Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1911 Zwerftochten door Bali

Door Henry Hubert van Kol, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal

De Puputan van Badoeng.

A. ONS RECHT VAN INGRIJPEN TE BADOENG.

Tot juist begrip daarvan zou men de geschiedenis der veriiouding tusschen Nederland en Ball diep moeten ophalen, wat hier niet wel mogelijk is. Liever zal ik den lezer verwijzen naar het uit- stekende artikel van Kielstra .het Eiland Bali", opgenomen in de Gids 1893 dl. IV, dus geschreven in de jaren dat hQ als historie- schrijver nog objectief, als beoordeelaar van Regeeringsdaden nog belangeloos was.

De O. I. Compagnie zocht op Bali geen uitbreiding van gezag, evenmin kwam het onder Daendels en Raffles noch later tot occu- patie. Eerst In 1841 tot 1843 werden met verschillende Vorsten contracten gesloten, waarin naar het officieel heette .onze Opper- heerschappQ^ werd erkend". Nog in 1848 schreef de G. G. Rochussen igeen vermeerdering van ons gebied" (I. c. p. 473); alléén beloofden de Vorsten zeeroof en slavenhandel (vroeger voornamelijk ten onzen bate gedreven) tegen te zullen gaan, en afstand te doen van het kliprecht, wat de voornaamste drijfveer van onze expeditiën bleek te zijn.

,In één woord," aldus Kielstra, en deze zinsneden mogen den huldigen lofzanger van alle daden der Regeering wel eens worden vooigehouden, »ln één woord, de Vorsten behielden hun volko- men zelfstandigheid onder erkenning onzer suzereiniteit" (p. 476). En verder : .aan de gesloten overeenkomsten hebben de Bestuur- ders van Bali in de sedert verioopen jaren zich niet onttrokken ; over hun houding tegenover ons Bestuur heeft dit niet te klagen gehad" (id.).

De verplettering van den, in hun oogen en met hen veigeleken, zoo machtigen Radja van Lombok, heeft hen na dien tijd zeker niet strijdlustiger gemaakt De gewone voorwendselen (soms ten deele op werkelijke grieven berustende, doch zonder scheepska- nonnen wel weg te nemen), hebben wij voor Djambl en elders reeds tot vervelens toe vernomen. Met niet veel raeer grond dan Italië tegenover Tripoli, kon Nederiand een .recht van annexatie" voor Bali doen gelden.

Het meeste wat op Balt verkregen werd, was een contract met de Vorsten; een contract waarmee de Regeering een erkenning van haar Óppei^ezag bedoelde, terwijl de Batische Vorsten er niets anders dan een vriendschapsverbond in zagen, — misleid omtrent de ware beteekenis van .Opperheer" en .Soevereiniteit" (Augusta de Wit). Zoowel Dr. v. d. HOevell (Reis over Bali 1847 p. 46), V. d. Lith (Ned. Oost. IndiS p. 284), als Leendertz (Bali en de Balineezen, 1895 p. 38) hebben dit, evengoed als de Tijd- spiegel van 1849 I. p. 213 en Dr. Jacobs I. c. p. 60 — met ronde woorden erkend. De onderhandelaars hadden hen omtrent de t>eteekenis dier woorden, „onvertaalbaar in het Batisch" (Schwarz), eenvoudig misleid, wat v. d. HOevell speet, .voor de eer van de Hollandsche goede trouw." Dat Bali in die contracten genoemd werd .het eigendom" van Nederland, — aldus trachtte de Regeering zich te redden, — was juist „een bewijs van groote vriendschap ;" want „onder vrienden is alles gemeen." Q. Djilantik weigerde echter zulk een spltsvondigen uitleg te aanvaarden; men erkent geen nieuwen Meester, riep hij uit: „of eerst zal de kris moeten beslissen!" Hij vergiste zich, de beslissing zou blijven aan het meer moderne repeteergeweer, aan het recht van den stericste, aan de partij van het ruwe geweld. Dit zouden ook de Vorsten van Badoeng ervaren.

Vödr V* eeuw waren er 3 Vorsten in dat Rijk, gezeteld te Kesi- roan, Pametjoetan en Dèn Pasar. De eerste werd later (± 1880) eenvoudig Poenggawa, de tweede werd zwakzinnig, zoodat ten slotte Goesti Gede Ngoerak Dèn Pasar alléén de lasten der laatste verwikkelingen moest dragen. Deze bad zicb (17 Aug. \9(&) „gebonden geacht aan het contract van 18 Juli 1849, waarin Neder- land beloofde „zich niet met het inwendige Bestuur' aldaar te tKmoeien, waaraan in de Ind. Gids Juni 1906 nog eens wordt herinnerd.

Blijkens het Reisversl^ van den resident (Ind. Olds 1903 I. p. 631), waren de Vorsten van Badoeng (evenals die van Bangli en Tabanan) „welgezind": zij waren (Vaderland 24 Mei 1905) „voorkomend tegenover de Nederlandsche ambtenaren, hielden zich stipt aan de Tractaten, doch deden geen nieuwe concessies, vreezende (en te recht 1) „dat daaruit steeds meerdere zouden volgen." Etadoeng vermeed alle conflicten ; het had zóó weinig op een oorlog gerekend, dat de krijgers geen andere dan oude geweren bezaten, vooral gevaarlijk voor de schutters, benevens een paar kanonnen, ware „proppenschieters", in vorige eeuwen hierheen verzeild.

Wy, de sterken, zochten botsmg met de weerloozen, die wel inzagen (en gedurende mijn vorige reis daarnaar herhaaldelijk bq mij informeerden), dat zij niet bestand waren tegen de moordende kracht onzer wapenen. De Raad van IndiS Liefrinck verklaarde reeds Maan 1903 in het Ind. Genootschap, dat „in de toekoinst het Nederlandsche gezag zich over geheel Bali zal doen gelden." De „Contractbreuk", den „weerspannigen" Radja's ten laste gelegd, werd, naar aanleiding van een welkome schipbreuk te Saneer, door de Indische Regeering zelf gepleegd.

Men hebbe den moed ook de keerzijde der medaille te nen, en niet alles goed te praten wat door Nederiandsche ambtenaren Is uitgehaald, en dat inderdaad lang niet altoos door den beugel kan. Men beschouwe de historie ook eens van het standpunt der BaliSrs, en met inachtneming hunner inzichten: en dan blijft bet werkelijk te betreuren, dat het dagboek door den Vorst van Badoeng aangehouden, hetwelk hij gedurende de „poepoetan" bij zicb had en dat nog moet bestaan, niet wordt opgezocht en aan het oordeel van het Nederiandsche volk onderworpen. Een oogenblik heb ik er over gedacht, .voor het relaas mijner ervaringen den dagboek- vorm te Kiezen, maar dan bad mijn geschrei veeleer den indruk gemaakt van letterkundig opzet dan van ernstig en eerlijk zoeken naar de waarheid en goed recht. Voor een romanschrijver, dan wei een dichter, ware er echter in deze volslagen verdelging van een Vorstengeslacht ruimschoots stof voor een treffend epos te vinden. Van het spotdicht door een padenda te Sanoer gemaakt, en waarvan copie€n bestaan, heb ik ondanks alle moeite niet één exemplaar machtig kunnen worden. De onverwoestbare humor der BaliSrs schijnt zich daarin lucht te geven, die in een blijspel verandert wat feitelijk een droeve tragedie is, een tr^edie waarin Nederland niet de fraaiste rol speelde!

B. DE SCHIPBREUK BIJ SANOER.

Pabean Sanoer, de havenplaats van Badoeng, werd, bij nacht en ontij, herhaaldelijk door mij bezocht; het is een Chineesche nederzetting, overigens alleen door Brahmanen, dus de hoogste kaste, bewoond. Teruggaande volgde ik denzelfden weg waarlangs de Nederlandsche troepen oprukten. De plaats waar, 26 Mei, de Sri Koemala strandde, bleek niet precies Sanoer te wezen, doch iets meer noordoostelijk te liggen, niet ver van de grens van Gianjar, wat later een opmerking van waarde zal blijken te zijn. Werd daarbij door den Vorst van Badoeng het strandrecht toege- past? Mijn antwoord luidt onomwonden: Néénl

Het „tawang karang" ,of recht van den Vorst op de lading van een gestrand schip, was In den Indischen Archipel een overoud recht, het kliprecht, ook in de Westersche landen zelfs tot op beden wel eens toegepast. De Balier beeschouwde daarenboven het lot der schipbreukelingen als een straf der Ooden : het waren verwor- pelingen, hem door de geesten gezonden, waarop hij evengoed recht heeft als op den vogel die op zijn erf valt Doch hoe dit zij, in de contracten van 1849 en 1861 had de Vorst daarvan afstand gedaan, beloofde hij bij schipbreuk hulp te zullen verleenen, en kreeg hij als „bergloon' recht op 15 tot 50 pCt. der geredde goederen (art 11). Behalve de laatste bepaling werd dit alles oj^evolgd, daaromtrent bestaat geen verschil van meening; doch over den gepleegden .Strandroof en diefstal aan boord" loopen de verhalen onzer ambtenaren en die van duizenden Qi, van alle> BaliCrs uiteen. In de MemoriËn van antwoord van 1906 (p. 12) en van 1913 wordt daarover — kort samengevat — hetvolgende medegedeeld : de Vorst van Badoeng werd nooit van zeeroof beschuldigd; wel hebben diefstallen plaats gehad, die het Zelf- bestuur niet heeft weten te beletten, ofschoon hij in art 11 van het Contract van 13 Juli 1899 beloofde: alle gestrande schepen hulp en bijstand te verleenen. Daardoor was het Zelft>estuur tot schadeloosstelling aan den beroofde verplicht

Om den lezer in staat te stellen tot het vellen van een oordeel. worden thans de feiten medegedeeld, waardoor kan blijken of daarvoor zulk een gniweiyke bioedstorting moest worden ui^elokL In die van 1913 lezen we verder nog :

„Het Js den ondei^eteekende niet bekend, dat wijlen de In 1906 omgekomen Vorst van het sedert bq het rechtstreeksch gebied ingelijfde landschap Badoeng (Indisch Staatsblad 1908 n". 443) (W?/ van zeeroof is beschuldigd, en de indruk van den in het Voor- loopig Versl^ bedoelden Nederlandschen reiziger als zou dit .valschelijk" zijn geschied, berust vermoedelijk dan ook op een misverstand, dat opgeheven zou kunnen zijn door de kennisneming van hetgeen in de Koloniale Verslagen en bij de schriftelijke be- handeling van vorige Indische begrootingen over deze aangelegen- heid is gepubliceerd.

De ondergeteekende meent thans te mc^en volstaan met tn her- innering te brengen, dat in Mei 1904 de nabij de Badoengsche ankerplaats Sanoer gestrande en te Bandjermasin thuisbehoorende schoener Sri Koemala beroofd is en aangezien bleek, dat die be- rooving het gevolg was van plichtsverzuim van het Zelfbestuur en van niet nakoming door de radja's van hunne utt het toen geldend

Sslitlek contract voortvloeiende verplichting, is besloten om het elfbestuur de vergoeding op te le^en van de aan den Chineeschen eigenaar berokkende schade.

In de JMemorie van Antwoord betreffende de Indische begrooting voor het dienstjaar 1906 (bladz. 12) komt hieromtrent het vol- gende voor:

«Nadat de klacht van den Chinees het hoofd van gewestel^k bestuur had bereikt, zijn door den resident en den havenmeester aanstonds de noodige verhooren afgenomen ents door den controleur bij het bureau van inlandsche zaken plaatselijk een onderzoek Ingesteld. Op grond van een en ander moet als vaststaand aan- genomen worden, dat werkelijk driemaal diefstal heef t plaats gehad, de eerste maal in den nacht van de stranding aan boord van het vaartuig zelf, voorts den volgenden dag, aan het strand, van een deel der geloste goederen, en ten slotte door weghalen van het hutdkoper en andere onderdeden van het vaartuig, nadat gezag- hebber en bemanning vertrokken waren. Een en ander is het mis- drijf van strandroof en het Zelfbestuur, dat het misdrijf niet heefi beUt, schoot daardoor tekort in de nakoming van zijne in art II van het contract van 13 Juli 1849 neergelegde belofte »dat voortaan aan alle schepen en vaartuigen die ongelukkig genoeg mochten zQn om te stranden op de kusten der landen onder hun gebied geiisen, mitsgaders aan derzelver opvarenden, alle mogelijke hulp en mjstand zal verleend worden, zooals zulks in alle landen onder het Nederiandsch-Indisch gebied wordt in acht genomen." Het Zelfbestuur is derhalve tot schadeloossteülng aan den beroofde verplicht en daar de feiten, op grond van het van bestuurswege ingesteld onderzoek, vaststonden, en dat onderzoek bovendien aan bel licht had gebracht, dat een der Badoengsche ïandsgrooten in de zaak betrokken was, kon de Indische Regeering zich noch nederleggen b^ de twee van de drie diefstallen trouwens onaan- geroerdurtende verklaring van het Zelfbestuur, date en uitgebreid onderzoek de zaak niet tot klaarheid had kunnen brengen, noch ook meegaan met het voorstel van het Zelfbestuur, om den eigenaar van den schoener naar Badoeng op te zenden, ten einde zijne klacht door den kertaraad te doen behandelen, vermits die behandeling, onder de gegeven omstandigheden, niets dan een schljnvertoonlng met vooraf te bepalen afloop zou zijn geweest.

Zooals uit het bovenstaande blijkt is bet Zelfbestuur van Badoeng niet beschuldigd van zeeroof, maar het is op grond van eene be- paling van het politieke contract verantwoordelijk gesteld voor het met de gestrande schoener gebeurde."

Een wangkang, de Sri Koemala, waarvan de Chinees Kwee Tik Tjiang uit Bandjermasin eigenaar was '), liep op het t>ekende rif, waarna het schip door de zware branding langzaam werd stukgeslagen. Enkele planken, wat rottan en kepang dreven in alle richtingen weg, doch het aanwezige geld moet daarbij zijn gezonken, dan wel door den kapitein, die spoedig aan wal kwam, zijn medegenomen. Van gewelddadigen roof althans was nergens sprake ; alléén toen, den derden dag, .gezaghebber en bemanning vertrokken waren,' zou er buidkoper zijn weggehaald (Mem. v. Antw. b^r. 190G p. 12). De eigenaar, aldus het verslag der expe- ditie (/nrf. Mll. Tschr. 1910 no. 27), .riep te vergeefs ter bewaking de liulp van den Poenggawa In, wat toen door de opvarenden kK moest geschieden.'

De grootste waarde had wel het geld, en daarom doet het vreemd aan dat de kapitein, toen hij onmiddellijk na de stranding den Sjahbandar (luitenant-Chinees) te Sanoer ontmoette, over roof van zilveigeld geen woord repte, maar wel zeide dat hij een vracht van 125.000 kipèngs (ongeveer ƒ190) aa^ boord had, die hij niet zoo gemakkelijk naar wal kon brengen. Later was er sprake van •een belangrijk bedrag aan kèpèngs,' die door de bevolking geroofd zouden zijn, en waarvoor de Chinees de Regeering heeft bewogen tot het eischen eener vergoeding, door den Vorst van Badoei^ te betalen, tot een bedrag door hem, den Chinees, opgegeven. Gelukkig voor de Indische Regeering, dat deze methode niet voor elke berooving van prauwen in straat Madoera wordt toegepast; Wat haar duur zou komen te staan.

Eerst meer dan een maand later kwam de controleur Schwaitz een onderzoek instellen, naar aanleiding der klachten van den Chinees ; deze klachten werden onmiddellijk tegengesproken door den havenmeester, die ctider eede eiken roof van geld ontkende. Wel is het niet onwaarschijnlijk, dat aangedreven voorwerpen door de strandbevolking tot' goeden buit werden verklaard en dat eenlg want van het wrak wei^ genomen, doch deze strandvondeis kun- nen even goed, en met meer kans van waarschijnlijkheid, gou- vernementsonderdanen van Qianjar zijn geweest, als inwoners van Badoeng. Na 2 dagen was de controleur weer ver- dwenen, zonder den Radja bij dit onderzoek te raadplegen, terwijl door hem slechts weinig Badoengers, en geen enkel man uit Qianjar, zijn verhoord. Geen klaarheid werd verkregen, en het door hem ingestelde onderzoek spotte met alle eischen, van juridisch stand- punt te stellen, ofschoon hij kon vermoeden, welke moordende gevolgen daaruit zouden voortvloeien.

Dat een Chinees zijn schip verlaat zonder iets anders mede te nemen dan wat oude kleedingstukken, en de 3000 dollars veigeet, klinkt al zéér onwaarschijnlijk {N. v. d. Dag v. N.-Ind. 12 April 1905). Bij eb was het schip wadende te bereiken ; de djoeragan bracht aan wal trasie en petroleum; waarom niet het geld, dat hij bij den havenmeester kon deponeeren? Een handelaar uit Bandjer- masln komt naar Bali met goederen om deze in te ruilen ; niet met geld, en dan nooit met Balische kèpèngs. Dat de Vorst, ook tegen- over den heer Liefrinck weigerde aan den gestelden elsch te voldoen, alle schuld van zich afwerpende en protesteerende tegen de blokkade zijner kusten, is duidelijk, en voor een Ball&r van zelf sprekend.

