieder voor zich hun eigen
gedeelte bestuurden en elkander meer- malen de opperste macht betwistten,
zoodat men aldaar drievorsten- zetels heeft, nl. in Dèn passar
Pamtjoetan en Kasiman. De tegenwoordige radja Kasiman, hoewel nog in
Kasiman gezeteld, heeft
evenwel zijoe macht op den radja Dèn passar overgedragen, zoodat
feitelijk alleen deze laatste en radja Pamtjoetan de heerschappg deelen.
De radja Dèn passar heeft de opperheerschappg over geheel Badoeng geldt
ten minste als zoodanig bij onze Regeering, terwijl ook Pamtjoetan als
regeerend vorst is erkend. Na het aangehaalde zal men kunnen begrijpen,
hoe het komt, dat wij in Badoeng aan verschillende hoven bezoeken
aflegden en hoe er van zoovele radja's sprake kan zijn.
Van Gjanjar uit had de Qekommitteerde reeds een soeroean naar de
Badoengsche hoven gezonden, met het bericht dat hij eerstdaags zijn
voorgenomen bezoek aan Badoeng zoude brengen, met verzoek tevens
om voor logies en ontvangst te willen doen zorgen. Onmiddellijk na onze
komst ter reede werd de tolk nogmaals derwaarts gezonden, om te
berichten dat we te Pantei barat voor anker lagen, en dat de
Gekommitteerde met zijn gevolg den volgenden morgen om zeven uor
wenschte te debarkeeren. Na ontvangst van dit bericht had de radja
besaar {Dèn passar) eenige personen aan boord gezonden, om den
Gekommitteerde te verwelkomen en hem aantezeggen, dat alles voor zijne
ontvangst gereed was en wij in de poeri van den radja besaar zouden
logeeren.
Des morgens om zeven uur gingen we met de sloepen van de Watergeus onder
het lossen van elf schoten aan
wal. De koelies stonden gereed om onze bagage in ontvangst te nemen. De
Komroandant van de Watergeus' had, met het oog op de moeielijkheid om de
baai binnen te komen, de noodzakelijkheid ingezien van het plaatsen van
eene blijvende steenen baak op het strand, en had reeds maatregelen
genomen, dit plan onmiddelijk te doen uitvoeren. Een paar Officieren van
de Watergeus werd het toezicht over de goede plaatsing van die baak
opgedragen, die op een voetstuk van vier meter vierkant eene hoogte
zoude hebben van
dertig voet De vorst gaf, toen hem daarover nog dienzelfden dag werd
gesproken, hiertoe dadelijk de noodige bevelen. Na ons debaikement en
nadat de plaats, alwaar de baak zou verrijzen, door
den Kommandant zelve was uitgekozen, gingen we te voet naar het op een
halve paal van het strand gelegen huis van den Chineeschen handelaar,
den Singké Laaw Ajam^ dien ik bij mijn vorig bezoek als een gastvrij en
vriendelijk persoon had leeren kennen. Ook nu had hij voor een goed
ontbijt gezorgd, en bleven wij bij hem, totdat van den radja besaar de
noodige paarden kwamen om ons ter bestemder plaatse te brengen.
Dit gedeelte van Badoeng heet Koeta en
is de voornaamste handelsplaats, er wonen zeer vele Chinezen en
Boeginezen, en gedurende vele jaren woonden er drie Denen (gebroeders
Lange) ^ die aldaar een uitge- breiden handel dreven en bij het hof zeer
in aanzien waren. Alledrie ziJn evenwel overleden, de laatste 25 jaren
geleden. Hoewel in ver- vallen staat, zijn de huizen en pakhuizen dezer
firma aldaar nog aanwezig. Van minder beteekenis voor den handel is het
dorpje Toeban dat aan de overzijde van de landengte bij Pantei timor
ligt en waarvan men langs de zeer kronkelende rivier Dawan^ die 35
bochten heeft te Koeta komt. Deze rivier is evenwel de helft van den dag
onbevaarbaar door verval van water. Druk bezocht door schepen van alle
mogelijlfe Oostersche naties, moet syphilis, zooals ik vernam, aldaar
vrij hevig verspreid zijn. Som-
mige personen, die ik bij mijn vorig bezoek aldaar zag, droegen hiervan
de onmiskenbare sporen. Ook in Koeta moet deze ziekte vrij erg voorkomen,
minder in het overige gedeelte van Badoeng hoewel de patijeroah der
vorsten ook daar voor de verspreiding de noodige zorg dragen. Vroeger
had Badoeng de grootste slavenmarkt
van Bali van waar uit jaarlijks honderden dezer ongelukkigen naar
Singapore, Celébes, Linga en andere plaafsen van den Archipel wer- den
uitgevoerd. Deze export-handel bestaat nu niet meer, hoewel hier evenals
in de andere onafhankelijke rijken van Bali zij het dan „en détail,"
zooals mij werd medegedeeld, nog handel in men- schen wordt gedreven,
misschien alleen voor binnenlandsch gebruik. Over 't geheel is Badoeng
in de laatste jaren als handelsplaats zeer achteruit gegaan. Behalve de
Zuidpunt, van het land, die geheel door den Tafelberg wordt ingenomen,
en eene rotsachtige, een paar honderd voet hooge, verhevenheid vormt en
bijna geheel onbewoond is, geldt Badoeng voor een zeer vruchtbaar land
en bestaat voor een groot deel uit alluvialen grond. De vegetatie is
ongeveer dezelfde als in de andere rijken. De sawah's, die men hier ziet
en
waaraan veel werk wordt besteed, zien er prachtig uit.
