Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1892 De Baliers

De tocht naar Badoeng en het verblijf aldaar

Ons eerste bezoek gold thans het aan de zuidpunt van Bali gelegen rijk Badoeng. Daar we wind en stroom in ons voordeel hadden, liepen we gemiddeld met een acht- mijls vaart. De Commandant had besloten om niet de zoogenaamde ^veilige passage'^ tusschen Bali en Noesa Penida door te gaan, doch dit laatste eiland rechts te laten liggen. Wij waren daardoor meer in open zee, doch hadden nu ook verbazend veel last van het slingeren en stampen van het schipen ik ging na bekomene vergunning bij den Eommandant op de campagne zitten en
keek wat naar de hooge golven en naar de zeeën, die nu en dan over boord sloegen. Wat eene bedrijvigheid heerschte er op het dek, de matrozen klommen bij dozijnen letterlijk als katten tegen de touwen op; hier werden zeilen bijgezet, daar zeilen weggenomen, de wind gierde door het touwwerk en deed de zeilen bol staan; de dienstdoende Officier moest alle krachten inspannen om bij zijne commando's, die rechts en links vlogen, het huilen van den wind te overschreeuwen ; en boven dit alles uit klonken van tijd tot tijd in duidelijk Hollandsch de commando's van den Kommandant, kort en krachtig als eea mokerslag. Ik had mij ineen „fancychair^' neérgevleid en was bijna: ^Eingewiegt von Meereswellen Und Yon traumenden Gedanken^'
toen ik voor het ontbijt geroepen werd. Ik had nauwelijks mijn Yoet in den ^long-room" gezet, of ik kwam tot de overtuigiug, dat zelfs op een oorlogsstoomer niet alles bestendig is. Ik had mij, zooals ik zeide, tot dusverre voor een landrot nog al goed gehouden, in weerwil het schip de gekste cabriolen maakte, duoh toen ik beneden kwam en de wetenschap opdeed, dat en de Gekommittecrde èn diens Sekretaris het veiliger hadden gevonden, om in hunne kooien te gaan liggen, en veel moeite deden om niet bij Neptunus op het ochtend-
rapport te komen, kreeg ook ik het te benauwd en ging eveneens op kooi, alwaar mij door het geopende venster door een paar dartele Najaden al spoedig een verfrisschend bad werd toegediend. Als maatstaf voor het geweldige slingeren en stampen van het schip, kan eenigzins het feit dienen, dat geen der zeekranke passagiers ooit te voren last had gehad van deze unheimische gewaarwording, en dat, behalve wij, ook eenigen van de bemanning voor mirakel lagen. Des middags tegen vijf uur lieten we het anker vallen in Pantel
barat alwaar men in dezen tijd veiliger ligt dan in de oostbaai (Pantel timor die alleen in den westmousson te gebruiken is, en waar ik, op mijn vorige reis naar Badoen ten anker kwam. Beide baaien liggen aan weerszijden van de landengte, die het eigenlijke Badoeng met den tafelhoek verbindt. Doch ook in den oostmousson
is Pantel barat^ hoewel de eenigste ankerplaats iu dezen tijd, door de vele ondiepten, die men er vindt, en de hevige rollers, die er steeds zijn, alles behalve gemakkelijk te genaken, en ligt men er volstrekt niet rustig. Wij lagen er ten minste aanhoudend te schom- melen. In de ^Zeemans-glds van Smits'' wordt deze baai trouwens ook zeer ongunstig gekwalificeerd, en gebeurt het volgens hem meer- malen, dat de schepen hier voor anker worden weggeslagen. Wij hadden van Banjoewangl een loods meegenomen, die met dit vaarwater uitstekend vertrouwd was en die ons netjes binnen loodste.

29 Augustus. — Zonder in historische beschouwingen over het rijk Badoeng te willen treden, moet ik evenwel tot beter begrip van mijne beschrijving van dit rijk op eene omstandigheid opmerkzaam maken.' Badoeng hoe klein ook, is verdeeld onder drie vorsten, die oorspronke- lijk ieder voor zich hun eigen gedeelte bestuurden en elkander meer- malen de opperste macht betwistten, zoodat men aldaar drievorsten- zetels heeft, nl. in Dèn passar Pamtjoetan en Kasiman. De tegenwoordige radja Kasiman, hoewel nog in Kasiman gezeteld, heeft
evenwel zijoe macht op den radja Dèn passar overgedragen, zoodat feitelijk alleen deze laatste en radja Pamtjoetan de heerschappg deelen. De radja Dèn passar heeft de opperheerschappg over geheel Badoeng geldt ten minste als zoodanig bij onze Regeering, terwijl ook Pamtjoetan als regeerend vorst is erkend. Na het aangehaalde zal men kunnen begrijpen, hoe het komt, dat wij in Badoeng aan verschillende hoven bezoeken aflegden en hoe er van zoovele radja's sprake kan zijn.