Volgens geloofwaardige getuigen zond de Chineesche haven- meester na het ongeval onmiddellijk t>ericht aan den poenggawa van Sanoer, met verzoek het strand te doen bewaken, een last weldra door den Vorst herhaald. Daarna ging de sbahbandar den Tjokorda opzoeken, die dadelijk gelastte .alle mogelijke hulp te verleenen*, terwijl de bemanning van den schoener gewapend was. Slechts toen de wangkang stuk sloeg, spoelden er links en rechts wrakstukken aan wal, en kunnen enkele goederen van weinig waarde, o.a. wat trasie, zijn bui^emaakt, waarnaar door den Voist een strenger en meer minitieus onderzoek werd Ingesteld, dan dat van den controleur. De Vorst heeft dus zijn plicht gedaan. De Radja kon dan ook uiterst kalm en vol waardigheid uit den grond zijns harten verklaren, ,dat hij zich van geen schuld bewust was," dus gaarne de kwestie der schadevergoeding aan de recht- spraak wilde onderwerpen,

Qeen enkel BaliSr gelooft aan het verhaal van een zeeroof van ���7.500, en meer dan 2800 Badoengers van Sanoer en Kesiman, hebben met het gewijde water den heiligen eed gedronken, daar- aan niet schuldig te zijn. De daders zijn dan ook nooit bekend geworden; trouwens de kapitein kon niet eens opgeven hoe de kist er uttz^, waaruit men zijn geld bad gestolen. De Chineesche eigenaar was dan ook van plan zijn klacht kalm- weg in te trekken, doch zag daarvan af na het bezoek bij den controleur I Zelfs Balifirs van hoogen stand verklaarden ronduit, vast overtuigd te zijn van des Vorsten onschuld ; dat het verlangen van schadevergoeding onzerzijds onbillijk (,tida patoet") was, en zooveel te meer nog de etsch dat de Vorst de kosten zou dragen eener blokkade, (ƒ450 per dag voor elkflotielje-vaartuigenƒT50 voor een Gouv. stoomer), door welke zijn land en volk reeds zoo zwaar waren benadeeld.

In den aanvang daarvan (April 1905) kwamen in- en uitvoer voor hun Rijk tot stilstand, waarover de Radjas zich beklaagden, en den resident mededeelden dat zij een schade leden van 1500 rijksdaalders (dus de halve schadeve^oeding) per d^ ')- Ook de onderdanen der ons goedgezinde zelftiesturen ondervonden nadeel van dien draconischen maatregel, waardoor geheel Badoeng, een voorraadschuur van rijst, volledig werd afgesloten ; tolrechten, die den Radjas toekwamen werden door onze schepen geheven, en goederen werden verïKurd verklaard. Een maatregel van inter- nationaal standpunt door niemand te verdedigen, en tyranniekin de hoogste mate.

De eenige zuivere oplossing in zulk een civiele kwestie menlijk, werd door den Vorst voorgesteld, namelijk haar voor den Raad van Kerta's te brengen, wat volgens de contracten ook de wette- lijke weg was. Dat dit een „schijnvertooning" zou zijn geweest (Mem. V. Antwoord l.c), is wel wat boud gesproken, vooral indien men den Chinees voor die door ons erkende rechtbank door den controleur had laten bijstaan. Men had ook de zaak voor den Land- raad te Singaradja kunnen onderzoeken, waartoe de Vorst, gerust over den afloop, zeer zeker genegen zou zijn bevonden. In geen geval mocht een schadevergoeding worden geSischt vóór feitelijk vast stond öf er schuld was en hoeveel het nadeel had bedragen.

Doch er is meer wat licht veretscbt. Zoowel de anders zoo kalme en bedaarde resident Eschbacli, als de controleur van Bali, waren aangestoken door den «geest van generaal Van Heutsz." Toen de bevolking onder eede ontkende, dat er 3000 dollars waren gestolen of ook maar aan l>oord geweest, weigerde hij een rechroank te hooren, en sprak van .prestige" en „smaad aan de Nedo-land- sche vlag".

De Raad van lndt£, ons hoogste college, was nagenoeg een- stemmig over dit punt: dat volgens het Contract de Raad van Kerta's de zaak moest berechten. Drie van de vier leden waren tegen dit gewelddadig optreden, alléén wegens deze .Contractbreuk", en de G.-G. „vereenigde zich met het gevoelen der mindeilieid", natuurlijk. De controleur bovenbedoeld had te Buitenzorg monde- linge instructies gekregen van den Landvot^d ; instructies die wel nooit aan bet daglicht zouden komen, doch waarover de meest dwaze geruchten liepen. Zoo vertelde men mij dat de controleur, indien ons gezag zich óók in Zuid-Bali mocht uitbreiden, de toe- ze^ng had bij keuze promotie te zullen maken; nog vöör afloop der expeditie werd hij tot assistent-resident benoemd, doch later voor resident gepasseerd, waardoor hij zijn ontslag moest nemen. Anderen tKweren, doch dat moet geli^en zijn, dat die schoener naar Sanoer werd gezonden met den last öm er schipbreuk te lijden door op het rif te varen. Een Lombokker deelde mij mede dat de Chineesche eigenaar weende, toen hij de bloedige gevo^en z^ van den „prang" waartoe zijn aanklacht had geleid, doch zijn geweten suste door de mededeeling dat hij „door pressie van elders" een onware beschuldiging had geuit. Dat alles moeten wel praatjes zijn ; zoo niet, dan zouden die feiten om wraak ten hemel schreien.

Doch ééne zaak is zeker: men dreef moedwillig de Vorsten, die van dien onbewezen strandroof in elk geval zelf geen voonleel hadden genoten, met alle middelen tot verzet; hun beleedigd rechts- gevoel deed hen den ongelijken strijd aanbinden, schoon zij wel wisten het onderspit te zullen moeten delven, en hun leven te ver- liezen. En wat moet er niet zijn omgegaan in de harten van hen, die oo^etuigen waren van die gruwelijke slachting, of er alle bijzonderiieden van vernamen, — indien zij van hun kant niet alles hadden aangewend om dat ontzettende te voorkomen I Hoe ridder lijk daarentegen de houding van den ten doode gedoemden Vorst die tot aan het ultimatum den heeren Liefrinck en Schwarz in z^ poeri gastvrijheid verieende, en er niet over dacht hun ook maar één haar op bun hoofd te krenken .

C. EEN GEZOCHT KRAKEEL?

Heeft door een en ander de Regeering niet de zware verdenking op zich doen vallen van imperialistische bedoelingen j^ns Bali, ■dus van een gezocht krakeel ? Schreef De Locomotie/van 5 Oct 190(> „den heldendood" van het Badoengsche Vorstengeslacht toe aan .barbaarsche fanatisme" (het Koloniaal Weekblad gebruikte toen zelfs het woord „walglngwekkend") en kwam het blad daarbij tot de conclusie : „Er is in alles wat op Bali tot op dit oogenblik is geschied niets edels, niets verheffends, niets dat ook maar een schijn van eerbied bij den Westerling vermag op te wekken," een schrijver — zich noemende yus/w — in De Avondpost vm 17—18 November van dat jaar, stelde zich daar tegenover op dit stand- punt : „Waar het gaat om het recht der zaak, staan wij aan de zijde van Bali, en zijn wij overtuigd dat de houding der „weer- spannige" Radja's in het bewustzijn van hun goed recht tegen- over het Gouvernement aangenomen, zonder twijfel wël iets ver- heffends en eerbiedwekkends heeft Die houding moge later — ook al als uitvloeisel van dit rechtsbewustzijn — driester en zelfs min of meer uitdoend geworden zijn, zoodat zij ons in een impasse dreef en op den loop der onderhandetingen van invloed moet zijn geweest ; de schuld voor de vertroebeling der oorspronkelijke questie ligt niet bij de Vorsten, maar beslist bij de Indische Regeering. Door haar werd de z.g. contractbreuk, die den Vorsten ten laste werd gelegd en die ook de eigenlijke aanleiding tot ons later militair optreden geworden is, gepleegd. Dit staat onomstootelljk vast

— Door een en ander heeft de Regeering zwaar de verdenking op zich doen rusten van imperialistische bedoelingen jegens Bali. Strijdende voor hun rechten, bij contract gewaarborgd, zijn de Vorsten van Badoeng en Tabanan, niettegenstaande zij zich bun minderheid bewust waren, niet gezwicht voor de overmacht, en zij hebben daardoor wel degelijk eerbied afgedwongen en bij velen — blank. en bruin — het rechtsgevoel bevredigd." De uitlatingen van Liefrinck boven vermeld, en die in de Nederiandsche pers (dit- maal was de Indische vrij sterk in haar afkeuring), gesteund door het geheele optreden van den soldaat toenmaals op den Buiten- zoi^schen Troon gezeten, zouden die meening opwekken. Waarom zouden er juist in die jaren conflicten zijn ontstaan met alle nog vrijwel onafhankelijke Vorsten van Bali? Waarom moest de harde hand van het militaire geweid in de plaats treden van minnelijk overieg, moesten contracten worden geschonden, recht en huma- niteit met voeten vertrapt?

In den loop der jaren waren bereids .volledige krijgskundige gegevens" verzameld {Ind. Gids Juni 1906 p. 844); waren schets- kaarten in het geheim opgemaakt en spionnen uitgezonden. Ook deed een stafofficier reeds in October 1903 ,een verkenningsreis" met het oog op eventueele conflicten '). De Vorst van Badoeng wist dat de Kompanie hem zocht, en meende in een zekeren Plagong, die hem kwam aanraden Oianjar binnen te vallen, een zendeling der Indische Regeering te zien, die aldus een .casus betli" wilde scheppen.

En toch, het had anders kunnen loopen ; het blinde geluk diende ook ditmaal een ware avonturierspolitiek. Indien de Balifir zich niet had uitgeput door onnutte aanvallen met de lans, doch zich door een guerilla-krijg verdedigd had in de talrijke natuurlijke stellingen van het land, — onze verliezen zouden heel wat meer hebben bedragen dan een half dozijn dooden. Én de verovering van Bali had even veel jaren kunnen duren als thans weken werden geëischt, ten ramp van aanvaller en verdediger. Want aan hen, aldus Het Vaderlana van Mei 1905, .aan hen die ten dezen oorlog of vrede beheerschen, hun moet worden gevraagd: over- weeg toch goed, welk een zee van jammer over dit volk van nijvere landbouwers wordt uitgestort, als onze troepen, volvoe- rende hun moeilijken plicht, deze schoone landstreken binnen rukken."

„Nimmer dient te worden vergeten, dat de ellende van den oorlog volstrekt niet minder wordt gevoeld door deze Inlanders, dan door de blanke verwanten van de Nederlandsche soldaten, die daar zullen vallen in het verre land. Want strijden zullende menschen van Badoeng voor hun Vorsten, als deze hen oproepen ter bescherming van de poeri's; zij zullen wanhopige uitvallen doen met lans en kris en voorlaadgeweren, zij het ook tegen de gelederen, die met snelvuur wegmaaien allen die naderen. En wie er ook moge vallen, de droeflieid over het sneuvelen van een bloedverwant in de Badoengsche desa Is niet anders, dan de droefheid in de HoUandsche woning; zij is de droefheid van het menschelijk hart, dat moet missen wien het lief had."

Van de onschuld der Vorsten is bijna een ieder overtuigd; het is dan ook volslagen onjuist wat Kielstra schrijft (in Ome Éeuv Sept 1911 p. 371), dat het „kliprecbt" werd toegepast. Zelfs geen .strandroof' is door Badoengers gepleegd. Zij bleven dus, als mannen van karakter, staan op het standpunt door hen van den aanvang ingenomen. Elk Baliër trouwens, al ïs hij welgesteld, zal weigeren geld te geven dat hij niet verschuldigd is, en liever vechten tot het uiterste dan ztch te onderwerpen aan willekeur en bedrog. Terecht verklaarden dan ook de Vorsten : .Wij willen geen boete (als straO betalen, hoe gering die ook zijn m(^e, en wij hebben aanspraak op vergoeding van de schade, geleden door ons volk door uw onrechtmatige afsluiting van onze kusten."

Het was voor hen geen geldkwestie, doch een rechtskwestie. Nog in 1897 hadden zij een boete betaald en om vergeving ge- vra^d, toen een paar Chineesche Gouvemements-onderdanen in zee waren verdronken door onvoldoende hulp der strandbewoners. De Chineesche en Boegineesche handelaren, die aanboden de gevorderde som te betalen, werden met zware straffen bedreigd, zoo zij het zouden wagen „de schadevergoeding te voldoen" 0- De Radja's wilden desnoods rechtstreeks aan den Chinees de voor hen niet belangrijke som van 500 rijksdaalders ultkeeren, indien werkelqk een Idst geld in zee ware gevallen ; of zelfs zonder dat. Wanneer de Compenie geld noodig had, wilden zij gaarne zelfs /30.000 leenen ; doch iets betalen wat zij niet schuldig waren, dit wilden zij niét. '

Men kan zulk een aanbod .ontKschaamd" noemen, van .hals- starrige weigering van het Badoengscbe Zelfbestuur" spreken, wie niet moedwillig de oogen sluit voor de waarheid, voelt dat de Vorsten overtuigd waren van hun goed recht en, ofschoon bewust van hun minderheid in een ongelijken strijd, hun rechtsgevoel wilden bevredigd zien. Het denkbeeld de overwinning te behalen kon bij deze vrij ontwikkelde Inlanders, die de macht der Neder- landsche wapenen kenden, niet opkomen ; doch sterk in het gevoel van hun recht, zouden zij weerstand bieden tot het uiterste, wat niet anders kan dan onze achting afdwingen.

En wat vooral den doorslag gaf, was dat zij voelden dat de Compenie oneenigheid met hen zocht, en dat die wel spoedig andere voorwendsels zou weten te vinden om haar macht uit te breiden. Zij waren, aldus hun sprekend beeld, „als het hert waar- van een slang dagelijks één rib verbr^zelt," en wilden liever, in plaats van zulk een langzame marteling, er maar spoedig een eind aan maken. Voortdurend gekweld, steeds nieuwe eischen vernemende en nieuwe pressie moetende verduren, riep de vorst van Dèn Pasar, vol trots uit: «Liever nog dood, dan op zulke wijze Vorst te wezen I"

De teerling was geworpen! 17 Juli 1906 werd een ultimatum gesteld, zoo wel aan Tabanan als aan Badoeng, die beslist bleven weigeren. Er begon een hoogst onrechtvaardige krijg van de kris tegen het repeteei^eweer, van de lans tegen het scheepskanon. Strijdende tegen een verpletterende overmacht, was Badoeng ver- loren ; de geesten hadden de Vorsten gewaarschuwd. Een gedeelte van den Poera Oeioewatoe, steunende op een rots hoog vooruit springende boven de zee, was (In 1905) plotseling ingestort, wat toen als een voorieeken werd beschouwd dat het Rijk van Badoeng zijn val naderde. De profetie werd vervuld; na een kort gevecht is het Vorstengeslacht weggevaagd van den aardbodem. Doch met opgeheven hoofden, overtuigd van hun goed recht, ging het den wissen dood te gemoet Dit alles doet de vrees koesteren dat het was een gezocht krakeel, want aan den rechter, niet aan den geweldenaar, had men de beslissing moeten overlaten.

D. DE LANDING EN DE OPMARSCH.

De kunstschilder J.O.W. Nieuwenkamp zat op het strand toen de schepen naderden.

14 September 1906 werd door de Ned. troepen op de schepen te Sanoer tot hoogwater gewacht en zonder eenig verzet had reeds om 7 uur het eerste échelon, bestaande uit 1o0 man, voet aan wal. Een paar Balische visscherlul stonden alles kalm aan te zien; alleen een hond nam huilend de vlucht Van den vijand geen spoor; de eerste nacht in het bivak ging rustig voorbij. Het Zuiden van den weg die van Sanoer naar Dèn Pasar leidt, werd twzet, waarbij slechts enkele schoten uit de nabijliggende poera werden gelost; de randjoes, waardoor enkele soldaten werden gewond, waren meer voor wilde varkens dan voor een vreemden vijand bestemd.

Het aanvankelijk voornemen om het strandbivak gedurende den nacht te bestoken, werd verijdeld door de zoeklichten, die gedurende den ganschen nacht in den omtrek speelden, en de Baliers van schrik voor deze .booze geesten" verlamden. Nauwelijks was de dag weer aangebroken, of kleine benden, in het geheel geschat op 500 man, deden onder de leiding van een broeder van den Vorst, den Poenggawa van Kesiman, enkele lansaanvallen, die ondanks den moed der krijgers natuurlek niets vennochten tegen de moderne vuurwapenen. Op een afstand van 150 M. werd het eerste salvo gegeven; velen vielen, anderen liepen door, om eveneens te worden neergemaaid; de rest nam de vlucht in de boschjes of op de heuvelen, waar zij een uitstekend doelwit vormden voor onze schutters. De Boegineesche voorvechters van den Radja waren te Benoea naar de Nederlandsche schepen ontsnapt, waar zij hartelijk waren ontvangen. Balische voorvechters echter wierpen zich soms gansch alleen op onze gelederen.

Renong, Pandjer en Sesetan werden doorkruist. Zuidelijk van Dèn Pasar, terwijl de kogels donderden, vielen enkele schoten van achter de hooge kleimuren, zag men daarachter lansen bewegen en moest een aanval van 2000 lansdragers worden afgeslagen, wat zonder moeite geschiedde, zonder verliezen onzerzijds. Ook andere aanvallen bleken vergeefsch. Vijf dagen na de landing mikte men door de vlakte over Pangtoe naar Kesiman, om de vroegere Vor- sten-poeri te bezetten ; enkele „bloembangs" *) moest men met behulp van bamboeladders oversteken. Uit een paar ouderwetsche *) Bloembangs zyn breede en diepe loopgraven, waarin nog versperringen zijn aangebracnt kanonnen vloog elk kwartier een kogel door de lucht, dien men in de verte zag aankomen en kon ontwaken, wat de soldaten, die den draak staken met zulk een „kegelpartij", natuurlijk niet be- lette deze zwak verdedigde woning te bezetten. Toen zij deze naderden, bleef een Balier, met de lans gewapend, als een stand- beeld midden op den weg staan tot hij was neergeschoten;zijn lans stak vóór hem in den bodem, de kogels floten langs zijn ooren, sloegen rondom hem neer; hij bleef slaan. Getroffen m beenen en borst, bleef hij voorover hangende, op zijn lans steu- nende nog opgericht; meerdere kogels deden hem neerzinken, doch in zittende houding omknelde hij nög zijn wapen, tot hij eindelijk dood inéénzakte. Deze poeri met een zeer mooien huis- tempel van den gesneuvelden Vorst, is niet verbrand, doch door de bevolking geplunderd. Thans is zij ten deele weer her- steld.

Bij den opmarsch naar Dèn Pasar kwamen dichte drommen Baliêrs oprukken, de voorvechters in vuurroode kleederen gehuld, hun blanke lansen schitterend in de stralen der zon. Intusschen was de hoofdpoeri aldaar door de marine van uit Sanoer gebom- bardeerd. Onophoudelijk dreunde, dagen achtereen, het zware ge- schut, — wat de Jantjes betreft, even veilig gehanteerd alsof het een schietoefening gold, maar dat, op 6 K.M. afstand, met zijn springende granaten dood en verderf verspreidde. Het vuur bleek vrij nauwkeurig ingeslagen, doch vooral de moreele uitwerking van de macht van zulk een onzichtbaren en onbereikbaren vijand moet groot zijn geweest.

Toen de bevolking zag dat de Vorsten met hun aanhang bij hun aanval op Sanoer (waaraan wellicht 5000 man deel namen) waren teruggedreven, hadden de desa's ten Zuiden van de hoofd- plaats zich onderworoen. Na de bezetting van Kesiman en bet bombardement van Den Pasar, was een groot deel der bevolking van deze plaatsen palen ver naar de ravijnen gevlucht; anderen weigerden te vechten. Slechts een enkele dweeper, zooals die welke bij Sanoer een sergeant-opnemer (die alléén was) een wond toebracht, werd neergelegd. Het oorspronkelijk plan van den Vorst om zijn laatsten strijd in de poeri te strijden, moest door de uit- werking onzer kanonnen worden opgegeven, en in openbaren kamp zou hij den blanken vijand tegemoet treden.

Van die geweldige poeri, de sterkste van Bali, wier zware en hooge muren trotsch oprezen als een grimmige dreiging van macht, was bij mijn komst slechts wat puin overgebleven . Alléén het vreemdelingenverblijf, met twee verdiepingen, was nog bruikbaar; voorts kan men nog de „pangoengan" zien, het lievelingspiekje van den Vorst, waar hij het uitzicht had over het marktplein en vier wegen, en waar hij tegen den avond gaarne naar de voor- bijgangers zat te kijken.

Liever dan het paleis zijner voorzaten in handen van zijn vijand te doen vallen, stak hij het in brand, en liet alles wat breekbaar was vernietigen. Door den fellen wind van 20 Sept. is die brand overgeslagen naar de omliggende huizen, meestal bewoond door leden van den adel, en waarvan weldra niets meer overbleef dan de geblakerde muren, benevens eenige verschrompelde boomen en heesters. Gelukkig sloegen de vlammen niet over naar bet kruithuis, waar groote voorraden lagen opgehoopt, die bij ont- ploffing de aanvallers duur te staan ware gekomen . Onder tirail- leursvuur drongen dezen door drassige sawahs voorwaarts; een bres werd gesprongen ; stormladders geplaatst, doch de poeri bleek verlaten. De Vorst had den laatsten adem reeds uitgeblazen, slechts over zijn lijk zou men zijn verblijf binnen dringen.

De toenmalige Vorst van Badoeng was niet bemind; met tegen- zin had de bevolking aan zijn oproep ten strijde gehoor gegeven, en was nu verdwenen; de Brahmanen weigerden te vechten, waarvoor één hunner werd gekrist. Weldra stond hij alléén met vrouwen, hovelingen en bloedverwanten, een Gideons-bende vor- mende van, naar schatting, 2000 menschen, klein en groot. Ver- laten door zijn krijgers, den onduldbaren smaad der verbanning voor oogen, besloot hij, der adat getrouw, zich ten doode te wijden, in zijn wanhoopsdaad talrijke getrouwen medesleepende. En zoo min als de Vorst en zijn getrouwen levend in onze handen wilden vallen, zoomin wilden ze ons hun bezittingen gunnen. Vele palelzen van hoofden en grooten werden in brand gestoken, en er ontstond rondom de poeri een ruinenstad van wel een kilo- meter in het vierkant, waarvan de zwart geblakerde muren en de verkoolde balken, bij de bestorming van de verlaten poeri, nog door het dynamiet onzer mineurs werden vernield. Toen ik te Dèn Pasar was, werden op dat aldus geschapen groote plein volksspelen en een bloemencorso gehouden. Vóór bij en de zijnen den dood te gemoet gingen, nam de Vorst nog een teeder afscheid van zijn moeder, en verrichtte hjj zijn laatste gebeden. de lijken van zijn overleden halfbroeder en die van eenige vrouwen werden vóór het verlaten van zijn poeri nog verbrand, ten einde hun ziel rust te schenken. De roode gloed aan het uitspansel, dien men 18 Septemt>er te Sanoer waarnam, en die deed denken dat Dèn Pasar In lichterlaaie stond, was alleen door deze godsdienstige plechtigheid veroorzaakt.

Kj het naderen der troepen stegen allerwege groote vuur- en rookkolommen hemelwaarts, de zon verduisterend; de knappende bamboes veroorzaakten een geraas alsof een snelvuur knetterde, en met donderend geweld stortten de huizen, waarin zoo vele kunstschatten lagen opgehoopt, ineen. Nu en dan brak de zon door den dichten rooksluier heen en wierp haar schijnsel op dit tooneel van jammer. Binnen de poeri vond men ook nog het lijk van een van 's Vorsten zusters, die zichzelve had gekrist. In een witten mantel gehuld, waaronder haar feestgewaad en haar gouden gordel zichtbaar waren, lag haar ontzielde lichaam op een rustbed met fluweelen kussens. Het wapen waarmede zij zich zelf doodde, stak haar nog in het hart Een, naar zijn kleeding en versierselen te oordeelen voornaam hoofd, stormde, een kris zwaaiend, naar buiten, doch stortte weldra door talrijke kogels getroffen dood ter neer. Groote sommen gelds had de Vorst uitgedeeld aan een aantal vrouwen, die het onze soldaten toewierpen met de bede, dit te nemen in ruil voor een genadeslag; en de weg waar de poepoetan plaats greep was met goudstukken bezaaid .

Zóó betaalde deze kranige Vorst zijn eigen executie met gulle hand! Die daad alléén — welke meer geld eischte dan de hem opgelegde boete — is een onloochenbaar bewijs zijner onschuld in zake den zeeroof.

E. DE TOCHT TEN DOODE.

Telkenmale dat ik langzaam voortliep langs de terreinen, waar zich een der meest vreeselijke tafereelen van de historie der mensch- beid afspeelde, was het mij of de geesten der helden, die daar vrqwillig hun leven offerden, er nog rondwaarden.

Op het kruispunt der wegen van Kesiman naar Sesetan en van Sanoer naar Pametjoetan en Tabanan, lag eenmaal de sterke poeri van den Vorst van Dèn Pasarwaar de Ratja en de zijnen in alle kalmte zich voorbereidden op den dood. Thans is dat alles van den aardbodem weggevaagd; de „poepoetan" heeft de paleizen tot puin, de bewoners tot asch doen wederkeeren.

„Poepoetan" beteekent „zich gereed maken", en nachten van te voren hadden alle deelnemers gebeden om zich voor te bereiden op den overgang naar een ander en beter leven. In den voorhof der poeri had zich dan ook een uitgelezen schare verzameld, om — te gaan sterven. Alléén vrijwilligers waren hier bijeengekomen, mannen die „brani" waren, terwijl vele poenawa's en Brahmanen zich daaraan hadden onttrokken, „ne fuyant la mort que pour boire Ia honte".

De Nederlandsche troepen trokken in gesloten gelederen van Kesiman langs den grooten weg voorwaarts, tot deze links omsloeg en veel breeder werd. Aldus reeds dicht bij de poeri gekomen, verstomde het kanonvuur, en onder doodsche stilte naderden zij langs den eenzamen weg het doel van hun tocht. Plotseling ont- rolt zich voor hun oogen een treffend schouwspel. Hen nadert een Indrukwekkende stoet Is het een practitvolle maskerade? Mannen in schitterende gewaden, rood of zwart; blootshoofds, de lange haren met zorg gekamd ; het naakte bovenlijf ingewreven met welriekende olién ; in den gordel lange kostbare krissen, met gouden gevesten, tot Hindoebeelden verwerkt, rijk met juweeien versierd. Met stetigen tred komen zij nader. In hun midden vrouwen in feestdos, met sieraden overdekt, en de haren los langs het hoofd ; allen dragen den witten mantel der ten doode gewijden. Meer dan honderd kmderen vergezelden de moeders in den stoet En steeds nieuwe drommen worden zichttiaar op enkele honderden meters van onze troepen; tallooze lansen flikkeren in de zon.

Eindelijk veriaat de Radja van Badoeng zelf zijn poeri: gezeten op een draag stoel, rustend op de schouders van vier getrouwen, die hem bijblijven tot op het laatste, schrijdt hij kalm en plechtig den dood te gemoet. Van zich overgeven is bij hem geen sprake; de schande van onderwerping en l>allingschap zal hij niet verduren,— dan liever zijn leven geofferd met het vooruitzicht daardoor den hemel te winnen . Eenige vrouwen en kinderen, benevens de zieken, zijn van te voren omgebracht; met het aardsche leven heeft men immers afgedaan. De vreeselijke tocht ten doode had plaats. Wie niet viel door de kogels van den vijand, stierf onder de lanssteken van den vriend, terwijl vrouwen en kinderen elkander afmaakten met de kris. Stilzwijgend gingen zij verder, tot zij stieten op de donkere massa der infanterie, die te vergeefs door gebaren hen tot stilstaan trachtte te bewegen. Zij naderden tot op 100 — 90 — 80 pas, om vandaar met gevelde lans en opgeheven kris den dood te gemoet te snellen — toen het eerste salvo knetterde. Onversaagd, met een weergaloozen, aan waanzin grenzenden moed, renden ze verder, onchoon de eene rij na de andere werd neergeveld om nooit weer op te staan ; van alle kanten suizen de kogels, steeds ijler worden de drommen. Enkelen, door het instinct van zelf- behoud gedreven, vluchten, doch keeren weldra terug om het lot te deelen hunner makkers en bloedverwanten, die voor ons moord- dadig vuur vielen als gras voor de zeis van den maaier.

De nietgewonden snellen zonder dralen verder; de lichtgewon- den brengen aan zwaargewonden den doodsteek toe. Vrouwen boden hun bloote borst den vijand aan, of ontvingen van haar makkers den genadestoot tusschen de schouders. .Uit dien drom van den dood zoekende radeloozen drong een man van hun eigen volk naar voren, en stak met ijzingwekkende regelmatigheid links en rechte vele vrouwen neer, zoo vele hij maar raken Kon, totdat een welgemikt schot van een onzer scherpschutters aan dit afschu- welijk handwerk een einde maakte. Hem verving een oude vrouw, die zijn taak overnam. Ook zij werd door een kogel verhinderd in haar ijselijk bedrijf voort te gaan.

De Vorst, steeds voorop, werd gewond bij het eerste salvo onzer repeteergeweren, en staande op de lijken zijner laatste aan- hangers, drukte hij zichzelf de doodende kris in het hart; hij viel gelijk helden vallen.

Toen begon het verschrikkelijkste.

Een driehonderdtal bijwijven van den Radja kristen zich, dan wel, over het lijk van den Vorst gebogen, lieten zij zich neer- steken voor de oogen onzer soldaten, die vaak een traan van medelijden niet konden onderdrukken. Allen vielen op één hoop, zoodat de Vorst werd bedolven onder de lijken zijner getrouwen, die hem zelfs na hun dood nog wilden beschermen. De schoonste vrouwen van Bali zegen daar neer, naast kinderen door moeder- hand gedood, en steeds meerderen kristen zich op dezen lijken stapel ; vele gekwetsten sleepten zich met inspanning van alle krachten daarheen. Zelfmoord greep er plaats op groote schaal; vrouwen wierpen goud naar de soldaten en wezen op heur hart als mikpunt voor bun kogels; de jongste zoon van den Vorst, een knaapje van 10 jaar, werd door een zijner volgelingen neer- gestoken. Niets kon het verdelgingswerk stuiten.

In de plaats der gevallen krijgers traden, In razende opwinding door wanhoop en smart, hun vrouwen en kinderen ; als furiën, soms met zuigelingen op den arm, vlogen zij vooruit met lansen en krissen aan de handen der gevallen mannen ontrukt, tot ook hen het moordend lood velde. En toen men naderbij kwam, en de ass.-res. Schwarz uit den stapel lijken dat van den Vorst zocht en dat vond liggen met verbrijzelden schedel, stak een zwaar gewonde penawing stervend nog met haar kris naar een ieder, die het lijk van haar heer en meester durfde naderen. Slechts enkelen wierpen, nadat de Vorst gevallen was, hun lans weg en liepen de kampong in, doch dat bleven uitzonderingen. Daaren- tegen kwam een poenggawa, die den vorigen dag de poepoetan niet had kunnen medemaken, zich melden bij den staf, en ver- zocht om alsnog te worden doodgeschoten ; toen men dit weigerde kriste hij zichzelf. Te sterven scheen hun allen een ware wellust

Uitgezonderd enkele gewonden, vond de geheele heldenschaar den dood dien zij zocht.

Hetzelfde afschuwelijk tooneel zou zich nauwelijks 2 KM verder herhalen, bij Pametjoetan, waarheen de troepen onmiddellqk na de slachting, om 4 uur 's namiddags, zich begaven. Een weg, de T. Badoeng snijdende, leidt in korten tijd naar een viersprong in den weg van Mengwi naar Koeta, recht uitloopende op de vow- malige poeri; rechts waarvan weer woningen van de .djro's' lagen. Tegenover de poeri verhief zich een wachttoren, en de fraaie poeri lag als gewoonlijk op een hoogte achter den toren.

Onder den verzengenden vuurgloed werden de bataljons verza- meld, en voort ging het naar de westelijk gelegen poeri van den tweeden Vorst van Badoeng. Hier gaf bet gebruik van kanonnen onze troepen nog gemakkelijker spel. De snelvuurbatterij op den weg van Dèn Pasar opgesteld, bereidde den aanval op de poeri voor, en vele BaliËrs werden reeds op groote afstanden neerge legd, waardoor meer slachtoffers werden gemaakt Daarna kwam de infanterie aan de poeri, waarbij soms zwaar gewonde geval- lenen nog hun laatste krachten bijeen raapten, om met de lans in de hand verwoed te attakeeren. Een vrouw stortte zich als razend op den luitenant van Mourik, die door een zijsprong haar steek kon ontwijken ; een Balier vuurde een propvol geladen stuk af, dat sprong en hem zelf verbrijzelde. Langzaam ging het voor- waarts, telkens wierpen mannen en vrouwen zich in de bajonetten. Twee Baliers hadden zich verdekt achter een muur opgesteld, stortten zich op een sectie fuseliers die voorbij kwamen, en doodden twee hunner, vóor zij zelven werden neergestoken. Van overgave was geen sprake, onversaagd schreden de ten doode gewijden voorwaarts, tot de vuuimonden of geweerkogels hen wegmaaiden.

Vele vrouwen en kinderen waren ook hier gekrist voör de aan- komst onzer troepen ; ook deze poeri werd door den Vorst zelf in brand gestoken eer hij haar verliet Men toonde mij nog, links van den weg des doods, den heiligen sokoboom op een heuveltje van de begraafplaats, .semo', waar de Vorst, Qoesti Ngoerah Pametjoetan, omringd van zijn getrouwen, het leven zou laten. De boom onder wiens schaduw zich zulk een wreed tooneel afopeelde, prijkt thans vreedzaam met zijn overvloed van oranje- kleurige bloesems. De meesten hadden al loopende den dood gevonden, toen zij zonder eenige voorzorg noch dekking inrenden op het moordend vuur der moderne geweren. Eén vrouw, die 5 kogels in het lichaam kreeg, leeft nog, doch in droefheid en armoede; een andere die er het leven afbracht, juichte toen de cholera haar aantastte en deed bezwijken. In minder tijd dan noodlg is om dit te beschrijven, was alles neergeschoten.

De Vorst werd op een vergulden zetel uit de poeri gedragen, terwyl deze achter hem in vlammen opging ; meer dan 400 goesti's vergezelden hem, behalve tal van andere volgelingen, groot en klein . In woeste vaart renden de meesten op de vijand in, doch steeds kleiner werden de drommen die zich in den dood stortten.

Aanvankelijk had de Radja het voornemen zich in de poeri te verdedigen, doch ook hier moest hij, wijl de bevolking weigerde te vechten, dit plan opgeven. De dood werd dus in het open veld gezocht, en dan ook door bijna allen gevonden. Het ontzettend drama was trouwens spoedig afgespeeld ; wat de wapenen gaar- den werd door het vuur verteerd.

Het gelukte niet de poeri te blusschen; plunderende Baliers moesten worden verdreven, en een kale vlakte, een ledige mod- derige plek, wijst thans de plaats aan waar gedurende eeuwen de Vorsten des lands zetelden. Alleen de fraaie wachttoren, geheel afzonderlijk van het paleis staande, is nog bewaard gebleven ; al het overige viel der vernieling ten prooi.

Wat moet er op die ogenblikken wel zijn omgegaan in de harten van officieren, die wisten dat hun taak eerst zou zijn afge- loopen nadat allen het onderspit hadden gedolven, Standere bereid waren te overwinnen of te sterven. Aller gemoed, van den hoogsten officier tot den minsten fuselier toe, moet wel met deernis en afgrijzen zijn vervuld geweest bij zulle een slach- ting. Des avonds na de overwinning werd geen juichtoon ver- nomen; er heerschte neerslachtigheid In het kamp, en nu nog ontlasten ooggetuigen hun gemoed, door te zeggen: „O, mijn Ood! wat was dat een afschuwelijk en weerzinwekkend tooneel" .

De groote slag was geslagen; de onzen hebben gezegevierd, de vijand is vernederd en vernietigd; de Vorsten zijn gevallen. En zoo vond de geheele heldenscbaar den dood dien zij zocht.

Zóó vielen de laatste Vorsten van Badoeng, hun leven ten offer brengende aan wat, althans in bun oogen, een strijd was in dienst van het recht.

Wie op school en In boeken voor mannen als van Speyk eer- bied vraagt, als voor helden waarop het Vaderland roem mag dragen, mag den tol van zijn eerbied nooit onthouden aan deze helden, veel grootscher in hun ondergang. Doch mijnerzijds, op die historische plekken staande, die mij dat gansche tooneel en het geheele verloop van den twist voor oogen tooverden.

Het aantal offers op dien enkelen dag, 20 September 1906, ge- vallen, is niet nauwkeurig bekend. De schat het aantal dooden, voor dèn Pasar alleen, op pl.m. 600; de telegrammen spreken van 400; „doch," zegt De Locomotief van 22 Sept, „de officieele personen hebben echter goed gevonden — evenals een jaar geleden te Badjowe (Boni) — bij den 400sten dooden Balier met tellen op te houden; inderdaad zijn minstens 2000 Baliers gesneuveld." Een padenda te Dèn Pasar deelde mij mede, dat In deze plaats alléén meer dan 800 Iqkeo, van den poepoetan afkomstig, werden begraven en een ander Inlander schat het aantal dooden aldaar op 1000.

Voor de tweede hecatombe te Pametioetan, kreeg het Bat. Nld. een opgaaf van 200 gevonden lijken; Nleuwenkamp deelt mede, dat de officieren er 450, de Balèrs echter „zeven atak", dat is 7 maal 200 of 1400 opgaven, men kan dus veilig rekenen, dat deze geweldige executie In massa het leven aan 1000 tot 1500 medemenschen heeft gekost; een huiveringwekkend aantal .

De gewonde vijanden, die als door een toeval aan den dood ontsnapten, werden door onze officieren van gezondheid U lefdeijk verpleegd. Reeds den volgenden dag werden niet minder dan 170 gewonden op tandoes en gedekt door witte vlaggen, naar het militaire hospitaal gebracht. Jammer genoeg waren er in het bivak slechts 4 doctoren, die dus overmatig hard moesten werken, en genoodzaakt waren de verpleging der Balische gewonden uit te stellen, dan wel dezen slechts vluchtig te verbinden. In het ge- heel werden er 200 geholpen, wier wonden soms vreeselijk waren, doch die zich lieten snijden en kerven zonder een spier te ver- trekken, gelaten en met groote oogen kijkende naar personen, die hen eerst neerschieten en daarna trachten te genezen. Nu en dan ziet men bij hanengevechten en wajangvertooningen nog man- nen die de litteekenen dragen van kogelwonden ; en ik heb er één gesproken, die geheel ongedeerd door de ambulance uit een ziel- togenden hoop werdd gehaald. Van het Nederlandsche leger eischte deze bloedige dag slechts 6 dooden en eenige gewonden. De zon neigde ten ondee, toen de troepen op de bivakplaats te Dèn Pasar terug kwamen ; een vuurgloed gaf een rooden tint aan den hemel; het wreede werk was volbracht „La nuit pleuraiti"

Het aantal lijken was zóó groot, dat men ze haastig in kuilen moest stoppen en met kalk bedekken, te meer daar zij te Dèn Pasar een vol etmaal en te Pametjoetan 2 dagen op den weg bleven liggen, waar zij een ondragelijke lucht verspreidden. Uit de edele trekken en de vorstelijke attributen, schrijft Jhr. Van Weede, kon men hun hooge geboorte afleiden ; de vrouwen echter vertoonden meestal een door haat en woede verwrongen gelaat.

Het lijk van den Vorst van Pametjoetan werd herkend en mede- genomen naar Dèn Pasar, waar het verminkte lichaam van den Vorst van Badoeng zich reeds bevond. Beide lijken werden door de bevolking op plechtige wijze verbrand, en enkele maanden later die der overige gevallenen.

Zóó eindigde bijna het gansche Vorstengeslacht van Badoeng; een romantisch verleden verdween in bloed en vlammen, om zijn voltooing te vinden in den Hemel, waar de voorvaderen hen wachtten. Wat hen dreef en bezielde, zullen wij Wester- lingen - nooit begrijpen. Dit biyft het groote geheim der ziel van den Aziaat, die wij nimmer vermeen te peilen; zelfmoord als middel om onrecht te wreken, ligt buiten den kring van onze levensbeschouwing. Door te sterven wilden zij hun beleediger beschaamd maken, hem nadeel toebrengen in de toekomst. En werkelijk, ons prestige is niet versterkt door deze bloedige zegepraal.

Het stoffelijk overschot van den Radjah wordt in bamboe matten gewikkeld.

F. DE HOUDING ONZER TROEPEN.

En thans nog een woord over de verdere houding der troepen, die hier en elders op Bali wel wat te wenschen overliet, ondasks het meermalen verstandige en humane optreden van den bevel- hebber der expeditie, generaal Rost van Tonningen.

Zeer zeker, ook de Balieis hebben geroofd en gestolen, doch dat kan onzen troepen niet tot verontschuldiging strekken. Hun plunderen van de brandende poeri te Pametjoetan en die te Tabanan, door den Vorst verlaten, is bereids vermeld. In Dèn Pasar zag men in elke verwoeste woning, op elk geblakerd erf, troepen Baliers, de aschhoopen bedachtzaam doorwoelen, begeerig naar gesmolten goud en zilver; dagen achtereen zag men hen uit ds poeri aldaar, waarin de troepen gelegerd waren, onder ieders oogen van alles wegsleepen. De uitgebreide inboedel van de poeri te Tabanan werd athans publiek verkocht In dezelfde poeri zat van Geuns „voortreffelijk schilderwerk", — waar is dat gebleven? In de geldkisten werd merkwaardiger wijze geen goudgeld meer gevonden . De vreeselijke ramp (21 Sept 1908), door het springen van het kruitmagazijn van G. Djllantik te Karang Asem, welke onmid- dellijk het leven kostte aan 22 onzer soldaten, die deerlijk verminkt over 300 Meter afstand werden weggeslingerd, was aan sommige hebzucht te wijten. In plaats van alles in de rivier te werpen, zat men met messen te peuteren in de kruiken van antiek Balisch maaksel, om deze na lediging mede te nemen; het kruit in één dier kruiken ontplofte, de vlam sloeg in bet open vat . . . de rest is bekend. Van de 60 personen, daar werkzaam, werden er 22 gedood en 25 gewond. Een genie-soldaat die daar goede makkers had begraven, kwam mij klagen dat het kerkhof bij de pasang- grahan, waar deze slachtoffers begraven waren, niet eens meer werd onderhouden en er nu een vuile stal zou worden gebouwd. Van piëteit voor de dooden getuigt dit niet

Nog gedurende mijn reis was de bevolking niet best over de militairen te spreken, die in desa's brandhout en logies rekvi- reerden, en dit wel betaalden, doch eerst langen tijd daarna. Bq de landing te Sanoer werd de woning van den Chlneeschen haven- meester direct in beslag genomen, en dat maanden lang; toen hij er in mocht terugkeeren waren sommige dingen beschadigd, andere vernield of weggenomen, doch schadevergoeding heeft deze nooit kunnen krijgen.

Volgens Augusta de Wit hebben de soldaten van de expeditie van 1906 te Dèn Pasar, alle discipline ten spijt, bi] hun poging om de mooiste borden uit te lichten, alles doen barsten en breken ; persoonlijk heb ik hetzelfde op meerdere plaatsen gezien en daar- van foto's genomen. Eenige mooie steenen beelden zijn door onze militairen aan gniizels gesmeten; fraai snij- en beeldbouwweric (deuren, ramen, pilaren, lijsten) werd in stukken gehakt of in de veldkeukens verbrand. Twee prachtige deuren heeft Nieuwen- kamp nog juist gered toen men er een brug van wilde maken, en nu behooren zij in het Museum van Leiden tot het allermooiste van de zoo rijke Ball-collectle. In den tempel te Pametjoetan vond ik alles gehavend, meer stukgeslagen dan er uitgehaald, en talrijke sporen van het vandalisme waarmede daar oud-Chineesch porce- leia werd vernield. Slechts wat te hoog hing om te bereiken, ontsnapte aan de . Veel wandaden zijn natuurlijk onbekend gebleven en worden zorgvuldig geheim gehouden, al mompelt men ter plaatse van een Europeaan die gouden sieraden aan een Arabier verkocht, wat maar niet zoo voetstoots mag worden geloofd. Groot waren de schatten in de poeri's en na de poepoetans aangetroffen; o. a. krissen met 15 lange massief gouden hindoebeetdjes met bril- janten ingelegd, kostbare kains en een keur van wapenen. Alles werd „geïnventariseerd" *), dus zal wel in de Roema Gadja op bet Koningsplein zijn te vinden. Soldatcnvrouwen pronkten met goudstukken als kabajaknoopjes; sommige militairen beschikten over veel geld, en de door den generaal verzegelde schatkist van den Vorst van Badoeng is — naar het althans heet — niet onge- schonden Ingeleverd.

Deze treurige gebeurtenissen en vergissingen moesten hier wel worden medegedeeld, om te wijzen op het onverantwoordelfike feit van een geheel Vorstengeslacht in den dood te drijven, enkel en alleen op aanklacht van een Chinees, wegens een diefstal van eenige rijksdaalders, waarvan de onwaarschijnlijkheid ieder onpar- tijdlg beoordeelaar in het oog springt.

Q. EEN FEEST DES VREDES.

Op eenmaal dicht bebouwde, thans behoudens enkele warlngins geheel kale vlakte, wezen bij mlln komst eenige loodsen, vladen en «rimpels op een naderend feest: 31 Augu»his zou de verjaar- dag van H. M. de Koningin worden gevierd In de hoofdplaats der tegenwoordige 'afdeeling Zuid-Bali.

Langs de hoofdstraat voor mijn pasanggrahan gelegen, heerschte een druk verkeer ; talrijke fraai gekleede wandelaars kwamen voorbij, mannen bereden nieuwe fietsen, en vrouwen menden vol zwier kleine karretjes, waarin zij lachend heen en weer schommelden. Alles bewijzen dat er een waar volksfeest werd gevierd.

Dagen te voren waren reeds poenggawa's uit verschillende districten aangekomen, In schitterende kleeding, en met een helm- vormig verguld hoofddeksel, dan wel hoogopstaande hoofddoeken, die echter den haardos vrij lieten ; elk hunner van eenige volge- lingen vergezeld. De Stedehouder van Gianjar, een Dewa,endie van Karang Asem Qoesti Bagoes, bleven niet achter in deze uit- stalling van weelde, rijkdom en praal, en nog minder de Tjokorda Oeboet. Enkelen hunner kwamen mij, als ouden kennis, met han bezoek vereeren, en toonden met niet weinig trots een lóis, schit- terend van diamanten, die eventjes ƒ 50.000 had gekost Van af het naastbijliggende plein troffen de klanken der muziek en vroo- lijke geluiden mijn oor, doch herhaaldelijk vestigde zich mijn oog op de hooge verdieping van het logeergebouw der Vorsten, de „loteng", waar de heeren Liefrinck en Schwartz over het lot der Radja's hadden beslist, tenzij bevelen uit Buitenzorg hun de handen hadden gebonden.

Om half zes, bij zonsopgang, kondigden een kanonschot en het trompetsignaal der pradjoerits het begin aan van dit vreedzame feest, en weldra waren de vermaken, die meerdere dagen duurden, In vollen gang. Spiegelgevechten werden gebonden, waarbij lustig de schoten knalden. Een wedren tusschen paarden en een wedsMj'' van fietsrljders hadden eveneens plaats, terwijl op een bloemen- corso wel 106 karretjes tusschen rijen van vaandels door reden, wedijverend in smaakvolle versiering. Een goed Chineesch vuur- werk had een daverend succes. Over de dansen en dobbelspelen is reeds gesproken ; de zin voor humor en spot der Baliers bleek uit het succes van een troepje dwergen met hun grimassen, Immi- scbe gebaren en leuke samenspraken, waarbij het guische audi- torium van mannen en vrouwen vaak schudde van het lachen.

In beschaafde wijze van feestvieren, zoo hemelsbreed verschillend van de ruwe volksvermaken in Holland, doet de BaliSr allerminst onder voor den Javaan. Jonge en mooie vrouwen, met naakt boven- lijf, bewogen zich schuifelend tusschen de mannen ; van eenig inolest of onvertogen woord geen sprake ; en geleidelijk kwamen de vrouwen, doordat de mannen haar de beste plaatsen overlieten, in de voorste rijen te staan, wanneer er een schouwspel te genieten viel. En wat in Europa ner^ns denkbaar is, een volkomen ver- draagzaamheid tegenover andersdenkenden op godsdienstig gebied, kwam hier op merkwaardige wijze tot uiting. Ais het ware een symbool der nieuwe heerschers, werd op deten zelfden dag de eeiste steen gelegd voor den bouw eener woning voor den assis- tent-resident En daarbij zag men, n^enoeg te gelijker tijd, een Brabmaansch priester gehurkt voor zijn altaar vol bloemen en vruchten bij het geluld zijner schel ; een Mohammedaanschen voor- bidder met heftig gebaar bij een afgesneden karbouwenkop dikiren en Koranverzen opdreunen ; volgelingen van Confuclus klappers en voetzoekers afsteken om de geesten te verdrijven. En allen baden op hi3nne wijze tot hun god om voorspoed voor dit land en z^n bestuurders ; al die gebeden stegen ten hemel zonder dat één enkele wanklank werd gehoord, terwijl de zoon van den Christen-assistent-resident den eersten steen legde.

Gedurende de reeds aangehaalde mooie redevoering door den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in zijn bureau gehouden, was het een genot te letten op de aandacht waarmede die Balische grooten naar die woorden luisterden. Op die stoere gezichten, sommige donker van kleur, van die mannen waarvan velen de W-knoopen droegen op hun liaadje, en die allen hun lange kris in den gordel hadden, las men duidelijk wat er omging in hun hersenen. Zij begrepen den spreker blijkbaar volkomen, en gaven nu en dan zachtkens blijk van instemming met zijn woorden. De Stedehouder van Karang Asem sprak eenige goed doordachte zinsneden, die van Gianjar woorden van minder betee- kenis, die den wrevel van Oeboet opwekten.

Op dezelfde plek bijna, waar de vorige heeischers waren gevallen en hun geesten nog rondwaarden, hadden nu nieuwe meesters het heft in handen genomen ; zullen zij hun beloften Inlossen door geluk en welvaart te verschaffen aan dit sympathieke volk In dit vruchtbare land? Zal nieuw leven opbloeien uit de pulnhoopen, dan waren al die offers althans niet doelloos gebracht, die stroo- men bloeds niet geheel en al nutteloos vetpoten.

Doch zulke melankolleke l>eschouwingen kwamen waarschijnlijk onder dit zorgelooze volkje slechts bij enkelen op. ,J)aar ginds onder de wringins klonk vedel en trom, daar joelde en Icrioelde de vfoolijke drom, doch — aan lieden en sterven dacht er geen eenl"

Het ligt in de gelukkige natuur van den BalISr, het kwade spoedig te vergeten, zich neer te leggen bij het onvermijdelijke, wat hy een beschikking der goden acht. Reeds korten tijd na den bloedigen dag, kon een vreemd reiziger als Nieuwenkamp rustig overal rond trekken, werden zelfs de troepen op klappers, riet- suiker en drinkwater onthaald. Bij dit fypische volk huist geen wrok, wanneer eenmaal de beslissing is gevallen; het is zóó vQand zóó vriend. Allerwege werden witte vlaggen gehesdien, de laod- artMid werd hervat '), vrouwen ra kinderen trokken weer naar de passan, de vuurw^wnen werden ii^eleverd en vernietigd of tot ploegscharen hersmeed. De bevolking betoonde zidi vrede- lievend, had geen vrees voor de troepen, hielp deze met leveran- ciCn en art>eid, en duizenden gewapende Balièrs uit Kloengkoei^ en Bangli, vulden 17 October 1906 de straten en pleinen van Gianjar om hun eerbied te t>etuigen aan de Nederlandsche Re- geering, zonder dat zelfs één enkele dweper daarbij de nist verstoorde.

Toch werd deze een enkele maal verstoord. In 1906 heeft, in een paar be^esas van Tatunan, het bloed gevloeid van eenige verdwaasden, die ons garnizoen wilden overrompelen, gewapend met stokken en gewijde lansen. Sagoeng Oewah, een halbuster van den laatsten Vorst, was de ziel van dit opstoo^e, en bad dit gelast in naam der Goden, op straffe van booze ziekten die zouden uitbreken. Elders werd uit een vrouw, genaamd Sagoeng Waian, in onlKvlekte ontvangenis een zoon geboren, djro Djamt>é, die een wedergeboorte zou wezen van Dewara Dewa, en die Bali zal bevrijden, doch wiens verblijfplaats streng wordt verborgeo gehouden,

In 1906 moesten opnieuw troepen naar Zuid-Bali worden ge- zonden, daar de ambtenaren, als elders vermeld, onlusten in ^i^ en Karang Asem vreesden. In Badoeng en Tabanan, waar de Iw- votklng de vreeselijke uitwerking onzer wapenen leerde kennen, schijnt ons gezag nog het hectitst bevestigd. In Kloengkoeng irist een der prinsessen eenige aanhangers te winnen, dodi bet bleef b^ offers en wierook, en de opstand was voorbij eer hij t>^gonnen was; zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd door te willen vechten, en nu zij verloren hadden, mochten zij weer tevreden naar huis gaan.

Darma besliste, zoo luidde het ook in Badoeng, toen het ge- weld onzer wapenen had gezegevierd; „het was de wil van Babua Goeroe, dat alles zóó is afgeloopen," en daarom legden zq er zicb kalm bij neder, zonder morren, zonder wrok. Voor ons Wester- lingen is zulk „p^anistisch" dulden niet voldoende; wij toetsen al onze daden en die onzer Regeeringen aan de b^nselen van zedelijkheid en rechtvaardigheid. En mochten de raachthebbenden in die dagen der Sanoerkwestle zich werkelijk hebben vergist, al ware het in onwetendheid, dan moet hun wroeging ontzettend z^n geweest, toen zij de gevolgen van hun optreden z^en, en zich te verantwoorden hadden tegenover hun God of hun geweten.

Die kwestie is niet ten einde, meer licht in deze mag worden geSischt. Want onverbloemd moet de vraag worden beantwoord: waren onze daden in Bali, door imperialisten geroemd als „glorie- rijke bladzijden in de historie", niet veeleer misdaden, l>eschouwd van het st^dpunt van zedelijkheid, rechtvaardigheid en humani- teit? Om gegevens te verschaffen bij dat geding, werden boven- staande regelen geschreven, al zullen deswege de fiolen van veler toom weer over mijn arm hoofd worden ui^estort. Wat sir Charles Dilke mij persoonlijk nog toevoegde, op het Internationaal Con- gres tot beschenning van zwakkere rassen, te Londen 28 tot 30 Jun) 1910 gehouden, was steeds en zal altijd blijven mijn leuze: „if we fail to denounce the crime, we become participatoTS in it!" Wie de misdaad niet aanklaagt, wordt mede schuldig.

En toch, een aanklacht duif ik nog niet uitspreken, doch meer licht moet er komen in deze zaak. Z^n er schuldigen, dan mogen dezen niet onverlet worden gelaten ; zijn ze onschuldig dan moet dit worden aangetoond; de Volksvertegenwoordiging moet hierbij it^jpen.

EEN VERGELIJKING TUSSCHEN HET VREEMDE EN HET INHEEMSCHE BESTUUR.

La vérité, toujoun plus de véHtér JEAN FiNOT. L'agonte et la mort des races.

Na een beschrijving van de toestanden in de verschillende Vorstendommen van weleer, thans Landschappen van Zuid-Bali, en van hun verovering gedurende de laatste jaren, is nog een algemeene bespreldng noodig van de lasten in geld en in arbeid, die de Inlanders er vroeger hadden en thans hebben te dragen. Aan het oordeel der Baliërs over die gewijzigde machtsverhou- dingen, en de heilige plicht dien Nederland zich daardoor op de schouders heeft geladen, dienen dan als slot dezer opstellen nog enkele woorden te worden gewijd.

A. DE BELASTINGEN IN GELD VOORHEEN EN THANS.

,Om herhalingen te vermijden is een korte opsomming der be- lastingen gedurende den Vorstentijd in één der rijkjesb.v. Qianjar geheven, voldoende om een algemeen oordeel te veilen.

In Qianjar kende men slechts twee belastingen, die op de sawahs en de tolrechten ; geen andere *). De eerste .soewinih" genaamd (van ,winih" d. i. zaad), was oorspronkelijk gelijk aan de gebruikte hoeveelheid zaadpadi, doch werd later verdubbeld. Zwaar was zij niet, vormende hoogstens 4 pCt. van de bruto- opbrengst, doch voor misgewas werd geen afschrijving verleend; het collectieloon bedroeg ^^o daarvan, of 2 pCt. van den oogst De tolrechten waren op de havenplaatsen Lebih en Ketewel, te zamen verpacht aan één Chinees voor slechts ƒ4000 jaarlijks, daar de invoerrechten zeer la^ waren, ongeveer 2 pCt van de waarde; van petroleum werden b.v. slechts 200 kepeng (±; 30 cent) per kist geheven, en van opium 500 kep. per bol. Als uitvoerrecht betaalde koffie^ ƒ 2.50 per plcol; rijst =100 kepeng; tabak, kopra en huiden = 200 kep. en de overige goederen Vso hunner waaide. Daar thans voor Zuid-Bali bijna alles over Soerabaja komt, dus vrij van invoerrecht is gesteld, kan de weiicelijke opbrengst niet worden nagegaan, doch is deze t^enwoordig zeker wel hooger. Voor Pabean Boeleleng althans bedroeg zij in 1910 niet minder dan ƒ179.700. De douane-rechten, die voorheen aan de talrijke grenzen der landschappen en soms van districten werden geheven, zijn nu verdwenen; voor een beladen paard moest 25 kepeng, voor een pikollan 8, en voor een vracht door een vrouw op het hoofd gedragen, 4 kepengs (± Vi cent) worden betaald.

In Tabanan werd 1V> tot 3Vi cent van eiken klapperboom ge- heven, ofschoon een opbrengst van 400 d 500 et geen uitzondering was. Ook de koffle was er per boom belast, terwijl in Bai^fi daarvan uitvoerrecht werd geheven, dan wel verkoop aan den Vorst verplicbtend was gesteld. De Sjahbandar te Oedjoeng had van O. Djilantik een monopolie voor de levering van klapperolie voor geheel Karang Asem gekregen, waarvoor hij 3200 pekoe dus ± ƒ800 jaari. moest betalen en de poerl Segara onderhouden. De schatting in Kloengkoeng door de bevolking op te brengen, was eveneens zeer gering; zij bestond uit eenige .boengkah" in geld benevens een weinig kapas In natura.

Slachtbelasting was althans in Tabanan onbekend; bedrijfstK- lasting werd alleen van Chineezen geheven. Uit de hanengevechten trokken de Vorsten groote sommen, die ook nog thans worden betaald. In de behoeften der dorpsgemeenschappen werd door heffingen in natura van klappers, djagoeng, rijst enz., voorzien, doch dan alteen voor de gagah-velden, daar sinds oudsher aan de Vorsten de sawah-belasting ten goede kwam, in den vorm eener landrente nader te bespreken.

Een groot bezwaar gedurende den Vorstentijd was de onregel- matige heffing ' der belastingen, waardoor de druk zeer ongelijk was, terwijl bedrog dan wel knevelarij wel eens moesten voorkomen, die echter ook thans nog niet geheel verdwenen zijn.

Sedert het oph-eden van het Nederlandsch bestuur wordt het invoeren eener bedrijfsbelasting voor niet-inheemsche Inlanders (Javanen, enz.) overwogen, benevens een heffing van winsten door Baliêrs buiten den landbouw om verkregen.

De zoutaanmaak is nog vrij, en voor weinig geld kan de Inlander er zich — geheel anders dan op Java — een fijn soort van dit voedingsmiddel aanschaffen. Een zoutmonopolie werd bereids be- sproken, doch verdient scherpe bestrijding, daar men aldus aan vele bewoners der dorre stranden hun voornaamste bestaansmiddel zal ontnemen, en de verbruikers dwingen slecht zout duur te betalen.

Ook het opium, als In hoofdst V sub. b aangetoond, komt met bijna één millioen gulden jaarlijks de bewoners van Zuid-BaU veel en veel duurder te staan, dan vóór onze komst aldaar het geval was. Alleen de winsten door de Regeering op den verkoop van opium en door het heffen van invoerrechten gemaakt, zijn reeds ruimschoots voldoende om alle bestuursuitoaven voor deze afdeeling te dekken. Een slachtbelasting als in Boeleleng wordt voor Zuid-Bali voorbereid.

De belasting op vruchtdragende klapperboomen was in de Vorstenlanden heel wat lager dan op Gouvemementsgebied en — steeds vddr alles fiscaal I — is reeds een voorstel ingediend om deze beffing te verhoogen tot een punt waarbij de aanplant en het onderhoud dezer boomen nog geen gevaar zou loopen. Deze .oepeti" (d. 1. huursom) wil het B. B. thans opvoeren van 10, 15 en 20 tot 90, 120 en 150 kepengs. Voor Karang Asem alleen wordt hun aantal op 570.000 geschat en zou dit jaarlijks onge- veer ƒ80.000 meer opbrengen. Enkele ambtenaren zagen liever deze geheele klassenlndeeling vervallen om een uniforme heffing van 4 pet der opbrengs^ dus ± 16 cent per boom, in te voeren. De tegenwoordige heffing is, vergeleken met die van den rijstbouw, laag, en verhooging daarvan zou geen bezwaar opleveren, indien de meerdere gelden slechts den inboorlingen zelf en niet de Rijkskas ten goede kwamen. Doch een plotseling opdrijven eener belasting tot niet minder dan 17 maal de tegenwoordige, zou onder de Europeesche landbouw-industriSelen op Java tot een soort van oproer leiden. Op Ball verwacht het B. B. dat zoo iets mogelijk is .zonder schokkende gebeurtenissen", en zal men daartoe dus wel overgaan.

Van oudsher is de rijstcultuur een bron van inkomsten geweest voor de Baiische Vorsten, door een zeker percent^e van de bruto-opbrengst te heffen ; deze werd eens en voor goed geschat in .tanah-Winih", d. i. bossen zaadpadi als éénheid. Daaronder wordt verstaan een uitgestrektheid sawah, die bij goeden oogst 50 bossen padi oplevert van een t>epaalde afmeting (ongeveer 165 kati bras) ; zij berust dus op hetzelfde beginsel als de .djoeng^' op Java.

I>e belasting, die volgens de Baiische adat van rijst- velden geheven wordt, bestaat uit twee factoren : 1 de .padj^' en 2 de „soewinih".

De padjeg (van «adjeg", d. i. vast) bedraagt een vast aandeel van den oogst; de soewinlh is meer de vei^oeding voor het twvloeitngswater.

Van de gronden in erfelijk individueel bezit werd in Kloenkoeng, naar de padenda mij mededeelde, alléén padjeg betaald, doch geen soewinih. In Badoeng vroeg de Vorst van één tenah (4.500 v.M.) Jaarlijks gemiddeld 250 duiten (v. Höevelt) 1. c. p. 433) ; en verder waren de rijstvelden in 3 tot 5 klassen verdeeld in verband met hun vruchtbaarheid. Afschrijving wegens mi^ewas dan wel van wege het onbeplant blijven, wordt thans ingevoerd.

De soewinih werd niet in natura, doch in kepengs betaald, en daarvan nooit afschrijving toegestaan. Als maatstaf voor den aan- slag werd echter niet de gebruikte hoeveelheid water, doch het numg effect daarvan genomen ; zij bedroeg 100 keping per tanah winih, dus ongeveer 23 centen per bouw. Ook waren daaraan enkele verplichte diensten ten bate van den Soeverein verbonden. Domeingronden, „sawah droewe", en ambtsvelden werden ter bewerking gegeven in deelbouw, zoodat door de gebruikers V» tot */■ der opbrengst moest worden afgestaan aan de eigenaren. De bewerkers hadden echter bet recht deze gronden te verpanden dan wel te verkoopen, mits slechts aan het servituut werd voldaan : het was dus meer een huursom voor het vnich^ebniik der sawahs.

Bij de Regeering schijnt het voornemen te bestaan een hotsere landrente te heffen, die alsdan — volgens een globale raming — zou stijgen in Kloengkoeng van 24.7 tot 24S duiz. gld. ; in Tabanan van 124.6 tot 154.6, en in Badoeng van 95.1 tot 125.3; of door deze 3 landschappen alleen van ƒ244.400 tot ƒ304.700, dat is met niet minder dan ƒ60.300. In Karang Asem heeft sedert 1 jan. 1909 een .grondbelasting" (tigasana) de soewinih en padjeg der kunstmatig bevloeide velden vervangen, waarvoor de sawahs in 3 klassen zijn verdeeld, welke resp. 75—100 en 125 katis rijst per tanah winih moeten betalen, doch de Stedehouder, poenf^wa's, padenda's en mantjas slechts de helft daarvan. De betaling kan, naar keuze, plaats hebben in padi, rijst, kepengs of Nederlandsche munt, en moet geschieden binnen 4 maanden na afloop van den oorat; bij wanbetaling kan op de sawahs beslag worden gelegd.

Behalve de belasting op rijstvelden, kent men op Bali nog de reeds vermelde ,pepitoean" van koffieboomen en de .oepeti" of huursom van tuinen, klappers, tegallans enz., die daarvoor even- eens in 3 klassen worden verdeeld. Voor verhoogtng acht men deze heffing, zoover de tegallans betreft, niet vatbaar, daar deze reeds nu in de allerlaatste jaren minder worden beplant en de neiging l>estaat ze geheel braak te laten liggen, van wege den zwaren belastingdruk op den landbouw.

De aanslag voor deze belastingen geschiedt grootendeels in den blinde; de registratie der sawahs en tuinen is nog geenszins vol- eindigd; bij opmeting blijkt de oppervlakte in den regel grooter dan door oen Sedahan was opgegeven. De bestaande landrente- kaarten werden opgemaakt door meet-mantries, elders als onge- schikt ontslagen; d] verdienen dan ook geen vertrouwen (Versl. Top. Dienst 1912, p. 161). De Gouv. sawah-belasting was bij den aanvang van ons optreden een ware warboel ; men sloeg nauwe- Iqks voor de helft der werkelijke waarde aan en Het haar dan jaarlijks stijgen tot een billijke grens zou worden twreiict. Men giste in den blinde, en waarschijnlijk blijft heel wat aan den strijk- stok hangen; feitelijk neemt men aan wat de Inlanders gelieven te storten. Gelukkig komt de eerlijkheid en de goede trouw van de Balische landbouwers onze Regeering ten goede, en brengen z^ collectief op wat zij meenen verschuldigd te zijn. De aanstel- ling van een speciaal ambtenaar tot regeling dezer agrarische zaken en voor een onderzoek naar de rechtmati^eid der domeingronden is dan ook noodig om dit alles naar behooren te regelen.

Voor 1911 werd de opbrengst der tigasana en oepeti, benevens van de petitoean geraamd voor Bangli op resp. ƒ 8.200 en 13.000, voor Oianjar op ƒ68.000 en 5.800 en voor Karang Asem op 27 / 45.500 en 30,800, dus voor deze 3 landschappen te zamen op ƒ 171 .300. Daarvan ^ng aan collecteloon af een bedrag van ƒ 17.130, gevende netto ƒ154.170. In het geheel werd van den landbouwer in deze afdeeling toen bijna ƒ 370.000 geheven. Thans zal dit wel meer bedn^en, al zijn In de begrootingstukken daarover geen gegevens te vinden.

Ruw geschat bedraagt de geldelijke belasting per inwoner van Zuid-Ball ongeveer ƒ2.50, minder dus dan op Java, doch zeer zeker niet onaanzienlijk meer dan ten tijde der Vorsten het geval was.

De heerediensten bestonden voorheen in die voor het onderhoud en de bewaking van poeri's, benevens koellewerk bij de Vorsten ; hiervan waren in vele desas alle drie de kasten vrij- gesteld. Van de desadiensten tot onderhoud van de wegen, tempels, bruten en badplaatsen, waren alleen de Brahmanen vrijgelaten ; ten strijde werden allen opgeroepen met uitzondering van de priesters, daarvan ook in Nederland vrijgesteld. De soebak- diensten werden uitsluitend verricht in het eigen tielang der land- bouwers, daartoe verplicht. In vredestijd, en deze was bereids vöór onze expedlttfin van 1906 en 1908 ingetreden, waren de gevorderde diensten weinig bezwarend, en lichter dan nu. Heere- dienstplichtig waren alléén de sawahtKzitters; voor . den trauw of het herstellen der poeri's moesten materialen worden geleverd in den vorm van brandhout, bamboes en stroo. Ook het verbran- dingsfeest t>ehoorde tot de gemeentediensten, met het onderhoud der t>egraafplaatsen, doch is meer als onderling hulpbetoon te beschouwen. Alles te zamen schatte Liefrinclf voor Bangli in 1876 de verplichte diensten voor Rijk en gemeente op niet meer dan één dag per maand, zelfs nu nog voor een Javaan een onbe- reikbaar ideaal.

Die bevoorrechting van den adel — welke soms moeilijk is na te gaan en waarvoor In geslachtsregisteis van de ^den van Modjopahit af moet worden gesnuffeld — blijft een onbil- lijkheid, die men wil trachten weg te nemen.

Van de desadiensten wordt afkoop zelden, van soebakdiensten meer toegelaten, waarbij het geld, in plaats van In de kas der soebak, wel eens in die der bestuurders terecht kwam. In som- mige desa's rust de dienstplicht op alle volwassen, werkbare en gehuwde mannen. De desadiensten [E^en geheel buiten bemoeienis van het bestuur; van de heerediensten leken de gehouden aan- teekeningen mij geenszins voldoende.

Door een verordening van 1 Jan. 1909 op de heerediensten, zijn voor Karang Asem de vrijstellingen thans iMperkt tot de gouvernementsambtenaren, de desahoofden, soebakbestuurders, tot de erkende Inlandsche geestelijken en tempeldienaren. Behoudens bij rampen of algemeen gevaar, mogen heerediensten slechts ge- eischt worden voor: a. bruggen en wegen, b. bewaking van ge- bouwen en transport voor gevangenen of brieven. Verder c. voor het transport van gouvemement^oederen, voor het vervoer van personen en troepen en het snijden van gras voor gouvernements- ambtenaren en Inlandsche hoofden op reis. De vroegere diensten voor den bouw van woningen van Stedehouder, poeng^wa's en man^as blijven gehandhaafd, evenals de levering van materialen daarvoor, tot een maximum van 1 bamboe, 2 atappen en 5 para- steenen per heeredtenstplichtige elk jaar. De diensten sub. c. ver- meld mogen alléén worden gefiischt indien geen vrije arbeiders zijn te bekomen, en moeten tegen een vas^esteld tarief worden betaald. De duur van een arbeidsdag is op hoogstens 12 uur aan- genomen, het heen en weer loopen naar het werk inbegrepen; moet worden overnacht, dan telt één etmaal voor 2 dagdiensten. De diensten worden gelijkelijk verdeeld onder de -desa^ op den kortsten afstand, en die voor wegen en bruggen niet gevraagd in tijden dat er werk voor den landbouw moet worden verricht of godsdienstige feesten gevierd. De bevolking der desa's verdeelt onderling de haar opgelegde taak ; met de gemeentelijke diensten heeft het landsbestuur geen andere bemoeienis dan deze binnen billijke grenzen te houden.

Dienstplichtig zijn alle werktKire mannen, hoofden van hui^;e- zinnen, waarvan de „pengajah ladalem" (aan wie domeinsawahs worden afgestaan in erfelijk individueel bezit) niet meer dan 50, de „pengajah bandjar", die niet over zulke „petjatoe"-velden be- schikken, hoogstens 30 dagen arbeids mogen verrichten.

Daar veel heeredienst noodig was voor den bouw van wegen, is de dienstplicht steeds meer uitgebreid, en omvat hij !n Karang Asem 25.438 Balische gezinshoofden en 4.061 Mohammedaansche Sasaks. In Kloengkoeng worden 30 heele of 50 halve dagen ge- eischt, doch geeft men soms veel te zware taken, wat de waarde der officiCele opgaven over het aantal dagdiensten vermindert Voor Badoeng is nog geen vaste regeling getroffen, doch komt het neer op 36 dagen onbetaalden dienstplicht per jaar; in bet^- streken is de druk daarvan veel zwaarder.

,3venals overal in de Buitentjezittingen," schreef mr. C. Th. van Deventer terecht, „Is (ook op Bali) een onmiskenbaar streven waar te nemen tot vermeerdering van heerediensten, en wordt van de bevolking steeds meer onbetaalde arbeid gevorderd." Het aantal dienstplichtigen werd vergroot, de gemiddelde hoofdelijke druk daar- van zwaarder, verdubbelde zelfs In de laatste jaren >). Werden deze arbeidskrachten nog doelmatig gebruikt, dan zou men zich daarbij

*) In de Kolon. VersL worden alleen de Terrlchte heerediensten voor Boeleleng en DJembrana opgeseven; het aantal dienstplichtigen steeg In deze afdeeling tusschen 1907 en 1910 met 24 pCt desnoods kunnen neerle^;en, doch vele werken, in het belang der Inlanders noodig, bleven achterwege, en van dwaze verspilling van werkkrachten moest ik meermalen staaltjes vennelden.

In November 1911 hadden in de desa Batoer (Bangli) eenige ongeregeldheden plaats (Kol. Verslag 1912 p. 45), in vertünd met de weigering van de bevolking om heerediensten te verrichten. Toen het betrokken distiictsboofd, trijgestaan door den mantri- politie, het uitkomen van de heeredtenstplicbtigen gelastte, begaf zich eene groote, met lansen en krissen gewapende menigte, voor- afgegaan door een vijftal personen, in wie zoogenaamd de godheid was gevaren, naar de plaats waar het hoofd en de mantri ver- toefden, om hen te lijf te gaan. De aankomst van een onmiddellijk derwaarts gedirigeerde militaire patrouille deed evenwel de be- volking terstond weder tot rust komen, terwijl de vijf raddraaiers gearresteerd werden.

Ook naar verhooging van de belastingen wordt ijverig gestreefd, waarvoor wij vroeger enkele bewijzen aanhaalden.

De „oerans", levering van hanen voor de klopbanen, zijn in K. Asem afgeschaft, evenals de verplichte deelname aan deze ge- vechten op dagen door den Stedehouder of poen^awa's ten hunnen bate vastgesteld. Wanneer dit geschiedt ten bate van tempels of vereenigingen, moet eerst vergunning worden gevraagd. Het gedwongen leveren van rijst, klappers, kippen, eieren enz. „voor verbrandings- en andere teesten , is thans verboden, even- eens als van materialen voor de „wadahs". Daarvoor zal men voortaan zich vrijwillig moeten vereenigen bij wijze van onder- ling hulpbetoon.

Gedurende 1910 tKstonden de Inkomsten der afdeellng Zuid- Bali in hoofdzaak uit de volgende middelen:

Gerechtelijke boeten ƒ1500; opiumregie f 888.300; landrente, belasting op de sawahs en oepeti op de tegalvelden en tuinen ƒ369.100. Alles te zamen was dit bereids ƒ1.285.500, ofschoon de opbrengst der invoerrechten en van de posterijen In 'slands kas te Singaradja worden gestort. Deze bedroegen voor geheel Bali, resp. ƒ179.700 en ƒ278.000.

De opiumpacht schonk, voor Boeleleng alleen, gedurende 1901 ƒI02.2tö aan de schatkist tegen een opbrengst van de opium- regie in 1910 van ƒ241.800, dus 137V4 pCt. meer, wat niet voor de Indische Regeering pleit. De tMvengenoemde ï^rarlsche l>e- lastlngen stegen voor die oude gouvemementsafdeeling In dezelfde jaren van ƒ167.700 tot ƒ216.800, dus met bgna ^ pCt Voor Lombok en het rechtstreeks bestuurd gebied der Resid. Balt van 591 duiz. gl. In 1909 tot 1.008 millioen in 1912, of meteventjes 70 */• in slechts 3 jaren.

B. DE LANDSCHAPSKASSEN EN HET GEWESTELIJK BUDGET.

In elk der landschappen Ktoengkoeng, Bangli, Karang Asem en Gianjar Is in 1906 een landschapskas opgericht, terwijl de vroe- gere rfikjes Badoeng en Tabanan onder rechtstreeksch bestuur zijn gebracbt. De „commissie van beheer" daarover bestaat uit éen Europeesch ambtenaar, den Stedehouder en 3 poenKawa's, door bun collega's gekozen ; bij staking van stemmen bKÜst de voor- zitter. „Administrateur" is de ass.-resident, die minstens éénmaal per jaar de kas opneemt in bijzijn van 2 leden der commissie; de controleur bewaart de gelden. Beter ware het dit laatste aan een der poenggawa's over te laten, die dan (ons niet eig ver- trouwende) zelf kon waarnemen waar de gelden blijven. De „be- heerders" maken jaarlijks een begrooting van ul^ven op, door den resident goed te keuren.

In beginsel wil men deze landschapskassen een restitutie doen betalen aan het Rijk, voor kosten van algemeen bestuur, onderwijs en politie, benevens een aandeel in de uitgaven aan tractementen en bureaugelden van het afdeelingsbestuur. Gedurende 1911 werd als .restitutie-post" aldus geheven ƒ25.050 — , daar er niet meer te halen was. Toch is het niet billijk alle ui^ven voor dit algemeen bestuur door de Landschappen te laten veigoeden, daar zoowel de controleur als de politie in zake den aanslag voor de bedrijfs- belasting der Chlneezen, door de opiumregie enz. meer rechtstreeks voor het Rp werkzaam zijn. Reeds nu drukken de uitgaven voor het Inlandsch bestuur van wege het te groote aantal districtshoofden zwaar op dit plaatselijk budget, daar ruim één derde van alle ui^ven daarmede zijn gemoeid, en dus voor andere maatregeien ^en geld meer beschikbaar blijft. Van de ƒ 32.340 inkomsten van Bangli namen In 1911 alleen de tractementen en persoonlijke toe- lagen van Stedehouder, land^rooten en poeng^wa's bereids ƒ20.700, dus 64 pCt., in beslag. Voor Karang Asem waren die zelfde cijfers ƒ135.320 en ƒ2.800 of 47 pCt., en voor Gianjar ƒ174.960 en ƒ60.910, dus 40 pCL De persoonlijke schadeloos- stelling der bestuurders voor de overname van vroegere rechten mag niet worden „vermengd" — aldus Bijblad n^ 6672, als ,4^iddraad" ul^evaardlgd — „met de gelden der onderafdeelines- kassen," waaraan thans niet meer de hand schijnt te worden gehouden.

Een groot voordeel van de invoering der Landschapskassen, was de meerdere spoed, waarmede tot nuttige uigaven kan worden besloten, en waarbij het getreuzel van het departement der Bnrgerl. (^Knbare Werken een sterk contrast vormde. Door de ingewik- kelde administratie (Nov. 1911 nog juist in de Tweede Kamer er doorgesleept), doch de op Bali blijkbaar reeds haar schaduwen vooruit wierp, is die coulante wijze van handelen alweer verdwe- nen en heef^ voor de zooveelste maal, de geest van centralisatie en de bureaucratische sleur tot ramp voor Indifi gezegevierd. De Landschapskassen dreigen aidus een middel te worden om de centrale schatkist eensdeels te ontlasten van onvermijdelijke uit- gaven, anderzijds haar inkomsten te stijven. Imperialisme en het>- zucht zijn nu eenmaal onafscheidelijk aan elkaar verbonden.

Men moet, aldus de redeneering, Nederlandsch-Indi£ beschou- wen als een geheel, waarvan de rijke gebiedsdeelen als Bali ■) in beduidende mate moeten bijdragen in het tekort der huishou- ding van zoovele armere streken in onzen Archipel. Voor de „^gemeene bestuurkosten" van Ned.-lndie, die bij voorloopige becijfering hef „onverwachte cijfer van ƒ57 millioen gaven," moet dus het pas veroverde Bali opdokken, dat zonder ons geweldadig ingrijpen daarvan bevrijd ware gebleven I Is dat ook een der „zegeningen" van het Nederiandsch bestuur, welks naam Is: „schrielheid en hebzucht"? Bali moet en zal dus een overschot opleveren, een „batig saldo" hoe ook verkregen, en daarmede betalen de Baliers dan de „Hooge Regeering" en „Hooge Colleges" van Westerlingen, een leger dat hen onderwierp, en een dure vloot, welke het Nederiandsch bezit moeten beschermen ten koste van de nooddruft der inboorlingen *).

„Indien de middelen der Landschapskassen zulks niet toelaten," aldus Bijblad n<>. 6672, „kan voorloopig met de restitutie van een deel worden volstaan (hoe liefl), doch dan tot een bedrag door de R^eering vast te stellen." De directe belastingen, aldus gaat dit merkwaardig stuk verder, zijn immers ,niet voor de Zelme- sturen die ze inden, doch behooren aan het Oouvemement, dat daaraan een bestemming kan geven, ook al eischte het deze gelden niet op."

De „andere uitgaven" der Landschapskas kunnen dan — als er wat noemenswaard overblijft — worden gebruikt voor de inrichting van het Inlandsch bestuur en het Inlandsch onderwas, voor den geneeskundigen dienst, den binnenlandschen postdienst en voor openbare werken, benevens voor landbouwcredlet, plant- materiaal en afschaffing van heerediensten, enz. Wat daarvan voor Zuid-Ball terecht komt — en elders in de Buitenbezittingen is het niet beter — zal zoo dadelijk blijken. Tot behartiging der belangen van de Inlanders blijft al bitter weinig over, en van .opleiding tot werkelijk zelfbestuur", in datzelfde Bijblad beloofd, evenmin. Doch alleen uit de invoerrechten en de opiumregie trekt het centrale bestuur uit Zuid-Bali jaarlijks bruto 1200 duizend gulden '), waaraan wel een netto-winst van ƒ8 k /900.000 zal verbonden zijn.

In Bangli, Karang Asem en Qianjar werden in 1911 (blijkens K. V. 1913 bijl. A) uit de Landschapskassen onder het hoofdstuk Justitie uitgegeven resp. /3.190, ƒ10.690 en ƒ6.800; voor onder- was en geneeskundige hulp (vooral de vaccine) ƒ360, ƒ710 en ƒ600 (samen 0,4 'jo van het budget) ; voor landbouw, nijverheid en handel ƒ0, ƒ22 en ƒ0; voor diverse openbare landschaps- werken ƒ2.500, ƒ41.630 en ƒ13.240; voor de bedrijven ƒ O, ƒ 1340 en /O, waar tegenover enkele kleine winsten staan voor verhuur van landsgebouwen enz. Duurder was in I9I1 het Inlandsch be- stuur met ƒ21.100, ƒ63.310 en ƒ59.150, waarvan de drie Stede- houders resp. ƒ6000, ƒ30.000 en ƒ20.060 innen ���)• De totaal- ui^ven onder dit hoofdstuk voor de 3 landschappen van ƒ 142.560 werden bijna opgewogen door de som der opbrengsten van tigasani, oepeti en petitoean (resp. ƒ21.200, ƒ76.300 en ƒ73.800) ad ƒ171.300. Van de andere ontvangsten vormen de schadeloos- stelling wegens de overname van pacht en tolrechten, bedragende ƒ10.992, /57.622 en ƒ37.510, het leeuwendeel, waarbij voor Gianjar, wegens den bouw van nieuwe werken, in 1911 nog een renteloos voorschot van ƒ62.800 door het Gouvernement is te voegen. De inkomsten en uitgaven dekken zich aldus voor Bangll met ƒ45.993, voor Karang Asem met ƒ150.975, en voor Gianjar met ƒ235.119.

De restitutie-sommen voor het algemeen bestuur, de politie en bet onderwijs, hadden in 1911 moeten bedr^en voor Bangli ƒ6.600, waarbij dan nog komen ƒ3.450 als aandeel in de kosten van het afdeellngsbestuur; te zamen was dit dusyi0.050.

Voor Karang Asem werd aldus ƒ34.250 en voor Gianjar ƒ 37.360 berekend; doch daar de kassen dit niet toelieten, is van deze 3 landschappen slechts ƒ250, ƒ12.000 en ƒ12.800 ingehouden, dus in het geheel ƒ25.050, waardoor de begrootingen zonder tekorten konden sluiten.

In het belang van Gianjar zelf zijn boc^tens te rekenen de ui^ven voor het Inlandsch onderwijs en het Europeesch bestuur ƒ9.980, met die voor de opiumpolitie en de gewapende politie ƒ2.400 + ƒ 14300 of alles te zamen ƒ 26.680. Dit zou meer wezen dan het restant der ontvangsten ƒ 103.600 na aftrek van de ult-

') De oplumre^e levert daarvan 900 dulz. gld., en een jaariQksche invoer- waarde van 10 mlllloen (waarvan gemiddeld 3 pCt Invoerrecht wordt ge- heven), nóg eena 300 duizend gld.

■) Wat hier beet ,bez(ddlging en persoonlijke toelage", ia feitelijk niets anders dan de schBdelooisteriInK voor belastingen door het Oouv. overge- nomen, waardoor Oeboet / 21.410 laarlijki krijrE, dat Is meer dan alle andere (dertien) poenggawa's van Olanjar te zamen, ole ƒ 19.400 trekken, e» feltelQk met een traktement van ƒ 50 tot ƒ ISO te karig worden betaald. gaven ƒ85.600, gevende slechts een saldo van ƒ18.000, teiwQl Karang Asem en Bangli nog schraler bl] kas waren.

Voor de assistent-residentie Zuid-Bali werden in de rijkskas te Dèn Pasar in 1 91 1 ontvangen ƒ 1 .285.500 en uitgegeven ƒ657.200, dus een restant gevende van ƒ628.300. Daar de posterijen haar inkomsten te Singaradja moesten storten, is een zuivere be- rekening onmogelijk, doch telt men beide kassen, dus te Dèn Pasar en Singaradja bijeen, dan komt er door deze laatste kas nc^ een bate bij van ƒ 1.040.000 min ƒ 473.000 = ƒ567.000, gevende met het vorige een voordeelig saldo van (ƒ1.195.300) bijna 12 tpn gouds, waarbij van militaire uitgaven geen sprake is. Het blnnen- landsch bestuur kost dan ƒ 466.000, tegen ƒ14.600 voor het geheele onderwijs, ƒ 7.600 voor landbouw, ƒ 1^.400 voor openbare werken, en ƒ49.600 voor justitie, wat geen ratloneele verhouding mag worden geacht.

Van een behoorlijke opvatting der regeeringstaak getuigt dit evenmin.

a HET INGRIJPEN DER INDISCHE REQEERINO.

Nederlands gewapend Ingrijpen kan ddn slechts een schijn van recht vinden, Indien daarvan voor het volk zegenrijke gevolgen worden verkregen, die langs vreedzamen weg niet bereikbaar waren. .Al heel spoedig," zoo luidde het in de Indische Gids van Juni 1906, «zullen toestanden geschapen worden, hemelsl)reed afwijkende van de thans bestaande; zullen onderlinge oorlogen (die er niet meer voorkwamen) ui^esloten zijn, landbouw en nijvertield zich ongestoord kunnen ontwikkelen; zullen scholen opgericht worden, en zal het mindere volk op een onvertt^n rechtspraak kunnen rekenen" *).

Dit was nog toekomstmuziek. Meer positief uitte zich de Minister, in zijn Mem. van Antw. voor de Indische begrooting van 1909 p. 32, waar het heette : .na ons gewapend opdeden op Ball kan dan ook worden gewezen op allerlei van bestuurswege getroffen maatregelen, die den toestand van land en volk ten goede zullen komen ; geen aanmatigingen van zelfbestuurders meer, geen eigen- dunkelijke beslechting van geschillen over grenzen of irrigatie- water, maar opvolging van de beslissingen van het Europeesch en geo^aniseerd inlandsch bestuur, dat reeds veel medewerking verleent Aan slaven en pandelingen is de gelegenheid geopend om zich gemakkelijk vrij te koopen, overal zijn wegen aangelegd of verbeterd, irrigatiewerken hersteld en het sawafabestuur en het soebakwezen geordend." Dit klinkt reeds bescheidener. Van land- bouw en ondenvjjs wordt gezwegen; en wat hier gezegd wordt van wegen en irrigatiewericen, mag alleen met een korrel zout worden aanvaard, zooals uit de voora^aande artikelen meer dan voldoende is gebleken. Het noodige geld wordt onthouden, des- kundig personeel ontbreekt, en het leeuwendeel der lasten wordt door de bevolking zelf gedragen. De verkregen resultaten beant- woorden dan ook geenszins aan de met zooveel klem afgelegde beloften. Er is integendeel schreiend tiehoefte aan bevloeiings- werken, aan scholen, aan landbouwonderricht, aan geneesicundige hulp, in één woord: aan alles wat de economische ontwikkeling en tevens de welvaart der bevolking rechtstreeks ten goede komt.

In de jaarverslagen heet ,de economische toestand goed", ,van gebrek is geen sprake"; er wordt zelfs padi gespaard om zaad te hebben voor de volgende oogsten. Dit is Juist, doch niet te danken aan ons ingrijpen, daar de Balifir reeds van oudsher, eer nog ooit één Nederlander er voet aan wal zette, op meer welvaart kon bogen dan wellicht welk gewest ook in den Indlschen Archipel. .Daar wast overvloedig veel r^st," schreef reeds Comelis Houtman in de XVlIe eeuw. Het .Dagverhaal eener reis over Ball in 1856", spreekt van de „meerdere gegoedheid der bewoners" (p. 427), van een .welvarend land"; en van der Tuuk (in 1874) van een .bevolking hoe welvarend ook", die wel eens bezoekingen van hoogerhand had te verduren, doch wist te boven te komen. Van hongersnooden, als nu en dan eenige streken op Java teisteren, heb ik trouwens nergens iets kunnen vernemen. Dr. van HoSvell wijst erop dat .de mededeelingen der Regeering steeds gewagen van een merkaardig voorui^iande beweging" van de bevolking, .wier welvaart (Kol. Versl. 1875) gaandeweg toeneemf', wier .veestapel in een bloeienden toestand verkeert", en die „zelf de vruchten plukt van haar arbeid en nijverheid" '). Rouffaer is, na het bezoek van Nieuwenkamp, opgetogen over .die mooie wel- vaarf ' der BaliSrs, echter geheel buiten ons toedoen verkregen. Juist het landschap Boeleteng, waar wij het langst het heft in handen hadden, is een der minst welvarende van alle, en is didr rijstinvoer noodig om tn de behoeften des volks te voorzien. De handelsbalans kan een vergelijking met ons Java schit- terend doorstaan.

Voor geheet Bali bedroeg de totale invoer in 1910 7.560 en de uitvoer 7.980 duizend gld., dus samen nilm 15Vi millioen voor minder dan 1 millioen inwoners, of ruim ƒ15 per hoofd van bevolking. Voor Java zou dit een totale handelsomzet van ƒ520 millioen geven, terwQl die toen (1910) 479 mill. bedroeg. En let men dan er op, dat van den uitvoer op Java, minstens voor twee derden (suiker, tabak, tbee, koffie enz.) door Europeanen geschiedt, terwijl deze op Bali geheel en al (rijst, koffie, katjang, kopra) in handen is der inboorlingen, dan behodt het geen verder betoc^ in welk land de voortbrengselen van den bodem het meest bq- dragen tot de welvaart van zijn tKwoners.

D. HANDHAVING VAN HET INLANDSCHE BESTUUR.

Dit beginsel, wat bet glanspunt uitmaakte der Nederlandscbe koloniale politiek en steeds meer door andere koloniale mogend- heden als richtsnoer wordt genomen, loopt door de nu heerschende strooming in imperialistische richting, zelfs voor een land als Bali, ernstig gevaar. Badoeng en Tabanan zijn tiereids onder .recbt- streeksch bestuur" gebracht, Kloei^koei^ evenzoo; en van wege het, zoo centralistisch aangel^d, bureau voor de Buitenbezittingen, streeft men er naar Bangli, Qianjar en Karang Asem te doen volgen.

Door de uitroeiing der Vorstengeslachten van de drie eers^e- noemde rijken, kon het rechtstreek«;h t)esturen tijdelijk onvermijde- lijk zijn, doch om na eenigen tijd uit de meest invloedr^ke mannen weer een Stedehouder te kiezen, aan wien men — mits onder controle — dan gerust een ruime bevoegdheid kan schenken. In de drie laatstvermelde Rijkjes is, onder leiding van het B. B., aao de Stedehouders, .wakils", tot op zekere hoogte zelfbestuur ge- laten; zij werden als zoodanig door de R^eering resp. aangesteld in de jaren 1906 en 1909; O. Djilantik in 1896. later(28 Dec 1906) opgevolgd door zijn neef Goesti Bagoes Djilantik.

Thans spreken adviseurs der Regeering van deze zelfl>estuieD als te verkeeren in een „algemeen door de Regeering veroordeelden toestand," waarom slechts ,een gunstig oogenblik^' moet worden afgewacht (dan wel geschapen?) om het rechtstreeksch t>eshiur in te voeren, waartoe bij de R^eering het voornemen sch^nt te tKsfaan. De domeingronden vervallen dan aan het Gouvernement; deze landen zijn rijk genoeg om de (zooveel ho(^erel) kosten van een zuiver Europeesch bestuur te dr^en ; de toestand is nu van dien aard dat het veilig kan geschieden — waarom dan deze „Stedehouders" nog langer gehandhaafd? aldus oordeelen enkde mannen, voorstanders der onbeperkte uitbreiding van Nederiands rechtstreeksch gezag.

In Karang Asiem is de Djllantlk-familie zeer gezien b^ de be- volking; de jonge Stedehouder is vol ijver en belai^telUng; dijr aarzelt men nog hem zQn hoogere positie te ontncmcD en eenvoudig den trotschen BallSr tot Nederlandsch ambtenaar te verlagen. In Glanjar is de Stedehouder niet bemind, dus kao men hem nopen zijn ontslag te nemen en den contn^eur met bet stedehouderschap iKlasten, wat bl^ldiaar — na het overlqden van Dewa Qedeh Tangkeban in 1911 — voor Bangli werd overwogen, doch niet is gescliied al is de aanstelling slechts „tijdelijk" geweest

Voor Tatiaiian, waar geen „poepoetan" plaats greep, bleven de poenggawa's als zoodanig gehandhaafd ; voor Kloengkoeng werden de meest invloedrijke personen daarvoor aangewezen, doch allen staan rechtstreeks onder den controleur. Toch voelen deze reeds nu de wenschelijkheid om één landschapshoofd aan te stellen, waarvoor in Bangli op Kaleran, voor Qianjar op den zoon van Oeboet de aandacht ware te vestigen, om van den invloed en het prestige hunner namen voordeel te trekken. Aan het niet langer te handhaven „metila-stelsel", waardoor soms in ééne desa 10 poenggawa's onderdanen hadden, is thans een eind gemaakt en de territoriale administratie doorgevoerd.

Nog andere wijzigingen van het bestuur zijn op til. Het aantal districtshoofden is immers veel te groot; de Vorst stelde soms op één plaats twee poen^awa's aan, om elkander op de vingers te kijken en hun invloed te fnuiken. Dit zijn geen voIIk- hoofden, doch ambtenaren van den Vorst, die niet eens over een aderend gebied heerschten. Alleen in Badoeng en Tabanan denkt men hun aantal van 26 tot 12 te kunnen terugbrengen, en voor Karang Asem met 10 te kunnen volstaan. Zij woonden vaak ver van de desa's waarover zij gezag uitoefenden, waarom zij zullen verplicht worden in hun district te gaan wonen. Aan de wille- keurige verdeeling in onderdistricten en het bijeenvoegen van meerdere desa's onder één hoofd, waaraan meermalen poen^awa's zich schuldig maakten, zal nu een eind worden gemaakt Door ontslag bij plichtverzuim dan wel door afsterven hoopt men tot een normaal aantal districtshoofden te komen. Speciale ambte- naren zijn echter voor deze ingewikkelde regeling noodig, en dus — moet weer op Europeesch personeel worden gewacht

Trouwens, op Bali ontbreekt reeds een voldoend aantal gewone bestuursambtenaren; met één resident één assistent-resident en 5 controleurs ican voor dit eiland, waar nog zoo veel te doen over blijft, geenszins worden volstaan. De con&oleurs B. B., t>elast met den bouw van wegen, bruggen en gebouwen, met rechtspraak en agrarische zaken, zQn met werk overstelpt en missen zelfs een voldoend klerkenpersoneel.

Een vaste bezoldiging der poei^awa's mag verder niet achter- wege blijven. Er worden aan deze ambtenaren zwaardere eischen gesteld van ijver en bekwaamheid dan ten tijde der Vorsten het geval was; hun gezag was voorheen gerii^, daar zij geheel van de Vorsten afhankelijk waren. Dit alles moet veranderen, en althans voor de opvolgers moet er aan opleiding worden gedacht Schrijvers moeten bun worden verschaft die hun het zoo ongewone bureau- werk uit handen nemen. De maandelijksche vergaderingen der

hoofden, de «tangkepans", kunnen opvoedend werken, en dan schijnt onder ben voldoende materiaal aanwezig om daaruit flinke, geschikte en volkomen vertrouwbare districtshoofden te vormen. Mits met betere bewapening (dan de tot karatrijn afeezaagde Beaumonts, die voortdurend reparatie eischen), en goede Euro- peesche instracteurs, zullen de pradjoerits weldra voldoende z^n om de orde en veiligheid te handhaven. Het veelvuldige transport- loopen, soms een volle maand lang, dient echter te wo^en beperict

Doch de hoofdzaak waarom het gaat is: of de toestanden, vóór ons gewelddadig ingrijpen, wel werkelijk zoo slecht en onduld- baar waren, dat daarvoor de Vorsten moesten worden ui^roeid en aan de zelfbestuurders hun laatste macht ontnomen. Zeker, wreedheden zijn wel eens voorgekomen, doch deze kwamen ook wel voor onder de schaduw onzer Nederlandsche vlag. De Vorsten van Badoei^ vooral werden als doortrapte knevelaars gebrandmerkt, doch als feit zag ik alleen het stelen van een mooi paard te Sanoer vermeld. En daar tegenover zou ik een volkomen geliiksoorüg feit kunnen aanhalen, benevens erger: ontvreemding en het ontnemen van gronden, slechts korte jaren geleden en ni^

door BallSrs gepleeed Ergerlijke staaltjes van listigen roof

door een onzer Se&han agoengs en andere feiten zijn hiervo- ren reeds vermeld. Knevelen doen nu nog sommige poen^awa's en vooral onze Javaansche oppassers, waarvan o. a. één alle varkens die langs den weg Hepen, deed oppakken en verbeurd veridaren.

Handhaving, zoo trouw mogelijke handhaving derBalische bestuursorganismen, die zoo veel goeds bevatten en van eventueele misbruiken kunnen worden gezuiverd, dient dus op den vooigrond te staan. Op Bali als elders zullen verouderde adats en gebruiken van zelf door nieuwe worden vervangen, zoodra werkelijk de behoefte daaraan blijkt; elk bruusk ingrijpen zou slechts verkeerde gevolgen hebben en de bevolking innemen tegen ons bestuur. De inheemsche wetten zijn in veel opzichten uit- stekend, en het levende volksrecht bleek voor ontwikkeling in de goede richting vatbaar. „Het nieuwe bestuur eerbiedigde dus de Lands-instellingen" (Liefrinck's Nota van 1889, p. 36^.

Onder de Balische hoofden is duidelijk meikbaar het ernstige streven om hun plicht te vervullen; thans meer vrij in hun be- weging, reizen z^ rond om hun district beter te leeren kennen; met prijzenswaardigen ijver vervullen zij hun nieuwe taak, ondanks hun verlies aan diverse inkomsten, hun vroeger toegekend.

Voor vereenvoudiging is het desabestuur vatbaar door het samen- brengen van wijken, „bandjars", onder één pembekel, doch men tome niet aan de groote macht op Bali aan desa- en soetxwk- vereenigit^ toegekend. Bezoldl^ng der desaboofden, waarb^ is Ie letten op den omvang van hun gebied en het zietental, mag dan evenmin achterwege blijven. Een Regeering die honderden menschenlevens offerde, naar het heet ten bate van de bevolking, niag immers voor de uitgaven van enlcele tonnen gouds voor dit dod niet terugdeinzen.

bi hoeverre de BaliCrs zelf, aan wie wij de «zegeningen van ons Bestuur" zoo hardhandig opdrongen, daarmede ingenomen zi}n, mag ook wel eens worden overwogen.

E. HET OORDEEL DER BALIÊRS OVER HET NEDERL. BESTUUR.

Een beslissing daarover is niet doenlijk; de levensbeschouwing en de gedachtengang van Oosterling en Westerling loopen daar- voor te verre uiteen. De populariteit van een Besbiur te schatten is de openbare meening te peilen, en daarvoor t>estaat in Nederl.- Indie geen enkel middel. De Inlandsche pers vert^enwoordigt slechts de inzichten van enkele intellectueelen, en schittert op Bali door haar volslagen afwezigheid. Tot uiterlijk betoon is dit volk niet spoedig geneigd; slechts weinig Europeanen verstaan zijn taal, en dan komen zij nog maar zelden in aanraking met den gewonen man, die de volksmassa vormt. Gezonde gevolg- trekkingen te maken omtrent zulk een ingewikkeld vraagstuk als de gevolgen van het Nederlandsch Bestuur, ligt voor verreweg de meeste BaliSrs buiten den kring hunner waarneming, nog meer, laat hen bijna volkomen koud.

Wat voelt de Baliêr voor de .zegeningen van ons Bestuur"? Het in besli^ nemen van vrouwen door de Vorsten en grooten komt nu rechtstreeks wel niet meer voor, doch werd, bij dit los- bandige volkje, wel met een anderen en lichteren maatstaf gemeten dan de onze zou wezen, in Europa, waar het goud in dit opzicht van grooter invloed is dan vorstelijke willekeur. De misdaad wordt minder zwaar, althans minder bloedig gestraft, doch het aantal gestraften is ontegenzeglijk veel grooter geworden. Kne- velarij heeft een minder brutalen vorm aangenomen, doch zou — bij Invoering der Europeesche industrie, in den vorm van uit- buiting van den Inlander en zijn toenemende proletariseering — langs een omweg herleven.

Dieper dan dat alles moet en zal de Baiifir voelen de hoogere belasting in geld en den zwaarderen dnik der heerediensten, waaraan soms kinderen deelnemen; lasten, niet opgewogen door betere geneeskundige hulp, vermeerdering der irrigatiewerken, noch door het oprichten van talrijke scholen, waarin aan den land- bouwer een voor hem doeltreffend onderricht wordt geschonken.

In zulk een agrarische maatschappij hangt het geluk en de welvaart van den Inlander bijna geheel af van den aard van het grondbezit, van de opbrengst van den bodem, en van het stelsel der belasting die van den grond wordt geheven; daarin brachten wij tot heden toe verandering noch verwtering, en zat het zelfs raadzaam zijn in de aloude en beproefde regelingen zoo min mogelijk wijziging te brengen. Slechts aan alle willekeur en onbe- stendigheid kïui en dient een eind te worden gemaakt Waren enkele Voisten op Bali wel eens gehaat van wege hun begeerig- heid, en werden zij door hun volk veriaten toen zij in den strqd het onderspit moesten delven, een gelijk lot zal ons deel zijn, indien wij er toe mochten overgaan van den Üjdzamen Oosterling een te zwaren onbetaalden arbeid en te hooge geldelijke offers af te persen.

Het verbod der weduwenverbranding, een uiting van bun gods- dienstig geloof, zal de BaliCr om de vermelde redenen geenszins rekenen tot ,de onberekenbare weldaden" van ons optr^en. Om te weten In hoeverre de Ballërs zich gelukkiger achten onder een bestuur, een rechtspraak en wetten ingericht naar Nederlandsche begrippen, dan wel onder de heerschappij van hun eigen, onaf- hankelijke Vorsten, mag men vooral het verschil van volksaard tusschen overheerscher en onderdaan nooit uit het oc^ veriiezen. De repubükeinsche dan wel democratische geest der dorps- en waferschapsinstellingen dreigt door den invloed van vreemdelingen te worden gefnuikt, zoo niet ui^ebluscht, een fout die zich een- maal bitter zou wreken.

Toen de Engelsche regeering den moed had een onderzoek in te stellen naar „the Comparative Merits of British and Native Administration in India" (1867), duriden Europeesche ambtenaren onbewimpeld als hun overtuiging beweren : dat .het bestuur van inlandsche Vorsten voor den Oosterling aanlokselen heeft, die door geen Europeesch gezag, hoe zacht en mild ook ui^eoefend, vergoed kunnen worden." *) Lijnrecht tegenover de loHédenaars van een bestuur naar Europeesche beginselen — door wie dan de tekortkomingen, dwingelandij en misdaden der inheemscbe Vorsten met zeer donkere kleuren worden geschetst om de licht- punten van het eigen bestuur met te schitterender glans te doen uitblinken — stond toen de meening van hen, die beweerden, dat de Oosterling zich altijd gelukkiger moet gevoelen onder de heer- schappij van zijn eigen Vorsten. Ook Inlandsche volken hebben het recht hun individualiteit als voik, dat is hun gevoel van onaf- hankelijkheid en nationaliteit, te handhaven, en ook de door velen zoo hoog geroemde vaderlandsliefde te bezitten.

Een onpartijdig en rechtvaardig onderzoek, als eenmaal door Ei^land ingesteld, ware voor Nederland als koloniale mogendheid geen gering blijk van zelfvertrouwen, daar dit de .raison d'être". het goed recbt van ons Bestuur zou aantoonen. De toetssteen daarvan Is dan het feit, of de verovering dan wel inlijving van Bali weiicelijk aan de bevolldng meer geluk en meer welvaart heeft gebracht

Verder zal het oordeel over Nederlands inmenging verschillend luiden, naarmate dit ui^aat van een lid der bevoorrechte kasten, dan wel van den gewonen desaman. De hoogere standen zulten in den regel het veriies van hun macht en aanzien betreuren; zoo al niet in hun belangen, dan werden deze volksklassen toch in hun gevoelens onherstelbaar gekrenkt. Slagen wij er niet in een flink aantal hunner in verschillende ambten en betrekkingen op te nemen, dan vindt ons bestuur in hen menig onverzoenlijk vijand, steeds bereid in troebel water te visschen.

De soedra of landbouwer vraagt niets anders dan zijn bedrijf rustig uit te kunnen oefenen. Deze eenvoudige, rechtschapen Baliers zijn gehecht aan hun desa, hun adat en hun godsdienst, en mits deze- niet worden aangetast, laat het hen onverschillig, wie hun zulk leven bezorgt, vooral als dit aan meer zekerheid voor hun leven en bezittingen mocht gepaard gaan. Geef hun water voor hun velden, zekerheid van recht, hulp aan hun kranken en onderricht aan bun kinderen; verzeker hun tevens een Iw- scbeiden mate van welvaart — en op de goede trouw der Baliërs is te rekenen. Een bloeiende landbouwstand vormt het plechtanker van vrede en rust.

Doch anderzijds schijnt het een feit, dat de ^nnie en «rillekeur van sommige Vorsten meer de goesti's trof dan den kleinen man. aan wie tijdens en kort na de expeditiën onzerzijds veel beloften werden gedaan, nog altijd niet vervuld. Onze gezagvoerders waren, vooral in den beginne, wel eens wat stroef in hun bevelen, hard- handig bij hun optreden, terwijl onder Oostersch bestuur steeds een buigzaamheid en toegeeflijkheid heerscht, die elk Inlander op hoogen prijs stelt En dan vooral de Baliër die, vatbaar voor rede na verklaring en uitleg, een .prentah" met evenveel liefde zal uitvoeren als zij, barsch opgedragen, hem met wrevel en onwil vervult Tegelijkertijd moet worden erkend dat sommige Vorsten, zij het al of niet uit vrees voor ons ingrijpen, hun land in de laatste jaren met veel wijsheid hebtien bestierd.

Al kan en zal de Baliër de overtuiging niet hebben dat de blanke overheerscher in zijn belang met geweld zijn land binnen- drong, voor den overwinnaar kan zulk een geweldspolitiek alleen nog eenigszlns rechtvaardiging vinden door de vaste overtuiging, dat hij in staat is en over de middelen beschikt om land en volk ten zegen te zijn. De oprechte wil moet bestaan, de eerlijke be- doeling om, als drager eener hoogere beschaving, den Baliër een beter, een gelukkiger t>estaan te bezorgen. Dat is de ontzettende verplichtiiw, die vrij ons door ons optreden vr^wilUg hebben oi^Iegd. UI dat te meer, daar van deze gewillige, ontwikkelde, arbeidzame en leergierige bevolking, staande onder Inlandsdie hoofden die met ijver hun pliclit willen vervullen, veel, ja alles is te maken. Het ntet-slagen zal dus niet aan de BaliSrs lig^n, doch aan hun meesters, die door den oorlt^ het heft io handen namen, In den tijd dat het „tjilaka" en het .pitjah negri" den inboorling nieuwe heeischers gaf, waarbij zij zich ten volle neer- legden.

Vrij van alle verleidelijke zelfzucht, moet dus zelfverzakïng het richtsnoer zijn der Regeering. Het ontwikkelingsproces In de Balische maatscliappij, dat niet Westersch doch Indisch is, moet winden bevorderd, bezield door de vaste overtuiging, dat Bali niet langer dan beslist noodig aan onzen leiband mag loopen. De drang naar hooger zal ook Aür ontwaken, en dient door ons te worden vusterkt en gewekt, de zwakke sterk worden gemaakt en in staat om eenmaal op eigen beenen te staan.

F. HOE MOET ONS OORDEEL WEZEN?

Wil dit oordeel eenige waarde hebben, dan moet men zich vrij voelen van elke heb- en heerschzucht, van elk rassenvooroordeel en alle chauvinisme ; dan moet men de waarheid onder de oogen durven zien, ook al is deze niet vleiend voor nationalen eigen- waan, ai stemt zij niet overeen met de heerschende meening.

Gewelddadig ingrijpen in de onafhankelijkheid van andere volken, uitsluitend op grond van beginsel der .survival of the fittest", dan wel dat Nederlands gezag als een soort van Voorzienigheid onmisbaar was voor de beschaving van Bali, is uit eUiiscb o<^- punt niet te verdedigen. Onrecht mag nooit worden geduld, vrant de fouten of misdaden eener Regeering zijn niet minder veroor- deelingswaardig dan die van individuen.

De eer der nationale vlag wordt bezoedeld door elk onrecht, dat onder haar schaduw geschiedt; en zij zal daardoor eenmaal in Sarden neervallen, slechts een treurige herinnering nalatuide in de historie der menschheid. Niet de tartende leuze van een valsch patriotisme: ,my country, right or wrong" mag dus de onze zijn, doch die der ware vaderlandsliefde: .my country when she is right, and when she is wrong, my du^ to set her right" ^).

De historie van een koloniale mogendheid kan nu eenmaal niet worden geschreven zonder groote tekortkomlnKn, misslagen, fouten, schanddaden zelfs, te vermelden van hen die daarbQ een rol spelen, en veel valscbe waarheden heeft z^ te bestrijden. De duur eener leugen is afhankelijk van haar belang voor de schul- digen, en zij weerstaat des te beter de aanvallen der waarheid, naarmate meerderen belang hebben bij haar bestaan. Voor wie eerlijk streeft naar het goede en ware, is elke ontsluiering van een mi^reep of van een wandaad een bate voor de toekomst, daar alsdan de begane fouten tot leering strekken. Wie een en ander niet wil, leidt de aandacht af door aanvallen op den aanklager, en wordt met wrevel vervuld, enkel en alleen door het feit dat deze in de vöórhtstorie van elke expeditie is gaan snuffelen. Dat mag ons niet weerhouden om te pogen licht en schaduw onpar- tijdig tegenover elkaar te stellen, en het goede en kwade' der daden van de Nederlandsche Regeering op Bali belde gelijkelijk recht te doen wedervaren. Waarheid bovenal I En wanneer onze Regeering het een «treurigen '

Slicht" acht, ergens met geweld van wapenen haar gezag uit te reiden, dan ma^ nooit op bedekte of slinksche wijze een voor- wendsel worden gezocht, en moet die inmenging het onderworpen land en volk ten zegen zijn. Het valt zoo licht een stok te vinden om een hond te slaan; doch geweld en onrecht blijven te ver- oordeelen, al mochten de gevolgen soms gunstig zijn, wat voor Bali nog moet worden bewezen.

De onderlinge oorlogjes tusschen de Vorsten hadden reeds een eind genomen nog eer onze scheepskanonnen bulderden en onze repetMi^weren drommen van helden weemaatden ')■ Het waren trouwens meer kleine rooftochten, waarvan de economische nadeelen (vernielen van dammen en eigendommen, verrichten van heere- diensten),, grooter waren dan het verlies aan menschenlevens. Een soort Godsoordeel door het vallen van één enkelen strijder reeds beslist, terwijl onze expeditiën aan honderden en honderden menschen het leven kostten. Het wanbestuur dier Vorsten kan niet zóó erg geweest zijn als vaak beweerd was, hoogstens een sporadisch verschijnsel, daar bij een voortdurend wanbeheer land- bouw, handel en nijverheid op Bali moesten kwijnen. Want een materieeie welvaart zooals diir sinds jaren heerschte, is onbe- staanbaar met onveiligheid van personen en goederen, wat op Java maar al te duidelijk wordt bewezen! De hooge vlucht van den landbouw schrijft Liefrinck toe „meer nog dan aan de vrucht- baarheid van den grond aan de vrijheid der bewoners" ■), die er leven in een soort communistische republiekjes. De bijna volsl^n afwezigheid van ellende was te danken aan het teit, dat ,de Baliérs de vruchten genoten van hun eigen arbeid". Wordt dit eiland overgeleverd aan de winzucht van het Euro- peesch kapitaal, dan zal dat alles spoedig veranderen in oagun- stigen zin en zullen de rijkdommen van het land naar elders verhuizen. Demoralisatie der hoofden en pressie op de Inlanders zal dan niet kunnen uitblijven, want geheel vrijviïllig zullen de Baliërs hun gronden niet afstaan aan vreemdelingen, hun arbeids- kracht niet verhuren aan uitbuiters. Minder gedwee dan de Javanen, : zullen zij eenmaal een overweldiger vloeken, die hen aldus dwong i tot zware lasten en die de vruchten van hun werken laat weg- nemen. Een Regeering verfoeien, die .evenals de bijen van Virgilius hen laat zwoegen om met hun honig het verhemelte van ver : verwijderde onbekende meesters, In stede van hun eigen smaak ' te streelen" *). Van „zegenen" der vreemde overheerschers, die hen zulk een benijdenswaardig lot doen wedervaren, zal dan wel geen sprake wezen, wel van een hardnekkig, a! zij het, dank zij onze > kracht van wapenen, een machteloos verzet!

Er wordt nog steeds gejuicht over de uitbreiding van ons direct ?_ gezag in de Buitenbezittingen, waardoor de bevolking zal kunnen -_ genieten van „de zegeningen van ons bestuur", doch deze moeten : nog blijken. Over de toestanden aldaar wordt men te beperkt en .; te eenzijdig ingelicht door ambtenaren, die de goede werking van -. hun beheer met kracht naar voren brengen en het minder goede i; maar liever op den achtergrond houden. Mijn indruk bij mijn ,~ tochten door de binnenlanden van Sumatra en van Balt was minder - rooskleurig, en al mag van plichtverzutm der ondergeschikten slechts zelden worden gesproken, „de Hooge Regeering heeft haar : , plicht niet gedaan." Er is nog bitter weinig tot stand gekomen ^ door gebrek aan geld en gebrek aan personeel; symptomen van :-■ ernstige corruptie werden door mtj geconstateerd, waarover het P laatste woord nog niet is gezegd. Een moeilijke en zelfstandige ;, bestuurstaak moet vaak aan ongeschikte handen worden toever- | trouwd; het Inlandsch bestuur wordt ondermijnd en door geen ^ beter vervangen ; de gelden, beschikbaar gesteld om de physieke ^^ en economische kracht der bevolking te verbeteren, zijn meer een ^ bespotting gelijk. Wij gaven haar steenen voor brood. -^^

.De duisternis is geweken I boven Bali Is de zon opgegaan; ^^.! een nieuwe dag is gekomen \" aldus luidde het kort na de over* /, winning, terwijl de bodem nog vochtig was van bloed. Die ;. mannen, vrouwen en kinderen werden neergeschoten, al dat bloed ^^ werd vergoten, om in staat te zijn .het welzijn van bet volk" te '^ behartigen en de Westersche weldaden te kunnen uitstorten over ^^ een Oostersch wingewest Dat menschenbloed moet gezoend, dat ^ heilige woord gelost, die plechtige belofte worden vervuld (ook al kost dat geldl) of — het vergoten bloed schreit om wraak ten hemel.

De Balische bevolking beeft zich na de verovering volgzaam en ordelijk betoond; zij heeft aanspraak op onze hulp en onze toewijding. Kort na de vreeselijke gelKurtenissen te Badoeng verliet Nieuwenkamp de naakte, zwart geblakerde puinhoopen, en wan- delde dagen lang alteen door de weidsche rijstvelden, door desa's en beiden. Als dr^rs had hij mannen van Koeta (een kustplaatsje zuidelijk van Dèn Pasar), die aan den hopeloozen lansaanval op ons strandbivak hadden dee^enomen, waarin zoo vele hunner bloed- verwanten en vrienden waren gesneuveld en gewond. Nergens heeft hij, de blanke reiziger, in dit land van ridderlijke vijanden ook maar eenig letsel ervaren ; integendeel, gastvrijheid werd hem bewezen en (zelfs aan onze soldaten) liefderijk hulp verleend. Het Balische volk heeft dus recht op de buitengewone zoi^ der Regeerit^; recht dat er wat meer geschiede, waardoor tastbaar wordt bewezen, dat zijn welvaart de nieuwe meestere ter harte gaat.

Van de drieéénheid der Hindoes, dat ts Brahma als het denkende, Visjnoe als het voortbrengende en Siwa als het vernietigende be- ginsel, hebben de BaliSrs ons alleen nog maar als de kracht der verwoesting leeren kennen, en dut nc^ van haar slechtste zijde. Want naast het vermeen om te verdelgen bezit Siwa ook het vermogen om leven te schenken aan de menschen en vnichttiaar- heid aan de velden; hij is de god van het vuur, maar ook van den wasdom, die de zon doet schijnen en den regen vallen op de akkers.

Aan die taak moet thans de hand worden gelegd 1

Er is op Bali, schreef ik in Juli 1902, .langs vredelievenden weg te verkrijgen," wat wij met het steeds te verfoeien geweld van wapenen bezwaarlijk zullen bereiken; .er is op Bali iets groots en edels te verrichten, en heil ons als wij die schoone taak vol toewijding en zonder baatzucht zullen weten te vervullen." *)

Het krachtige en edele ras der Baliers, nooit als het Javaansche verbasterd door vreemde heerschappij, behoort tot het meest vat- bare om de werkelijke voordeelen der beschaving te aanvaarden. Er is dus van dit volk iets goeds te maken.

In onze dagen komen machtige en sterkere menschenrassen steeds meer en nauwer in aanraking met' de zwakkere, en wordt het telkens dringender onze heilige plicht, te zorgen dat die aan- raking den zwakke ten goede kome; dat dit geschiede overeen- komstig een menschlievend beleid, en deze rassen niet worden onderdrukt en mishandeld terwille van baatzuchtige drijfveeren. Met veirassende snelheid zal dan de evolutie zich voltreklcen, zullen de intellectueele en physiologische verschillen venninderen, en eenmaal — in de socialistische toekomst — de broederschap van rassen en volken mogelijk worden.

Niet louter bescherming van zwakkeren moest ons streven zijn, doch tevens hen sterker te maken in den str^d om het bestaan en — vrij van elke heerschzucht en hebzucht — te waken tegen alle onrecht dat wrevel wekt en den zedelijken band tusschen Reeeering en kolonie ondermijnt

Dan zal voor Bali, spoediger dan men thans meent, de tijd komen waarin het zijn vrijheid en onafhankelijkheid zal terug erlangen, daar onze taak is volbracht, onze plicht vervuld en met dezen prijs moet de vooruitgang der menschheid worden betaald.

Moge Nederland op Bali daartoe het zijne bijdragen…

Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng