|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
Bali 's Historie van de 6
de eeuw tot 1949 |
|
1911 Zwerftochten door Bali |
|
Door Henry Hubert van Kol, Lid van de
Eerste Kamer der Staten Generaal |
|
De Puputan van Badoeng.
|
|
A. ONS RECHT VAN INGRIJPEN TE BADOENG. |
|
Tot juist begrip daarvan zou men de geschiedenis der veriiouding
tusschen Nederland en Ball diep moeten ophalen, wat hier niet wel
mogelijk is. Liever zal ik den lezer verwijzen naar het uit- stekende
artikel van Kielstra .het Eiland Bali", opgenomen in de Gids 1893 dl.
IV, dus geschreven in de jaren dat hQ als historie- schrijver nog
objectief, als beoordeelaar van Regeeringsdaden nog belangeloos was.
De O. I. Compagnie zocht op Bali geen uitbreiding van gezag, evenmin
kwam het onder Daendels en Raffles noch later tot occu- patie. Eerst In
1841 tot 1843 werden met verschillende Vorsten contracten gesloten,
waarin naar het officieel heette .onze Opper- heerschappQ^ werd erkend".
Nog in 1848 schreef de G. G. Rochussen igeen vermeerdering van ons
gebied" (I. c. p. 473); alléén beloofden de Vorsten zeeroof en
slavenhandel (vroeger voornamelijk ten onzen bate gedreven) tegen te
zullen gaan, en afstand te doen van het kliprecht, wat de voornaamste
drijfveer van onze expeditiën bleek te zijn.
,In één woord," aldus Kielstra, en deze zinsneden mogen den huldigen
lofzanger van alle daden der Regeering wel eens worden vooigehouden, »ln
één woord, de Vorsten behielden hun volko- men zelfstandigheid onder
erkenning onzer suzereiniteit" (p. 476). En verder : .aan de gesloten
overeenkomsten hebben de Bestuur- ders van Bali in de sedert verioopen
jaren zich niet onttrokken ; over hun houding tegenover ons Bestuur
heeft dit niet te klagen gehad" (id.).
De verplettering van den, in hun oogen en met hen veigeleken, zoo
machtigen Radja van Lombok, heeft hen na dien tijd zeker niet
strijdlustiger gemaakt De gewone voorwendselen (soms ten deele op
werkelijke grieven berustende, doch zonder scheepska- nonnen wel weg te
nemen), hebben wij voor Djambl en elders reeds tot vervelens toe
vernomen. Met niet veel raeer grond dan Italië tegenover Tripoli, kon
Nederiand een .recht van annexatie" voor Bali doen gelden.
Het meeste wat op Balt verkregen werd, was een contract met de
Vorsten; een contract waarmee de Regeering een erkenning van haar Óppei^ezag
bedoelde, terwijl de Batische Vorsten er niets anders dan een
vriendschapsverbond in zagen, — misleid omtrent de ware beteekenis van .Opperheer"
en .Soevereiniteit" (Augusta de Wit). Zoowel Dr. v. d. HOevell (Reis
over Bali 1847 p. 46), V. d. Lith (Ned. Oost. IndiS p. 284), als
Leendertz (Bali en de Balineezen, 1895 p. 38) hebben dit, evengoed als
de Tijd- spiegel van 1849 I. p. 213 en Dr. Jacobs I. c. p. 60 — met
ronde woorden erkend. De onderhandelaars hadden hen omtrent de t>eteekenis
dier woorden, „onvertaalbaar in het Batisch" (Schwarz), eenvoudig
misleid, wat v. d. HOevell speet, .voor de eer van de Hollandsche goede
trouw." Dat Bali in die contracten genoemd werd .het eigendom" van
Nederland, — aldus trachtte de Regeering zich te redden, — was juist „een
bewijs van groote vriendschap ;" want „onder vrienden is alles gemeen."
Q. Djilantik weigerde echter zulk een spltsvondigen uitleg te aanvaarden;
men erkent geen nieuwen Meester, riep hij uit: „of eerst zal de kris
moeten beslissen!" Hij vergiste zich, de beslissing zou blijven aan het
meer moderne repeteergeweer, aan het recht van den stericste, aan de
partij van het ruwe geweld. Dit zouden ook de Vorsten van Badoeng
ervaren.
Vödr V* eeuw waren er 3 Vorsten in dat Rijk, gezeteld te Kesi- roan,
Pametjoetan en Dèn Pasar. De eerste werd later (± 1880) eenvoudig
Poenggawa, de tweede werd zwakzinnig, zoodat ten slotte Goesti Gede
Ngoerak Dèn Pasar alléén de lasten der laatste verwikkelingen moest
dragen. Deze bad zicb (17 Aug. \9(&) „gebonden geacht aan het contract
van 18 Juli 1849, waarin Neder- land beloofde „zich niet met het
inwendige Bestuur' aldaar te tKmoeien, waaraan in de Ind. Gids Juni 1906
nog eens wordt herinnerd.
Blijkens het Reisversl^ van den resident (Ind. Olds 1903 I. p. 631),
waren de Vorsten van Badoeng (evenals die van Bangli en Tabanan) „welgezind":
zij waren (Vaderland 24 Mei 1905) „voorkomend tegenover de Nederlandsche
ambtenaren, hielden zich stipt aan de Tractaten, doch deden geen nieuwe
concessies, vreezende (en te recht 1) „dat daaruit steeds meerdere
zouden volgen." Etadoeng vermeed alle conflicten ; het had zóó weinig op
een oorlog gerekend, dat de krijgers geen andere dan oude geweren
bezaten, vooral gevaarlijk voor de schutters, benevens een paar kanonnen,
ware „proppenschieters", in vorige eeuwen hierheen verzeild.
Wy, de sterken, zochten botsmg met de weerloozen, die wel inzagen (en
gedurende mijn vorige reis daarnaar herhaaldelijk bq mij informeerden),
dat zij niet bestand waren tegen de moordende kracht onzer wapenen. De
Raad van IndiS Liefrinck verklaarde reeds Maan 1903 in het Ind.
Genootschap, dat „in de toekoinst het Nederlandsche gezag zich over
geheel Bali zal doen gelden." De „Contractbreuk", den „weerspannigen"
Radja's ten laste gelegd, werd, naar aanleiding van een welkome
schipbreuk te Saneer, door de Indische Regeering zelf gepleegd.
Men hebbe den moed ook de keerzijde der medaille te nen, en niet
alles goed te praten wat door Nederiandsche ambtenaren Is uitgehaald, en
dat inderdaad lang niet altoos door den beugel kan. Men beschouwe de
historie ook eens van het standpunt der BaliSrs, en met inachtneming
hunner inzichten: en dan blijft bet werkelijk te betreuren, dat het
dagboek door den Vorst van Badoeng aangehouden, hetwelk hij gedurende de
„poepoetan" bij zicb had en dat nog moet bestaan, niet wordt opgezocht
en aan het oordeel van het Nederiandsche volk onderworpen. Een oogenblik
heb ik er over gedacht, .voor het relaas mijner ervaringen den dagboek-
vorm te Kiezen, maar dan bad mijn geschrei veeleer den indruk gemaakt
van letterkundig opzet dan van ernstig en eerlijk zoeken naar de
waarheid en goed recht. Voor een romanschrijver, dan wei een dichter,
ware er echter in deze volslagen verdelging van een Vorstengeslacht
ruimschoots stof voor een treffend epos te vinden. Van het spotdicht
door een padenda te Sanoer gemaakt, en waarvan copie€n bestaan, heb ik
ondanks alle moeite niet één exemplaar machtig kunnen worden. De
onverwoestbare humor der BaliSrs schijnt zich daarin lucht te geven, die
in een blijspel verandert wat feitelijk een droeve tragedie is, een tr^edie
waarin Nederland niet de fraaiste rol speelde! |
|
B. DE SCHIPBREUK BIJ SANOER. |
|
Pabean Sanoer, de havenplaats van Badoeng, werd, bij nacht en ontij,
herhaaldelijk door mij bezocht; het is een Chineesche nederzetting,
overigens alleen door Brahmanen, dus de hoogste kaste, bewoond.
Teruggaande volgde ik denzelfden weg waarlangs de Nederlandsche troepen
oprukten. De plaats waar, 26 Mei, de Sri Koemala strandde, bleek niet
precies Sanoer te wezen, doch iets meer noordoostelijk te liggen, niet
ver van de grens van Gianjar, wat later een opmerking van waarde zal
blijken te zijn. Werd daarbij door den Vorst van Badoeng het strandrecht
toege- past? Mijn antwoord luidt onomwonden: Néénl
Het „tawang karang" ,of recht van den Vorst op de lading van een
gestrand schip, was In den Indischen Archipel een overoud recht, het
kliprecht, ook in de Westersche landen zelfs tot op beden wel eens
toegepast. De Balier beeschouwde daarenboven het lot der
schipbreukelingen als een straf der Ooden : het waren verwor- pelingen,
hem door de geesten gezonden, waarop hij evengoed recht heeft als op den
vogel die op zijn erf valt Doch hoe dit zij, in de contracten van 1849
en 1861 had de Vorst daarvan afstand gedaan, beloofde hij bij schipbreuk
hulp te zullen verleenen, en kreeg hij als „bergloon' recht op 15 tot 50
pCt. der geredde goederen (art 11). Behalve de laatste bepaling werd dit
alles oj^evolgd, daaromtrent bestaat geen verschil van meening; doch
over den gepleegden .Strandroof en diefstal aan boord" loopen de
verhalen onzer ambtenaren en die van duizenden Qi, van alle> BaliCrs
uiteen. In de MemoriËn van antwoord van 1906 (p. 12) en van 1913 wordt
daarover — kort samengevat — hetvolgende medegedeeld : de Vorst van
Badoeng werd nooit van zeeroof beschuldigd; wel hebben diefstallen
plaats gehad, die het Zelf- bestuur niet heeft weten te beletten,
ofschoon hij in art 11 van het Contract van 13 Juli 1899 beloofde: alle
gestrande schepen hulp en bijstand te verleenen. Daardoor was het Zelft>estuur
tot schadeloosstelling aan den beroofde verplicht
Om den lezer in staat te stellen tot het vellen van een oordeel.
worden thans de feiten medegedeeld, waardoor kan blijken of daarvoor
zulk een gniweiyke bioedstorting moest worden ui^elokL In die van 1913
lezen we verder nog :
„Het Js den ondei^eteekende niet bekend, dat wijlen de In 1906
omgekomen Vorst van het sedert bq het rechtstreeksch gebied ingelijfde
landschap Badoeng (Indisch Staatsblad 1908 n". 443) (W?/ van zeeroof is
beschuldigd, en de indruk van den in het Voor- loopig Versl^ bedoelden
Nederlandschen reiziger als zou dit .valschelijk" zijn geschied, berust
vermoedelijk dan ook op een misverstand, dat opgeheven zou kunnen zijn
door de kennisneming van hetgeen in de Koloniale Verslagen en bij de
schriftelijke be- handeling van vorige Indische begrootingen over deze
aangelegen- heid is gepubliceerd.
De ondergeteekende meent thans te mc^en volstaan met tn her- innering
te brengen, dat in Mei 1904 de nabij de Badoengsche ankerplaats Sanoer
gestrande en te Bandjermasin thuisbehoorende schoener Sri Koemala
beroofd is en aangezien bleek, dat die be- rooving het gevolg was van
plichtsverzuim van het Zelfbestuur en van niet nakoming door de radja's
van hunne utt het toen geldend
Sslitlek contract voortvloeiende verplichting, is besloten om het
elfbestuur de vergoeding op te le^en van de aan den Chineeschen eigenaar
berokkende schade.
In de JMemorie van Antwoord betreffende de Indische begrooting voor
het dienstjaar 1906 (bladz. 12) komt hieromtrent het vol- gende voor:
«Nadat de klacht van den Chinees het hoofd van gewestel^k bestuur had
bereikt, zijn door den resident en den havenmeester aanstonds de noodige
verhooren afgenomen ents door den controleur bij het bureau van
inlandsche zaken plaatselijk een onderzoek Ingesteld. Op grond van een
en ander moet als vaststaand aan- genomen worden, dat werkelijk driemaal
diefstal heef t plaats gehad, de eerste maal in den nacht van de
stranding aan boord van het vaartuig zelf, voorts den volgenden dag, aan
het strand, van een deel der geloste goederen, en ten slotte door
weghalen van het hutdkoper en andere onderdeden van het vaartuig, nadat
gezag- hebber en bemanning vertrokken waren. Een en ander is het mis-
drijf van strandroof en het Zelfbestuur, dat het misdrijf niet heefi
beUt, schoot daardoor tekort in de nakoming van zijne in art II van het
contract van 13 Juli 1849 neergelegde belofte »dat voortaan aan alle
schepen en vaartuigen die ongelukkig genoeg mochten zQn om te stranden
op de kusten der landen onder hun gebied geiisen, mitsgaders aan
derzelver opvarenden, alle mogelijke hulp en mjstand zal verleend worden,
zooals zulks in alle landen onder het Nederiandsch-Indisch gebied wordt
in acht genomen." Het Zelfbestuur is derhalve tot schadeloossteülng aan
den beroofde verplicht en daar de feiten, op grond van het van
bestuurswege ingesteld onderzoek, vaststonden, en dat onderzoek
bovendien aan bel licht had gebracht, dat een der Badoengsche
ïandsgrooten in de zaak betrokken was, kon de Indische Regeering zich
noch nederleggen b^ de twee van de drie diefstallen trouwens onaan-
geroerdurtende verklaring van het Zelfbestuur, date en uitgebreid
onderzoek de zaak niet tot klaarheid had kunnen brengen, noch ook
meegaan met het voorstel van het Zelfbestuur, om den eigenaar van den
schoener naar Badoeng op te zenden, ten einde zijne klacht door den
kertaraad te doen behandelen, vermits die behandeling, onder de gegeven
omstandigheden, niets dan een schljnvertoonlng met vooraf te bepalen
afloop zou zijn geweest.
Zooals uit het bovenstaande blijkt is bet Zelfbestuur van Badoeng
niet beschuldigd van zeeroof, maar het is op grond van eene be- paling
van het politieke contract verantwoordelijk gesteld voor het met de
gestrande schoener gebeurde."
Een wangkang, de Sri Koemala, waarvan de Chinees Kwee Tik Tjiang uit
Bandjermasin eigenaar was '), liep op het t>ekende rif, waarna het schip
door de zware branding langzaam werd stukgeslagen. Enkele planken, wat
rottan en kepang dreven in alle richtingen weg, doch het aanwezige geld
moet daarbij zijn gezonken, dan wel door den kapitein, die spoedig aan
wal kwam, zijn medegenomen. Van gewelddadigen roof althans was nergens
sprake ; alléén toen, den derden dag, .gezaghebber en bemanning
vertrokken waren,' zou er buidkoper zijn weggehaald (Mem. v. Antw. b^r.
190G p. 12). De eigenaar, aldus het verslag der expe- ditie (/nrf. Mll.
Tschr. 1910 no. 27), .riep te vergeefs ter bewaking de liulp van den
Poenggawa In, wat toen door de opvarenden kK moest geschieden.'
De grootste waarde had wel het geld, en daarom doet het vreemd aan
dat de kapitein, toen hij onmiddellijk na de stranding den Sjahbandar (luitenant-Chinees)
te Sanoer ontmoette, over roof van zilveigeld geen woord repte, maar wel
zeide dat hij een vracht van 125.000 kipèngs (ongeveer ƒ190) aa^ boord
had, die hij niet zoo gemakkelijk naar wal kon brengen. Later was er
sprake van •een belangrijk bedrag aan kèpèngs,' die door de bevolking
geroofd zouden zijn, en waarvoor de Chinees de Regeering heeft bewogen
tot het eischen eener vergoeding, door den Vorst van Badoei^ te betalen,
tot een bedrag door hem, den Chinees, opgegeven. Gelukkig voor de
Indische Regeering, dat deze methode niet voor elke berooving van
prauwen in straat Madoera wordt toegepast; Wat haar duur zou komen te
staan.
Eerst meer dan een maand later kwam de controleur Schwaitz een
onderzoek instellen, naar aanleiding der klachten van den Chinees ; deze
klachten werden onmiddellijk tegengesproken door den havenmeester, die
ctider eede eiken roof van geld ontkende. Wel is het niet
onwaarschijnlijk, dat aangedreven voorwerpen door de strandbevolking
tot' goeden buit werden verklaard en dat eenlg want van het wrak wei^
genomen, doch deze strandvondeis kun- nen even goed, en met meer kans
van waarschijnlijkheid, gou- vernementsonderdanen van Qianjar zijn
geweest, als inwoners van Badoeng. Na 2 dagen was de controleur weer ver-
dwenen, zonder den Radja bij dit onderzoek te raadplegen, terwijl door
hem slechts weinig Badoengers, en geen enkel man uit Qianjar, zijn
verhoord. Geen klaarheid werd verkregen, en het door hem ingestelde
onderzoek spotte met alle eischen, van juridisch stand- punt te stellen,
ofschoon hij kon vermoeden, welke moordende gevolgen daaruit zouden
voortvloeien.
Dat een Chinees zijn schip verlaat zonder iets anders mede te nemen
dan wat oude kleedingstukken, en de 3000 dollars veigeet, klinkt al zéér
onwaarschijnlijk {N. v. d. Dag v. N.-Ind. 12 April 1905). Bij eb was het
schip wadende te bereiken ; de djoeragan bracht aan wal trasie en
petroleum; waarom niet het geld, dat hij bij den havenmeester kon
deponeeren? Een handelaar uit Bandjer- masln komt naar Bali met goederen
om deze in te ruilen ; niet met geld, en dan nooit met Balische kèpèngs.
Dat de Vorst, ook tegen- over den heer Liefrinck weigerde aan den
gestelden elsch te voldoen, alle schuld van zich afwerpende en
protesteerende tegen de blokkade zijner kusten, is duidelijk, en voor
een Ball&r van zelf sprekend.