Van Gjanjar uit had de Qekommitteerde reeds een soeroean naar de Badoengsche hoven gezonden, met het bericht dat hij eerstdaags zijn voorgenomen bezoek aan Badoeng zoude brengen, met verzoek tevens
om voor logies en ontvangst te willen doen zorgen. Onmiddellijk na onze komst ter reede werd de tolk nogmaals derwaarts gezonden, om te berichten dat we te Pantei barat voor anker lagen, en dat de
Gekommitteerde met zijn gevolg den volgenden morgen om zeven uor wenschte te debarkeeren. Na ontvangst van dit bericht had de radja besaar {Dèn passar) eenige personen aan boord gezonden, om den Gekommitteerde te verwelkomen en hem aantezeggen, dat alles voor zijne ontvangst gereed was en wij in de poeri van den radja besaar zouden logeeren.
Des morgens om zeven uur gingen we met de sloepen van de Watergeus onder het lossen van elf schoten aan
wal. De koelies stonden gereed om onze bagage in ontvangst te nemen. De Komroandant van de Watergeus' had, met het oog op de moeielijkheid om de baai binnen te komen, de noodzakelijkheid ingezien van het plaatsen van eene blijvende steenen baak op het strand, en had reeds maatregelen genomen, dit plan onmiddelijk te doen uitvoeren. Een paar Officieren van de Watergeus werd het toezicht over de goede plaatsing van die baak opgedragen, die op een voetstuk van vier meter vierkant eene hoogte zoude hebben van
dertig voet De vorst gaf, toen hem daarover nog dienzelfden dag werd gesproken, hiertoe dadelijk de noodige bevelen. Na ons debaikement en nadat de plaats, alwaar de baak zou verrijzen, door
den Kommandant zelve was uitgekozen, gingen we te voet naar het op een halve paal van het strand gelegen huis van den Chineeschen handelaar, den Singké Laaw Ajam^ dien ik bij mijn vorig bezoek als een gastvrij en vriendelijk persoon had leeren kennen. Ook nu had hij voor een goed ontbijt gezorgd, en bleven wij bij hem, totdat van den radja besaar de noodige paarden kwamen om ons ter bestemder plaatse te brengen.

Dit gedeelte van Badoeng heet Koeta en is de voornaamste handelsplaats, er wonen zeer vele Chinezen en Boeginezen, en gedurende vele jaren woonden er drie Denen (gebroeders Lange) ^ die aldaar een uitge- breiden handel dreven en bij het hof zeer in aanzien waren. Alledrie ziJn evenwel overleden, de laatste 25 jaren geleden. Hoewel in ver- vallen staat, zijn de huizen en pakhuizen dezer firma aldaar nog aanwezig. Van minder beteekenis voor den handel is het dorpje Toeban dat aan de overzijde van de landengte bij Pantei timor ligt en waarvan men langs de zeer kronkelende rivier Dawan^ die 35 bochten heeft te Koeta komt. Deze rivier is evenwel de helft van den dag onbevaarbaar door verval van water. Druk bezocht door schepen van alle mogelijlfe Oostersche naties, moet syphilis, zooals ik vernam, aldaar vrij hevig verspreid zijn. Som-
mige personen, die ik bij mijn vorig bezoek aldaar zag, droegen hiervan de onmiskenbare sporen. Ook in Koeta moet deze ziekte vrij erg voorkomen, minder in het overige gedeelte van Badoeng hoewel de patijeroah der vorsten ook daar voor de verspreiding de noodige zorg dragen. Vroeger had Badoeng de grootste slavenmarkt
van Bali van waar uit jaarlijks honderden dezer ongelukkigen naar Singapore, Celébes, Linga en andere plaafsen van den Archipel wer- den uitgevoerd. Deze export-handel bestaat nu niet meer, hoewel hier evenals in de andere onafhankelijke rijken van Bali zij het dan „en détail," zooals mij werd medegedeeld, nog handel in men- schen wordt gedreven, misschien alleen voor binnenlandsch gebruik. Over 't geheel is Badoeng in de laatste jaren als handelsplaats zeer achteruit gegaan. Behalve de Zuidpunt, van het land, die geheel door den Tafelberg wordt ingenomen, en eene rotsachtige, een paar honderd voet hooge, verhevenheid vormt en bijna geheel onbewoond is, geldt Badoeng voor een zeer vruchtbaar land en bestaat voor een groot deel uit alluvialen grond. De vegetatie is ongeveer dezelfde als in de andere rijken. De sawah's, die men hier ziet en
waaraan veel werk wordt besteed, zien er prachtig uit.