Nadat we ons bij den Chineeschen bandar door. een keurig ontbijt voor
den te maken warmen tocht eenigzins hadden geprepareerd, bestegen we
tegen 10 uur de paarden, die do vorst ons had toegezonden, on gingen,
onder begeleiding van den Goesti Rdka Poetra oudsten zoon van den radja
besaar (doch geen troonsopvolger,
omdat hij uit het huwelijk met eene Soedra- vrouw is gesproten), die ons
te gemoet was gezonden, en een groten stoet van piekeniers naar onze
bestemming, de poeri van den radja besaar. We hadden een afstand
afteleggen van zes palen langs een breeden, doch onbeschaduw- den weg,
een warm ritje! Deze weg, evenals de overige wegen in het rijk Badoeng,
laat, wat het onderhoud betreft, nog al te wenschen over. We passeerden
de dessa's Miang, Agèl, Samping, Moenang,
Batanjoeh Tëgal en kwamen toen in
Pamtjoetan, alwaar zich het
paleis bevindt van den vorst van dien naam. Al deze dessa's zien er
weinig florisant uit. De Gekommitteerde had besloten, om bij den radja
Pantjoetan even aanteleggen en hem, hoewel in reiskos- tuum, ter loops
een bezoek te brengen; deze was daarop reeds voorbereid. Neerland’s
dundoek wapperde lustig voor de poeri en het noodige kanongebulder
kondigde den volko onze aankomst aan. De vorst ontving ons met alle
mogelijke staatsie en had voor een Balisch collation gezorgd, bestaande
uit vruchten, gebak on klapperwater
h discréiion. Of het nu eene satire moet verbeelden op HoUandsche
beschaving, dan wel als eene bi zondere attentie moet worden opgevat,
mag ik niet beslissen; zooveel is zeker, midden op de tafel troonde
een wel bekende vierkante flesch met heusche AVH, van welk heulsap de
vorst, die geen opium schuift, flink gebruik maakt; hij dronk het bij
die gelegenheid ten minste alsof het water was, wel een bewijs hoe
gemakkelijk de Westersche beschaving zich tot in het zuiden van Bali een
weg heeft kunnen banen. De radja is een persoon van ± 35 jaren, met een
dom, pokdalig gezicht; daarbij spreekt hij zeer slecht maleisch, doch de
man deed zijn best om ons met waardigheid te ontvangeo. Dat bij dit
alles de gamelan niet ontbrak, behoeft geene opzettelijke vermelding. De
poeri van Pamtjoetan is een oud, statig en net onderhouden gebouw met
prachtige, en relief uit- gewerkte deuren en poorten. Zooals ik reeds
vroeger zeide, hebben de Baliërs het ver gebracht in de kunst om op hout
of steen, zooals de muren rondom de poeris en tempels, allegorische
voorstellingen uit de Hindoe-godsdienst, bloem en lofwerk,
dierengestalten enz. „en relief* uittewerken. Ik moet hier melding maken
van het feit, dat in weerwil de radja besaar Dén passar en radja Kasiman
steeds
de vaccine hebben in bescherming genomen, de radja Pamtjoetan nooit te
bewegen is geweest, om de vaccine in zijne afdeeling in te voeren,
zoodat ook mijne pogingen, gedurende mijn vorig verblijf in Badoeng
aangewend, zonder effect bleven. ln weerwil daarvan, waagde ik het
nogmaals op de zaak terug te komen, doch hij hoorde mij ook nu,
schijnbaar met onverschilligheid aan. Schijnbaar zag ik, want, hetzij
dat hij van zelf tot andere gedachten is gekomen, hetzij door de ernst,
waarmee radja Kasiman de zaak aanpakte, Badoeng heeft reeds zes
aspirant-vaccinateurs naar Banjoewangi gezonden ter opleiding, en wel
voor ieder der afdeelingen Dèn passar^ Pamtjoetan en Kasiman twee, van
wie één van de hoogste en één van de derde kaste is. Waar de zaak met
zulk een ernst en voortvarend- heid wordt aangepakt, mag men het beste
hopen.