Volgens geloofwaardige getuigen zond de Chineesche haven- meester na
het ongeval onmiddellijk t>ericht aan den poenggawa van Sanoer, met
verzoek het strand te doen bewaken, een last weldra door den Vorst
herhaald. Daarna ging de sbahbandar den Tjokorda opzoeken, die dadelijk
gelastte .alle mogelijke hulp te verleenen*, terwijl de bemanning van
den schoener gewapend was. Slechts toen de wangkang stuk sloeg, spoelden
er links en rechts wrakstukken aan wal, en kunnen enkele goederen van
weinig waarde, o.a. wat trasie, zijn bui^emaakt, waarnaar door den Voist
een strenger en meer minitieus onderzoek werd Ingesteld, dan dat van den
controleur. De Vorst heeft dus zijn plicht gedaan. De Radja kon dan ook
uiterst kalm en vol waardigheid uit den grond zijns harten verklaren, ,dat
hij zich van geen schuld bewust was," dus gaarne de kwestie der
schadevergoeding aan de recht- spraak wilde onderwerpen,
Qeen enkel BaliSr gelooft aan het verhaal van een zeeroof van
���7.500, en meer dan 2800 Badoengers van Sanoer en Kesiman, hebben met
het gewijde water den heiligen eed gedronken, daar- aan niet schuldig te
zijn. De daders zijn dan ook nooit bekend geworden; trouwens de kapitein
kon niet eens opgeven hoe de kist er uttz^, waaruit men zijn geld bad
gestolen. De Chineesche eigenaar was dan ook van plan zijn klacht kalm-
weg in te trekken, doch zag daarvan af na het bezoek bij den controleur
I Zelfs Balifirs van hoogen stand verklaarden ronduit, vast overtuigd te
zijn van des Vorsten onschuld ; dat het verlangen van schadevergoeding
onzerzijds onbillijk (,tida patoet") was, en zooveel te meer nog de
etsch dat de Vorst de kosten zou dragen eener blokkade, (ƒ450 per dag
voor elkflotielje-vaartuigenƒT50 voor een Gouv. stoomer), door welke
zijn land en volk reeds zoo zwaar waren benadeeld.
In den aanvang daarvan (April 1905) kwamen in- en uitvoer voor hun
Rijk tot stilstand, waarover de Radjas zich beklaagden, en den resident
mededeelden dat zij een schade leden van 1500 rijksdaalders (dus de
halve schadeve^oeding) per d^ ')- Ook de onderdanen der ons goedgezinde
zelftiesturen ondervonden nadeel van dien draconischen maatregel,
waardoor geheel Badoeng, een voorraadschuur van rijst, volledig werd
afgesloten ; tolrechten, die den Radjas toekwamen werden door onze
schepen geheven, en goederen werden verïKurd verklaard. Een maatregel
van inter- nationaal standpunt door niemand te verdedigen, en
tyranniekin de hoogste mate.
De eenige zuivere oplossing in zulk een civiele kwestie menlijk, werd
door den Vorst voorgesteld, namelijk haar voor den Raad van Kerta's te
brengen, wat volgens de contracten ook de wette- lijke weg was. Dat dit
een „schijnvertooning" zou zijn geweest (Mem. V. Antwoord l.c), is wel
wat boud gesproken, vooral indien men den Chinees voor die door ons
erkende rechtbank door den controleur had laten bijstaan. Men had ook de
zaak voor den Land- raad te Singaradja kunnen onderzoeken, waartoe de
Vorst, gerust over den afloop, zeer zeker genegen zou zijn bevonden. In
geen geval mocht een schadevergoeding worden geSischt vóór feitelijk
vast stond öf er schuld was en hoeveel het nadeel had bedragen.
Doch er is meer wat licht veretscbt. Zoowel de anders zoo kalme en
bedaarde resident Eschbacli, als de controleur van Bali, waren
aangestoken door den «geest van generaal Van Heutsz." Toen de bevolking
onder eede ontkende, dat er 3000 dollars waren gestolen of ook maar aan
l>oord geweest, weigerde hij een rechroank te hooren, en sprak van
.prestige" en „smaad aan de Nedo-land- sche vlag".
De Raad van lndt£, ons hoogste college, was nagenoeg een- stemmig
over dit punt: dat volgens het Contract de Raad van Kerta's de zaak
moest berechten. Drie van de vier leden waren tegen dit gewelddadig
optreden, alléén wegens deze .Contractbreuk", en de G.-G. „vereenigde
zich met het gevoelen der mindeilieid", natuurlijk. De controleur
bovenbedoeld had te Buitenzorg monde- linge instructies gekregen van den
Landvot^d ; instructies die wel nooit aan bet daglicht zouden komen,
doch waarover de meest dwaze geruchten liepen. Zoo vertelde men mij dat
de controleur, indien ons gezag zich óók in Zuid-Bali mocht uitbreiden,
de toe- ze^ng had bij keuze promotie te zullen maken; nog vöör afloop
der expeditie werd hij tot assistent-resident benoemd, doch later voor
resident gepasseerd, waardoor hij zijn ontslag moest nemen. Anderen
tKweren, doch dat moet geli^en zijn, dat die schoener naar Sanoer werd
gezonden met den last öm er schipbreuk te lijden door op het rif te
varen. Een Lombokker deelde mij mede dat de Chineesche eigenaar weende,
toen hij de bloedige gevo^en z^ van den „prang" waartoe zijn aanklacht
had geleid, doch zijn geweten suste door de mededeeling dat hij „door
pressie van elders" een onware beschuldiging had geuit. Dat alles moeten
wel praatjes zijn ; zoo niet, dan zouden die feiten om wraak ten hemel
schreien.
Doch ééne zaak is zeker: men dreef moedwillig de Vorsten, die van
dien onbewezen strandroof in elk geval zelf geen voonleel hadden genoten,
met alle middelen tot verzet; hun beleedigd rechts- gevoel deed hen den
ongelijken strijd aanbinden, schoon zij wel wisten het onderspit te
zullen moeten delven, en hun leven te ver- liezen. En wat moet er niet
zijn omgegaan in de harten van hen, die oo^etuigen waren van die
gruwelijke slachting, of er alle bijzonderiieden van vernamen, — indien
zij van hun kant niet alles hadden aangewend om dat ontzettende te
voorkomen I Hoe ridder lijk daarentegen de houding van den ten doode
gedoemden Vorst die tot aan het ultimatum den heeren Liefrinck en
Schwarz in z^ poeri gastvrijheid verieende, en er niet over dacht hun
ook maar één haar op bun hoofd te krenken . |
|
C. EEN GEZOCHT KRAKEEL? |
|
Heeft door een en ander de Regeering niet de zware verdenking op zich
doen vallen van imperialistische bedoelingen j^ns Bali, ■dus van een
gezocht krakeel ? Schreef De Locomotie/van 5 Oct 190(> „den heldendood"
van het Badoengsche Vorstengeslacht toe aan .barbaarsche fanatisme" (het
Koloniaal Weekblad gebruikte toen zelfs het woord „walglngwekkend") en
kwam het blad daarbij tot de conclusie : „Er is in alles wat op Bali tot
op dit oogenblik is geschied niets edels, niets verheffends, niets dat
ook maar een schijn van eerbied bij den Westerling vermag op te wekken,"
een schrijver — zich noemende yus/w — in De Avondpost vm 17—18 November
van dat jaar, stelde zich daar tegenover op dit stand- punt : „Waar het
gaat om het recht der zaak, staan wij aan de zijde van Bali, en zijn wij
overtuigd dat de houding der „weer- spannige" Radja's in het bewustzijn
van hun goed recht tegen- over het Gouvernement aangenomen, zonder
twijfel wël iets ver- heffends en eerbiedwekkends heeft Die houding moge
later — ook al als uitvloeisel van dit rechtsbewustzijn — driester en
zelfs min of meer uitdoend geworden zijn, zoodat zij ons in een impasse
dreef en op den loop der onderhandetingen van invloed moet zijn geweest
; de schuld voor de vertroebeling der oorspronkelijke questie ligt niet
bij de Vorsten, maar beslist bij de Indische Regeering. Door haar werd
de z.g. contractbreuk, die den Vorsten ten laste werd gelegd en die ook
de eigenlijke aanleiding tot ons later militair optreden geworden is,
gepleegd. Dit staat onomstootelljk vast
— Door een en ander heeft de Regeering zwaar de verdenking op zich
doen rusten van imperialistische bedoelingen jegens Bali. Strijdende
voor hun rechten, bij contract gewaarborgd, zijn de Vorsten van Badoeng
en Tabanan, niettegenstaande zij zich bun minderheid bewust waren, niet
gezwicht voor de overmacht, en zij hebben daardoor wel degelijk eerbied
afgedwongen en bij velen — blank. en bruin — het rechtsgevoel bevredigd."
De uitlatingen van Liefrinck boven vermeld, en die in de Nederiandsche
pers (dit- maal was de Indische vrij sterk in haar afkeuring), gesteund
door het geheele optreden van den soldaat toenmaals op den Buiten- zoi^schen
Troon gezeten, zouden die meening opwekken. Waarom zouden er juist in
die jaren conflicten zijn ontstaan met alle nog vrijwel onafhankelijke
Vorsten van Bali? Waarom moest de harde hand van het militaire geweid in
de plaats treden van minnelijk overieg, moesten contracten worden
geschonden, recht en huma- niteit met voeten vertrapt?
In den loop der jaren waren bereids .volledige krijgskundige gegevens"
verzameld {Ind. Gids Juni 1906 p. 844); waren schets- kaarten in het
geheim opgemaakt en spionnen uitgezonden. Ook deed een stafofficier
reeds in October 1903 ,een verkenningsreis" met het oog op eventueele
conflicten '). De Vorst van Badoeng wist dat de Kompanie hem zocht, en
meende in een zekeren Plagong, die hem kwam aanraden Oianjar binnen te
vallen, een zendeling der Indische Regeering te zien, die aldus een .casus
betli" wilde scheppen.
En toch, het had anders kunnen loopen ; het blinde geluk diende ook
ditmaal een ware avonturierspolitiek. Indien de Balifir zich niet had
uitgeput door onnutte aanvallen met de lans, doch zich door een
guerilla-krijg verdedigd had in de talrijke natuurlijke stellingen van
het land, — onze verliezen zouden heel wat meer hebben bedragen dan een
half dozijn dooden. Én de verovering van Bali had even veel jaren kunnen
duren als thans weken werden geëischt, ten ramp van aanvaller en
verdediger. Want aan hen, aldus Het Vaderlana van Mei 1905, .aan hen die
ten dezen oorlog of vrede beheerschen, hun moet worden gevraagd: over-
weeg toch goed, welk een zee van jammer over dit volk van nijvere
landbouwers wordt uitgestort, als onze troepen, volvoe- rende hun
moeilijken plicht, deze schoone landstreken binnen rukken."
„Nimmer dient te worden vergeten, dat de ellende van den oorlog
volstrekt niet minder wordt gevoeld door deze Inlanders, dan door de
blanke verwanten van de Nederlandsche soldaten, die daar zullen vallen
in het verre land. Want strijden zullende menschen van Badoeng voor hun
Vorsten, als deze hen oproepen ter bescherming van de poeri's; zij
zullen wanhopige uitvallen doen met lans en kris en voorlaadgeweren, zij
het ook tegen de gelederen, die met snelvuur wegmaaien allen die naderen.
En wie er ook moge vallen, de droeflieid over het sneuvelen van een
bloedverwant in de Badoengsche desa Is niet anders, dan de droefheid in
de HoUandsche woning; zij is de droefheid van het menschelijk hart, dat
moet missen wien het lief had."
Van de onschuld der Vorsten is bijna een ieder overtuigd; het is dan
ook volslagen onjuist wat Kielstra schrijft (in Ome Éeuv Sept 1911 p.
371), dat het „kliprecbt" werd toegepast. Zelfs geen .strandroof' is
door Badoengers gepleegd. Zij bleven dus, als mannen van karakter, staan
op het standpunt door hen van den aanvang ingenomen. Elk Baliër trouwens,
al ïs hij welgesteld, zal weigeren geld te geven dat hij niet
verschuldigd is, en liever vechten tot het uiterste dan ztch te
onderwerpen aan willekeur en bedrog. Terecht verklaarden dan ook de
Vorsten : .Wij willen geen boete (als straO betalen, hoe gering die ook
zijn m(^e, en wij hebben aanspraak op vergoeding van de schade, geleden
door ons volk door uw onrechtmatige afsluiting van onze kusten."
Het was voor hen geen geldkwestie, doch een rechtskwestie. Nog in
1897 hadden zij een boete betaald en om vergeving ge- vra^d, toen een
paar Chineesche Gouvemements-onderdanen in zee waren verdronken door
onvoldoende hulp der strandbewoners. De Chineesche en Boegineesche
handelaren, die aanboden de gevorderde som te betalen, werden met zware
straffen bedreigd, zoo zij het zouden wagen „de schadevergoeding te
voldoen" 0- De Radja's wilden desnoods rechtstreeks aan den Chinees de
voor hen niet belangrijke som van 500 rijksdaalders ultkeeren, indien
werkelqk een Idst geld in zee ware gevallen ; of zelfs zonder dat.
Wanneer de Compenie geld noodig had, wilden zij gaarne zelfs /30.000
leenen ; doch iets betalen wat zij niet schuldig waren, dit wilden zij
niét. '
Men kan zulk een aanbod .ontKschaamd" noemen, van .hals- starrige
weigering van het Badoengscbe Zelfbestuur" spreken, wie niet moedwillig
de oogen sluit voor de waarheid, voelt dat de Vorsten overtuigd waren
van hun goed recht en, ofschoon bewust van hun minderheid in een
ongelijken strijd, hun rechtsgevoel wilden bevredigd zien. Het denkbeeld
de overwinning te behalen kon bij deze vrij ontwikkelde Inlanders, die
de macht der Neder- landsche wapenen kenden, niet opkomen ; doch sterk
in het gevoel van hun recht, zouden zij weerstand bieden tot het
uiterste, wat niet anders kan dan onze achting afdwingen.
En wat vooral den doorslag gaf, was dat zij voelden dat de Compenie
oneenigheid met hen zocht, en dat die wel spoedig andere voorwendsels
zou weten te vinden om haar macht uit te breiden. Zij waren, aldus hun
sprekend beeld, „als het hert waar- van een slang dagelijks één rib
verbr^zelt," en wilden liever, in plaats van zulk een langzame marteling,
er maar spoedig een eind aan maken. Voortdurend gekweld, steeds nieuwe
eischen vernemende en nieuwe pressie moetende verduren, riep de vorst
van Dèn Pasar, vol trots uit: «Liever nog dood, dan op zulke wijze Vorst
te wezen I"
De teerling was geworpen! 17 Juli 1906 werd een ultimatum gesteld,
zoo wel aan Tabanan als aan Badoeng, die beslist bleven weigeren. Er
begon een hoogst onrechtvaardige krijg van de kris tegen het repeteei^eweer,
van de lans tegen het scheepskanon. Strijdende tegen een verpletterende
overmacht, was Badoeng ver- loren ; de geesten hadden de Vorsten
gewaarschuwd. Een gedeelte van den Poera Oeioewatoe, steunende op een
rots hoog vooruit springende boven de zee, was (In 1905) plotseling
ingestort, wat toen als een voorieeken werd beschouwd dat het Rijk van
Badoeng zijn val naderde. De profetie werd vervuld; na een kort gevecht
is het Vorstengeslacht weggevaagd van den aardbodem. Doch met opgeheven
hoofden, overtuigd van hun goed recht, ging het den wissen dood te
gemoet Dit alles doet de vrees koesteren dat het was een gezocht krakeel,
want aan den rechter, niet aan den geweldenaar, had men de beslissing
moeten overlaten. |
|
D. DE LANDING EN DE
OPMARSCH. |
|
 |
|
De kunstschilder J.O.W. Nieuwenkamp zat op
het strand toen de schepen naderden. |
|
14 September 1906 werd door de Ned. troepen op de schepen te Sanoer tot
hoogwater gewacht en zonder eenig verzet had reeds om 7 uur het eerste
échelon, bestaande uit 1o0 man, voet aan wal. Een paar Balische
visscherlul stonden alles kalm aan te zien; alleen een hond nam huilend
de vlucht Van den vijand geen spoor; de eerste nacht in het bivak ging
rustig voorbij. Het Zuiden van den weg die van Sanoer naar Dèn Pasar
leidt, werd twzet, waarbij slechts enkele schoten uit de nabijliggende
poera werden gelost; de randjoes, waardoor enkele soldaten werden gewond,
waren meer voor wilde varkens dan voor een vreemden vijand bestemd.
Het aanvankelijk voornemen om het strandbivak gedurende den nacht te
bestoken, werd verijdeld door de zoeklichten, die gedurende den ganschen
nacht in den omtrek speelden, en de Baliers van schrik voor deze .booze
geesten" verlamden. Nauwelijks was de dag weer aangebroken, of kleine
benden, in het geheel geschat op 500 man, deden onder de leiding van een
broeder van den Vorst, den Poenggawa van Kesiman, enkele lansaanvallen,
die ondanks den moed der krijgers natuurlek niets vennochten tegen de
moderne vuurwapenen. Op een afstand van 150 M. werd het eerste salvo
gegeven; velen vielen, anderen liepen door, om eveneens te worden
neergemaaid; de rest nam de vlucht in de boschjes of op de heuvelen,
waar zij een uitstekend doelwit vormden voor onze schutters. De
Boegineesche voorvechters van den Radja waren te Benoea naar de
Nederlandsche schepen ontsnapt, waar zij hartelijk waren ontvangen.
Balische voorvechters echter wierpen zich soms gansch alleen op onze
gelederen.