Nadat we ons bij den Chineeschen bandar door. een keurig ontbijt voor den te maken warmen tocht eenigzins hadden geprepareerd, bestegen we tegen 10 uur de paarden, die do vorst ons had toegezonden, on gingen, onder begeleiding van den Goesti Rdka Poetra oudsten zoon van den radja besaar (doch geen troonsopvolger,
omdat hij uit het huwelijk met eene Soedra- vrouw is gesproten), die ons te gemoet was gezonden, en een groten stoet van piekeniers naar onze bestemming, de poeri van den radja besaar. We hadden een afstand afteleggen van zes palen langs een breeden, doch onbeschaduw- den weg, een warm ritje! Deze weg, evenals de overige wegen in het rijk Badoeng, laat, wat het onderhoud betreft, nog al te wenschen over. We passeerden de dessa's Miang, Agèl, Samping, Moenang, Batanjoeh Tëgal en kwamen toen in Pamtjoetan, alwaar zich het
paleis bevindt van den vorst van dien naam. Al deze dessa's zien er weinig florisant uit. De Gekommitteerde had besloten, om bij den radja Pantjoetan even aanteleggen en hem, hoewel in reiskos- tuum, ter loops een bezoek te brengen; deze was daarop reeds voorbereid. Neerland’s dundoek wapperde lustig voor de poeri en het noodige kanongebulder kondigde den volko onze aankomst aan. De vorst ontving ons met alle mogelijke staatsie en had voor een Balisch collation gezorgd, bestaande uit vruchten, gebak on klapperwater
h discréiion. Of het nu eene satire moet verbeelden op HoUandsche beschaving, dan wel als eene bi zondere attentie moet worden opgevat, mag ik niet beslissen; zooveel is zeker, midden op de tafel troonde
een wel bekende vierkante flesch met heusche AVH, van welk heulsap de vorst, die geen opium schuift, flink gebruik maakt; hij dronk het bij die gelegenheid ten minste alsof het water was, wel een bewijs hoe gemakkelijk de Westersche beschaving zich tot in het zuiden van Bali een weg heeft kunnen banen. De radja is een persoon van ± 35 jaren, met een dom, pokdalig gezicht; daarbij spreekt hij zeer slecht maleisch, doch de man deed zijn best om ons met waardigheid te ontvangeo. Dat bij dit alles de gamelan niet ontbrak, behoeft geene opzettelijke vermelding. De poeri van Pamtjoetan is een oud, statig en net onderhouden gebouw met prachtige, en relief uit- gewerkte deuren en poorten. Zooals ik reeds vroeger zeide, hebben de Baliërs het ver gebracht in de kunst om op hout of steen, zooals de muren rondom de poeris en tempels, allegorische voorstellingen uit de Hindoe-godsdienst, bloem en lofwerk, dierengestalten enz. „en relief* uittewerken. Ik moet hier melding maken van het feit, dat in weerwil de radja besaar Dén passar en radja Kasiman steeds
de vaccine hebben in bescherming genomen, de radja Pamtjoetan nooit te bewegen is geweest, om de vaccine in zijne afdeeling in te voeren, zoodat ook mijne pogingen, gedurende mijn vorig verblijf in Badoeng aangewend, zonder effect bleven. ln weerwil daarvan, waagde ik het nogmaals op de zaak terug te komen, doch hij hoorde mij ook nu, schijnbaar met onverschilligheid aan. Schijnbaar zag ik, want, hetzij dat hij van zelf tot andere gedachten is gekomen, hetzij door de ernst, waarmee radja Kasiman de zaak aanpakte, Badoeng heeft reeds zes aspirant-vaccinateurs naar Banjoewangi gezonden ter opleiding, en wel voor ieder der afdeelingen Dèn passar^ Pamtjoetan en Kasiman twee, van wie één van de hoogste en één van de derde kaste is. Waar de zaak met zulk een ernst en voortvarend- heid wordt aangepakt, mag men het beste hopen.

"Na een uur oponthoud vertrokken we naar de, eene paal verder gelegene, poeri van den radja besaar. Een geheele stoet geweer-, piek- en pajongdragende inlanders met de noodige Balische hoofden stond ons voor het paleis van Pamtjoetan reeds op te wachten, om ons derwaarts te geleiden, alwaar we met kanongebulder en gamelan muziek werden ontvangen. Voor de poeri werden we gekomplimenteerd door den radja moeda Dèn passar genaamd Ratoe Alit Ngoerah^ den ouden radja Goesti Ngoerah Gedé Bëlaloan en eene massa rijksgrooten. De kroonprins is een fraai gebouwd persoon van ruim 20 jaren, dien men, hoewel er weinig uitdrukking in zijn gelaat is, een goede dosis mannelijk schoon niet kan ontzeggen. Deze is dezelfde, van
wien ik vroeger verhaalde, dat hij in plaats van het jus gentium*^ meer speciaal in de harem van zijnen vader zeer ijverig het jus cunnighi^ bestudeert. De pas genoemde radja Bëlaloan een man van ruim 60 jaar, met grijze haren, is eea vroolijk, bewegelijk figuurtje met een zeer goedig uiterlijk. Hij leeft in Badoeng en is de oom van den radja besaar, in wiens nabijheid hij woont, en in wiens poeri hij voor alle bij-baantjes schijnt gebruikt te worden, die niet veel geestes-inspanning vereischen, zoo- als de gasten chapronneeren en op Balische wijze mei Balische kwinkslagen bezig houden. Hij spreekt een weinig Maleisch, de radja moeda evenwel niet, zoodat de oude, die altijd bij hem schijnt te zijn, tevens als tolk dienst doet. Beide waren in prachtig hof- kostuum gedoscht. Ik beschreef dit kostuum reeds vroeger, doch vergat bij die gelegenheid te vermelden, dat alle Baliërs van eenig- zins hoogen rang, en ook anderen, wier middelen hun veroorlooven niets te doen of ten minste geen handenarbeid te verrichten, de nagels der vingers van de linkerhand zeer lang laten groeien. Dit is dus een bewijs van voornaamheid. Ik heb er gezien, die vijf centimeter lang waren. Yeel zorg wordt er evenwel niet aan esteed ; het kan den eigenaar al weinig schelen, of ze krom of gedraaid
groeien, en wanneer men in het oog houdt, dat zindelijkheid niet juist tot de oude vaderlandsche deugden van den Baliêr behoort, dan laat het zich denken, dat deze nagels dikwijls uitzien alsof ze
in zwaren rouw zijn. Op zijn lichaam is de Baliër even vuil als op zijne woning en zijne kleederen. Is er eene kali in de nabijheid^ dan baadt hij zich nu en dan, doch hij maakt er volstrekt geen omweg om. Wanneer men een Balische dessa doorwandelt, dan is het volstrekt geene zeldzaamheid, midden op den weg eene schoone,
die daar met hare vracht op het hoofd heengaat, plotseling te zien stilstaan en van voren of van achteren haar kain een weinig terug- trekken, om staande ja zelfs loopende aan eene natuurlijke behoefte te voldoen. Komt ze nu op haren weg een riviertje tegen, dan zal ze zich reinigen {ngontjèng^ het Jav. tjèboq)^ doch bij gebrek aan dien, kan men haar dikwijls in een weinig nat gras de manoeuvre zien uitvoeren, die men bij honden met den naam van ^rijden^ bestempelt. Bij ontstentenis van nat gras maakt zij zich ook al niet ongerust en wacht heel bedaard eene andere gelegenheid af. Daar komt mij iets in den zin van splinter en balk. Is het in Europa
wel beter ? In Brussel b. v. kan men zich iederen dag aan het vies schouwspel vergasten, van een ofanderyisch- of groente wijf wijdbeens boven de 3 of 4 ijzeren tralies, die in de trottoirs zijn aangebracht,
staande aan eene natuurlijke behoefte te zien voldoen, en in de Hollandsche dorpen, b. v. bij het uitgaan eener kerk, ziet men de vrouwen tot dat doel bij zulke «hopen aan den publieken weg zitten, dat ik meermalen geneigd was dominé's preek onder de erge laxantia te rangachikken. En vraag eens in een Europeesche woning om water voor het. ^cahinet d^aisance.^^ Men begrijpt u niet of brengt u een glas water, denkende dat ge dorst hebt. Doch ik mag het aesthetisch gevoel van den lezer niet verder kwetsen.