"Na een uur oponthoud vertrokken we naar de, eene paal verder
gelegene, poeri van den radja besaar. Een
geheele stoet geweer-, piek- en pajongdragende inlanders met de noodige
Balische hoofden stond ons voor het paleis van Pamtjoetan reeds op te
wachten, om ons derwaarts te geleiden, alwaar we met kanongebulder en
gamelan muziek werden ontvangen. Voor de poeri werden we
gekomplimenteerd door den radja moeda Dèn passar genaamd Ratoe Alit
Ngoerah^ den ouden radja Goesti Ngoerah Gedé Bëlaloan en eene massa
rijksgrooten. De kroonprins is een fraai gebouwd persoon van ruim 20
jaren, dien men, hoewel er weinig uitdrukking in zijn gelaat is, een
goede dosis mannelijk schoon niet kan ontzeggen. Deze is dezelfde, van
wien ik vroeger verhaalde, dat hij in plaats van het jus gentium*^ meer
speciaal in de harem van zijnen vader zeer ijverig het jus cunnighi^
bestudeert. De pas genoemde radja Bëlaloan een man van ruim 60 jaar, met
grijze haren, is eea vroolijk, bewegelijk figuurtje met een zeer goedig
uiterlijk. Hij leeft in Badoeng en is de oom van den radja besaar, in
wiens nabijheid hij woont, en in wiens poeri hij voor alle bij-baantjes
schijnt gebruikt te worden, die niet veel geestes-inspanning vereischen,
zoo- als de gasten chapronneeren en op Balische wijze mei Balische
kwinkslagen bezig houden. Hij spreekt een weinig Maleisch, de radja
moeda evenwel niet, zoodat de oude, die altijd bij hem schijnt te zijn,
tevens als tolk dienst doet. Beide waren in prachtig hof- kostuum
gedoscht. Ik beschreef dit kostuum reeds vroeger, doch vergat bij die
gelegenheid te vermelden, dat alle Baliërs van eenig- zins hoogen rang,
en ook anderen, wier middelen hun veroorlooven niets te doen of ten
minste geen handenarbeid te verrichten, de nagels der vingers van de
linkerhand zeer lang laten groeien. Dit is dus een bewijs van
voornaamheid. Ik heb er gezien, die vijf centimeter lang waren. Yeel
zorg wordt er evenwel niet aan esteed ; het kan den eigenaar al weinig
schelen, of ze krom of gedraaid
groeien, en wanneer men in het oog houdt, dat zindelijkheid niet juist
tot de oude vaderlandsche deugden van den Baliêr behoort, dan laat het
zich denken, dat deze nagels dikwijls uitzien alsof ze
in zwaren rouw zijn. Op zijn lichaam is de Baliër even vuil als op zijne
woning en zijne kleederen. Is er eene kali in de nabijheid^ dan baadt
hij zich nu en dan, doch hij maakt er volstrekt geen omweg om. Wanneer
men een Balische dessa doorwandelt, dan is het volstrekt geene
zeldzaamheid, midden op den weg eene schoone,
die daar met hare vracht op het hoofd heengaat, plotseling te zien
stilstaan en van voren of van achteren haar kain een weinig terug-
trekken, om staande ja zelfs loopende aan eene natuurlijke behoefte te
voldoen. Komt ze nu op haren weg een riviertje tegen, dan zal ze zich
reinigen {ngontjèng^ het Jav. tjèboq)^ doch bij gebrek aan dien, kan men
haar dikwijls in een weinig nat gras de manoeuvre zien uitvoeren, die
men bij honden met den naam van ^rijden^ bestempelt. Bij ontstentenis
van nat gras maakt zij zich ook al niet ongerust en wacht heel bedaard
eene andere gelegenheid af. Daar komt mij iets in den zin van splinter
en balk. Is het in Europa
wel beter ? In Brussel b. v. kan men zich iederen dag aan het vies
schouwspel vergasten, van een ofanderyisch- of groente wijf wijdbeens
boven de 3 of 4 ijzeren tralies, die in de trottoirs zijn aangebracht,
staande aan eene natuurlijke behoefte te zien voldoen, en in de
Hollandsche dorpen, b. v. bij het uitgaan eener kerk, ziet men de
vrouwen tot dat doel bij zulke «hopen aan den publieken weg zitten, dat
ik meermalen geneigd was dominé's preek onder de erge laxantia te
rangachikken. En vraag eens in een Europeesche woning om water voor het.
^cahinet d^aisance.^^ Men begrijpt u niet of brengt u een glas water,
denkende dat ge dorst hebt. Doch ik mag het aesthetisch gevoel van den
lezer niet verder kwetsen.
Aan het Badoeng'sche hof behoort het tot de étiquette, dat de hooge
gasten van den vorst de vorstelijke personen, met wie men loopt, den arm
présenteeren of bij de hand leiden. Aan deze gewoonte, die ik aan geen
der andere Balische hoven, noch aan het Selaparang'sche hof heb
waargenomen, wordt hier streng vastgehouden. Wanneer men met een
vorstelijk persoon wandelt of hem uitgeleide doet en men niet spoedig
genoeg denkt aan deze bestaande gewoonte, dan wordt men er steeds
opmerkzaam op gemaakt door den ouden radja Bëlaloany die altijd in het
tweede gelid achteraan drentelt. Zoo schaarde zich ook thans de
kroonprins naast den Gekommitteerde en de oude Bëlaloan naast den
Overste en wandelden beide paren bras- dessus bras-dessous naar de voor
ons als receptie- en zitkamer bestemde pendopo op het binnenplein van
Aepoeri. Beide genoemde vorsten hielden ons een tijd lang gezelschap,
gedurende welken tijd vooral de oude Bëlalaon veel te vragen en te
vertellen had. De lezer houde in het oog, dat de Heer Heijligers en ik
vroeger ge- durende vijf dagen terzelfder plaatse hadden gelogeerd,
zoodat wij met al de Badoengsche grootheden reeds kennis hadden gemaakt
en dus als oude vrienden werden ontvangen. Wij hadden nauwelijks ons
reiskostuum met een meer passend verwisseld, of de radja Kasiman
verscheen om ons te komplimenteeren. Deze, wiens vader vromer zelf-
standig vorst van het distrikt Kasiman en een tijd lang de voornaamste
vorst van Badoeng was, doch van zijne macht afstand heeft gedaan ten
behoeve van den radja besaar {Dèn pasaar) is rijksbestierder en de
rechterhand van den vorst; hij is een flink persoon van ruim 50 jaren ,
met zeer beschaafde manieren en een hoogst innemend en verstandig
uiterlijk, zeker de meest energieke Baliër, dien ik nog ontmoette. Hij
spreekt daarbij prachtig Maleisch. In den loop van dit verhaal heb ik
zijn naam reeds eene enkele maal
genoemd. Hij bleef een korten tijd bij ons en vertrok toen met de andere
vorsten, ons tijd latende om de rijsttafel, die intusschen in gereedheid
was gebracht, te gebruiken. Badoeng is het eenige rijk, alwaar we binnen
de poeri logeerden en waar we dus de gasten van den vorst zelven waren.