Renong, Pandjer en Sesetan werden doorkruist. Zuidelijk van Dèn Pasar,
terwijl de kogels donderden, vielen enkele schoten van achter de hooge
kleimuren, zag men daarachter lansen bewegen en moest een aanval van
2000 lansdragers worden afgeslagen, wat zonder moeite geschiedde, zonder
verliezen onzerzijds. Ook andere aanvallen bleken vergeefsch. Vijf dagen
na de landing mikte men door de vlakte over Pangtoe naar Kesiman, om de
vroegere Vor- sten-poeri te bezetten ; enkele „bloembangs" *) moest men
met behulp van bamboeladders oversteken. Uit een paar ouderwetsche *)
Bloembangs zyn breede en diepe loopgraven, waarin nog versperringen zijn
aangebracnt kanonnen vloog elk kwartier een kogel door de lucht, dien
men in de verte zag aankomen en kon ontwaken, wat de soldaten, die den
draak staken met zulk een „kegelpartij", natuurlijk niet be- lette deze
zwak verdedigde woning te bezetten. Toen zij deze naderden, bleef een
Balier, met de lans gewapend, als een stand- beeld midden op den weg
staan tot hij was neergeschoten;zijn lans stak vóór hem in den bodem, de
kogels floten langs zijn ooren, sloegen rondom hem neer; hij bleef slaan.
Getroffen m beenen en borst, bleef hij voorover hangende, op zijn lans
steu- nende nog opgericht; meerdere kogels deden hem neerzinken, doch in
zittende houding omknelde hij nög zijn wapen, tot hij eindelijk dood
inéénzakte. Deze poeri met een zeer mooien huis- tempel van den
gesneuvelden Vorst, is niet verbrand, doch door de bevolking geplunderd.
Thans is zij ten deele weer her- steld.
Bij den opmarsch naar Dèn Pasar kwamen dichte drommen Baliêrs
oprukken, de voorvechters in vuurroode kleederen gehuld, hun blanke
lansen schitterend in de stralen der zon. Intusschen was de hoofdpoeri
aldaar door de marine van uit Sanoer gebom- bardeerd. Onophoudelijk
dreunde, dagen achtereen, het zware ge- schut, — wat de Jantjes betreft,
even veilig gehanteerd alsof het een schietoefening gold, maar dat, op 6
K.M. afstand, met zijn springende granaten dood en verderf verspreidde.
Het vuur bleek vrij nauwkeurig ingeslagen, doch vooral de moreele
uitwerking van de macht van zulk een onzichtbaren en onbereikbaren
vijand moet groot zijn geweest.
Toen de bevolking zag dat de Vorsten met hun aanhang bij hun aanval
op Sanoer (waaraan wellicht 5000 man deel namen) waren teruggedreven,
hadden de desa's ten Zuiden van de hoofd- plaats zich onderworoen. Na de
bezetting van Kesiman en bet bombardement van Den Pasar, was een groot
deel der bevolking van deze plaatsen palen ver naar de ravijnen gevlucht;
anderen weigerden te vechten. Slechts een enkele dweeper, zooals die
welke bij Sanoer een sergeant-opnemer (die alléén was) een wond
toebracht, werd neergelegd. Het oorspronkelijk plan van den Vorst om
zijn laatsten strijd in de poeri te strijden, moest door de uit- werking
onzer kanonnen worden opgegeven, en in openbaren kamp zou hij den
blanken vijand tegemoet treden.
Van die geweldige poeri, de sterkste van Bali, wier zware en hooge
muren trotsch oprezen als een grimmige dreiging van macht, was bij mijn
komst slechts wat puin overgebleven . Alléén het vreemdelingenverblijf,
met twee verdiepingen, was nog bruikbaar; voorts kan men nog de „pangoengan"
zien, het lievelingspiekje van den Vorst, waar hij het uitzicht had over
het marktplein en vier wegen, en waar hij tegen den avond gaarne naar de
voor- bijgangers zat te kijken.
Liever dan het paleis zijner voorzaten in handen van zijn vijand te
doen vallen, stak hij het in brand, en liet alles wat breekbaar was
vernietigen. Door den fellen wind van 20 Sept. is die brand overgeslagen
naar de omliggende huizen, meestal bewoond door leden van den adel, en
waarvan weldra niets meer overbleef dan de geblakerde muren, benevens
eenige verschrompelde boomen en heesters. Gelukkig sloegen de vlammen
niet over naar bet kruithuis, waar groote voorraden lagen opgehoopt, die
bij ont- ploffing de aanvallers duur te staan ware gekomen . Onder
tirail- leursvuur drongen dezen door drassige sawahs voorwaarts; een
bres werd gesprongen ; stormladders geplaatst, doch de poeri bleek
verlaten. De Vorst had den laatsten adem reeds uitgeblazen, slechts over
zijn lijk zou men zijn verblijf binnen dringen.
De toenmalige Vorst van Badoeng was niet bemind; met tegen- zin had
de bevolking aan zijn oproep ten strijde gehoor gegeven, en was nu
verdwenen; de Brahmanen weigerden te vechten, waarvoor één hunner werd
gekrist. Weldra stond hij alléén met vrouwen, hovelingen en
bloedverwanten, een Gideons-bende vor- mende van, naar schatting, 2000
menschen, klein en groot. Ver- laten door zijn krijgers, den onduldbaren
smaad der verbanning voor oogen, besloot hij, der adat getrouw, zich ten
doode te wijden, in zijn wanhoopsdaad talrijke getrouwen medesleepende.
En zoo min als de Vorst en zijn getrouwen levend in onze handen wilden
vallen, zoomin wilden ze ons hun bezittingen gunnen. Vele palelzen van
hoofden en grooten werden in brand gestoken, en er ontstond rondom de
poeri een ruinenstad van wel een kilo- meter in het vierkant, waarvan de
zwart geblakerde muren en de verkoolde balken, bij de bestorming van de
verlaten poeri, nog door het dynamiet onzer mineurs werden vernield.
Toen ik te Dèn Pasar was, werden op dat aldus geschapen groote plein
volksspelen en een bloemencorso gehouden. Vóór bij en de zijnen den dood
te gemoet gingen, nam de Vorst nog een teeder afscheid van zijn moeder,
en verrichtte hjj zijn laatste gebeden. de lijken van zijn overleden
halfbroeder en die van eenige vrouwen werden vóór het verlaten van zijn
poeri nog verbrand, ten einde hun ziel rust te schenken. De roode gloed
aan het uitspansel, dien men 18 Septemt>er te Sanoer waarnam, en die
deed denken dat Dèn Pasar In lichterlaaie stond, was alleen door deze
godsdienstige plechtigheid veroorzaakt.
Kj het naderen der troepen stegen allerwege groote vuur- en
rookkolommen hemelwaarts, de zon verduisterend; de knappende bamboes
veroorzaakten een geraas alsof een snelvuur knetterde, en met donderend
geweld stortten de huizen, waarin zoo vele kunstschatten lagen opgehoopt,
ineen. Nu en dan brak de zon door den dichten rooksluier heen en wierp
haar schijnsel op dit tooneel van jammer. Binnen de poeri vond men ook
nog het lijk van een van 's Vorsten zusters, die zichzelve had gekrist.
In een witten mantel gehuld, waaronder haar feestgewaad en haar gouden
gordel zichtbaar waren, lag haar ontzielde lichaam op een rustbed met
fluweelen kussens. Het wapen waarmede zij zich zelf doodde, stak haar
nog in het hart Een, naar zijn kleeding en versierselen te oordeelen
voornaam hoofd, stormde, een kris zwaaiend, naar buiten, doch stortte
weldra door talrijke kogels getroffen dood ter neer. Groote sommen gelds
had de Vorst uitgedeeld aan een aantal vrouwen, die het onze soldaten
toewierpen met de bede, dit te nemen in ruil voor een genadeslag; en de
weg waar de poepoetan plaats greep was met goudstukken bezaaid .
Zóó betaalde deze kranige Vorst zijn eigen executie met gulle hand!
Die daad alléén — welke meer geld eischte dan de hem opgelegde boete —
is een onloochenbaar bewijs zijner onschuld in zake den zeeroof. |
|
E. DE TOCHT TEN
DOODE. |
|
Telkenmale dat ik langzaam voortliep langs de terreinen, waar zich een
der meest vreeselijke tafereelen van de historie der mensch- beid
afspeelde, was het mij of de geesten der helden, die daar vrqwillig hun
leven offerden, er nog rondwaarden.
Op het kruispunt der wegen van Kesiman naar Sesetan en van Sanoer
naar Pametjoetan en Tabanan, lag eenmaal de sterke poeri van den Vorst
van Dèn Pasarwaar de Ratja en de zijnen in alle kalmte zich
voorbereidden op den dood. Thans is dat alles van den aardbodem
weggevaagd; de „poepoetan" heeft de paleizen tot puin, de bewoners tot
asch doen wederkeeren.
„Poepoetan" beteekent „zich gereed maken", en nachten van te voren
hadden alle deelnemers gebeden om zich voor te bereiden op den overgang
naar een ander en beter leven. In den voorhof der poeri had zich dan ook
een uitgelezen schare verzameld, om — te gaan sterven. Alléén
vrijwilligers waren hier bijeengekomen, mannen die „brani" waren,
terwijl vele poenawa's en Brahmanen zich daaraan hadden onttrokken, „ne
fuyant la mort que pour boire Ia honte".
De Nederlandsche troepen trokken in gesloten gelederen van Kesiman
langs den grooten weg voorwaarts, tot deze links omsloeg en veel breeder
werd. Aldus reeds dicht bij de poeri gekomen, verstomde het kanonvuur,
en onder doodsche stilte naderden zij langs den eenzamen weg het doel
van hun tocht. Plotseling ont- rolt zich voor hun oogen een treffend
schouwspel. Hen nadert een Indrukwekkende stoet Is het een practitvolle
maskerade? Mannen in schitterende gewaden, rood of zwart; blootshoofds,
de lange haren met zorg gekamd ; het naakte bovenlijf ingewreven met
welriekende olién ; in den gordel lange kostbare krissen, met gouden
gevesten, tot Hindoebeelden verwerkt, rijk met juweeien versierd. Met
stetigen tred komen zij nader. In hun midden vrouwen in feestdos, met
sieraden overdekt, en de haren los langs het hoofd ; allen dragen den
witten mantel der ten doode gewijden. Meer dan honderd kmderen
vergezelden de moeders in den stoet En steeds nieuwe drommen worden
zichttiaar op enkele honderden meters van onze troepen; tallooze lansen
flikkeren in de zon.
Eindelijk veriaat de Radja van Badoeng zelf zijn poeri: gezeten op
een draag stoel, rustend op de schouders van vier getrouwen, die hem
bijblijven tot op het laatste, schrijdt hij kalm en plechtig den dood te
gemoet. Van zich overgeven is bij hem geen sprake; de schande van
onderwerping en l>allingschap zal hij niet verduren,— dan liever zijn
leven geofferd met het vooruitzicht daardoor den hemel te winnen .
Eenige vrouwen en kinderen, benevens de zieken, zijn van te voren
omgebracht; met het aardsche leven heeft men immers afgedaan. De
vreeselijke tocht ten doode had plaats. Wie niet viel door de kogels van
den vijand, stierf onder de lanssteken van den vriend, terwijl vrouwen
en kinderen elkander afmaakten met de kris. Stilzwijgend gingen zij
verder, tot zij stieten op de donkere massa der infanterie, die te
vergeefs door gebaren hen tot stilstaan trachtte te bewegen. Zij
naderden tot op 100 — 90 — 80 pas, om vandaar met gevelde lans en
opgeheven kris den dood te gemoet te snellen — toen het eerste salvo
knetterde. Onversaagd, met een weergaloozen, aan waanzin grenzenden moed,
renden ze verder, onchoon de eene rij na de andere werd neergeveld om
nooit weer op te staan ; van alle kanten suizen de kogels, steeds ijler
worden de drommen. Enkelen, door het instinct van zelf- behoud gedreven,
vluchten, doch keeren weldra terug om het lot te deelen hunner makkers
en bloedverwanten, die voor ons moord- dadig vuur vielen als gras voor
de zeis van den maaier.
De nietgewonden snellen zonder dralen verder; de lichtgewon- den
brengen aan zwaargewonden den doodsteek toe. Vrouwen boden hun bloote
borst den vijand aan, of ontvingen van haar makkers den genadestoot
tusschen de schouders. .Uit dien drom van den dood zoekende radeloozen
drong een man van hun eigen volk naar voren, en stak met ijzingwekkende
regelmatigheid links en rechte vele vrouwen neer, zoo vele hij maar
raken Kon, totdat een welgemikt schot van een onzer scherpschutters aan
dit afschu- welijk handwerk een einde maakte. Hem verving een oude vrouw,
die zijn taak overnam. Ook zij werd door een kogel verhinderd in haar
ijselijk bedrijf voort te gaan.
De Vorst, steeds voorop, werd gewond bij het eerste salvo onzer
repeteergeweren, en staande op de lijken zijner laatste aan- hangers,
drukte hij zichzelf de doodende kris in het hart; hij viel gelijk helden
vallen.
Toen begon het verschrikkelijkste.
Een driehonderdtal bijwijven van den Radja kristen zich, dan wel,
over het lijk van den Vorst gebogen, lieten zij zich neer- steken voor
de oogen onzer soldaten, die vaak een traan van medelijden niet konden
onderdrukken. Allen vielen op één hoop, zoodat de Vorst werd bedolven
onder de lijken zijner getrouwen, die hem zelfs na hun dood nog wilden
beschermen. De schoonste vrouwen van Bali zegen daar neer, naast
kinderen door moeder- hand gedood, en steeds meerderen kristen zich op
dezen lijken stapel ; vele gekwetsten sleepten zich met inspanning van
alle krachten daarheen. Zelfmoord greep er plaats op groote schaal;
vrouwen wierpen goud naar de soldaten en wezen op heur hart als mikpunt
voor bun kogels; de jongste zoon van den Vorst, een knaapje van 10 jaar,
werd door een zijner volgelingen neer- gestoken. Niets kon het
verdelgingswerk stuiten.
In de plaats der gevallen krijgers traden, In razende opwinding door
wanhoop en smart, hun vrouwen en kinderen ; als furiën, soms met
zuigelingen op den arm, vlogen zij vooruit met lansen en krissen aan de
handen der gevallen mannen ontrukt, tot ook hen het moordend lood velde.
En toen men naderbij kwam, en de ass.-res. Schwarz uit den stapel lijken
dat van den Vorst zocht en dat vond liggen met verbrijzelden schedel,
stak een zwaar gewonde penawing stervend nog met haar kris naar een
ieder, die het lijk van haar heer en meester durfde naderen. Slechts
enkelen wierpen, nadat de Vorst gevallen was, hun lans weg en liepen de
kampong in, doch dat bleven uitzonderingen. Daaren- tegen kwam een
poenggawa, die den vorigen dag de poepoetan niet had kunnen medemaken,
zich melden bij den staf, en ver- zocht om alsnog te worden
doodgeschoten ; toen men dit weigerde kriste hij zichzelf. Te sterven
scheen hun allen een ware wellust
Uitgezonderd enkele gewonden, vond de geheele heldenschaar den dood
dien zij zocht.
Hetzelfde afschuwelijk tooneel zou zich nauwelijks 2 KM verder
herhalen, bij Pametjoetan, waarheen de troepen onmiddellqk na de
slachting, om 4 uur 's namiddags, zich begaven. Een weg, de T. Badoeng
snijdende, leidt in korten tijd naar een viersprong in den weg van
Mengwi naar Koeta, recht uitloopende op de vow- malige poeri; rechts
waarvan weer woningen van de .djro's' lagen. Tegenover de poeri verhief
zich een wachttoren, en de fraaie poeri lag als gewoonlijk op een hoogte
achter den toren.
Onder den verzengenden vuurgloed werden de bataljons verza- meld, en
voort ging het naar de westelijk gelegen poeri van den tweeden Vorst van
Badoeng. Hier gaf bet gebruik van kanonnen onze troepen nog
gemakkelijker spel. De snelvuurbatterij op den weg van Dèn Pasar
opgesteld, bereidde den aanval op de poeri voor, en vele BaliËrs werden
reeds op groote afstanden neerge legd, waardoor meer slachtoffers werden
gemaakt Daarna kwam de infanterie aan de poeri, waarbij soms zwaar
gewonde geval- lenen nog hun laatste krachten bijeen raapten, om met de
lans in de hand verwoed te attakeeren. Een vrouw stortte zich als razend
op den luitenant van Mourik, die door een zijsprong haar steek kon
ontwijken ; een Balier vuurde een propvol geladen stuk af, dat sprong en
hem zelf verbrijzelde. Langzaam ging het voor- waarts, telkens wierpen
mannen en vrouwen zich in de bajonetten. Twee Baliers hadden zich
verdekt achter een muur opgesteld, stortten zich op een sectie fuseliers
die voorbij kwamen, en doodden twee hunner, vóor zij zelven werden
neergestoken. Van overgave was geen sprake, onversaagd schreden de ten
doode gewijden voorwaarts, tot de vuuimonden of geweerkogels hen
wegmaaiden.
Vele vrouwen en kinderen waren ook hier gekrist voör de aan- komst
onzer troepen ; ook deze poeri werd door den Vorst zelf in brand
gestoken eer hij haar verliet Men toonde mij nog, links van den weg des
doods, den heiligen sokoboom op een heuveltje van de begraafplaats, .semo',
waar de Vorst, Qoesti Ngoerah Pametjoetan, omringd van zijn getrouwen,
het leven zou laten. De boom onder wiens schaduw zich zulk een wreed
tooneel afopeelde, prijkt thans vreedzaam met zijn overvloed van oranje-
kleurige bloesems. De meesten hadden al loopende den dood gevonden, toen
zij zonder eenige voorzorg noch dekking inrenden op het moordend vuur
der moderne geweren. Eén vrouw, die 5 kogels in het lichaam kreeg, leeft
nog, doch in droefheid en armoede; een andere die er het leven afbracht,
juichte toen de cholera haar aantastte en deed bezwijken. In minder tijd
dan noodlg is om dit te beschrijven, was alles neergeschoten.
De Vorst werd op een vergulden zetel uit de poeri gedragen, terwyl
deze achter hem in vlammen opging ; meer dan 400 goesti's vergezelden
hem, behalve tal van andere volgelingen, groot en klein . In woeste
vaart renden de meesten op de vijand in, doch steeds kleiner werden de
drommen die zich in den dood stortten.
Aanvankelijk had de Radja het voornemen zich in de poeri te
verdedigen, doch ook hier moest hij, wijl de bevolking weigerde te
vechten, dit plan opgeven. De dood werd dus in het open veld gezocht, en
dan ook door bijna allen gevonden. Het ontzettend drama was trouwens
spoedig afgespeeld ; wat de wapenen gaar- den werd door het vuur
verteerd.
Het gelukte niet de poeri te blusschen; plunderende Baliers moesten
worden verdreven, en een kale vlakte, een ledige mod- derige plek, wijst
thans de plaats aan waar gedurende eeuwen de Vorsten des lands zetelden.
Alleen de fraaie wachttoren, geheel afzonderlijk van het paleis staande,
is nog bewaard gebleven ; al het overige viel der vernieling ten prooi.
Wat moet er op die ogenblikken wel zijn omgegaan in de harten van
officieren, die wisten dat hun taak eerst zou zijn afge- loopen nadat
allen het onderspit hadden gedolven, Standere bereid waren te overwinnen
of te sterven. Aller gemoed, van den hoogsten officier tot den minsten
fuselier toe, moet wel met deernis en afgrijzen zijn vervuld geweest bij
zulle een slach- ting. Des avonds na de overwinning werd geen juichtoon
ver- nomen; er heerschte neerslachtigheid In het kamp, en nu nog
ontlasten ooggetuigen hun gemoed, door te zeggen: „O, mijn Ood! wat was
dat een afschuwelijk en weerzinwekkend tooneel" .
De groote slag was geslagen; de onzen hebben gezegevierd, de vijand
is vernederd en vernietigd; de Vorsten zijn gevallen. En zoo vond de
geheele heldenscbaar den dood dien zij zocht.
Zóó vielen de laatste Vorsten van Badoeng, hun leven ten offer
brengende aan wat, althans in bun oogen, een strijd was in dienst van
het recht.
Wie op school en In boeken voor mannen als van Speyk eer- bied vraagt,
als voor helden waarop het Vaderland roem mag dragen, mag den tol van
zijn eerbied nooit onthouden aan deze helden, veel grootscher in hun
ondergang. Doch mijnerzijds, op die historische plekken staande, die mij
dat gansche tooneel en het geheele verloop van den twist voor oogen
tooverden.
Het aantal offers op dien enkelen dag, 20 September 1906, ge- vallen,
is niet nauwkeurig bekend. De schat het aantal dooden, voor dèn Pasar
alleen, op pl.m. 600; de telegrammen spreken van 400; „doch," zegt De
Locomotief van 22 Sept, „de officieele personen hebben echter goed
gevonden — evenals een jaar geleden te Badjowe (Boni) — bij den 400sten
dooden Balier met tellen op te houden; inderdaad zijn minstens 2000
Baliers gesneuveld." Een padenda te Dèn Pasar deelde mij mede, dat In
deze plaats alléén meer dan 800 Iqkeo, van den poepoetan afkomstig,
werden begraven en een ander Inlander schat het aantal dooden aldaar op
1000.
Voor de tweede hecatombe te Pametioetan, kreeg het Bat. Nld. een
opgaaf van 200 gevonden lijken; Nleuwenkamp deelt mede, dat de
officieren er 450, de Balèrs echter „zeven atak", dat is 7 maal 200 of
1400 opgaven, men kan dus veilig rekenen, dat deze geweldige executie In
massa het leven aan 1000 tot 1500 medemenschen heeft gekost; een
huiveringwekkend aantal .
De gewonde vijanden, die als door een toeval aan den dood ontsnapten,
werden door onze officieren van gezondheid U lefdeijk verpleegd. Reeds
den volgenden dag werden niet minder dan 170 gewonden op tandoes en
gedekt door witte vlaggen, naar het militaire hospitaal gebracht. Jammer
genoeg waren er in het bivak slechts 4 doctoren, die dus overmatig hard
moesten werken, en genoodzaakt waren de verpleging der Balische gewonden
uit te stellen, dan wel dezen slechts vluchtig te verbinden. In het ge-
heel werden er 200 geholpen, wier wonden soms vreeselijk waren, doch die
zich lieten snijden en kerven zonder een spier te ver- trekken, gelaten
en met groote oogen kijkende naar personen, die hen eerst neerschieten
en daarna trachten te genezen. Nu en dan ziet men bij hanengevechten en
wajangvertooningen nog man- nen die de litteekenen dragen van
kogelwonden ; en ik heb er één gesproken, die geheel ongedeerd door de
ambulance uit een ziel- togenden hoop werdd gehaald. Van het
Nederlandsche leger eischte deze bloedige dag slechts 6 dooden en eenige
gewonden. De zon neigde ten ondee, toen de troepen op de bivakplaats te
Dèn Pasar terug kwamen ; een vuurgloed gaf een rooden tint aan den hemel;
het wreede werk was volbracht „La nuit pleuraiti"
Het aantal lijken was zóó groot, dat men ze haastig in kuilen moest
stoppen en met kalk bedekken, te meer daar zij te Dèn Pasar een vol
etmaal en te Pametjoetan 2 dagen op den weg bleven liggen, waar zij een
ondragelijke lucht verspreidden. Uit de edele trekken en de vorstelijke
attributen, schrijft Jhr. Van Weede, kon men hun hooge geboorte afleiden
; de vrouwen echter vertoonden meestal een door haat en woede verwrongen
gelaat.
Het lijk van den Vorst van Pametjoetan werd herkend en mede- genomen
naar Dèn Pasar, waar het verminkte lichaam van den Vorst van Badoeng
zich reeds bevond. Beide lijken werden door de bevolking op plechtige
wijze verbrand, en enkele maanden later die der overige gevallenen.
Zóó eindigde bijna het gansche Vorstengeslacht van Badoeng; een
romantisch verleden verdween in bloed en vlammen, om zijn voltooing te
vinden in den Hemel, waar de voorvaderen hen wachtten. Wat hen dreef en
bezielde, zullen wij Wester- lingen - nooit begrijpen. Dit biyft het
groote geheim der ziel van den Aziaat, die wij nimmer vermeen te peilen;
zelfmoord als middel om onrecht te wreken, ligt buiten den kring van
onze levensbeschouwing. Door te sterven wilden zij hun beleediger
beschaamd maken, hem nadeel toebrengen in de toekomst. En werkelijk, ons
prestige is niet versterkt door deze bloedige zegepraal. |
|
 |
|
Het stoffelijk overschot van den Radjah
wordt in bamboe matten gewikkeld. |
|
F. DE HOUDING ONZER
TROEPEN. |
|
En thans nog een woord over de verdere houding der troepen, die hier en
elders op Bali wel wat te wenschen overliet, ondasks het meermalen
verstandige en humane optreden van den bevel- hebber der expeditie,
generaal Rost van Tonningen.
Zeer zeker, ook de Balieis hebben geroofd en gestolen, doch dat kan
onzen troepen niet tot verontschuldiging strekken. Hun plunderen van de
brandende poeri te Pametjoetan en die te Tabanan, door den Vorst
verlaten, is bereids vermeld. In Dèn Pasar zag men in elke verwoeste
woning, op elk geblakerd erf, troepen Baliers, de aschhoopen bedachtzaam
doorwoelen, begeerig naar gesmolten goud en zilver; dagen achtereen zag
men hen uit ds poeri aldaar, waarin de troepen gelegerd waren, onder
ieders oogen van alles wegsleepen. De uitgebreide inboedel van de poeri
te Tabanan werd athans publiek verkocht In dezelfde poeri zat van Geuns
„voortreffelijk schilderwerk", — waar is dat gebleven? In de geldkisten
werd merkwaardiger wijze geen goudgeld meer gevonden . De vreeselijke
ramp (21 Sept 1908), door het springen van het kruitmagazijn van G.
Djllantik te Karang Asem, welke onmid- dellijk het leven kostte aan 22
onzer soldaten, die deerlijk verminkt over 300 Meter afstand werden
weggeslingerd, was aan sommige hebzucht te wijten. In plaats van alles
in de rivier te werpen, zat men met messen te peuteren in de kruiken van
antiek Balisch maaksel, om deze na lediging mede te nemen; het kruit in
één dier kruiken ontplofte, de vlam sloeg in bet open vat . . . de rest
is bekend. Van de 60 personen, daar werkzaam, werden er 22 gedood en 25
gewond. Een genie-soldaat die daar goede makkers had begraven, kwam mij
klagen dat het kerkhof bij de pasang- grahan, waar deze slachtoffers
begraven waren, niet eens meer werd onderhouden en er nu een vuile stal
zou worden gebouwd. Van piëteit voor de dooden getuigt dit niet
Nog gedurende mijn reis was de bevolking niet best over de militairen
te spreken, die in desa's brandhout en logies rekvi- reerden, en dit wel
betaalden, doch eerst langen tijd daarna. Bq de landing te Sanoer werd
de woning van den Chlneeschen haven- meester direct in beslag genomen,
en dat maanden lang; toen hij er in mocht terugkeeren waren sommige
dingen beschadigd, andere vernield of weggenomen, doch schadevergoeding
heeft deze nooit kunnen krijgen.
Volgens Augusta de Wit hebben de soldaten van de expeditie van 1906
te Dèn Pasar, alle discipline ten spijt, bi] hun poging om de mooiste
borden uit te lichten, alles doen barsten en breken ; persoonlijk heb ik
hetzelfde op meerdere plaatsen gezien en daar- van foto's genomen.
Eenige mooie steenen beelden zijn door onze militairen aan gniizels
gesmeten; fraai snij- en beeldbouwweric (deuren, ramen, pilaren, lijsten)
werd in stukken gehakt of in de veldkeukens verbrand. Twee prachtige
deuren heeft Nieuwen- kamp nog juist gered toen men er een brug van
wilde maken, en nu behooren zij in het Museum van Leiden tot het
allermooiste van de zoo rijke Ball-collectle. In den tempel te
Pametjoetan vond ik alles gehavend, meer stukgeslagen dan er uitgehaald,
en talrijke sporen van het vandalisme waarmede daar oud-Chineesch porce-
leia werd vernield. Slechts wat te hoog hing om te bereiken, ontsnapte
aan de . Veel wandaden zijn natuurlijk onbekend gebleven en worden
zorgvuldig geheim gehouden, al mompelt men ter plaatse van een Europeaan
die gouden sieraden aan een Arabier verkocht, wat maar niet zoo
voetstoots mag worden geloofd. Groot waren de schatten in de poeri's en
na de poepoetans aangetroffen; o. a. krissen met 15 lange massief gouden
hindoebeetdjes met bril- janten ingelegd, kostbare kains en een keur van
wapenen. Alles werd „geïnventariseerd" *), dus zal wel in de Roema Gadja
op bet Koningsplein zijn te vinden. Soldatcnvrouwen pronkten met
goudstukken als kabajaknoopjes; sommige militairen beschikten over veel
geld, en de door den generaal verzegelde schatkist van den Vorst van
Badoeng is — naar het althans heet — niet onge- schonden Ingeleverd.
Deze treurige gebeurtenissen en vergissingen moesten hier wel worden
medegedeeld, om te wijzen op het onverantwoordelfike feit van een geheel
Vorstengeslacht in den dood te drijven, enkel en alleen op aanklacht van
een Chinees, wegens een diefstal van eenige rijksdaalders, waarvan de
onwaarschijnlijkheid ieder onpar- tijdlg beoordeelaar in het oog springt. |
|
Q. EEN FEEST DES VREDES. |
|
Op eenmaal dicht bebouwde, thans behoudens enkele warlngins geheel kale
vlakte, wezen bij mlln komst eenige loodsen, vladen en «rimpels op een
naderend feest: 31 Augu»his zou de verjaar- dag van H. M. de Koningin
worden gevierd In de hoofdplaats der tegenwoordige 'afdeeling Zuid-Bali.
Langs de hoofdstraat voor mijn pasanggrahan gelegen, heerschte een
druk verkeer ; talrijke fraai gekleede wandelaars kwamen voorbij, mannen
bereden nieuwe fietsen, en vrouwen menden vol zwier kleine karretjes,
waarin zij lachend heen en weer schommelden. Alles bewijzen dat er een
waar volksfeest werd gevierd.
Dagen te voren waren reeds poenggawa's uit verschillende districten
aangekomen, In schitterende kleeding, en met een helm- vormig verguld
hoofddeksel, dan wel hoogopstaande hoofddoeken, die echter den haardos
vrij lieten ; elk hunner van eenige volge- lingen vergezeld. De
Stedehouder van Gianjar, een Dewa,endie van Karang Asem Qoesti Bagoes,
bleven niet achter in deze uit- stalling van weelde, rijkdom en praal,
en nog minder de Tjokorda Oeboet. Enkelen hunner kwamen mij, als ouden
kennis, met han bezoek vereeren, en toonden met niet weinig trots een
lóis, schit- terend van diamanten, die eventjes ƒ 50.000 had gekost Van
af het naastbijliggende plein troffen de klanken der muziek en vroo-
lijke geluiden mijn oor, doch herhaaldelijk vestigde zich mijn oog op de
hooge verdieping van het logeergebouw der Vorsten, de „loteng", waar de
heeren Liefrinck en Schwartz over het lot der Radja's hadden beslist,
tenzij bevelen uit Buitenzorg hun de handen hadden gebonden.
Om half zes, bij zonsopgang, kondigden een kanonschot en het
trompetsignaal der pradjoerits het begin aan van dit vreedzame feest, en
weldra waren de vermaken, die meerdere dagen duurden, In vollen gang.
Spiegelgevechten werden gebonden, waarbij lustig de schoten knalden. Een
wedren tusschen paarden en een wedsMj'' van fietsrljders hadden eveneens
plaats, terwijl op een bloemen- corso wel 106 karretjes tusschen rijen
van vaandels door reden, wedijverend in smaakvolle versiering. Een goed
Chineesch vuur- werk had een daverend succes. Over de dansen en
dobbelspelen is reeds gesproken ; de zin voor humor en spot der Baliers
bleek uit het succes van een troepje dwergen met hun grimassen, Immi-
scbe gebaren en leuke samenspraken, waarbij het guische audi- torium van
mannen en vrouwen vaak schudde van het lachen.
In beschaafde wijze van feestvieren, zoo hemelsbreed verschillend van
de ruwe volksvermaken in Holland, doet de BaliSr allerminst onder voor
den Javaan. Jonge en mooie vrouwen, met naakt boven- lijf, bewogen zich
schuifelend tusschen de mannen ; van eenig inolest of onvertogen woord
geen sprake ; en geleidelijk kwamen de vrouwen, doordat de mannen haar
de beste plaatsen overlieten, in de voorste rijen te staan, wanneer er
een schouwspel te genieten viel. En wat in Europa ner^ns denkbaar is,
een volkomen ver- draagzaamheid tegenover andersdenkenden op
godsdienstig gebied, kwam hier op merkwaardige wijze tot uiting. Ais het
ware een symbool der nieuwe heerschers, werd op deten zelfden dag de
eeiste steen gelegd voor den bouw eener woning voor den assis-
tent-resident En daarbij zag men, n^enoeg te gelijker tijd, een
Brabmaansch priester gehurkt voor zijn altaar vol bloemen en vruchten
bij het geluld zijner schel ; een Mohammedaanschen voor- bidder met
heftig gebaar bij een afgesneden karbouwenkop dikiren en Koranverzen
opdreunen ; volgelingen van Confuclus klappers en voetzoekers afsteken
om de geesten te verdrijven. En allen baden op hi3nne wijze tot hun god
om voorspoed voor dit land en z^n bestuurders ; al die gebeden stegen
ten hemel zonder dat één enkele wanklank werd gehoord, terwijl de zoon
van den Christen-assistent-resident den eersten steen legde.
Gedurende de reeds aangehaalde mooie redevoering door den
vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag in zijn bureau gehouden,
was het een genot te letten op de aandacht waarmede die Balische grooten
naar die woorden luisterden. Op die stoere gezichten, sommige donker van
kleur, van die mannen waarvan velen de W-knoopen droegen op hun liaadje,
en die allen hun lange kris in den gordel hadden, las men duidelijk wat
er omging in hun hersenen. Zij begrepen den spreker blijkbaar volkomen,
en gaven nu en dan zachtkens blijk van instemming met zijn woorden. De
Stedehouder van Karang Asem sprak eenige goed doordachte zinsneden, die
van Gianjar woorden van minder betee- kenis, die den wrevel van Oeboet
opwekten.
Op dezelfde plek bijna, waar de vorige heeischers waren gevallen en
hun geesten nog rondwaarden, hadden nu nieuwe meesters het heft in
handen genomen ; zullen zij hun beloften Inlossen door geluk en welvaart
te verschaffen aan dit sympathieke volk In dit vruchtbare land? Zal
nieuw leven opbloeien uit de pulnhoopen, dan waren al die offers althans
niet doelloos gebracht, die stroo- men bloeds niet geheel en al
nutteloos vetpoten.
Doch zulke melankolleke l>eschouwingen kwamen waarschijnlijk onder
dit zorgelooze volkje slechts bij enkelen op. ,J)aar ginds onder de
wringins klonk vedel en trom, daar joelde en Icrioelde de vfoolijke drom,
doch — aan lieden en sterven dacht er geen eenl"
Het ligt in de gelukkige natuur van den BalISr, het kwade spoedig te
vergeten, zich neer te leggen bij het onvermijdelijke, wat hy een
beschikking der goden acht. Reeds korten tijd na den bloedigen dag, kon
een vreemd reiziger als Nieuwenkamp rustig overal rond trekken, werden
zelfs de troepen op klappers, riet- suiker en drinkwater onthaald. Bij
dit fypische volk huist geen wrok, wanneer eenmaal de beslissing is
gevallen; het is zóó vQand zóó vriend. Allerwege werden witte vlaggen
gehesdien, de laod- artMid werd hervat '), vrouwen ra kinderen trokken
weer naar de passan, de vuurw^wnen werden ii^eleverd en vernietigd of
tot ploegscharen hersmeed. De bevolking betoonde zidi vrede- lievend,
had geen vrees voor de troepen, hielp deze met leveran- ciCn en art>eid,
en duizenden gewapende Balièrs uit Kloengkoei^ en Bangli, vulden 17
October 1906 de straten en pleinen van Gianjar om hun eerbied te t>etuigen
aan de Nederlandsche Re- geering, zonder dat zelfs één enkele dweper
daarbij de nist verstoorde.
Toch werd deze een enkele maal verstoord. In 1906 heeft, in een paar
be^esas van Tatunan, het bloed gevloeid van eenige verdwaasden, die ons
garnizoen wilden overrompelen, gewapend met stokken en gewijde lansen.
Sagoeng Oewah, een halbuster van den laatsten Vorst, was de ziel van dit
opstoo^e, en bad dit gelast in naam der Goden, op straffe van booze
ziekten die zouden uitbreken. Elders werd uit een vrouw, genaamd Sagoeng
Waian, in onlKvlekte ontvangenis een zoon geboren, djro Djamt>é, die een
wedergeboorte zou wezen van Dewara Dewa, en die Bali zal bevrijden, doch
wiens verblijfplaats streng wordt verborgeo gehouden,
In 1906 moesten opnieuw troepen naar Zuid-Bali worden ge- zonden,
daar de ambtenaren, als elders vermeld, onlusten in ^i^ en Karang Asem
vreesden. In Badoeng en Tabanan, waar de Iw- votklng de vreeselijke
uitwerking onzer wapenen leerde kennen, schijnt ons gezag nog het
hectitst bevestigd. In Kloengkoeng irist een der prinsessen eenige
aanhangers te winnen, dodi bet bleef b^ offers en wierook, en de opstand
was voorbij eer hij t>^gonnen was; zij hadden aan de Godheid gehoorzaamd
door te willen vechten, en nu zij verloren hadden, mochten zij weer
tevreden naar huis gaan.
Darma besliste, zoo luidde het ook in Badoeng, toen het ge- weld
onzer wapenen had gezegevierd; „het was de wil van Babua Goeroe, dat
alles zóó is afgeloopen," en daarom legden zq er zicb kalm bij neder,
zonder morren, zonder wrok. Voor ons Wester- lingen is zulk „p^anistisch"
dulden niet voldoende; wij toetsen al onze daden en die onzer
Regeeringen aan de b^nselen van zedelijkheid en rechtvaardigheid. En
mochten de raachthebbenden in die dagen der Sanoerkwestle zich werkelijk
hebben vergist, al ware het in onwetendheid, dan moet hun wroeging
ontzettend z^n geweest, toen zij de gevolgen van hun optreden z^en, en
zich te verantwoorden hadden tegenover hun God of hun geweten.
Die kwestie is niet ten einde, meer licht in deze mag worden geSischt.
Want onverbloemd moet de vraag worden beantwoord: waren onze daden in
Bali, door imperialisten geroemd als „glorie- rijke bladzijden in de
historie", niet veeleer misdaden, l>eschouwd van het st^dpunt van
zedelijkheid, rechtvaardigheid en humani- teit? Om gegevens te
verschaffen bij dat geding, werden boven- staande regelen geschreven, al
zullen deswege de fiolen van veler toom weer over mijn arm hoofd worden
ui^estort. Wat sir Charles Dilke mij persoonlijk nog toevoegde, op het
Internationaal Con- gres tot beschenning van zwakkere rassen, te Londen
28 tot 30 Jun) 1910 gehouden, was steeds en zal altijd blijven mijn
leuze: „if we fail to denounce the crime, we become participatoTS in
it!" Wie de misdaad niet aanklaagt, wordt mede schuldig.
En toch, een aanklacht duif ik nog niet uitspreken, doch meer licht
moet er komen in deze zaak. Z^n er schuldigen, dan mogen dezen niet
onverlet worden gelaten ; zijn ze onschuldig dan moet dit worden
aangetoond; de Volksvertegenwoordiging moet hierbij it^jpen. |
|
EEN VERGELIJKING TUSSCHEN HET VREEMDE EN
HET INHEEMSCHE BESTUUR. |
|
La vérité, toujoun plus de véHtér JEAN FiNOT. L'agonte et la mort des
races.
Na een beschrijving van de toestanden in de verschillende
Vorstendommen van weleer, thans Landschappen van Zuid-Bali, en van hun
verovering gedurende de laatste jaren, is nog een algemeene bespreldng
noodig van de lasten in geld en in arbeid, die de Inlanders er vroeger
hadden en thans hebben te dragen. Aan het oordeel der Baliërs over die
gewijzigde machtsverhou- dingen, en de heilige plicht dien Nederland
zich daardoor op de schouders heeft geladen, dienen dan als slot dezer
opstellen nog enkele woorden te worden gewijd. |
|
A. DE BELASTINGEN IN GELD VOORHEEN EN
THANS. |
|
,Om herhalingen te vermijden is een korte opsomming der be- lastingen
gedurende den Vorstentijd in één der rijkjesb.v. Qianjar geheven,
voldoende om een algemeen oordeel te veilen.
In Qianjar kende men slechts twee belastingen, die op de sawahs en de
tolrechten ; geen andere *). De eerste .soewinih" genaamd (van ,winih"
d. i. zaad), was oorspronkelijk gelijk aan de gebruikte hoeveelheid
zaadpadi, doch werd later verdubbeld. Zwaar was zij niet, vormende
hoogstens 4 pCt. van de bruto- opbrengst, doch voor misgewas werd geen
afschrijving verleend; het collectieloon bedroeg ^^o daarvan, of 2 pCt.
van den oogst De tolrechten waren op de havenplaatsen Lebih en Ketewel,
te zamen verpacht aan één Chinees voor slechts ƒ4000 jaarlijks, daar de
invoerrechten zeer la^ waren, ongeveer 2 pCt van de waarde; van
petroleum werden b.v. slechts 200 kepeng (±; 30 cent) per kist geheven,
en van opium 500 kep. per bol. Als uitvoerrecht betaalde koffie^ ƒ 2.50
per plcol; rijst =100 kepeng; tabak, kopra en huiden = 200 kep. en de
overige goederen Vso hunner waaide. Daar thans voor Zuid-Bali bijna
alles over Soerabaja komt, dus vrij van invoerrecht is gesteld, kan de
weiicelijke opbrengst niet worden nagegaan, doch is deze t^enwoordig
zeker wel hooger. Voor Pabean Boeleleng althans bedroeg zij in 1910 niet
minder dan ƒ179.700. De douane-rechten, die voorheen aan de talrijke
grenzen der landschappen en soms van districten werden geheven, zijn nu
verdwenen; voor een beladen paard moest 25 kepeng, voor een pikollan 8,
en voor een vracht door een vrouw op het hoofd gedragen, 4 kepengs (± Vi
cent) worden betaald.
In Tabanan werd 1V> tot 3Vi cent van eiken klapperboom ge- heven,
ofschoon een opbrengst van 400 d 500 et geen uitzondering was. Ook de
koffle was er per boom belast, terwijl in Bai^fi daarvan uitvoerrecht
werd geheven, dan wel verkoop aan den Vorst verplicbtend was gesteld. De
Sjahbandar te Oedjoeng had van O. Djilantik een monopolie voor de
levering van klapperolie voor geheel Karang Asem gekregen, waarvoor hij
3200 pekoe dus ± ƒ800 jaari. moest betalen en de poerl Segara
onderhouden. De schatting in Kloengkoeng door de bevolking op te brengen,
was eveneens zeer gering; zij bestond uit eenige .boengkah" in geld
benevens een weinig kapas In natura.
Slachtbelasting was althans in Tabanan onbekend; bedrijfstK- lasting
werd alleen van Chineezen geheven. Uit de hanengevechten trokken de
Vorsten groote sommen, die ook nog thans worden betaald. In de behoeften
der dorpsgemeenschappen werd door heffingen in natura van klappers,
djagoeng, rijst enz., voorzien, doch dan alteen voor de gagah-velden,
daar sinds oudsher aan de Vorsten de sawah-belasting ten goede kwam, in
den vorm eener landrente nader te bespreken.
Een groot bezwaar gedurende den Vorstentijd was de onregel- matige
heffing ' der belastingen, waardoor de druk zeer ongelijk was, terwijl
bedrog dan wel knevelarij wel eens moesten voorkomen, die echter ook
thans nog niet geheel verdwenen zijn.
Sedert het oph-eden van het Nederlandsch bestuur wordt het invoeren
eener bedrijfsbelasting voor niet-inheemsche Inlanders (Javanen, enz.)
overwogen, benevens een heffing van winsten door Baliêrs buiten den
landbouw om verkregen.
De zoutaanmaak is nog vrij, en voor weinig geld kan de Inlander er
zich — geheel anders dan op Java — een fijn soort van dit voedingsmiddel
aanschaffen. Een zoutmonopolie werd bereids be- sproken, doch verdient
scherpe bestrijding, daar men aldus aan vele bewoners der dorre stranden
hun voornaamste bestaansmiddel zal ontnemen, en de verbruikers dwingen
slecht zout duur te betalen.
Ook het opium, als In hoofdst V sub. b aangetoond, komt met bijna één
millioen gulden jaarlijks de bewoners van Zuid-BaU veel en veel duurder
te staan, dan vóór onze komst aldaar het geval was. Alleen de winsten
door de Regeering op den verkoop van opium en door het heffen van
invoerrechten gemaakt, zijn reeds ruimschoots voldoende om alle
bestuursuitoaven voor deze afdeeling te dekken. Een slachtbelasting als
in Boeleleng wordt voor Zuid-Bali voorbereid.
De belasting op vruchtdragende klapperboomen was in de Vorstenlanden
heel wat lager dan op Gouvemementsgebied en — steeds vddr alles fiscaal
I — is reeds een voorstel ingediend om deze beffing te verhoogen tot een
punt waarbij de aanplant en het onderhoud dezer boomen nog geen gevaar
zou loopen. Deze .oepeti" (d. 1. huursom) wil het B. B. thans opvoeren
van 10, 15 en 20 tot 90, 120 en 150 kepengs. Voor Karang Asem alleen
wordt hun aantal op 570.000 geschat en zou dit jaarlijks onge- veer
ƒ80.000 meer opbrengen. Enkele ambtenaren zagen liever deze geheele
klassenlndeeling vervallen om een uniforme heffing van 4 pet der
opbrengs^ dus ± 16 cent per boom, in te voeren. De tegenwoordige heffing
is, vergeleken met die van den rijstbouw, laag, en verhooging daarvan
zou geen bezwaar opleveren, indien de meerdere gelden slechts den
inboorlingen zelf en niet de Rijkskas ten goede kwamen. Doch een
plotseling opdrijven eener belasting tot niet minder dan 17 maal de
tegenwoordige, zou onder de Europeesche landbouw-industriSelen op Java
tot een soort van oproer leiden. Op Ball verwacht het B. B. dat zoo iets
mogelijk is .zonder schokkende gebeurtenissen", en zal men daartoe dus
wel overgaan.
Van oudsher is de rijstcultuur een bron van inkomsten geweest voor de
Baiische Vorsten, door een zeker percent^e van de bruto-opbrengst te
heffen ; deze werd eens en voor goed geschat in .tanah-Winih", d. i.
bossen zaadpadi als éénheid. Daaronder wordt verstaan een
uitgestrektheid sawah, die bij goeden oogst 50 bossen padi oplevert van
een t>epaalde afmeting (ongeveer 165 kati bras) ; zij berust dus op
hetzelfde beginsel als de .djoeng^' op Java.
I>e belasting, die volgens de Baiische adat van rijst- velden geheven
wordt, bestaat uit twee factoren : 1 de .padj^' en 2 de „soewinih".
De padjeg (van «adjeg", d. i. vast) bedraagt een vast aandeel van den
oogst; de soewinlh is meer de vei^oeding voor het twvloeitngswater.
Van de gronden in erfelijk individueel bezit werd in Kloenkoeng, naar
de padenda mij mededeelde, alléén padjeg betaald, doch geen soewinih. In
Badoeng vroeg de Vorst van één tenah (4.500 v.M.) Jaarlijks gemiddeld
250 duiten (v. Höevelt) 1. c. p. 433) ; en verder waren de rijstvelden
in 3 tot 5 klassen verdeeld in verband met hun vruchtbaarheid.
Afschrijving wegens mi^ewas dan wel van wege het onbeplant blijven,
wordt thans ingevoerd.
De soewinih werd niet in natura, doch in kepengs betaald, en daarvan
nooit afschrijving toegestaan. Als maatstaf voor den aan- slag werd
echter niet de gebruikte hoeveelheid water, doch het numg effect daarvan
genomen ; zij bedroeg 100 keping per tanah winih, dus ongeveer 23 centen
per bouw. Ook waren daaraan enkele verplichte diensten ten bate van den
Soeverein verbonden. Domeingronden, „sawah droewe", en ambtsvelden
werden ter bewerking gegeven in deelbouw, zoodat door de gebruikers V»
tot */■ der opbrengst moest worden afgestaan aan de eigenaren. De
bewerkers hadden echter bet recht deze gronden te verpanden dan wel te
verkoopen, mits slechts aan het servituut werd voldaan : het was dus
meer een huursom voor het vnich^ebniik der sawahs.
Bij de Regeering schijnt het voornemen te bestaan een hotsere
landrente te heffen, die alsdan — volgens een globale raming — zou
stijgen in Kloengkoeng van 24.7 tot 24S duiz. gld. ; in Tabanan van
124.6 tot 154.6, en in Badoeng van 95.1 tot 125.3; of door deze 3
landschappen alleen van ƒ244.400 tot ƒ304.700, dat is met niet minder
dan ƒ60.300. In Karang Asem heeft sedert 1 jan. 1909 een .grondbelasting"
(tigasana) de soewinih en padjeg der kunstmatig bevloeide velden
vervangen, waarvoor de sawahs in 3 klassen zijn verdeeld, welke resp.
75—100 en 125 katis rijst per tanah winih moeten betalen, doch de
Stedehouder, poenf^wa's, padenda's en mantjas slechts de helft daarvan.
De betaling kan, naar keuze, plaats hebben in padi, rijst, kepengs of
Nederlandsche munt, en moet geschieden binnen 4 maanden na afloop van
den oorat; bij wanbetaling kan op de sawahs beslag worden gelegd.
Behalve de belasting op rijstvelden, kent men op Bali nog de reeds
vermelde ,pepitoean" van koffieboomen en de .oepeti" of huursom van
tuinen, klappers, tegallans enz., die daarvoor even- eens in 3 klassen
worden verdeeld. Voor verhoogtng acht men deze heffing, zoover de
tegallans betreft, niet vatbaar, daar deze reeds nu in de allerlaatste
jaren minder worden beplant en de neiging l>estaat ze geheel braak te
laten liggen, van wege den zwaren belastingdruk op den landbouw.
De aanslag voor deze belastingen geschiedt grootendeels in den blinde;
de registratie der sawahs en tuinen is nog geenszins vol- eindigd; bij
opmeting blijkt de oppervlakte in den regel grooter dan door oen Sedahan
was opgegeven. De bestaande landrente- kaarten werden opgemaakt door
meet-mantries, elders als onge- schikt ontslagen; d] verdienen dan ook
geen vertrouwen (Versl. Top. Dienst 1912, p. 161). De Gouv.
sawah-belasting was bij den aanvang van ons optreden een ware warboel ;
men sloeg nauwe- Iqks voor de helft der werkelijke waarde aan en Het
haar dan jaarlijks stijgen tot een billijke grens zou worden twreiict.
Men giste in den blinde, en waarschijnlijk blijft heel wat aan den
strijk- stok hangen; feitelijk neemt men aan wat de Inlanders gelieven
te storten. Gelukkig komt de eerlijkheid en de goede trouw van de
Balische landbouwers onze Regeering ten goede, en brengen z^ collectief
op wat zij meenen verschuldigd te zijn. De aanstel- ling van een
speciaal ambtenaar tot regeling dezer agrarische zaken en voor een
onderzoek naar de rechtmati^eid der domeingronden is dan ook noodig om
dit alles naar behooren te regelen.
Voor 1911 werd de opbrengst der tigasana en oepeti, benevens van de
petitoean geraamd voor Bangli op resp. ƒ 8.200 en 13.000, voor Oianjar
op ƒ68.000 en 5.800 en voor Karang Asem op 27 / 45.500 en 30,800, dus
voor deze 3 landschappen te zamen op ƒ 171 .300. Daarvan ^ng aan
collecteloon af een bedrag van ƒ 17.130, gevende netto ƒ154.170. In het
geheel werd van den landbouwer in deze afdeeling toen bijna ƒ 370.000
geheven. Thans zal dit wel meer bedn^en, al zijn In de begrootingstukken
daarover geen gegevens te vinden.
Ruw geschat bedraagt de geldelijke belasting per inwoner van Zuid-Ball
ongeveer ƒ2.50, minder dus dan op Java, doch zeer zeker niet
onaanzienlijk meer dan ten tijde der Vorsten het geval was.
De heerediensten bestonden voorheen in die voor het onderhoud en de
bewaking van poeri's, benevens koellewerk bij de Vorsten ; hiervan waren
in vele desas alle drie de kasten vrij- gesteld. Van de desadiensten tot
onderhoud van de wegen, tempels, bruten en badplaatsen, waren alleen de
Brahmanen vrijgelaten ; ten strijde werden allen opgeroepen met
uitzondering van de priesters, daarvan ook in Nederland vrijgesteld. De
soebak- diensten werden uitsluitend verricht in het eigen tielang der
land- bouwers, daartoe verplicht. In vredestijd, en deze was bereids
vöór onze expedlttfin van 1906 en 1908 ingetreden, waren de gevorderde
diensten weinig bezwarend, en lichter dan nu. Heere- dienstplichtig
waren alléén de sawahtKzitters; voor . den trauw of het herstellen der
poeri's moesten materialen worden geleverd in den vorm van brandhout,
bamboes en stroo. Ook het verbran- dingsfeest t>ehoorde tot de
gemeentediensten, met het onderhoud der t>egraafplaatsen, doch is meer
als onderling hulpbetoon te beschouwen. Alles te zamen schatte
Liefrinclf voor Bangli in 1876 de verplichte diensten voor Rijk en
gemeente op niet meer dan één dag per maand, zelfs nu nog voor een
Javaan een onbe- reikbaar ideaal.
Die bevoorrechting van den adel — welke soms moeilijk is na te gaan
en waarvoor In geslachtsregisteis van de ^den van Modjopahit af moet
worden gesnuffeld — blijft een onbil- lijkheid, die men wil trachten weg
te nemen.
Van de desadiensten wordt afkoop zelden, van soebakdiensten meer
toegelaten, waarbij het geld, in plaats van In de kas der soebak, wel
eens in die der bestuurders terecht kwam. In som- mige desa's rust de
dienstplicht op alle volwassen, werkbare en gehuwde mannen. De
desadiensten [E^en geheel buiten bemoeienis van het bestuur; van de
heerediensten leken de gehouden aan- teekeningen mij geenszins voldoende.
Door een verordening van 1 Jan. 1909 op de heerediensten, zijn voor
Karang Asem de vrijstellingen thans iMperkt tot de
gouvernementsambtenaren, de desahoofden, soebakbestuurders, tot de
erkende Inlandsche geestelijken en tempeldienaren. Behoudens bij rampen
of algemeen gevaar, mogen heerediensten slechts ge- eischt worden voor:
a. bruggen en wegen, b. bewaking van ge- bouwen en transport voor
gevangenen of brieven. Verder c. voor het transport van gouvemement^oederen,
voor het vervoer van personen en troepen en het snijden van gras voor
gouvernements- ambtenaren en Inlandsche hoofden op reis. De vroegere
diensten voor den bouw van woningen van Stedehouder, poeng^wa's en
man^as blijven gehandhaafd, evenals de levering van materialen daarvoor,
tot een maximum van 1 bamboe, 2 atappen en 5 para- steenen per
heeredtenstplichtige elk jaar. De diensten sub. c. ver- meld mogen
alléén worden gefiischt indien geen vrije arbeiders zijn te bekomen, en
moeten tegen een vas^esteld tarief worden betaald. De duur van een
arbeidsdag is op hoogstens 12 uur aan- genomen, het heen en weer loopen
naar het werk inbegrepen; moet worden overnacht, dan telt één etmaal
voor 2 dagdiensten. De diensten worden gelijkelijk verdeeld onder de -desa^
op den kortsten afstand, en die voor wegen en bruggen niet gevraagd in
tijden dat er werk voor den landbouw moet worden verricht of
godsdienstige feesten gevierd. De bevolking der desa's verdeelt
onderling de haar opgelegde taak ; met de gemeentelijke diensten heeft
het landsbestuur geen andere bemoeienis dan deze binnen billijke grenzen
te houden.
Dienstplichtig zijn alle werktKire mannen, hoofden van hui^;e- zinnen,
waarvan de „pengajah ladalem" (aan wie domeinsawahs worden afgestaan in
erfelijk individueel bezit) niet meer dan 50, de „pengajah bandjar", die
niet over zulke „petjatoe"-velden be- schikken, hoogstens 30 dagen
arbeids mogen verrichten.
Daar veel heeredienst noodig was voor den bouw van wegen, is de
dienstplicht steeds meer uitgebreid, en omvat hij !n Karang Asem 25.438
Balische gezinshoofden en 4.061 Mohammedaansche Sasaks. In Kloengkoeng
worden 30 heele of 50 halve dagen ge- eischt, doch geeft men soms veel
te zware taken, wat de waarde der officiCele opgaven over het aantal
dagdiensten vermindert Voor Badoeng is nog geen vaste regeling getroffen,
doch komt het neer op 36 dagen onbetaalden dienstplicht per jaar; in
bet^- streken is de druk daarvan veel zwaarder.
,3venals overal in de Buitentjezittingen," schreef mr. C. Th. van
Deventer terecht, „Is (ook op Bali) een onmiskenbaar streven waar te
nemen tot vermeerdering van heerediensten, en wordt van de bevolking
steeds meer onbetaalde arbeid gevorderd." Het aantal dienstplichtigen
werd vergroot, de gemiddelde hoofdelijke druk daar- van zwaarder,
verdubbelde zelfs In de laatste jaren >). Werden deze arbeidskrachten
nog doelmatig gebruikt, dan zou men zich daarbij
*) In de Kolon. VersL worden alleen de Terrlchte heerediensten voor
Boeleleng en DJembrana opgeseven; het aantal dienstplichtigen steeg In
deze afdeeling tusschen 1907 en 1910 met 24 pCt desnoods kunnen neerle^;en,
doch vele werken, in het belang der Inlanders noodig, bleven achterwege,
en van dwaze verspilling van werkkrachten moest ik meermalen staaltjes
vennelden.
In November 1911 hadden in de desa Batoer (Bangli) eenige
ongeregeldheden plaats (Kol. Verslag 1912 p. 45), in vertünd met de
weigering van de bevolking om heerediensten te verrichten. Toen het
betrokken distiictsboofd, trijgestaan door den mantri- politie, het
uitkomen van de heeredtenstplicbtigen gelastte, begaf zich eene groote,
met lansen en krissen gewapende menigte, voor- afgegaan door een vijftal
personen, in wie zoogenaamd de godheid was gevaren, naar de plaats waar
het hoofd en de mantri ver- toefden, om hen te lijf te gaan. De aankomst
van een onmiddellijk derwaarts gedirigeerde militaire patrouille deed
evenwel de be- volking terstond weder tot rust komen, terwijl de vijf
raddraaiers gearresteerd werden.
Ook naar verhooging van de belastingen wordt ijverig gestreefd,
waarvoor wij vroeger enkele bewijzen aanhaalden.
De „oerans", levering van hanen voor de klopbanen, zijn in K. Asem
afgeschaft, evenals de verplichte deelname aan deze ge- vechten op dagen
door den Stedehouder of poen^awa's ten hunnen bate vastgesteld. Wanneer
dit geschiedt ten bate van tempels of vereenigingen, moet eerst
vergunning worden gevraagd. Het gedwongen leveren van rijst, klappers,
kippen, eieren enz. „voor verbrandings- en andere teesten , is thans
verboden, even- eens als van materialen voor de „wadahs". Daarvoor zal
men voortaan zich vrijwillig moeten vereenigen bij wijze van onder- ling
hulpbetoon.
Gedurende 1910 tKstonden de Inkomsten der afdeellng Zuid- Bali in
hoofdzaak uit de volgende middelen:
Gerechtelijke boeten ƒ1500; opiumregie f 888.300; landrente,
belasting op de sawahs en oepeti op de tegalvelden en tuinen ƒ369.100.
Alles te zamen was dit bereids ƒ1.285.500, ofschoon de opbrengst der
invoerrechten en van de posterijen In 'slands kas te Singaradja worden
gestort. Deze bedroegen voor geheel Bali, resp. ƒ179.700 en ƒ278.000.
De opiumpacht schonk, voor Boeleleng alleen, gedurende 1901 ƒI02.2tö
aan de schatkist tegen een opbrengst van de opium- regie in 1910 van
ƒ241.800, dus 137V4 pCt. meer, wat niet voor de Indische Regeering pleit.
De tMvengenoemde ï^rarlsche l>e- lastlngen stegen voor die oude
gouvemementsafdeeling In dezelfde jaren van ƒ167.700 tot ƒ216.800, dus
met bgna ^ pCt Voor Lombok en het rechtstreeks bestuurd gebied der Resid.
Balt van 591 duiz. gl. In 1909 tot 1.008 millioen in 1912, of
meteventjes 70 */• in slechts 3 jaren. |
|
B. DE LANDSCHAPSKASSEN EN HET GEWESTELIJK
BUDGET. |
|
In elk der landschappen Ktoengkoeng, Bangli, Karang Asem en Gianjar Is
in 1906 een landschapskas opgericht, terwijl de vroe- gere rfikjes
Badoeng en Tabanan onder rechtstreeksch bestuur zijn gebracbt. De „commissie
van beheer" daarover bestaat uit éen Europeesch ambtenaar, den
Stedehouder en 3 poenKawa's, door bun collega's gekozen ; bij staking
van stemmen bKÜst de voor- zitter. „Administrateur" is de ass.-resident,
die minstens éénmaal per jaar de kas opneemt in bijzijn van 2 leden der
commissie; de controleur bewaart de gelden. Beter ware het dit laatste
aan een der poenggawa's over te laten, die dan (ons niet eig ver-
trouwende) zelf kon waarnemen waar de gelden blijven. De „be- heerders"
maken jaarlijks een begrooting van ul^ven op, door den resident goed te
keuren.
In beginsel wil men deze landschapskassen een restitutie doen betalen
aan het Rijk, voor kosten van algemeen bestuur, onderwijs en politie,
benevens een aandeel in de uitgaven aan tractementen en bureaugelden van
het afdeelingsbestuur. Gedurende 1911 werd als .restitutie-post" aldus
geheven ƒ25.050 — , daar er niet meer te halen was. Toch is het niet
billijk alle ui^ven voor dit algemeen bestuur door de Landschappen te
laten veigoeden, daar zoowel de controleur als de politie in zake den
aanslag voor de bedrijfs- belasting der Chlneezen, door de opiumregie
enz. meer rechtstreeks voor het Rp werkzaam zijn. Reeds nu drukken de
uitgaven voor het Inlandsch bestuur van wege het te groote aantal
districtshoofden zwaar op dit plaatselijk budget, daar ruim één derde
van alle ui^ven daarmede zijn gemoeid, en dus voor andere maatregeien
^en geld meer beschikbaar blijft. Van de ƒ 32.340 inkomsten van Bangli
namen In 1911 alleen de tractementen en persoonlijke toe- lagen van
Stedehouder, land^rooten en poeng^wa's bereids ƒ20.700, dus 64 pCt., in
beslag. Voor Karang Asem waren die zelfde cijfers ƒ135.320 en ƒ2.800 of
47 pCt., en voor Gianjar ƒ174.960 en ƒ60.910, dus 40 pCL De persoonlijke
schadeloos- stelling der bestuurders voor de overname van vroegere
rechten mag niet worden „vermengd" — aldus Bijblad n^ 6672, als ,4^iddraad"
ul^evaardlgd — „met de gelden der onderafdeelines- kassen," waaraan
thans niet meer de hand schijnt te worden gehouden.
Een groot voordeel van de invoering der Landschapskassen, was de
meerdere spoed, waarmede tot nuttige uigaven kan worden besloten, en
waarbij het getreuzel van het departement der Bnrgerl. (^Knbare Werken
een sterk contrast vormde. Door de ingewik- kelde administratie (Nov.
1911 nog juist in de Tweede Kamer er doorgesleept), doch de op Bali
blijkbaar reeds haar schaduwen vooruit wierp, is die coulante wijze van
handelen alweer verdwe- nen en heef^ voor de zooveelste maal, de geest
van centralisatie en de bureaucratische sleur tot ramp voor Indifi
gezegevierd. De Landschapskassen dreigen aidus een middel te worden om
de centrale schatkist eensdeels te ontlasten van onvermijdelijke uit-
gaven, anderzijds haar inkomsten te stijven. Imperialisme en het>- zucht
zijn nu eenmaal onafscheidelijk aan elkaar verbonden.
Men moet, aldus de redeneering, Nederlandsch-Indi£ beschou- wen als
een geheel, waarvan de rijke gebiedsdeelen als Bali ■) in beduidende
mate moeten bijdragen in het tekort der huishou- ding van zoovele armere
streken in onzen Archipel. Voor de „^gemeene bestuurkosten" van Ned.-lndie,
die bij voorloopige becijfering hef „onverwachte cijfer van ƒ57 millioen
gaven," moet dus het pas veroverde Bali opdokken, dat zonder ons
geweldadig ingrijpen daarvan bevrijd ware gebleven I Is dat ook een der
„zegeningen" van het Nederiandsch bestuur, welks naam Is: „schrielheid
en hebzucht"? Bali moet en zal dus een overschot opleveren, een „batig
saldo" hoe ook verkregen, en daarmede betalen de Baliers dan de „Hooge
Regeering" en „Hooge Colleges" van Westerlingen, een leger dat hen
onderwierp, en een dure vloot, welke het Nederiandsch bezit moeten
beschermen ten koste van de nooddruft der inboorlingen *).
„Indien de middelen der Landschapskassen zulks niet toelaten," aldus
Bijblad n<>. 6672, „kan voorloopig met de restitutie van een deel worden
volstaan (hoe liefl), doch dan tot een bedrag door de R^eering vast te
stellen." De directe belastingen, aldus gaat dit merkwaardig stuk verder,
zijn immers ,niet voor de Zelme- sturen die ze inden, doch behooren aan
het Oouvemement, dat daaraan een bestemming kan geven, ook al eischte
het deze gelden niet op."
De „andere uitgaven" der Landschapskas kunnen dan — als er wat
noemenswaard overblijft — worden gebruikt voor de inrichting van het
Inlandsch bestuur en het Inlandsch onderwas, voor den geneeskundigen
dienst, den binnenlandschen postdienst en voor openbare werken, benevens
voor landbouwcredlet, plant- materiaal en afschaffing van heerediensten,
enz. Wat daarvan voor Zuid-Ball terecht komt — en elders in de
Buitenbezittingen is het niet beter — zal zoo dadelijk blijken. Tot
behartiging der belangen van de Inlanders blijft al bitter weinig over,
en van .opleiding tot werkelijk zelfbestuur", in datzelfde Bijblad
beloofd, evenmin. Doch alleen uit de invoerrechten en de opiumregie
trekt het centrale bestuur uit Zuid-Bali jaarlijks bruto 1200 duizend
gulden '), waaraan wel een netto-winst van ƒ8 k /900.000 zal verbonden
zijn.
In Bangli, Karang Asem en Qianjar werden in 1911 (blijkens K. V. 1913
bijl. A) uit de Landschapskassen onder het hoofdstuk Justitie uitgegeven
resp. /3.190, ƒ10.690 en ƒ6.800; voor onder- was en geneeskundige hulp (vooral
de vaccine) ƒ360, ƒ710 en ƒ600 (samen 0,4 'jo van het budget) ; voor
landbouw, nijverheid en handel ƒ0, ƒ22 en ƒ0; voor diverse openbare
landschaps- werken ƒ2.500, ƒ41.630 en ƒ13.240; voor de bedrijven ƒ O, ƒ
1340 en /O, waar tegenover enkele kleine winsten staan voor verhuur van
landsgebouwen enz. Duurder was in I9I1 het Inlandsch be- stuur met
ƒ21.100, ƒ63.310 en ƒ59.150, waarvan de drie Stede- houders resp. ƒ6000,
ƒ30.000 en ƒ20.060 innen ���)• De totaal- ui^ven onder dit hoofdstuk
voor de 3 landschappen van ƒ 142.560 werden bijna opgewogen door de som
der opbrengsten van tigasani, oepeti en petitoean (resp. ƒ21.200,
ƒ76.300 en ƒ73.800) ad ƒ171.300. Van de andere ontvangsten vormen de
schadeloos- stelling wegens de overname van pacht en tolrechten,
bedragende ƒ10.992, /57.622 en ƒ37.510, het leeuwendeel, waarbij voor
Gianjar, wegens den bouw van nieuwe werken, in 1911 nog een renteloos
voorschot van ƒ62.800 door het Gouvernement is te voegen. De inkomsten
en uitgaven dekken zich aldus voor Bangll met ƒ45.993, voor Karang Asem
met ƒ150.975, en voor Gianjar met ƒ235.119.
De restitutie-sommen voor het algemeen bestuur, de politie en bet
onderwijs, hadden in 1911 moeten bedr^en voor Bangli ƒ6.600, waarbij dan
nog komen ƒ3.450 als aandeel in de kosten van het afdeellngsbestuur; te
zamen was dit dusyi0.050.
Voor Karang Asem werd aldus ƒ34.250 en voor Gianjar ƒ 37.360 berekend;
doch daar de kassen dit niet toelieten, is van deze 3 landschappen
slechts ƒ250, ƒ12.000 en ƒ12.800 ingehouden, dus in het geheel ƒ25.050,
waardoor de begrootingen zonder tekorten konden sluiten.
In het belang van Gianjar zelf zijn boc^tens te rekenen de ui^ven
voor het Inlandsch onderwijs en het Europeesch bestuur ƒ9.980, met die
voor de opiumpolitie en de gewapende politie ƒ2.400 + ƒ 14300 of alles
te zamen ƒ 26.680. Dit zou meer wezen dan het restant der ontvangsten ƒ
103.600 na aftrek van de ult-
') De oplumre^e levert daarvan 900 dulz. gld., en een jaariQksche
invoer- waarde van 10 mlllloen (waarvan gemiddeld 3 pCt Invoerrecht
wordt ge- heven), nóg eena 300 duizend gld.
■) Wat hier beet ,bez(ddlging en persoonlijke toelage", ia feitelijk
niets anders dan de schBdelooisteriInK voor belastingen door het Oouv.
overge- nomen, waardoor Oeboet / 21.410 laarlijki krijrE, dat Is meer
dan alle andere (dertien) poenggawa's van Olanjar te zamen, ole ƒ 19.400
trekken, e» feltelQk met een traktement van ƒ 50 tot ƒ ISO te karig
worden betaald. gaven ƒ85.600, gevende slechts een saldo van ƒ18.000,
teiwQl Karang Asem en Bangli nog schraler bl] kas waren.
Voor de assistent-residentie Zuid-Bali werden in de rijkskas te Dèn
Pasar in 1 91 1 ontvangen ƒ 1 .285.500 en uitgegeven ƒ657.200, dus een
restant gevende van ƒ628.300. Daar de posterijen haar inkomsten te
Singaradja moesten storten, is een zuivere be- rekening onmogelijk, doch
telt men beide kassen, dus te Dèn Pasar en Singaradja bijeen, dan komt
er door deze laatste kas nc^ een bate bij van ƒ 1.040.000 min ƒ 473.000
= ƒ567.000, gevende met het vorige een voordeelig saldo van (ƒ1.195.300)
bijna 12 tpn gouds, waarbij van militaire uitgaven geen sprake is. Het
blnnen- landsch bestuur kost dan ƒ 466.000, tegen ƒ14.600 voor het
geheele onderwijs, ƒ 7.600 voor landbouw, ƒ 1^.400 voor openbare werken,
en ƒ49.600 voor justitie, wat geen ratloneele verhouding mag worden
geacht.
Van een behoorlijke opvatting der regeeringstaak getuigt dit evenmin. |
|
a HET INGRIJPEN DER INDISCHE REQEERINO. |
|
Nederlands gewapend Ingrijpen kan ddn slechts een schijn van recht
vinden, Indien daarvan voor het volk zegenrijke gevolgen worden
verkregen, die langs vreedzamen weg niet bereikbaar waren. .Al heel
spoedig," zoo luidde het in de Indische Gids van Juni 1906, «zullen
toestanden geschapen worden, hemelsl)reed afwijkende van de thans
bestaande; zullen onderlinge oorlogen (die er niet meer voorkwamen) ui^esloten
zijn, landbouw en nijvertield zich ongestoord kunnen ontwikkelen; zullen
scholen opgericht worden, en zal het mindere volk op een onvertt^n
rechtspraak kunnen rekenen" *).
Dit was nog toekomstmuziek. Meer positief uitte zich de Minister, in
zijn Mem. van Antw. voor de Indische begrooting van 1909 p. 32, waar het
heette : .na ons gewapend opdeden op Ball kan dan ook worden gewezen op
allerlei van bestuurswege getroffen maatregelen, die den toestand van
land en volk ten goede zullen komen ; geen aanmatigingen van
zelfbestuurders meer, geen eigen- dunkelijke beslechting van geschillen
over grenzen of irrigatie- water, maar opvolging van de beslissingen van
het Europeesch en geo^aniseerd inlandsch bestuur, dat reeds veel
medewerking verleent Aan slaven en pandelingen is de gelegenheid geopend
om zich gemakkelijk vrij te koopen, overal zijn wegen aangelegd of
verbeterd, irrigatiewerken hersteld en het sawafabestuur en het
soebakwezen geordend." Dit klinkt reeds bescheidener. Van land- bouw en
ondenvjjs wordt gezwegen; en wat hier gezegd wordt van wegen en
irrigatiewericen, mag alleen met een korrel zout worden aanvaard, zooals
uit de voora^aande artikelen meer dan voldoende is gebleken. Het noodige
geld wordt onthouden, des- kundig personeel ontbreekt, en het
leeuwendeel der lasten wordt door de bevolking zelf gedragen. De
verkregen resultaten beant- woorden dan ook geenszins aan de met zooveel
klem afgelegde beloften. Er is integendeel schreiend tiehoefte aan
bevloeiings- werken, aan scholen, aan landbouwonderricht, aan
geneesicundige hulp, in één woord: aan alles wat de economische
ontwikkeling en tevens de welvaart der bevolking rechtstreeks ten goede
komt.
In de jaarverslagen heet ,de economische toestand goed", ,van gebrek
is geen sprake"; er wordt zelfs padi gespaard om zaad te hebben voor de
volgende oogsten. Dit is Juist, doch niet te danken aan ons ingrijpen,
daar de Balifir reeds van oudsher, eer nog ooit één Nederlander er voet
aan wal zette, op meer welvaart kon bogen dan wellicht welk gewest ook
in den Indlschen Archipel. .Daar wast overvloedig veel r^st," schreef
reeds Comelis Houtman in de XVlIe eeuw. Het .Dagverhaal eener reis over
Ball in 1856", spreekt van de „meerdere gegoedheid der bewoners" (p.
427), van een .welvarend land"; en van der Tuuk (in 1874) van een .bevolking
hoe welvarend ook", die wel eens bezoekingen van hoogerhand had te
verduren, doch wist te boven te komen. Van hongersnooden, als nu en dan
eenige streken op Java teisteren, heb ik trouwens nergens iets kunnen
vernemen. Dr. van HoSvell wijst erop dat .de mededeelingen der Regeering
steeds gewagen van een merkaardig voorui^iande beweging" van de
bevolking, .wier welvaart (Kol. Versl. 1875) gaandeweg toeneemf', wier .veestapel
in een bloeienden toestand verkeert", en die „zelf de vruchten plukt van
haar arbeid en nijverheid" '). Rouffaer is, na het bezoek van
Nieuwenkamp, opgetogen over .die mooie wel- vaarf ' der BaliSrs, echter
geheel buiten ons toedoen verkregen. Juist het landschap Boeleteng, waar
wij het langst het heft in handen hadden, is een der minst welvarende
van alle, en is didr rijstinvoer noodig om tn de behoeften des volks te
voorzien. De handelsbalans kan een vergelijking met ons Java schit-
terend doorstaan.
Voor geheet Bali bedroeg de totale invoer in 1910 7.560 en de uitvoer
7.980 duizend gld., dus samen nilm 15Vi millioen voor minder dan 1
millioen inwoners, of ruim ƒ15 per hoofd van bevolking. Voor Java zou
dit een totale handelsomzet van ƒ520 millioen geven, terwQl die toen
(1910) 479 mill. bedroeg. En let men dan er op, dat van den uitvoer op
Java, minstens voor twee derden (suiker, tabak, tbee, koffie enz.) door
Europeanen geschiedt, terwijl deze op Bali geheel en al (rijst, koffie,
katjang, kopra) in handen is der inboorlingen, dan behodt het geen
verder betoc^ in welk land de voortbrengselen van den bodem het meest bq-
dragen tot de welvaart van zijn tKwoners. |
|
D. HANDHAVING VAN HET INLANDSCHE BESTUUR. |
|
Dit beginsel, wat bet glanspunt uitmaakte der Nederlandscbe koloniale
politiek en steeds meer door andere koloniale mogend- heden als
richtsnoer wordt genomen, loopt door de nu heerschende strooming in
imperialistische richting, zelfs voor een land als Bali, ernstig gevaar.
Badoeng en Tabanan zijn tiereids onder .recbt- streeksch bestuur"
gebracht, Kloei^koei^ evenzoo; en van wege het, zoo centralistisch
aangel^d, bureau voor de Buitenbezittingen, streeft men er naar Bangli,
Qianjar en Karang Asem te doen volgen.
Door de uitroeiing der Vorstengeslachten van de drie eers^e- noemde
rijken, kon het rechtstreek«;h t)esturen tijdelijk onvermijde- lijk zijn,
doch om na eenigen tijd uit de meest invloedr^ke mannen weer een
Stedehouder te kiezen, aan wien men — mits onder controle — dan gerust
een ruime bevoegdheid kan schenken. In de drie laatstvermelde Rijkjes
is, onder leiding van het B. B., aao de Stedehouders, .wakils", tot op
zekere hoogte zelfbestuur ge- laten; zij werden als zoodanig door de R^eering
resp. aangesteld in de jaren 1906 en 1909; O. Djilantik in 1896.
later(28 Dec 1906) opgevolgd door zijn neef Goesti Bagoes Djilantik.
Thans spreken adviseurs der Regeering van deze zelfl>estuieD als te
verkeeren in een „algemeen door de Regeering veroordeelden toestand,"
waarom slechts ,een gunstig oogenblik^' moet worden afgewacht (dan wel
geschapen?) om het rechtstreeksch t>eshiur in te voeren, waartoe bij de
R^eering het voornemen sch^nt te tKsfaan. De domeingronden vervallen dan
aan het Gouvernement; deze landen zijn rijk genoeg om de (zooveel ho(^erel)
kosten van een zuiver Europeesch bestuur te dr^en ; de toestand is nu
van dien aard dat het veilig kan geschieden — waarom dan deze „Stedehouders"
nog langer gehandhaafd? aldus oordeelen enkde mannen, voorstanders der
onbeperkte uitbreiding van Nederiands rechtstreeksch gezag.
In Karang Asiem is de Djllantlk-familie zeer gezien b^ de be- volking;
de jonge Stedehouder is vol ijver en belai^telUng; dijr aarzelt men nog
hem zQn hoogere positie te ontncmcD en eenvoudig den trotschen BallSr
tot Nederlandsch ambtenaar te verlagen. In Glanjar is de Stedehouder
niet bemind, dus kao men hem nopen zijn ontslag te nemen en den contn^eur
met bet stedehouderschap iKlasten, wat bl^ldiaar — na het overlqden van
Dewa Qedeh Tangkeban in 1911 — voor Bangli werd overwogen, doch niet is
gescliied al is de aanstelling slechts „tijdelijk" geweest
Voor Tatiaiian, waar geen „poepoetan" plaats greep, bleven de
poenggawa's als zoodanig gehandhaafd ; voor Kloengkoeng werden de meest
invloedrijke personen daarvoor aangewezen, doch allen staan rechtstreeks
onder den controleur. Toch voelen deze reeds nu de wenschelijkheid om
één landschapshoofd aan te stellen, waarvoor in Bangli op Kaleran, voor
Qianjar op den zoon van Oeboet de aandacht ware te vestigen, om van den
invloed en het prestige hunner namen voordeel te trekken. Aan het niet
langer te handhaven „metila-stelsel", waardoor soms in ééne desa 10
poenggawa's onderdanen hadden, is thans een eind gemaakt en de
territoriale administratie doorgevoerd.
Nog andere wijzigingen van het bestuur zijn op til. Het aantal
districtshoofden is immers veel te groot; de Vorst stelde soms op één
plaats twee poen^awa's aan, om elkander op de vingers te kijken en hun
invloed te fnuiken. Dit zijn geen voIIk- hoofden, doch ambtenaren van
den Vorst, die niet eens over een aderend gebied heerschten. Alleen in
Badoeng en Tabanan denkt men hun aantal van 26 tot 12 te kunnen
terugbrengen, en voor Karang Asem met 10 te kunnen volstaan. Zij woonden
vaak ver van de desa's waarover zij gezag uitoefenden, waarom zij zullen
verplicht worden in hun district te gaan wonen. Aan de wille- keurige
verdeeling in onderdistricten en het bijeenvoegen van meerdere desa's
onder één hoofd, waaraan meermalen poen^awa's zich schuldig maakten, zal
nu een eind worden gemaakt Door ontslag bij plichtverzuim dan wel door
afsterven hoopt men tot een normaal aantal districtshoofden te komen.
Speciale ambte- naren zijn echter voor deze ingewikkelde regeling noodig,
en dus — moet weer op Europeesch personeel worden gewacht
Trouwens, op Bali ontbreekt reeds een voldoend aantal gewone
bestuursambtenaren; met één resident één assistent-resident en 5
controleurs ican voor dit eiland, waar nog zoo veel te doen over blijft,
geenszins worden volstaan. De con&oleurs B. B., t>elast met den bouw van
wegen, bruggen en gebouwen, met rechtspraak en agrarische zaken, zQn met
werk overstelpt en missen zelfs een voldoend klerkenpersoneel.
Een vaste bezoldiging der poei^awa's mag verder niet achter- wege
blijven. Er worden aan deze ambtenaren zwaardere eischen gesteld van
ijver en bekwaamheid dan ten tijde der Vorsten het geval was; hun gezag
was voorheen gerii^, daar zij geheel van de Vorsten afhankelijk waren.
Dit alles moet veranderen, en althans voor de opvolgers moet er aan
opleiding worden gedacht Schrijvers moeten bun worden verschaft die hun
het zoo ongewone bureau- werk uit handen nemen. De maandelijksche
vergaderingen der
hoofden, de «tangkepans", kunnen opvoedend werken, en dan schijnt
onder ben voldoende materiaal aanwezig om daaruit flinke, geschikte en
volkomen vertrouwbare districtshoofden te vormen. Mits met betere
bewapening (dan de tot karatrijn afeezaagde Beaumonts, die voortdurend
reparatie eischen), en goede Euro- peesche instracteurs, zullen de
pradjoerits weldra voldoende z^n om de orde en veiligheid te handhaven.
Het veelvuldige transport- loopen, soms een volle maand lang, dient
echter te wo^en beperict
Doch de hoofdzaak waarom het gaat is: of de toestanden, vóór ons
gewelddadig ingrijpen, wel werkelijk zoo slecht en onduld- baar waren,
dat daarvoor de Vorsten moesten worden ui^roeid en aan de
zelfbestuurders hun laatste macht ontnomen. Zeker, wreedheden zijn wel
eens voorgekomen, doch deze kwamen ook wel voor onder de schaduw onzer
Nederlandsche vlag. De Vorsten van Badoei^ vooral werden als doortrapte
knevelaars gebrandmerkt, doch als feit zag ik alleen het stelen van een
mooi paard te Sanoer vermeld. En daar tegenover zou ik een volkomen
geliiksoorüg feit kunnen aanhalen, benevens erger: ontvreemding en het
ontnemen van gronden, slechts korte jaren geleden en ni^
door BallSrs gepleeed Ergerlijke staaltjes van listigen roof
door een onzer Se&han agoengs en andere feiten zijn hiervo- ren reeds
vermeld. Knevelen doen nu nog sommige poen^awa's en vooral onze
Javaansche oppassers, waarvan o. a. één alle varkens die langs den weg
Hepen, deed oppakken en verbeurd veridaren.
Handhaving, zoo trouw mogelijke handhaving derBalische
bestuursorganismen, die zoo veel goeds bevatten en van eventueele
misbruiken kunnen worden gezuiverd, dient dus op den vooigrond te staan.
Op Bali als elders zullen verouderde adats en gebruiken van zelf door
nieuwe worden vervangen, zoodra werkelijk de behoefte daaraan blijkt;
elk bruusk ingrijpen zou slechts verkeerde gevolgen hebben en de
bevolking innemen tegen ons bestuur. De inheemsche wetten zijn in veel
opzichten uit- stekend, en het levende volksrecht bleek voor
ontwikkeling in de goede richting vatbaar. „Het nieuwe bestuur
eerbiedigde dus de Lands-instellingen" (Liefrinck's Nota van 1889, p.
36^.
Onder de Balische hoofden is duidelijk meikbaar het ernstige streven
om hun plicht te vervullen; thans meer vrij in hun be- weging, reizen z^
rond om hun district beter te leeren kennen; met prijzenswaardigen ijver
vervullen zij hun nieuwe taak, ondanks hun verlies aan diverse inkomsten,
hun vroeger toegekend.
Voor vereenvoudiging is het desabestuur vatbaar door het samen-
brengen van wijken, „bandjars", onder één pembekel, doch men tome niet
aan de groote macht op Bali aan desa- en soetxwk- vereenigit^ toegekend.
Bezoldl^ng der desaboofden, waarb^ is Ie letten op den omvang van hun
gebied en het zietental, mag dan evenmin achterwege blijven. Een
Regeering die honderden menschenlevens offerde, naar het heet ten bate
van de bevolking, niag immers voor de uitgaven van enlcele tonnen gouds
voor dit dod niet terugdeinzen.
bi hoeverre de BaliCrs zelf, aan wie wij de «zegeningen van ons
Bestuur" zoo hardhandig opdrongen, daarmede ingenomen zi}n, mag ook wel
eens worden overwogen. |
|
E. HET OORDEEL DER BALIÊRS OVER HET NEDERL.
BESTUUR. |
|
Een beslissing daarover is niet doenlijk; de levensbeschouwing en de
gedachtengang van Oosterling en Westerling loopen daar- voor te verre
uiteen. De populariteit van een Besbiur te schatten is de openbare
meening te peilen, en daarvoor t>estaat in Nederl.- Indie geen enkel
middel. De Inlandsche pers vert^enwoordigt slechts de inzichten van
enkele intellectueelen, en schittert op Bali door haar volslagen
afwezigheid. Tot uiterlijk betoon is dit volk niet spoedig geneigd;
slechts weinig Europeanen verstaan zijn taal, en dan komen zij nog maar
zelden in aanraking met den gewonen man, die de volksmassa vormt.
Gezonde gevolg- trekkingen te maken omtrent zulk een ingewikkeld
vraagstuk als de gevolgen van het Nederlandsch Bestuur, ligt voor
verreweg de meeste BaliSrs buiten den kring hunner waarneming, nog meer,
laat hen bijna volkomen koud.
Wat voelt de Baliêr voor de .zegeningen van ons Bestuur"? Het in
besli^ nemen van vrouwen door de Vorsten en grooten komt nu rechtstreeks
wel niet meer voor, doch werd, bij dit los- bandige volkje, wel met een
anderen en lichteren maatstaf gemeten dan de onze zou wezen, in Europa,
waar het goud in dit opzicht van grooter invloed is dan vorstelijke
willekeur. De misdaad wordt minder zwaar, althans minder bloedig
gestraft, doch het aantal gestraften is ontegenzeglijk veel grooter
geworden. Kne- velarij heeft een minder brutalen vorm aangenomen, doch
zou — bij Invoering der Europeesche industrie, in den vorm van uit-
buiting van den Inlander en zijn toenemende proletariseering — langs een
omweg herleven.
Dieper dan dat alles moet en zal de Baiifir voelen de hoogere
belasting in geld en den zwaarderen dnik der heerediensten, waaraan soms
kinderen deelnemen; lasten, niet opgewogen door betere geneeskundige
hulp, vermeerdering der irrigatiewerken, noch door het oprichten van
talrijke scholen, waarin aan den land- bouwer een voor hem doeltreffend
onderricht wordt geschonken.
In zulk een agrarische maatschappij hangt het geluk en de welvaart
van den Inlander bijna geheel af van den aard van het grondbezit, van de
opbrengst van den bodem, en van het stelsel der belasting die van den
grond wordt geheven; daarin brachten wij tot heden toe verandering noch
verwtering, en zat het zelfs raadzaam zijn in de aloude en beproefde
regelingen zoo min mogelijk wijziging te brengen. Slechts aan alle
willekeur en onbe- stendigheid kïui en dient een eind te worden gemaakt
Waren enkele Voisten op Bali wel eens gehaat van wege hun begeerig- heid,
en werden zij door hun volk veriaten toen zij in den strqd het onderspit
moesten delven, een gelijk lot zal ons deel zijn, indien wij er toe
mochten overgaan van den Üjdzamen Oosterling een te zwaren onbetaalden
arbeid en te hooge geldelijke offers af te persen.
Het verbod der weduwenverbranding, een uiting van bun gods- dienstig
geloof, zal de BaliCr om de vermelde redenen geenszins rekenen tot ,de
onberekenbare weldaden" van ons optr^en. Om te weten In hoeverre de
Ballërs zich gelukkiger achten onder een bestuur, een rechtspraak en
wetten ingericht naar Nederlandsche begrippen, dan wel onder de
heerschappij van hun eigen, onaf- hankelijke Vorsten, mag men vooral het
verschil van volksaard tusschen overheerscher en onderdaan nooit uit het
oc^ veriiezen. De repubükeinsche dan wel democratische geest der dorps-
en waferschapsinstellingen dreigt door den invloed van vreemdelingen te
worden gefnuikt, zoo niet ui^ebluscht, een fout die zich een- maal
bitter zou wreken.
Toen de Engelsche regeering den moed had een onderzoek in te stellen
naar „the Comparative Merits of British and Native Administration in
India" (1867), duriden Europeesche ambtenaren onbewimpeld als hun
overtuiging beweren : dat .het bestuur van inlandsche Vorsten voor den
Oosterling aanlokselen heeft, die door geen Europeesch gezag, hoe zacht
en mild ook ui^eoefend, vergoed kunnen worden." *) Lijnrecht tegenover
de loHédenaars van een bestuur naar Europeesche beginselen — door wie
dan de tekortkomingen, dwingelandij en misdaden der inheemscbe Vorsten
met zeer donkere kleuren worden geschetst om de licht- punten van het
eigen bestuur met te schitterender glans te doen uitblinken — stond toen
de meening van hen, die beweerden, dat de Oosterling zich altijd
gelukkiger moet gevoelen onder de heer- schappij van zijn eigen Vorsten.
Ook Inlandsche volken hebben het recht hun individualiteit als voik, dat
is hun gevoel van onaf- hankelijkheid en nationaliteit, te handhaven, en
ook de door velen zoo hoog geroemde vaderlandsliefde te bezitten.
Een onpartijdig en rechtvaardig onderzoek, als eenmaal door Ei^land
ingesteld, ware voor Nederland als koloniale mogendheid geen gering
blijk van zelfvertrouwen, daar dit de .raison d'être". het goed recbt
van ons Bestuur zou aantoonen. De toetssteen daarvan Is dan het feit, of
de verovering dan wel inlijving van Bali weiicelijk aan de bevolldng
meer geluk en meer welvaart heeft gebracht
Verder zal het oordeel over Nederlands inmenging verschillend luiden,
naarmate dit ui^aat van een lid der bevoorrechte kasten, dan wel van den
gewonen desaman. De hoogere standen zulten in den regel het veriies van
hun macht en aanzien betreuren; zoo al niet in hun belangen, dan werden
deze volksklassen toch in hun gevoelens onherstelbaar gekrenkt. Slagen
wij er niet in een flink aantal hunner in verschillende ambten en
betrekkingen op te nemen, dan vindt ons bestuur in hen menig
onverzoenlijk vijand, steeds bereid in troebel water te visschen.
De soedra of landbouwer vraagt niets anders dan zijn bedrijf rustig
uit te kunnen oefenen. Deze eenvoudige, rechtschapen Baliers zijn
gehecht aan hun desa, hun adat en hun godsdienst, en mits deze- niet
worden aangetast, laat het hen onverschillig, wie hun zulk leven bezorgt,
vooral als dit aan meer zekerheid voor hun leven en bezittingen mocht
gepaard gaan. Geef hun water voor hun velden, zekerheid van recht, hulp
aan hun kranken en onderricht aan bun kinderen; verzeker hun tevens een
Iw- scbeiden mate van welvaart — en op de goede trouw der Baliërs is te
rekenen. Een bloeiende landbouwstand vormt het plechtanker van vrede en
rust.
Doch anderzijds schijnt het een feit, dat de ^nnie en «rillekeur van
sommige Vorsten meer de goesti's trof dan den kleinen man. aan wie
tijdens en kort na de expeditiën onzerzijds veel beloften werden gedaan,
nog altijd niet vervuld. Onze gezagvoerders waren, vooral in den beginne,
wel eens wat stroef in hun bevelen, hard- handig bij hun optreden,
terwijl onder Oostersch bestuur steeds een buigzaamheid en
toegeeflijkheid heerscht, die elk Inlander op hoogen prijs stelt En dan
vooral de Baliër die, vatbaar voor rede na verklaring en uitleg, een .prentah"
met evenveel liefde zal uitvoeren als zij, barsch opgedragen, hem met
wrevel en onwil vervult Tegelijkertijd moet worden erkend dat sommige
Vorsten, zij het al of niet uit vrees voor ons ingrijpen, hun land in de
laatste jaren met veel wijsheid hebtien bestierd.
Al kan en zal de Baliër de overtuiging niet hebben dat de blanke
overheerscher in zijn belang met geweld zijn land binnen- drong, voor
den overwinnaar kan zulk een geweldspolitiek alleen nog eenigszlns
rechtvaardiging vinden door de vaste overtuiging, dat hij in staat is en
over de middelen beschikt om land en volk ten zegen te zijn. De oprechte
wil moet bestaan, de eerlijke be- doeling om, als drager eener hoogere
beschaving, den Baliër een beter, een gelukkiger t>estaan te bezorgen.
Dat is de ontzettende verplichtiiw, die vrij ons door ons optreden vr^wilUg
hebben oi^Iegd. UI dat te meer, daar van deze gewillige, ontwikkelde,
arbeidzame en leergierige bevolking, staande onder Inlandsdie hoofden
die met ijver hun pliclit willen vervullen, veel, ja alles is te maken.
Het ntet-slagen zal dus niet aan de BaliSrs lig^n, doch aan hun meesters,
die door den oorlt^ het heft io handen namen, In den tijd dat het „tjilaka"
en het .pitjah negri" den inboorling nieuwe heeischers gaf, waarbij zij
zich ten volle neer- legden.
Vrij van alle verleidelijke zelfzucht, moet dus zelfverzakïng het
richtsnoer zijn der Regeering. Het ontwikkelingsproces In de Balische
maatscliappij, dat niet Westersch doch Indisch is, moet winden bevorderd,
bezield door de vaste overtuiging, dat Bali niet langer dan beslist
noodig aan onzen leiband mag loopen. De drang naar hooger zal ook Aür
ontwaken, en dient door ons te worden vusterkt en gewekt, de zwakke
sterk worden gemaakt en in staat om eenmaal op eigen beenen te staan. |
|
F. HOE MOET ONS OORDEEL WEZEN? |
|
Wil dit oordeel eenige waarde hebben, dan moet men zich vrij voelen van
elke heb- en heerschzucht, van elk rassenvooroordeel en alle chauvinisme
; dan moet men de waarheid onder de oogen durven zien, ook al is deze
niet vleiend voor nationalen eigen- waan, ai stemt zij niet overeen met
de heerschende meening.
Gewelddadig ingrijpen in de onafhankelijkheid van andere volken,
uitsluitend op grond van beginsel der .survival of the fittest", dan wel
dat Nederlands gezag als een soort van Voorzienigheid onmisbaar was voor
de beschaving van Bali, is uit eUiiscb o<^- punt niet te verdedigen.
Onrecht mag nooit worden geduld, vrant de fouten of misdaden eener
Regeering zijn niet minder veroor- deelingswaardig dan die van
individuen.
De eer der nationale vlag wordt bezoedeld door elk onrecht, dat onder
haar schaduw geschiedt; en zij zal daardoor eenmaal in Sarden neervallen,
slechts een treurige herinnering nalatuide in de historie der menschheid.
Niet de tartende leuze van een valsch patriotisme: ,my country, right or
wrong" mag dus de onze zijn, doch die der ware vaderlandsliefde: .my
country when she is right, and when she is wrong, my du^ to set her
right" ^).
De historie van een koloniale mogendheid kan nu eenmaal niet worden
geschreven zonder groote tekortkomlnKn, misslagen, fouten, schanddaden
zelfs, te vermelden van hen die daarbQ een rol spelen, en veel valscbe
waarheden heeft z^ te bestrijden. De duur eener leugen is afhankelijk
van haar belang voor de schul- digen, en zij weerstaat des te beter de
aanvallen der waarheid, naarmate meerderen belang hebben bij haar
bestaan. Voor wie eerlijk streeft naar het goede en ware, is elke
ontsluiering van een mi^reep of van een wandaad een bate voor de
toekomst, daar alsdan de begane fouten tot leering strekken. Wie een en
ander niet wil, leidt de aandacht af door aanvallen op den aanklager, en
wordt met wrevel vervuld, enkel en alleen door het feit dat deze in de
vöórhtstorie van elke expeditie is gaan snuffelen. Dat mag ons niet
weerhouden om te pogen licht en schaduw onpar- tijdig tegenover elkaar
te stellen, en het goede en kwade' der daden van de Nederlandsche
Regeering op Bali belde gelijkelijk recht te doen wedervaren. Waarheid
bovenal I En wanneer onze Regeering het een «treurigen '
Slicht" acht, ergens met geweld van wapenen haar gezag uit te reiden,
dan ma^ nooit op bedekte of slinksche wijze een voor- wendsel worden
gezocht, en moet die inmenging het onderworpen land en volk ten zegen
zijn. Het valt zoo licht een stok te vinden om een hond te slaan; doch
geweld en onrecht blijven te ver- oordeelen, al mochten de gevolgen soms
gunstig zijn, wat voor Bali nog moet worden bewezen.
De onderlinge oorlogjes tusschen de Vorsten hadden reeds een eind
genomen nog eer onze scheepskanonnen bulderden en onze repetMi^weren
drommen van helden weemaatden ')■ Het waren trouwens meer kleine
rooftochten, waarvan de economische nadeelen (vernielen van dammen en
eigendommen, verrichten van heere- diensten),, grooter waren dan het
verlies aan menschenlevens. Een soort Godsoordeel door het vallen van
één enkelen strijder reeds beslist, terwijl onze expeditiën aan
honderden en honderden menschen het leven kostten. Het wanbestuur dier
Vorsten kan niet zóó erg geweest zijn als vaak beweerd was, hoogstens
een sporadisch verschijnsel, daar bij een voortdurend wanbeheer land-
bouw, handel en nijverheid op Bali moesten kwijnen. Want een materieeie
welvaart zooals diir sinds jaren heerschte, is onbe- staanbaar met
onveiligheid van personen en goederen, wat op Java maar al te duidelijk
wordt bewezen! De hooge vlucht van den landbouw schrijft Liefrinck toe „meer
nog dan aan de vrucht- baarheid van den grond aan de vrijheid der
bewoners" ■), die er leven in een soort communistische republiekjes. De
bijna volsl^n afwezigheid van ellende was te danken aan het teit, dat
,de Baliérs de vruchten genoten van hun eigen arbeid". Wordt dit eiland
overgeleverd aan de winzucht van het Euro- peesch kapitaal, dan zal dat
alles spoedig veranderen in oagun- stigen zin en zullen de rijkdommen
van het land naar elders verhuizen. Demoralisatie der hoofden en pressie
op de Inlanders zal dan niet kunnen uitblijven, want geheel vrijviïllig
zullen de Baliërs hun gronden niet afstaan aan vreemdelingen, hun
arbeids- kracht niet verhuren aan uitbuiters. Minder gedwee dan de
Javanen, : zullen zij eenmaal een overweldiger vloeken, die hen aldus
dwong i tot zware lasten en die de vruchten van hun werken laat weg-
nemen. Een Regeering verfoeien, die .evenals de bijen van Virgilius hen
laat zwoegen om met hun honig het verhemelte van ver : verwijderde
onbekende meesters, In stede van hun eigen smaak ' te streelen" *). Van
„zegenen" der vreemde overheerschers, die hen zulk een benijdenswaardig
lot doen wedervaren, zal dan wel geen sprake wezen, wel van een
hardnekkig, a! zij het, dank zij onze > kracht van wapenen, een
machteloos verzet!
Er wordt nog steeds gejuicht over de uitbreiding van ons direct ?_
gezag in de Buitenbezittingen, waardoor de bevolking zal kunnen -_
genieten van „de zegeningen van ons bestuur", doch deze moeten : nog
blijken. Over de toestanden aldaar wordt men te beperkt en .; te
eenzijdig ingelicht door ambtenaren, die de goede werking van -. hun
beheer met kracht naar voren brengen en het minder goede i; maar liever
op den achtergrond houden. Mijn indruk bij mijn ,~ tochten door de
binnenlanden van Sumatra en van Balt was minder - rooskleurig, en al mag
van plichtverzutm der ondergeschikten slechts zelden worden gesproken,
„de Hooge Regeering heeft haar : , plicht niet gedaan." Er is nog bitter
weinig tot stand gekomen ^ door gebrek aan geld en gebrek aan personeel;
symptomen van :-■ ernstige corruptie werden door mtj geconstateerd,
waarover het P laatste woord nog niet is gezegd. Een moeilijke en
zelfstandige ;, bestuurstaak moet vaak aan ongeschikte handen worden
toever- | trouwd; het Inlandsch bestuur wordt ondermijnd en door geen ^
beter vervangen ; de gelden, beschikbaar gesteld om de physieke ^^ en
economische kracht der bevolking te verbeteren, zijn meer een ^
bespotting gelijk. Wij gaven haar steenen voor brood. -^^
.De duisternis is geweken I boven Bali Is de zon opgegaan; ^^.! een
nieuwe dag is gekomen \" aldus luidde het kort na de over* /, winning,
terwijl de bodem nog vochtig was van bloed. Die ;. mannen, vrouwen en
kinderen werden neergeschoten, al dat bloed ^^ werd vergoten, om in
staat te zijn .het welzijn van bet volk" te '^ behartigen en de
Westersche weldaden te kunnen uitstorten over ^^ een Oostersch wingewest
Dat menschenbloed moet gezoend, dat ^ heilige woord gelost, die
plechtige belofte worden vervuld (ook al kost dat geldl) of — het
vergoten bloed schreit om wraak ten hemel.
De Balische bevolking beeft zich na de verovering volgzaam en
ordelijk betoond; zij heeft aanspraak op onze hulp en onze toewijding.
Kort na de vreeselijke gelKurtenissen te Badoeng verliet Nieuwenkamp de
naakte, zwart geblakerde puinhoopen, en wan- delde dagen lang alteen
door de weidsche rijstvelden, door desa's en beiden. Als dr^rs had hij
mannen van Koeta (een kustplaatsje zuidelijk van Dèn Pasar), die aan den
hopeloozen lansaanval op ons strandbivak hadden dee^enomen, waarin zoo
vele hunner bloed- verwanten en vrienden waren gesneuveld en gewond.
Nergens heeft hij, de blanke reiziger, in dit land van ridderlijke
vijanden ook maar eenig letsel ervaren ; integendeel, gastvrijheid werd
hem bewezen en (zelfs aan onze soldaten) liefderijk hulp verleend. Het
Balische volk heeft dus recht op de buitengewone zoi^ der Regeerit^;
recht dat er wat meer geschiede, waardoor tastbaar wordt bewezen, dat
zijn welvaart de nieuwe meestere ter harte gaat.
Van de drieéénheid der Hindoes, dat ts Brahma als het denkende,
Visjnoe als het voortbrengende en Siwa als het vernietigende be- ginsel,
hebben de BaliSrs ons alleen nog maar als de kracht der verwoesting
leeren kennen, en dut nc^ van haar slechtste zijde. Want naast het
vermeen om te verdelgen bezit Siwa ook het vermogen om leven te schenken
aan de menschen en vnichttiaar- heid aan de velden; hij is de god van
het vuur, maar ook van den wasdom, die de zon doet schijnen en den regen
vallen op de akkers.
Aan die taak moet thans de hand worden gelegd 1
Er is op Bali, schreef ik in Juli 1902, .langs vredelievenden weg te
verkrijgen," wat wij met het steeds te verfoeien geweld van wapenen
bezwaarlijk zullen bereiken; .er is op Bali iets groots en edels te
verrichten, en heil ons als wij die schoone taak vol toewijding en
zonder baatzucht zullen weten te vervullen." *)
Het krachtige en edele ras der Baliers, nooit als het Javaansche
verbasterd door vreemde heerschappij, behoort tot het meest vat- bare om
de werkelijke voordeelen der beschaving te aanvaarden. Er is dus van dit
volk iets goeds te maken.
In onze dagen komen machtige en sterkere menschenrassen steeds meer
en nauwer in aanraking met' de zwakkere, en wordt het telkens dringender
onze heilige plicht, te zorgen dat die aan- raking den zwakke ten goede
kome; dat dit geschiede overeen- komstig een menschlievend beleid, en
deze rassen niet worden onderdrukt en mishandeld terwille van
baatzuchtige drijfveeren. Met veirassende snelheid zal dan de evolutie
zich voltreklcen, zullen de intellectueele en physiologische verschillen
venninderen, en eenmaal — in de socialistische toekomst — de
broederschap van rassen en volken mogelijk worden.
Niet louter bescherming van zwakkeren moest ons streven zijn, doch
tevens hen sterker te maken in den str^d om het bestaan en — vrij van
elke heerschzucht en hebzucht — te waken tegen alle onrecht dat wrevel
wekt en den zedelijken band tusschen Reeeering en kolonie ondermijnt
Dan zal voor Bali, spoediger dan men thans meent, de tijd komen
waarin het zijn vrijheid en onafhankelijkheid zal terug erlangen, daar
onze taak is volbracht, onze plicht vervuld en met dezen prijs moet de
vooruitgang der menschheid worden betaald.
Moge Nederland op Bali daartoe het zijne bijdragen… |
 |
 |
|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
|
|