Aan het Badoeng'sche hof behoort het tot de étiquette, dat de hooge gasten van den vorst de vorstelijke personen, met wie men loopt, den arm présenteeren of bij de hand leiden. Aan deze gewoonte, die ik aan geen der andere Balische hoven, noch aan het Selaparang'sche hof heb waargenomen, wordt hier streng vastgehouden. Wanneer men met een vorstelijk persoon wandelt of hem uitgeleide doet en men niet spoedig genoeg denkt aan deze bestaande gewoonte, dan wordt men er steeds opmerkzaam op gemaakt door den ouden radja Bëlaloany die altijd in het tweede gelid achteraan drentelt. Zoo schaarde zich ook thans de kroonprins naast den Gekommitteerde en de oude Bëlaloan naast den Overste en wandelden beide paren bras- dessus bras-dessous naar de voor ons als receptie- en zitkamer bestemde pendopo op het binnenplein van Aepoeri. Beide genoemde vorsten hielden ons een tijd lang gezelschap, gedurende welken tijd vooral de oude Bëlalaon veel te vragen en te vertellen had. De lezer houde in het oog, dat de Heer Heijligers en ik vroeger ge- durende vijf dagen terzelfder plaatse hadden gelogeerd, zoodat wij met al de Badoengsche grootheden reeds kennis hadden gemaakt en dus als oude vrienden werden ontvangen. Wij hadden nauwelijks ons reiskostuum met een meer passend verwisseld, of de radja Kasiman verscheen om ons te komplimenteeren. Deze, wiens vader vromer zelf- standig vorst van het distrikt Kasiman en een tijd lang de voornaamste vorst van Badoeng was, doch van zijne macht afstand heeft gedaan ten behoeve van den radja besaar {Dèn pasaar) is rijksbestierder en de rechterhand van den vorst; hij is een flink persoon van ruim 50 jaren , met zeer beschaafde manieren en een hoogst innemend en verstandig uiterlijk, zeker de meest energieke Baliër, dien ik nog ontmoette. Hij spreekt daarbij prachtig Maleisch. In den loop van dit verhaal heb ik zijn naam reeds eene enkele maal
genoemd. Hij bleef een korten tijd bij ons en vertrok toen met de andere vorsten, ons tijd latende om de rijsttafel, die intusschen in gereedheid was gebracht, te gebruiken. Badoeng is het eenige rijk, alwaar we binnen de poeri logeerden en waar we dus de gasten van den vorst zelven waren. Dit bracht evenwel weinig verandering in onze ménage, daar we, evenals overal elders, ook hier zelve voor alles te zorgen hadden. Men verstrekt op Bali en Lombok den gas- ten alleen een pondok met een balé-balé om te slapen en één om er
te eten, enz., daarbij worden ^in natura'^ rijst, kippen, eenden, eieren, vleesch en vruchten op aanvrage, aan den kok, dien we moeten meebrengen , verstrekt , voilh tout. Voor tafel- en keukengereed- schap, glazen , lampen , enz. dient men zelf te zorgen. De Baliêrs kennen deze utensilien bijna niet. Meermalen vroeg deze of gene Hoogheid ons, na bijv. een vork met aandacht bekeken te hebben, of we het niet vreeselijk ongemakkelijk vonden om met zoo'n ding te eten, met de vingers is het immers veel praktischer. Ook valt de wijze , waarop ons eten wordt gereed gemaakt , niet in hun smaak ; het was gedurende mijne reizen op Bali volstrekt niets vreemds, dat een vorst, die toevallig bij onzen maaltijd tegenwoordig was, éen schotel opnam, en na den inhoud flink bekeken en beroken te hebben, dien met afkeurenden blik en schouder en neus optrekken weer op
tafel zette. De vrijpostigheid der Baliêrs grenst dikwijls aan het brutale, en tijdens mijne eerste reizen op Bali maakte ik mij daar- over menigmaal boos. Heeft men bijv. sigaren vóór zich op de tafel liggen, dan acht geen radja zich te hoog, om in beleefde termen een te vragen, hetgeen men natuurlijk niet weigert; doch in plaats van één neemt zijne Hoogheid den geheelen voorraad weg en deelt ze onder zijn gevolg rond, of doet ze in de plooien van zijn sapoet verdwijnen, zonder er een op te steken. Op dezelfde wijze raakt men zijn wijn, likeur enz. kwijt, en men loopt dan dikwijls gevaar om het weinigje contenance, dat men meê over Straat Bali gebracht . heeft, te verliezen. Langzamerhand krijgt men natuurlgk den tact om dit koopje te ontloopen, of men maakt er zich ten minste niet meer boos om.