Dit bracht evenwel weinig verandering in onze ménage, daar we, evenals
overal elders, ook hier zelve voor alles te zorgen hadden. Men verstrekt
op Bali en Lombok den gas- ten alleen een pondok met een balé-balé om te
slapen en één om er
te eten, enz., daarbij worden ^in natura'^ rijst, kippen, eenden, eieren,
vleesch en vruchten op aanvrage, aan den kok, dien we moeten meebrengen
, verstrekt , voilh tout. Voor tafel- en keukengereed- schap, glazen ,
lampen , enz. dient men zelf te zorgen. De Baliêrs kennen deze
utensilien bijna niet. Meermalen vroeg deze of gene Hoogheid ons, na
bijv. een vork met aandacht bekeken te hebben, of we het niet vreeselijk
ongemakkelijk vonden om met zoo'n ding te eten, met de vingers is het
immers veel praktischer. Ook valt de wijze , waarop ons eten wordt
gereed gemaakt , niet in hun smaak ; het was gedurende mijne reizen op
Bali volstrekt niets vreemds, dat een vorst, die toevallig bij onzen
maaltijd tegenwoordig was, éen schotel opnam, en na den inhoud flink
bekeken en beroken te hebben, dien met afkeurenden blik en schouder en
neus optrekken weer op
tafel zette. De vrijpostigheid der Baliêrs grenst dikwijls aan het
brutale, en tijdens mijne eerste reizen op Bali maakte ik mij daar- over
menigmaal boos. Heeft men bijv. sigaren vóór zich op de tafel liggen,
dan acht geen radja zich te hoog, om in beleefde termen een te vragen,
hetgeen men natuurlijk niet weigert; doch in plaats van één neemt zijne
Hoogheid den geheelen voorraad weg en deelt ze onder zijn gevolg rond,
of doet ze in de plooien van zijn sapoet verdwijnen, zonder er een op te
steken. Op dezelfde wijze raakt men zijn wijn, likeur enz. kwijt, en men
loopt dan dikwijls gevaar om het weinigje contenance, dat men meê over
Straat Bali gebracht . heeft, te verliezen. Langzamerhand krijgt men
natuurlgk den tact om dit koopje te ontloopen, of men maakt er zich ten
minste niet meer boos om.
Dat een Balisch vorst in ons gezelschap, zelfs terwijl we zitten te
eten, soms de verschillende cloaken van zijn doorluchtig corpus open-
zet om op duidelijk merkbare wijze aan eene inwendig gevoelde behoefte
lucht te geven, is volstrekt geene zeldzaamheid. Hij huldigt in dat
opzicht het spreekwoord j^qui se gêne, est gêné.*^ Ik moest er later
meermalen om lachen, wanneer de Overste of een ander uit het gezelschap,
die voor het eerst kennis met de Baliërs maakte, zich om deze en
dergelijke schijnbare brutaliteiten geweldig ergerde.
Badoeng, dat ik op mijn vorige reis ten behoeve der vaccine-inspektie
in alle richtingen heb doorkruisd, staat in slordigheid van bouworde, in
het onderhoud der wegen en in de onzindelijkheid der bewoners ongeveer
op eene lijn met de meeste andere onafhankelijke rijken van Bali. In het
beste deel ligt het paleis van den radja besaar, de poeri Dèn passar^
zooals haar naam aanduidt, tegenover de groote passar. Dèn beteekent nl.
tegenover^ het latijnsche trans. Hoewel ook deze poeri niet de fraaiste
is van al die, welke ik heb gezien,
zal ik van deze eene kleine beschrijving geven, omdat ik haar het best
heb kunnen in oogenschouw nemen. Ik moet er trouwens bij voegen, dat al
de overigen, op enkele niet noemenswaardige kleinigheden na, vrij wel
met deze overeenkomen. Vóór de poeri heeft men een groot plein {bantjingah\
waarop meestal eene overdekte ruimte is, die in den regentijd als
hanenvechtbaan gebezigd wordt. De poeri zelve is omgeven dooreen ± 15
voet hoogen muur, die aan de vóór- en zijvlakken verscheidene poorten
vertoont zonder deuren. De moren
zijn zeer dikwijls, bijv. in Gianjar en Mengi en relief met
verschillende allegorische voorstellingen uit de Hindoe-godsdienst,
bloem- en lofwerk, afzichtelijke draken-figuren enz. bewerkt. Natuurlyk
ontbreekt ook hier de toegoe (offernis) niet. De verschillende poorten
verleenen toegang tot een groot binnenplein, alwaar men de volgende
ingrediënten nooit mist, nl. eenige schaduwboomen, en wel meer bepaald
toaringin's; verder naast den ingang van de hoofdpoort de vroeger
beschrevene klok (pënalikan) met toebehooren, eenige grootere en
kleinere pendopo's, waarvan een of meer der grootsten gebruikt worden,
om de aan den vorst behoorende kemphanen ieder in een van bamboe
gemaakte kooi (goeoengan)^ soms 100 a 200 en meer
in getal, te plaatsen, hetgeen voor- iemand, die dat eeuwig gekakel niet
gewoon is, het logeeren in eene poeri vrij onaangenaam maakt. Men kan
trouwens geen Balisch erf binnentreden, of men vindt minstens een paar
dezer dieren, waaraan de eigenaar uiterst veel zorg besteedt. In de
meeste Balische rijken moet ieder bewoner eener dessa op sommige tijden
een zeker aantal kemphanen als schatting opbrengen. Verder vindt men op
dit plein een groot, door bamboelat- ten, die plat op den grond
bevestigd zijn, gevormd vierkant, dat
eveneens voor hanenvechtbaan gebruikt wordt, doch niet overdekt is. Op
dit binnenplein gekomen, nl. door de hoofdpoort, ziet men aan
weerskanten en vóór zich uit hooge smalle poorten, waarvoor gemetselde
trappen van eenige treden hoog; deze poorten hebben smalle dubbele
deuren en geven, nl. die in het front liggen, toegang tot een tweede,
nog grooter open plein, en die ter zijde naar de private gebouwen van
den vorst met zijne hofhouding. Op dit tweede plein, dat het best te
vergelijken is met het peristylium der oude Qriekschc en Romeinsche
woningen, vindt; men tal van pendopo's, die thans voor een groot deel
door het bekleeden met kadjangmatten in logeabele vertrekken zijn
hervormd. Hier was nl. ons logies, dat er zeer netjes en zindelijk
uitzag, terwijl een niet- omkleede pendopo als onze zit-, eet- en
receptiekamer dienst deed. Van dit plein uit, voeren weer verschillende
kleinere en grootere poorten naar de vorstelijke stoeterij, die vrij
sober, de
koninklijke keuken, die nog soberder, naar het eigenlijk verblyf van den
vorst en zijne verwanten, dat uiterst klein, vuil en onzindelijk is, en
naar de verblijfylaatsen der panjeroan die men natuurlijk nooit te zien
krijgt, de verblijfplaatsen bedoel ik; doch bij analogie kan men
berekenen, dat die in onzindelijkheid niet zullen onderdoen voor 's
vorsten verblijf. Ziedaar in grove omtrekken een Balisch vorstelijk
paleis. Het behoeft niet gezegd, dat bouworde, zindelijkheid en vooral
de artistieke waarde van het snijwerk der deuren zeer
verschilt. In 's vorsten bizondere vertrekken, of soms op een der
pleinen vindt men eene verzameling wapens, nl. oude verroeste geweren en
geweerloopen en vele goed onderhoudene lansen, terwijl even verroeste,
onbruikbare of nog te gebruiken kanonnen en affuiten in onbehagelijke
wanorde rechts en links op de pleinen staan.Wannéér men, zooals wij
thans, binnen de poeri logeert, dan kan men bespeuren, hoevele honderde
menschen direkt of indirekt aan de poeri verbonden zijn, den geheelen
dag loopt het volk in en uit
Dit zijn meest allen heefendienstplichtigen (Soedra '«). De
heerendienstplichtigen worden voor hunne diensten niet betaald, en mogen
al blij zijn, dat er op het door hen geleverde werk geene-aanmerking
komt; zg zouden hun straf niet ontloopen. Tijdens mijn eerste bezoek aan
het Badoengsche hof, trof ik het toevallig, dat de kroonprins Zijn
odalan vierde (jarig was). Het was dus prinsjesdag. Ter zijner eere
waren er eenige. vorstelijke personen van naburige bevriende rijken te
gast en gaf de vorst een groot dinér. Dien morgen zag ik zeker 500
mannen en vrouwen de poeri binnen komen, die de verschillende
ingrediënten voor het diné aanvoerden, nl. rijst, gebakjes, speenvarkens,
kippen, bloemen, enz. enz. Een gedeelte hiervan ging
naar den vorstelijken tempel, binnen de poeri gelegen, en werd er door
de volgelingen der priesters weer uit gedragen. Dit alles, de levering
der vivres incluis, geschiedde in heerendienst .Des morgens tusschen
zeven en acht ziet men aanhoudend klubjes van tien tot twaalf meisjes,
onder aanvoering van eene matrone, de poeri uitwandelen om zich in de
kali, die in de nabijheid is, te baden, hetgeen voor ons, die om dien
tijd niet veel beters te doen hadden, eene aardige tijdkorting was,
vooral als de dames met frisch gewasschene gezichten en négligé weer
terug kwamen. Ons logies aldaar liet ook overigens niets te wenschen
over. Wij waren den
geheelen dag door alle mogelijke radja's omgeven, doch de radja besaar
liet zich dien dag niet zien. De Gekommitteerde had bepaald, dat des
middags de officieele receptie zoude plaats hebben, doch de
vorst liet zich verontschuldigen, daar hij ziek was. Dit was geen
voorwendsel. Bij mijn vorig bezoek had ik hem een paar malen ontmoet, en
gezien, dat hij erg lijdende was aan asthma nervosum. Hij is nl. op eene
erge wijze aan opium verslaafd, zoodat hij, wanneer hij niet de noodige
dosis opium heeft gebruikt, zoo kort-ademig is, dat hij nauwelijks kan
opzitten. Hij brengt den grootsten tijd van den dag op zijn balé-balé
door. Het was dus y,faire bonne mine h niauvais jeü*^ en wachten tot den
dag van morgen. Wij brachten evenwel den dag genoegehjk door. Des avonds
werden eenige vuurpijlen opgelaten, die de Overste van boord had laten
halen, om van boord uit de ligging van de poeri te kunnen bepalen. Juist,
toen we tegen middernacht ons ter ruste wilden begeven, verschenen een
gamelan en twee djogéds^ die een tijd lang slechte dansen uitvoerden
en zich als onwaardige priesteressen van Terpsichoré deden kennen. Zij
kregen dan ook spoedig haar congé en wij daardoor gelegenheid om van de
vermoeieitissen van den dag uitterusten.
30 Augustus. — De Gekommitteerde had de
receptie verdaagd tot heden morgen elf uur. Reeds vroeg verscheen radja
Kasiman^ die op circa twee palen afstands woont, ten paleize. Evenals
altijd, wan-
neer hij zich op straat vertoont, had hij ook thans een groot gevolg bij
zich, waaronder twee personen, die vlak achter hem een infanteriesabel (hollandsch
model) droegen, die hij zei vroeger ten geschenke
ontvangen te hebben, doch waaraan, volgens mijne meening, een luchtje
van de laatste expeditie kleeft. Bij mijn vroeger bezoek had ik hem een
derde dito exemplaar beloofd, en hij was niet weinig in zijn schik, toen
ik hem het beloofde thans overhandigde; onmiddelijk werd een derde
volgeling tot derden sabeldrager gepromoveerd. Onder de personen, die
steeds den vorst met of zonder land, of eene andere grootheid volgen,
behoort oók een jongen van ±12 jaren, eene soort page, die den gouden
sirihdoos (lëlantjang) van den vorst
hem achterna draagt, om op de eerste aanvrage 's vorsten sirihpruim te
fabriceeren. Deze page heet parëkan djoeroe tjmmng. Dit is geene geringe
betrekking en' wordt meestal gegeven aan den zoon van een gunsteling.
Die page staat nameljjk in hoog aanzien en geniet het voorrecht, even
hoog te mogen zitten ah de vorst dien hij
dient, een voorrecht, dat geen ander in den lande met hem deelt. Wanneer
men in het oog houdt, hetgeen ik vroeger over het begrip van hooger of
lager zitten bij de Baliêrs heb gezegd, dan zal men kunnen begrijpen,
welke onderscheiding dit is. Meermalen ziet men, dat zulk een
sirih-jongen aan weerskanten door anderen gesteund wordt, opdat hij of
misschien de sirihdoos niet valle. Bij mijn vorig bezoek aan het hof van
Badoeng zag ik een sterk staaltje van de waarde, die vooral het
Badoengsche hof aan de étiquette van het zitten hecht. Ter onzer (mijn
reisgezel Heijligers en mijn persoon) eere zoude op eene middag een ^amioeA-partij
op het binnenplein van de poeri plaats hebben. Toen wij ter plaatse
verschenen, was het spel reeds begonnen en de geheele hofhouding reeds
aanwezig. Voor ons waren een paar stoelen klaar gezet in de nabijheid
van den radja, besaar en andere groeten, die op een balé op hun
loengkahengha (zitkussen) gehurkt waren en hooger zaten dan wij. Op eene
kleine distantie van ons zaten de vorstinnen {anah-agoeng istri) en
princessen met haar gevolg op den grond gehurkt, onder het kauwen van
sirih-pruimen of het rooken van sigaretten, naar het
spel te kijken. Juist wilden we gaan zitten, toen het geheele dames-
personeel als met een tooverslag opvloog en zich op een der balé's .(die
natuurlijk hooger was dan onze stoelen) nêervleide. Ik stelde mijn
reisgenoot voor, om den radja besaar te gaan aanspreken en op onze
stoelen op de balé te gaan zitten, ten einde de ganze Hof- gesinden* in
de hanebalken te jagen. De galanterie van mijn reis- compagnon hield mij
echter van dit voornemen af, wijl dan, zooals hij beweerde, de geheele
hofkliek zich zou verwijderen, in plaats van de^ lucht in te gaan. Men
moet het bijwonen, om te gelooven, hoe kinderachtig streng die étiquette
wordt in acht genomen.
Behalve den pas genoemden parëkan djoeroe tjanang of sirihdoos-
drager, vindt men in het gevolg van de leden der Balische ^high life^\
indien deze oud en tandeloos zijn, steeds eene andere soort page, die de
ingrediënten van een sirihpruim, behalve de tabak, tot moes fijn stampt
in een zilveren of ijzeren machine, die het meest overeen- komt met de
bij ons bekende proppenschieters, doch van onderen gesloten is. Evenals
aan de
Europesche hoven van vroegeren tijd hebben de radja besaar „Den passar^^
en de radja Pawtjoetan ieder een dwerg in hun gevolg, de eerste een
mannehjk, de tweede een vrouwelijk exemplaar. Beide zyn walgelijke
gedrochten, en hebben, bij een leeftijd van 35 tot 40 jaren, ongeveer do
grootte van kinderen van tien jaren. Deze luxe moet men ook aan andere
Balische hoven vinden; ik heb ze evenwel, nergens anders aangetroffen.
Ook heden morgen liet de radja besaar zich verontschuldigen (wegens
zijn asthma) en zond ons in zijn naam den radja moedaj radja Kasiman en
radja Bëlaloan^ die de lezer reeds allen kent. Hen volgden nog eenige
priesters, om aan 't geheel den noodigen geur bij te zetten. Evenals
bijna alle Balische vorsten, maken ook
de beide laatstgenoemde vorsten gebruik van opuim, doch niet in die
mate, dat zij er last van hebben. Zij gebruiken het, bijv. als een Euro-
peaan zijn bittertje, op gezette tijden van den dag, en maken er dan ook
volstrekt geen geheim van. Toen ik de vorige maal een dag de gast was
van radja Kasiman^ vroeg hij bijv. verlof om zich even te mogen
verwijderen, om zijn gewoon piereverschrikkertje te pakken; een uur
later kwam hij goed en wel weer terug. Genoemd gezelschap met het
noodige gevolg zat een geruimen tijd bij ons. Bjj deze gelegenheid werd
den radja Kasiman^ die toch eigenlijk de hoofdpersoon is, verteld, dat
de tot dusverre door ons Gouvernement bezoldigde vaccinateur Moersidin
wegens de gewetenlooze wijze, waarop
hij in Bndoeng de vaccine had verwaarloosd, zooals mij bij mijne vroeger
gehoudene inspektie was gebleken, uit zijne betrekking was ontslagen,
waarvan den radja het officieel Regeerings-besluit tevens werd
overhandigd.
Zooals den lezer uit de inleiding bekend kan zijn, bezat het
onafhankelijke rijk Badoeng sedert 1873 een door ons Gouvernement
bezoldigden Mahomedaanschen vaccinateur op een traktement van f 40, 's
maands. Ter aangehaalder plaatse heb ik de reden uiteengezet, waarom
juist in dit rijkje door ons voor de vaccine werd gezorgd. Deze
vaccinateur nu moest om de twee jaar herbenoemd worden, hetgeen tot
dusverre op advies van den Eerstaanwezend Officier van Gezondheid te
Banjoewangi^ als zijnde belast ook met het opzicht over de vaccine
aldaar, geregeld had plaats gehad. Toen io Maart 1881 die herbenoeming
wederom moest plaats hebben, en mijn advies dienaangaande werd gevraagd,'
stelde ik voor om met het uitbrengen
van dit advies te wachten, totdat ik in de gelegenheid was geweest, mij
van den toestand der vaccine aldaar in persoon to kunnen over- tuigen.
Daarbij kwam, dat gedurende bijna twee jaren door dien ambtenaar geene
vacceine-rapporten waren indiend, zoodat ik vermoedde, dat die toestand
wel te wenschen zou overlaten. Bij mijne inspektie aldaar in April d. a.
v. bleek het mij dan ook ten duidelijkste, dat bedoelde vaccinateur op
gewetenlooze wgze de betrekking had ver- waarloosd, waarvoor hem jaren
lang ƒ 40 's maands was uitbetaald. Een gevolg van deze verwaarloozing
van de vaccine is, dat Badoeng in het aantal van door pokken geschondene
personen weinig bij de andere rij- ken achterstaat ; doch ook het
vertrouwen, dat de Badoengers oorspron-
kelijk in de vaccine hadden, was door zijne handeling gevoelig geschokt.
Immers, zelden werd door hem met goede pokstof ingeënt, en bijna
geregeld stierf daardoor de vaccine uit; wilde hij eens weer vaccineeren,
dan haalde hij bibit van Boelèléng, Zoo zag ik hem o. a. zelf inenten
met stof, die hij uit vaccinepuisten haalde, die 13 a 14 dagen oud waren,
en dit nog wel terwijl hij van mijne komst verwittigd was. Om de laatste
reden had hij drie weken te voren bibit uit Boelèléng gehaald. Anders,
zoo werd mij van betrouwbare zijde verzekerd, vaccineerde hij, indien er
om gevraagd werd, met spuit met een droog lancet, voorgevende dat hij er
de bibit reeds te huis had opgedaan. Een gevolg van hot een en ander was
dan ook, dat bij mijne gehoudene inspektie onder een paar duizend
kindereo, die ik mij nog de moeite gaf na te zien, zich bijna geen enkel
voldoend
lidteeken vertoonde. Staande deze inspektie, maakje ik de Badoeng- sche
vorsten met dezen toestand en met de oorzaak daarvan bekend, en droeg na
mijne terugkomst, na ingediend rapport over mijne bevinding, dezen
vaccinateur bij de Regeering voor onverwijld ontslag voor. Het
officieele stuk nu betreffende dit ontslag werd den radja Kasiman bij
deze gelegenheid overhandigd, met verzoek het den belanghebbende, die
bij den vorst, wiens schrijver hij is, in groot aan. zien staat, te
overhandigen. Ik stelde den radja daarop voor, om
twee Badoengsche ingezetenen naar Banjoewangi te zenden, waar ik hen tot
vaccinateurs zoude opleiden, en gaf hem tevens in overwe- ging, om de
vaccine verplichtend te stellen. Mijn voorstel werd in alle opzichten
goedgekeurd, en mij verzocht om jaarlijks eene inspektie aldaar te
houden. Ik kan hier tot mijn genoegen bijvoegen, dat de vorst zijne
belofte is nagekomen, en dat eerstdaags een flink onderwezen vaccinateur
naar Badoeng terugkeert. De vorst had oorspron- kelijk twee personen
gezonden, doch de een is in Djëmhrana achter- gebleven, alwaar hij, naar
ik verneem, bij den aldaar wonenden vaccinateur in de leer is.
Nadat er nog eenige hangende kwesties waren behandeld, werd het
officieele bezoek, dat n. b , bij gebrek aan betere gelegenheid, in onze
receptiekamer plaats had, als geëindigd beschouwd, in zoover wij
namelijk ons officieel kostuum met een meer huiselijk verwisselden. Yan
een der Badoengsche vorsten, die mij na de officieele conver- satie over
eene verouderde gonorrhoe consulteerde, vernam ik dat men in Badoeng
tegen deze ziekte vrij algemeen, en dikwijls met goed gevolg, het
uitgeperste sap van de Blingbing-bèsi {Averrhoa
Bilimhi L. nat. fam. der Oxalydeae\ met suiker vermengd, drinkt. Een
ander op Bali veel gebruikt middel is de manos rasa^ eene ananassoort
zonder stekels, op Banjoewangi o. a. nanas oeling genaamd.
Des middags had er op de hanenvechtbaan op het binneDplein van de
poeri ter onzer eere eene hanenvechterij plaats.Bij onze komst op de
kampplaats was er reeds een duizendtal wedlustige toeschouwers aanwezig.
De Baliêr is van nature een hartstochtelijk speler, en men kan haast
zeggeo, dat een goed geaard Baliér bijna geen dag laat voorbij gaan,
waarop hij niet, zij het dan voor een kort .oogenblik, aan den Dèwa
Mosèl (Gtoi der dobbe- laars) heeft geofferd. Het grootste deel der bij
hen gebruikelijke spelen zijn dobbelspellen, waarbij nl. het aantal
oogen der^dobbel- steenen beslist. Ook kennen zij een paar verschillende
soorten van
kaartspelen, meestal gespeeld met chineesche kaarten Boven deze spelen
staat bij hen evenwel het hanengevecht {tetadjèn\ waaraan zij zelfs een
godsdienstigen tint geven; zoo zal men bijna altijd in de "habijheid van
een poeri (tempel) een tëtaroeh (gebouwtje waarin een hanenvechtbaan)
vinden; zoo heeft er bijv. na een hanen- gevecht bijna altijd een
gevecht op leven en dood plaats, en wol tusschen twee bonte hanen, dat
dienst moet doen als zoenoffer voor de godheid.De Radjah een man van
ruim 50 Jaren, eene korte in-een-gedrongene gestalte, met sterk
opgezwoUene aderen en een tamelijk onbeduidend gezicht. Hij heeft een
massa wettige vrouwen en bijwijven, alsmede een harem van ± 300
panjeroan^s. Voegt men hierbij het erge misbruik, dat hij van opuim
maakt, dan kan men begrgpen, dat hij naar adem snakt, en verklaart zich
zijne kortademigheid vrij wel. De ^abusus in Venere et Morpheo^^ maakt
hem geheel ongeschikt, om zich met
regeeringszaken bezig te houden, welk deel zijner betrekking hij dan ook
wijselijk op de schouders van radja Kaasiman heeft gelegd. Hij
consulteerde mij dien middag over zijne ziekte; evenals bij mijn vorig
bezoek vertelde ik hem ook nu, dat aan zijne ongesteldheid weinig meer
te doen was, vooral niet, als hij niet volstrekt afzag van het
opium-gebruik. Evenals toen kreeg ik ook nu ten antwoord, dat daar geen
denken aan was.* Om toch iets te doen en van mijne bereidwilligheid
blijk te geven, gaf ik hem eene bezending poeders met tartr. emeficus en
piilv. Dover met twijfel aan het succes. Des avonds zond de vorst voor
ieder onzer eenige geschenken, voor mij eene groote bezending vogels,
waaronder twee kakatoea's van het eiland Penida (zie vroeger) ; hij liet
ons tevens vragen, welke vermakelijkheid we in den avond wenschten te
zien ; we waren
evenwel te vermoeid om lang opteblijven en hadden ook voorloopig genoeg
gezien, zoodat de vorst bedankt werd voor zijne beleefheid, en wij ons
vroeg te ruste begaven. ^More soWo" werden de officieele cadeaux
verzonden aan hen, die daarop recht hadden. |