Dat een Balisch vorst in ons gezelschap, zelfs terwijl we zitten te eten, soms de verschillende cloaken van zijn doorluchtig corpus open- zet om op duidelijk merkbare wijze aan eene inwendig gevoelde behoefte lucht te geven, is volstrekt geene zeldzaamheid. Hij huldigt in dat opzicht het spreekwoord j^qui se gêne, est gêné.*^ Ik moest er later meermalen om lachen, wanneer de Overste of een ander uit het gezelschap, die voor het eerst kennis met de Baliërs maakte, zich om deze en dergelijke schijnbare brutaliteiten geweldig ergerde.

Badoeng, dat ik op mijn vorige reis ten behoeve der vaccine-inspektie in alle richtingen heb doorkruisd, staat in slordigheid van bouworde, in het onderhoud der wegen en in de onzindelijkheid der bewoners ongeveer op eene lijn met de meeste andere onafhankelijke rijken van Bali. In het beste deel ligt het paleis van den radja besaar, de poeri Dèn passar^ zooals haar naam aanduidt, tegenover de groote passar. Dèn beteekent nl. tegenover^ het latijnsche trans. Hoewel ook deze poeri niet de fraaiste is van al die, welke ik heb gezien,
zal ik van deze eene kleine beschrijving geven, omdat ik haar het best heb kunnen in oogenschouw nemen. Ik moet er trouwens bij voegen, dat al de overigen, op enkele niet noemenswaardige kleinigheden na, vrij wel met deze overeenkomen. Vóór de poeri heeft men een groot plein {bantjingah\ waarop meestal eene overdekte ruimte is, die in den regentijd als hanenvechtbaan gebezigd wordt. De poeri zelve is omgeven dooreen ± 15 voet hoogen muur, die aan de vóór- en zijvlakken verscheidene poorten vertoont zonder deuren. De moren
zijn zeer dikwijls, bijv. in Gianjar en Mengi en relief met verschillende allegorische voorstellingen uit de Hindoe-godsdienst, bloem- en lofwerk, afzichtelijke draken-figuren enz. bewerkt. Natuurlyk ontbreekt ook hier de toegoe (offernis) niet. De verschillende poorten verleenen toegang tot een groot binnenplein, alwaar men de volgende ingrediënten nooit mist, nl. eenige schaduwboomen, en wel meer bepaald toaringin's; verder naast den ingang van de hoofdpoort de vroeger beschrevene klok (pënalikan) met toebehooren, eenige grootere en kleinere pendopo's, waarvan een of meer der grootsten gebruikt worden, om de aan den vorst behoorende kemphanen ieder in een van bamboe gemaakte kooi (goeoengan)^ soms 100 a 200 en meer
in getal, te plaatsen, hetgeen voor- iemand, die dat eeuwig gekakel niet gewoon is, het logeeren in eene poeri vrij onaangenaam maakt. Men kan trouwens geen Balisch erf binnentreden, of men vindt minstens een paar dezer dieren, waaraan de eigenaar uiterst veel zorg besteedt. In de meeste Balische rijken moet ieder bewoner eener dessa op sommige tijden een zeker aantal kemphanen als schatting opbrengen. Verder vindt men op dit plein een groot, door bamboelat- ten, die plat op den grond bevestigd zijn, gevormd vierkant, dat
eveneens voor hanenvechtbaan gebruikt wordt, doch niet overdekt is. Op dit binnenplein gekomen, nl. door de hoofdpoort, ziet men aan weerskanten en vóór zich uit hooge smalle poorten, waarvoor gemetselde trappen van eenige treden hoog; deze poorten hebben smalle dubbele deuren en geven, nl. die in het front liggen, toegang tot een tweede, nog grooter open plein, en die ter zijde naar de private gebouwen van den vorst met zijne hofhouding. Op dit tweede plein, dat het best te vergelijken is met het peristylium der oude Qriekschc en Romeinsche woningen, vindt; men tal van pendopo's, die thans voor een groot deel door het bekleeden met kadjangmatten in logeabele vertrekken zijn hervormd. Hier was nl. ons logies, dat er zeer netjes en zindelijk uitzag, terwijl een niet- omkleede pendopo als onze zit-, eet- en receptiekamer dienst deed. Van dit plein uit, voeren weer verschillende kleinere en grootere poorten naar de vorstelijke stoeterij, die vrij sober, de
koninklijke keuken, die nog soberder, naar het eigenlijk verblyf van den vorst en zijne verwanten, dat uiterst klein, vuil en onzindelijk is, en naar de verblijfylaatsen der panjeroan die men natuurlijk nooit te zien krijgt, de verblijfplaatsen bedoel ik; doch bij analogie kan men berekenen, dat die in onzindelijkheid niet zullen onderdoen voor 's vorsten verblijf. Ziedaar in grove omtrekken een Balisch vorstelijk paleis. Het behoeft niet gezegd, dat bouworde, zindelijkheid en vooral de artistieke waarde van het snijwerk der deuren zeer
verschilt. In 's vorsten bizondere vertrekken, of soms op een der pleinen vindt men eene verzameling wapens, nl. oude verroeste geweren en geweerloopen en vele goed onderhoudene lansen, terwijl even verroeste, onbruikbare of nog te gebruiken kanonnen en affuiten in onbehagelijke wanorde rechts en links op de pleinen staan.Wannéér men, zooals wij thans, binnen de poeri logeert, dan kan men bespeuren, hoevele honderde menschen direkt of indirekt aan de poeri verbonden zijn, den geheelen dag loopt het volk in en uit
Dit zijn meest allen heefendienstplichtigen (Soedra '«). De heerendienstplichtigen worden voor hunne diensten niet betaald, en mogen al blij zijn, dat er op het door hen geleverde werk geene-aanmerking
komt; zg zouden hun straf niet ontloopen. Tijdens mijn eerste bezoek aan het Badoengsche hof, trof ik het toevallig, dat de kroonprins Zijn odalan vierde (jarig was). Het was dus prinsjesdag. Ter zijner eere waren er eenige. vorstelijke personen van naburige bevriende rijken te gast en gaf de vorst een groot dinér. Dien morgen zag ik zeker 500 mannen en vrouwen de poeri binnen komen, die de verschillende ingrediënten voor het diné aanvoerden, nl. rijst, gebakjes, speenvarkens, kippen, bloemen, enz. enz. Een gedeelte hiervan ging
naar den vorstelijken tempel, binnen de poeri gelegen, en werd er door de volgelingen der priesters weer uit gedragen. Dit alles, de levering der vivres incluis, geschiedde in heerendienst .Des morgens tusschen zeven en acht ziet men aanhoudend klubjes van tien tot twaalf meisjes, onder aanvoering van eene matrone, de poeri uitwandelen om zich in de kali, die in de nabijheid is, te baden, hetgeen voor ons, die om dien tijd niet veel beters te doen hadden, eene aardige tijdkorting was, vooral als de dames met frisch gewasschene gezichten en négligé weer terug kwamen. Ons logies aldaar liet ook overigens niets te wenschen over. Wij waren den
geheelen dag door alle mogelijke radja's omgeven, doch de radja besaar liet zich dien dag niet zien. De Gekommitteerde had bepaald, dat des middags de officieele receptie zoude plaats hebben, doch de
vorst liet zich verontschuldigen, daar hij ziek was. Dit was geen voorwendsel. Bij mijn vorig bezoek had ik hem een paar malen ontmoet, en gezien, dat hij erg lijdende was aan asthma nervosum. Hij is nl. op eene erge wijze aan opium verslaafd, zoodat hij, wanneer hij niet de noodige dosis opium heeft gebruikt, zoo kort-ademig is, dat hij nauwelijks kan opzitten. Hij brengt den grootsten tijd van den dag op zijn balé-balé door. Het was dus y,faire bonne mine h niauvais jeü*^ en wachten tot den dag van morgen. Wij brachten evenwel den dag genoegehjk door. Des avonds werden eenige vuurpijlen opgelaten, die de Overste van boord had laten halen, om van boord uit de ligging van de poeri te kunnen bepalen. Juist, toen we tegen middernacht ons ter ruste wilden begeven, verschenen een gamelan en twee djogéds^ die een tijd lang slechte dansen uitvoerden
en zich als onwaardige priesteressen van Terpsichoré deden kennen. Zij kregen dan ook spoedig haar congé en wij daardoor gelegenheid om van de vermoeieitissen van den dag uitterusten.

30 Augustus. — De Gekommitteerde had de receptie verdaagd tot heden morgen elf uur. Reeds vroeg verscheen radja Kasiman^ die op circa twee palen afstands woont, ten paleize. Evenals altijd, wan-
neer hij zich op straat vertoont, had hij ook thans een groot gevolg bij zich, waaronder twee personen, die vlak achter hem een infanteriesabel (hollandsch model) droegen, die hij zei vroeger ten geschenke
ontvangen te hebben, doch waaraan, volgens mijne meening, een luchtje van de laatste expeditie kleeft. Bij mijn vroeger bezoek had ik hem een derde dito exemplaar beloofd, en hij was niet weinig in zijn schik, toen ik hem het beloofde thans overhandigde; onmiddelijk werd een derde volgeling tot derden sabeldrager gepromoveerd. Onder de personen, die steeds den vorst met of zonder land, of eene andere grootheid volgen, behoort oók een jongen van ±12 jaren, eene soort page, die den gouden sirihdoos (lëlantjang) van den vorst
hem achterna draagt, om op de eerste aanvrage 's vorsten sirihpruim te fabriceeren. Deze page heet parëkan djoeroe tjmmng. Dit is geene geringe betrekking en' wordt meestal gegeven aan den zoon van een gunsteling. Die page staat nameljjk in hoog aanzien en geniet het voorrecht, even hoog te mogen zitten ah de vorst dien hij
dient, een voorrecht, dat geen ander in den lande met hem deelt. Wanneer men in het oog houdt, hetgeen ik vroeger over het begrip van hooger of lager zitten bij de Baliêrs heb gezegd, dan zal men kunnen begrijpen, welke onderscheiding dit is. Meermalen ziet men, dat zulk een sirih-jongen aan weerskanten door anderen gesteund wordt, opdat hij of misschien de sirihdoos niet valle. Bij mijn vorig bezoek aan het hof van Badoeng zag ik een sterk staaltje van de waarde, die vooral het Badoengsche hof aan de étiquette van het zitten hecht. Ter onzer (mijn reisgezel Heijligers en mijn persoon) eere zoude op eene middag een ^amioeA-partij op het binnenplein van de poeri plaats hebben. Toen wij ter plaatse verschenen, was het spel reeds begonnen en de geheele hofhouding reeds aanwezig. Voor ons waren een paar stoelen klaar gezet in de nabijheid van den radja, besaar en andere groeten, die op een balé op hun loengkahengha (zitkussen) gehurkt waren en hooger zaten dan wij. Op eene kleine distantie van ons zaten de vorstinnen {anah-agoeng istri) en princessen met haar gevolg op den grond gehurkt, onder het kauwen van sirih-pruimen of het rooken van sigaretten, naar het
spel te kijken. Juist wilden we gaan zitten, toen het geheele dames- personeel als met een tooverslag opvloog en zich op een der balé's .(die natuurlijk hooger was dan onze stoelen) nêervleide. Ik stelde mijn reisgenoot voor, om den radja besaar te gaan aanspreken en op onze stoelen op de balé te gaan zitten, ten einde de ganze Hof- gesinden* in de hanebalken te jagen. De galanterie van mijn reis- compagnon hield mij echter van dit voornemen af, wijl dan, zooals hij beweerde, de geheele hofkliek zich zou verwijderen, in plaats van de^ lucht in te gaan. Men moet het bijwonen, om te gelooven, hoe kinderachtig streng die étiquette wordt in acht genomen.

Behalve den pas genoemden parëkan djoeroe tjanang of sirihdoos- drager, vindt men in het gevolg van de leden der Balische ^high life^\ indien deze oud en tandeloos zijn, steeds eene andere soort page, die de ingrediënten van een sirihpruim, behalve de tabak, tot moes fijn stampt in een zilveren of ijzeren machine, die het meest overeen- komt met de bij ons bekende proppenschieters, doch van onderen gesloten is. Evenals aan de
Europesche hoven van vroegeren tijd hebben de radja besaar „Den passar^^ en de radja Pawtjoetan ieder een dwerg in hun gevolg, de eerste een mannehjk, de tweede een vrouwelijk exemplaar. Beide zyn walgelijke gedrochten, en hebben, bij een leeftijd van 35 tot 40 jaren, ongeveer do grootte van kinderen van tien jaren. Deze luxe moet men ook aan andere Balische hoven vinden; ik heb ze evenwel, nergens anders aangetroffen.

Ook heden morgen liet de radja besaar zich verontschuldigen (wegens zijn asthma) en zond ons in zijn naam den radja moedaj radja Kasiman en radja Bëlaloan^ die de lezer reeds allen kent. Hen volgden nog eenige priesters, om aan 't geheel den noodigen geur bij te zetten. Evenals bijna alle Balische vorsten, maken ook
de beide laatstgenoemde vorsten gebruik van opuim, doch niet in die mate, dat zij er last van hebben. Zij gebruiken het, bijv. als een Euro- peaan zijn bittertje, op gezette tijden van den dag, en maken er dan ook volstrekt geen geheim van. Toen ik de vorige maal een dag de gast was van radja Kasiman^ vroeg hij bijv. verlof om zich even te mogen verwijderen, om zijn gewoon piereverschrikkertje te pakken; een uur later kwam hij goed en wel weer terug. Genoemd gezelschap met het noodige gevolg zat een geruimen tijd bij ons. Bjj deze gelegenheid werd den radja Kasiman^ die toch eigenlijk de hoofdpersoon is, verteld, dat de tot dusverre door ons Gouvernement bezoldigde vaccinateur Moersidin wegens de gewetenlooze wijze, waarop
hij in Bndoeng de vaccine had verwaarloosd, zooals mij bij mijne vroeger gehoudene inspektie was gebleken, uit zijne betrekking was ontslagen, waarvan den radja het officieel Regeerings-besluit tevens werd overhandigd.

Zooals den lezer uit de inleiding bekend kan zijn, bezat het onafhankelijke rijk Badoeng sedert 1873 een door ons Gouvernement bezoldigden Mahomedaanschen vaccinateur op een traktement van f 40, 's maands. Ter aangehaalder plaatse heb ik de reden uiteengezet, waarom juist in dit rijkje door ons voor de vaccine werd gezorgd. Deze vaccinateur nu moest om de twee jaar herbenoemd worden, hetgeen tot dusverre op advies van den Eerstaanwezend Officier van Gezondheid te Banjoewangi^ als zijnde belast ook met het opzicht over de vaccine aldaar, geregeld had plaats gehad. Toen io Maart 1881 die herbenoeming wederom moest plaats hebben, en mijn advies dienaangaande werd gevraagd,' stelde ik voor om met het uitbrengen
van dit advies te wachten, totdat ik in de gelegenheid was geweest, mij van den toestand der vaccine aldaar in persoon to kunnen over- tuigen. Daarbij kwam, dat gedurende bijna twee jaren door dien ambtenaar geene vacceine-rapporten waren indiend, zoodat ik vermoedde, dat die toestand wel te wenschen zou overlaten. Bij mijne inspektie aldaar in April d. a. v. bleek het mij dan ook ten duidelijkste, dat bedoelde vaccinateur op gewetenlooze wgze de betrekking had ver- waarloosd, waarvoor hem jaren lang ƒ 40 's maands was uitbetaald. Een gevolg van deze verwaarloozing van de vaccine is, dat Badoeng in het aantal van door pokken geschondene personen weinig bij de andere rij- ken achterstaat ; doch ook het vertrouwen, dat de Badoengers oorspron-
kelijk in de vaccine hadden, was door zijne handeling gevoelig geschokt. Immers, zelden werd door hem met goede pokstof ingeënt, en bijna geregeld stierf daardoor de vaccine uit; wilde hij eens weer vaccineeren, dan haalde hij bibit van Boelèléng, Zoo zag ik hem o. a. zelf inenten met stof, die hij uit vaccinepuisten haalde, die 13 a 14 dagen oud waren, en dit nog wel terwijl hij van mijne komst verwittigd was. Om de laatste reden had hij drie weken te voren bibit uit Boelèléng gehaald. Anders, zoo werd mij van betrouwbare zijde verzekerd, vaccineerde hij, indien er om gevraagd werd, met spuit met een droog lancet, voorgevende dat hij er de bibit reeds te huis had opgedaan. Een gevolg van hot een en ander was dan ook, dat bij mijne gehoudene inspektie onder een paar duizend kindereo, die ik mij nog de moeite gaf na te zien, zich bijna geen enkel voldoend
lidteeken vertoonde. Staande deze inspektie, maakje ik de Badoeng- sche vorsten met dezen toestand en met de oorzaak daarvan bekend, en droeg na mijne terugkomst, na ingediend rapport over mijne bevinding, dezen vaccinateur bij de Regeering voor onverwijld ontslag voor. Het officieele stuk nu betreffende dit ontslag werd den radja Kasiman bij deze gelegenheid overhandigd, met verzoek het den belanghebbende, die bij den vorst, wiens schrijver hij is, in groot aan. zien staat, te overhandigen. Ik stelde den radja daarop voor, om
twee Badoengsche ingezetenen naar Banjoewangi te zenden, waar ik hen tot vaccinateurs zoude opleiden, en gaf hem tevens in overwe- ging, om de vaccine verplichtend te stellen. Mijn voorstel werd in alle opzichten goedgekeurd, en mij verzocht om jaarlijks eene inspektie aldaar te houden. Ik kan hier tot mijn genoegen bijvoegen, dat de vorst zijne belofte is nagekomen, en dat eerstdaags een flink onderwezen vaccinateur naar Badoeng terugkeert. De vorst had oorspron- kelijk twee personen gezonden, doch de een is in Djëmhrana achter- gebleven, alwaar hij, naar ik verneem, bij den aldaar wonenden vaccinateur in de leer is.

Nadat er nog eenige hangende kwesties waren behandeld, werd het officieele bezoek, dat n. b , bij gebrek aan betere gelegenheid, in onze receptiekamer plaats had, als geëindigd beschouwd, in zoover wij namelijk ons officieel kostuum met een meer huiselijk verwisselden. Yan een der Badoengsche vorsten, die mij na de officieele conver- satie over eene verouderde gonorrhoe consulteerde, vernam ik dat men in Badoeng tegen deze ziekte vrij algemeen, en dikwijls met goed gevolg, het uitgeperste sap van de Blingbing-bèsi {Averrhoa
Bilimhi L. nat. fam. der Oxalydeae\ met suiker vermengd, drinkt. Een ander op Bali veel gebruikt middel is de manos rasa^ eene ananassoort zonder stekels, op Banjoewangi o. a. nanas oeling genaamd.

Des middags had er op de hanenvechtbaan op het binneDplein van de poeri ter onzer eere eene hanenvechterij plaats.Bij onze komst op de kampplaats was er reeds een duizendtal wedlustige toeschouwers aanwezig. De Baliêr is van nature een hartstochtelijk speler, en men kan haast zeggeo, dat een goed geaard Baliér bijna geen dag laat voorbij gaan, waarop hij niet, zij het dan voor een kort .oogenblik, aan den Dèwa Mosèl (Gtoi der dobbe- laars) heeft geofferd. Het grootste deel der bij hen gebruikelijke spelen zijn dobbelspellen, waarbij nl. het aantal oogen der^dobbel- steenen beslist. Ook kennen zij een paar verschillende soorten van
kaartspelen, meestal gespeeld met chineesche kaarten Boven deze spelen staat bij hen evenwel het hanengevecht {tetadjèn\ waaraan zij zelfs een godsdienstigen tint geven; zoo zal men bijna altijd in de "habijheid van een poeri (tempel) een tëtaroeh (gebouwtje waarin een hanenvechtbaan) vinden; zoo heeft er bijv. na een hanen- gevecht bijna altijd een gevecht op leven en dood plaats, en wol tusschen twee bonte hanen, dat dienst moet doen als zoenoffer voor de godheid.De Radjah een man van ruim 50 Jaren, eene korte in-een-gedrongene gestalte, met sterk opgezwoUene aderen en een tamelijk onbeduidend gezicht. Hij heeft een massa wettige vrouwen en bijwijven, alsmede een harem van ± 300 panjeroan^s. Voegt men hierbij het erge misbruik, dat hij van opuim maakt, dan kan men begrgpen, dat hij naar adem snakt, en verklaart zich zijne kortademigheid vrij wel. De ^abusus in Venere et Morpheo^^ maakt hem geheel ongeschikt, om zich met
regeeringszaken bezig te houden, welk deel zijner betrekking hij dan ook wijselijk op de schouders van radja Kaasiman heeft gelegd. Hij consulteerde mij dien middag over zijne ziekte; evenals bij mijn vorig bezoek vertelde ik hem ook nu, dat aan zijne ongesteldheid weinig meer te doen was, vooral niet, als hij niet volstrekt afzag van het opium-gebruik. Evenals toen kreeg ik ook nu ten antwoord, dat daar geen denken aan was.* Om toch iets te doen en van mijne bereidwilligheid blijk te geven, gaf ik hem eene bezending poeders met tartr. emeficus en piilv. Dover met twijfel aan het succes. Des avonds zond de vorst voor ieder onzer eenige geschenken, voor mij eene groote bezending vogels, waaronder twee kakatoea's van het eiland Penida (zie vroeger) ; hij liet ons tevens vragen, welke vermakelijkheid we in den avond wenschten te zien ; we waren
evenwel te vermoeid om lang opteblijven en hadden ook voorloopig genoeg gezien, zoodat de vorst bedankt werd voor zijne beleefheid, en wij ons vroeg te ruste begaven. ^More soWo" werden de officieele cadeaux verzonden aan hen, die daarop recht hadden.

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan