14^ Augustus. Na het voorgaande over onze ontvangst in het Bangli'sche,
laat het zich begrijpen, dat we ook heden morgen het vereischte getal
koelies niet bij elkaar konden krijgen, in weerwil wij ze zelve stuk
voor stuk bijeen zochten. Ze liepen harder wéér weg dan ze gekomen waren,
en het dessahoofd zag dit alles met
het meeste stoïcisme aan, zonder ook maar eene poging aantewenden om ons
van dienst te zijn. Onze Boelelengers werden er dus maar weer voor
gespannen, evenals ook den Boelelengsche toembakdragers
werd aangezegd dat ze, bg gebrek aan anderen, ons nog moesten volgen. De
paarden waren van het gehalte als die ons bij de grens waren tegemoet
gezonden, zoodat we weer de Boelelengsche paar- den bestegen.
Tusschen de Boeleleng'sche en de Bangli'sche bevolking bestaat bgna
altijd eene gespannene verhouding, en het is nog niet lang geleden, dat
Boolelengsche burgers in allen ernst den Assistent- Resident om
verguüning kwamen vragen, om Bangli openlijk te bevechten. Wanneer de
Regcering te een of anderen tijd een veld-
tocht tegen Bangli noodig zal oordeelen, dan kan zij dus rekenen op de
noodige vrijwillige Boelelengsche hulptroepen, evenals op die van andere
omliggende rijken, waarmee Bangli steeds in oorlog of ten minste op
gewapenden voet van vrede is. Men kan dan ook denken, dat de
Boeleleng'sche koelies hunne ambtsbroeders uit Bangli danig vervloekten.
Tegen 7 uur eindelijk was alles ,,en route** en het deed ons goed, na
een nacht grootendeels j^sub Jove humido et frigido'^ doorgebracht te
hebben, eindelijk weer in beweging te komen. Pleizierig was de rit
trouwens in den aanvapg niet, we reden geheel door de wolken en konden
dus niet ver voor ons uit en in het geheel niets van de prachtige
omgeving zien. Dit duurde zoo ongeveer een uur lang, toen langzamerhand,
in weerwil we tot eene hoogte van ± 6000 voet stegen, de nevelen
optrokken en we een verrokkeiijk gezicht op de omgeving kregen.
We reden
een geruimen tijd, bijna twee uur, door een dicht bosch, dat bekend is
om de vele tijgers, die het herbergt. Dit bosch is de zuidelijkste grens
van de zone, waarin tijgers voorkomen; zuidelijker op vindt men ze niet
meer, zij het dan een enkelen afgedwaalden. Op het hoogste pont van den
weg gekomen, voerde ons pad langs een ongeveer 6000 voet diep ravijn en
zagen we in den duizeling wekkenden afgrond, terwijl tegen de hellingen
aan de overzijde verscheidene kleine kam- pongs als zoovele punten
zichtbaar waren. Over het geheel is de grond in de nabijheid van den
Batoer door zijn vulkanischen oor-
sprong en de lavamassa*s, die de berg van tijd tot tijd uitwerpt, zeer
onvruchtbaar, zoodat de bewoners van deze kampongs tot de armoedigste
van geheel Bangli behooren. De oorzak van het feit, dat zoovele menschen
op dezen onvruchtbaren bodem hun armoedig bestaan voortslepen, waar ze
zelfs door onvermoeiden arbeid nauwe- lijks zooveel aan den grond weten
te ontwoekeren, als ze noodig hebben om in het leven te blijven, terwijl
ze, op betrekkelgk gerin- gen afstand verder, een meer dankbaren arbeid
kunnen vinden, moet
voor een groot deel gezocht worden in de omstandigheid, dat ze uit
kinderlijke vroomheid zich gaarne de genietingen van het leven ont-
zeggen, om in den schaduw van den heiligen berg een kluizenaarsleven te
leiden. De bewoners dier kampongs zien er ongezond, slecht gevoed, echt
kluizenaarsachtig uit.
Vreemd genoeg, is het kratermeer, dat eenige palen in omtrek heeft,
volgens zeggen van de bewoners dier streken, rijk aan vele soorten van
zoetwatervisch , vreemd vooral omdat het water een sterken zwavelsmaak
heeft.
De weg begon allengs sterk te dalen, soms met zoo sterke helling, dat
sommige onzer het nu en dan voorzichtiger oordeelden om van de paarden
te stijgen. De Balische paarden, een klein en onoogelijk ras en meestal
uiterst slecht gevoed, zijn als uitstekende klimmers voor deze wegen
zeer geschikt. Wij passeerden heden weer prachtige sawah's, velden met
jagon, uien en een weinig koffie. Op de meeste rijstvelden op Balt ziet
men kleine , op bamboe geplaatste tempeltjes , in dit geval hedoegoél
geheeten ; zij gelijken veel op kleine duiventillen en dienen als
offemissen voor de godheid van den oogst. Ook langs de wegen op Bali
ziet men dergelijke offernissen voor eene andere godheid bestemd; deze
noemt men sanggah-tjaroektjoek.
Over 't geheel zien de sawah's, waaraan zeer veel zorg wordt besteed, er
veel sierlijker uit dan op Java. De irrigatie werken zijn uitstekend ,
en de wijze van verdeeling van het water onder de ververschillende
eigenaars der sawah's op voorbeeldige wijze geregeld; elke afdeeling
dezer werken staat onder het direct toezicht van een klijan soebakj die
voor de geregelde verdeeling van het water zorg draagt, terwijl een
sedahan de belasting op het water int. De ve- getatie, die ik heden zag,
kwam tamelijk wel overeen met die van
gisteren. Onze weg voerde langs de dessa's PanelokaUy , Palaktijingy
Bangalet^, Koetaoendisariy ,Kajoe-bihi^Kajangj Koeboe en Koita-Banglij
de residentie van den vorst. Sommige dezer dessa's munten uit door
welvarendheid. De wegen, vooral die eenigzins van de hoofdplaats zijn
verwijderd, verkeeren in goeden staat. De be- volking ziet er gezond en
goed gevoed uit, deze verklaring geldt evenwel minder voor de bevolking
in de kotta, zooals wij later zul- len zien. Koortsen {sakit ngïtor)
moeten in Bangli^ naar men mij verzekerde, weinig voorkomen. Alleen in
de kustplaatsen van Bali zijn deze endemisch. Bangli nu is, zooals men
weet, aan alle zijden door andere rijken ingesloten.
Tegen den middag ongeveer, kwamen we in Kotta Bangli aan en stegen voor
het paleis van den vorst van onze paarden, na een af- stand van 21 palen
afgelegd te hebben. De afstanden, op onzegeheele reis afgelegd, werden,
zooals ik reeds zeide, bepaald doormiddel van twee pedometers, die door
de Heeren Bollaan en Heijligers werden medegevoerd.
Konden we bij ons vertrek uit Boelèlèng^ tengevolge van de
ingewonnene berichten, al weinig verwachten van Banglische gastvrg- heid,
en hadden we op onze reis derwaarts al in ruime mate de treurige
ondervinding opgedaan, dat die voor een groot deel absent was, onze
ontvangst in de residentie zelve overtrof alles wat men zich hiervan
slechts denken kon. Niemand was den Gekommitteerde van wege den vorst
tegemoet gezonden om hem aantewijzen, welk logies voor ons was bestemd,
hetgeen toch wel degelijk den vorst bij voornoemd voorschrift omtrent
het ceremonieel is voorgeschreven. Yóór het paleis (poeri) van den vorst
stegen we, zooals ik reeds zeide, van de paarden en bleven in afwachting
van de dingen die komen zouden, doch er kwam niets dan eene hoop
Banglische jongens die ons met brutale en verbaasde oogen aangaapten. De
tolk van
den Qekommitteerde, die reeds twee dagen tevoren was vooruit gezonden,
om den vorst ten overvloede nogmaals van onze komst te verwittigen ,
kwam ons eindelijk vertellen, dat er wel een plaats voor
ons naast de poeri was aangewezen, doch dat er, in weerwil van zijne
herhaalde aanmaning, nog niets voor onze ontvangst gereed was. We
maakten »honne mine h mauvais jeu'^ en gingen naar de plaats, die voor
ons bestemd was , waar ons al de tijd werd gegund om ons te oefenen in
hetgeen Mirabeau noemt „/a vertu de Vdne^ Daar
stonden op een klein muf binnenpleintje drie vuile leege pondoks, die ik,
voor ik ze zou gebruiken als geitenstal, minstens eerst zou laten
reinigen en witten. De Qekommitteerde zond onmiddelijk zijn tolk naar
den vorst, om dezen onzen komst bekend te maken, met verzoek iemand van
zijnent wege te zenden. Eenigen tijd later verscheen dan ook de broeder
van don vorst, dien ik reeds vroeger op Badoeng had ontmoet. De
Qekommitteerde maakte hem zeer gerechte aan- merkingen over de ontvangst,
die ons tot dusverre was te beurt gevallen. Dat hielp ten minste iets.
Twee der pondoks werden een weinig in orde gemaakt, doch om ze ook maar
eenigzins bewoonbaar te maken, moesten onze jongens danig aan het werk.
De Nederlandsche driekleur werd aan den ingang van het erf geplant, doch
ze hing slap langs stok, alsof ze mêepruilde over de treurige ont-
vangst die den vertegenwoordiger van het Nederlandsche gezag te beurt
viel. Op het plein voor de poeri werden twee saluutschoten gelost on
daarmee was de geheele plechtigheid van de eerste ontvangst afgeloopen.
Des middags werd bg den radja besaar officieel belet gevraagd tegen den
volgenden morgen om tien uur, hetgeen door hem werd aange- nomen. Des
avonds zond hij voor ieder onzer eene bezending vruch-
ten en verschillende rijstgebakjes, die we, als voorzichtigheids
maatregel, den Banglische honden voorwierpen. De dag werd overigens
gezellig en in gepaste vroolijkheid doorgebracht.
Hoe weinig vertrouwen van Boelèlèng'sche bevolking in hare Bang-
lische naburen stelt, kan blijken uit het ,feit, dat onzeBoelèlëng'sche
koelies zich bijna allen van mondkost hadden voorzien, voor ze Banglts
grondgebied betraden, uit vrees dat ze aldaar zouden vergiftigd worden,
hetgeen meermalen gebeurd moet zijn. Ook onze kok had de strengste
parintah's om geen Bangliër in de keuken toetelaten en de vivres alle
„in natura''* in ontvangst te nemen.
Den volgenden morgen (15 Augustus) begaf ik mij reeds vroeg op de
wandeling, om het een en ander in oogenschouw te nemen. De hofstad maakt
een armzaligen indruk , zij ziet er vervallen, armoedig en hoogst
onzindelijk uit. De menschen, die men ontmoet, zijn zoo traag, vadsig,
vuil en lamlendig, dat. het iemand zou dunken, dat ze aan levensmoeheid
sukkelen of den nacht onder bacchanalia of in een opiumkit, die er in
menigte zijn, hebben doorgebracht. Men mist er die haastige
bedrijvigheid, die bewegelijkheid^ die vrijmoedige voor- komendheid, als
ik het zoo noemen mag, die ons in sommige dessa's van BoelèUng en zooals
we later konden ondervinden, in Gjanjar zoo aangenaam aandeed. Het trok
bizonder mijne aandacht, dat bijna
alle mannelijke Bangliers, die ik ontmoette, zeer kort hoofdhaar droe-
gen. Yrij algemeen toch dragen de Baliêrs dit lang, hoewel korter dan de
Javanen, zijn zeer trotsch op hunne blauw-zwarte lokken, smeren ze danig
met klapperolie (lengis njoeh) in en binden ze achter op het hoofd in
een wrong te samen of kammen ze eenvoudig naar achter; een enkele
kembang sepatoe of een paar versche tjempaka- bloempjes en onze Baliër
dunkt zich als een dandy gekapt. Slechts zelden ziet men den Baliêr een
hoofddoek dragen, meermalen evenwel een eenvoudig stukje wit katoen, dat
om den haarwrong is gebonden en tekes heet. De vorsten en priesters
dragen slechts één of meer versche bloemen in het haar. Toen ik naar de
reden vroeg, waar-
om de Bangliérs allen het hoofdhaar zoo kort hadden, vernam ik het
volgende. Wanneer de Anak-agoeng, de vorst van het rijk, sterft, dan is
de mannelijke bevolking van het .land verplicht, zich ten teeken van
rouw het geheele hoofd kaal te scheren; men noemt dit nesatia ramboet.
De vorige vorst, een broeder van den tegenwoor- digen, was tien maanden
geleden gestorven ; zijn lijk stond nog boven den grond en zou na
verloop van 56 dagen worden verbrand. In die tien maanden nu was het
hoofdhaar der Bangliérs nog niet weer
tot de normale lengte aangegroeid. Ook de Hindoes in Britsch-Indie
scheren zich het hoofdhaar af bij den dood van den vorst.
De naam van den tegenwoordigen radja besaar van Bangli is Dewa Gedé
Tangkeban; hij behoort dus, zooals de naam aanduidt, tot de 2^ kaste.
Daar ik nog meermalen genoodzaakt zal zijn over de kasten te spreken,
waarin de Baliers verdeeld worden (zuiver Hin- docsch) zal ik hier in 't
kort mededeelen, wat men daaronder te verstaan heeft. De geheele
Balische bevolking is verdeeld in 4 kasten (tjatoer djahna) en wel:
1*^ kaste de Brahmanen^
2"" „ de Ksatrya '5,
a»* „ de Wesya's^
4*^ „ de Soedra 's.
Deze kasten, die ieder w^eêr in vele onderdeden zijn geplitst, zijn zoo
streng van elkander gescheiden, dat kasten-vermenging in de meeste
gevallen met den dood wordt gestraft. Wanneer bijv. een Brahmaansch
meisje in een zwak oogenblik wat al te intieme con- nexies aanknoopt met
een man van de laagste kaste (men noemt dit nuttjèhoer kapandjak) dan
wordt zij zonder pardon verbrand (Jaboeh cf'ni) en de liefhebber, in een
zak met stcenen genaaid, in zee ver- dronken {inèraroeug). In do rijken,
waar ons Gouvernement gezag voert, nl. in BoeUlèng en Djéinbrana, wordt
door de kei'ta (Bal : rechtbank) nog wel de doodstraf volgens de agama
(in 't oud- javaansch geschrevene wet) uitgesproken, doch door den
invloed van ons bestuur in levenslange verbanning buiten Bali {toendoeng)
veran- derd; in de onafhankelijke rijken evenveel wordt deze straf in al
hare yreeselijke gestrengheid toegepast. In de karapong Bali in
Banjoewangi o.a. bevinden zich verscheidene Brahmaansche meisjes, die om
genoemde reden uit Boelèlèng en Djëmhrana zijn verbannen, haar land en
familiebetrekkingen nimmer terugzien en hare kaste natuurlijk verliezen.
En hoe groot zulk eene overtreding in de oogen dor Baliërs is, kan
blijken uit het feit, dat de ouders, zonder eenige wroeging of
medelijden, hun kind ter dood zien brengen, liever dan haar als schand-
vlek harer kaste te zjen rondloopen. Een man mag evenwel vrou- wen uit
lagere kasten huwen, zooveel hij verkiest; zulk een zooge- naamd
morganatisch huwelijk heet tengkoelak avjoed^ de bij deze vrouwen
verwekte kinderen volgen de kaste van den vader, doch staan bijv. in
erfopvolging achter bij de kinderen uit een mas hatêge)ij „ebenbürtig"
huwelijk. Een meisje van de 2« of 3® kaste, dat verbo- den omgang heeft
gehad met een man uit lagere kasten, ondergaat -bovengenoemde straf niet,
doch wordt gekrist.
Als een ander voorbeeld, hoe diep de kloof is tusschcn de verschil-
lende kasten, kan de beweering dienen, die vlg. van Eyk algemeen gezag ^
heeft op Bali^ dat de vorm der placenta bij de verschillende kasten
verschillend is, en wel dat die vorm bij iedere kaste in overeen-
stemming is met de plaats, welke die kaste in de Balische maatschappij
is ajmgewezen. Ik heb trouwens verscheidene Baliërs naar het geloof
hieraan ondervraagd, doch het niet bevestigd gezien; ook Dr. van der
Tuuk ontkent ten sterkste, dat dit bijgeloof bestaat. Volgens van Eek
dan heeft de placenta bij de 1* kaste den vorm van een wijwater-bekken,
sewamha, •
„ „ 2« „ „ „ wapen, sangdjata.
„ „ 3« „ „ „ ploeg iengqala.
» /4« „ „ „ juk sanan.
En zelfs de dood kan de kloof, die tusschen de kasten bestaat, niet
dempen; iedere kaste toch heeft hare eigene begraafplaats. Nog een
staaltje. Wanneer iemand spreekt van den hond van een lid cener hoogere
kaste, dan moet hij het beest augson-angson noemen, anders beteeken t „hond"
fjitjing of asoe.Het praedikaat, waarmee de personen uit de
verschillende kasten steeds worden aangesproken, is voor de 1* kaste de
man „/da", de vrouw j,Ida ayoé** „ „ 2* „ 1, 7, „Deuw", de vrouw „Dwaayo^V
voor de 3® kaste de man „Goe8ti''\ de vrouw ^Ooesti ayoe^'
Alles wat niet tot een dezer kasten behoort, is soedra. Ook
vreemdelingen worden beschouwd met soedra's gelijk te staan. Ik ben er
by tegenwoordig geweest, dat een vorstelijk persoon een Europeesch
ambtenaar, die onvoorzichtig genoeg was geweest om zich te laten
ontvallen dat hij de Balische taal verstond, in het laag Balisch aan-
sprak ; en ik ben er van overtuigd, dat de man het niet deed om te
krenken. Iemand uit lagere Kaste moet een andere uit hoogere kaste nl.
steeds in 't hoog-Balisch toespreken, terwijl deze in 't laag-Bali-
sch antwoordt. Bij vorstelijke personen wordt hierbij eene uitzondering
gemaakt, in zooverre nl. een padandn (prienter), die steeds tot de
eerste kaste behoort, den vorst, die steeds van de 2« of 3^ kaste is,
ook in 't hoog-Balisch toespreekt. Ook de Chinezen, die de hooge taal
niet kunnen leeren, mogen de vorsten in de lage taal aanspreken {Dr. van
der Tuuk). Voor een oningewijde is het uiterst moeielijk om dadelijk te
weten, uit welke kaste de persoon is, met wien hg spreekt, met welken
titel hij hem dus moet aanspreken. Ik heb Europeanen ontmoet, die jaren
op Bali wa- ren en het niet konden ontdekken. In zulk geval spreekt men
den persoon eenvoudig met j^djeró" aan. De Baliërs weten het evenmin en
vragen altyd wanneer ze een onbekende aanspre- ken „antoek linggiïC\ wat
zooveel beteekent als: tot welke kaste behoort gij?
De soedra-kaste is, zooals zich laat begrijpen, de minst bevoorrechte.
De leden dezer kaste zijn de heerendienstplichtigen (pengajahs) de
eigenlijke prolétariërs der Balische maatschappij. Het zou mij te ver
leiden, wanneer ik op dit onderwerp verder wilde doorgaan. In de
volgende bladzij den. zal ik trouwens meermalen in de gelegenheid zijn,
om hierop terug te komen en voorbeelden aantehalen die bewij-
zen, hoe streng de verschillende kasten van elkaar zijn gescheiden en
met welk eene slaafsche onderdanigheid de leden eener lagere kaste die
eener hoogere kaste dikwijls tegemoet komen. De Heer G. Birnie [de
invloed van de Hhidoeheschaving enz. 1881) die in 1861 eene reis door
een deel van Bali maakte, zegt o. a. „Ik had mij voorgesteld op Bali de
treurige uitwerkselen te zien van het ^verfoeielijke kastenstelsel: de
arme soedra diep verdrukt en uitge- „mergeld door de adelgke kasten, de
trotsche brahmaan zijn priester- ,)Staf over alles zwaaiende. Hoe geheel
anders was het in de werkelijkheid. De vorst van Bdelèlèng was een Wesya^
een man uit „de 3® kaste; de invloedrijkste onder zijne rijksgrooten
waren Soe- y^dra's. Yan slaafsche eerbetuigingen zag ik bijna niets/' De
Heer Birnie stelt aan den eenen kant de feiten in een geheel verkeerd
licht, terwijl hij aan den anderen kant ten zeerste overdrijft en door
alles zijne onbekendheid verraadt met het volk, dat hij trouwens ter
loops heeft leeren kennen. Het is waar, dat de S^ kaste duor hare groote
meerderheid, vooral uit een politiek oogpunt, thans als de gewichtigste
kan beschouwd worden, als ook dat sommige personen, door hunne energie
en uitstekende daden, de aandacht wisten tot zich te trekken en zich tot
invloedrijke betrekkingen wisten te ver- heffen. Alle vorsten van Bali
en Lombok behooren tot de Wesya's of 3® kaste, behalve die van
Kloengkoeng j Gjanjar en Bangli. Wij zullen later nog wel in de
gelegenheid zijn om een vluchtigen blik te werpen op de jongste
geschiedenis van Bali, en dan zal ons de
oorzaak van dit feit duidelijk worden. Dat een Soedra tot eene hooge
waardigheid kan komen, kunnen we, zooals ons later zal blijken, ook in
Gjanjar zien, alwaar een Soedra de meest invloedrijke persoon aan het
hof is. Doch die man, Ketoet Pasêk^ heeft, zooals men dat noemt, die
betrekking niet gestolen. Wij zullen bij ons bezoek aan dit rijk nader
op hem terugkomen. Doch hoe het ook zij, .dit zijn en blijven
uitzonderiDgen en de Heer Birnie zou bij nadere kennis- making gezien
hebben, dat hij door zoo te spreken eene uitzondering
tot regel verhief. Als men trouwens bedenkt, dat, wanneer een Soedra tot
poenggawa wordt verheven, de leden der drie hoogere kasten hem geene
gehoorzaamheid verschuldigd zijn, dan kan men begrijpen, hoe zelden de
Vorsten j^ceteria paribus'^ een Soedra tot eene gewichtige betrekking
verheffen. . Doch ook in andere opzichten is de schrijver, over Bali
sprekende, onjuist; ik zal daarop ter zijner plaatse terugkomen.
Het lijd geen twijfel dat er hier en daar rijke, soms zeer rijke,
Soedra's voorkomen , die zich door hun geld eene hoogere plaats in de
Balischc maatschappij konden veroveren, dan waarop ze volgens hunne
geboorte aanspraak hebben.
Eveneens is het waar, dat de ooirspronkelijke Balische adel {pra-
bali) tusschen do 3<) en 4» kaste wordt geplaatst, uit welke adelijke
tusschen-kaste nog meermalen de poeriggawd*8 (distrietshoofden) worden
gekozen.
Hoewel onze ontvangst tegen tien uur bepaald was, werden de
Gekommitteerde en wij eerst tegen elf uur afgehaald. Artikel 4 van
meergemeld ceremonieel luidt: „Op het daartoe bepaalde uur zal de vorst
hem (den Gekommitteerde) toezenden minstens vier zijner rijksgrooten
(j)oenggawa'8)^ die hem zullen afhalen en begeleiden tot bij den vorst".
Wel waren er een paar bijna in lompen gehulde personen, die als
staatsielansdragers (pengawin^s) dienst deden, en twee groote pajongs^
die al het air badden alsof ze vijf eeuwen geleden reeds dienst hadden
gedaan bij het dappere leger van Ar ja DamaKy den beroemden veldheer van
den vorst van Madjahajyit' Van vier rijksgrooten was evenwel niets te
zien. Dat deze deputa-
tie een uur later verscheen, dan was afgesproken, behoeft trouwens
volstrekt niet als kwaad opzet beschouwd noch omschreven te wor- den als
j^les grands seigneurs se font attendre^ De oorzaak is misschien van
veel onschuldigeren aard. Het kan namelijk zijn, dat de stadsklok niet
gelijk ging met onze horologies. Op Bali
wordt een etmaal verdeeld in 2 maal 8 uren, te rekenen van zons- opgang
tot zonsondergang. Ieder Balisch uur staat alzoo gelijk met 1^ van onze
uren. Om half acht is het dus bij hen één uur, om negen uur bij hen twee
uur, des avond's om zes uur dus acht uur, enz. Hun uurwerk, dat trouwens
op andere plaatsen van Indié^
naar ik meen, ook gevonden wordt, is zoo primitief mogelijk en mist,
zooals we zullen zien, alle chronologische juistheid. Het be- staat nl.
uit een doorboorden klapperdop of een koperen nap in een groote tempajan
met water gevuld; de opening in bedoelden dop is van die grootte, dat,
wanneer ze vol water geloopen is en dus zinkt, één Balisch uur is
verstreken. Zulk een tijdmeter, waarvan men op het voorplein van ieder
vorstelijk paleis (poert) een exemplaar aantreft, heet penalikan. Is een
uur (Balisch) verstreken, dan geeft de klokkeman, die bij dit uurwerk de
wacht houdt, op een vervaarlijk groote trom {bedoeg)^ het uur aan,
terwijl men tuss'chen de enkele slagen op de trom, die elkaar met
vervelend lange tusschenpoozen opvolgen, een schelletje of klokje hoort
luiden. Naast den bedoeg bevindt zich een klein dwarslatje, waaraan acht
kleine bamboelatjes zijn geregen; met ieder uur wordt een bamboelatje
naar rechts geschoven, dit is om het geheugen van den klokkeman te hulp
te komen. Wanneer deze nu niet dadelijk bespeurt dat de dop
of nap zinkt, dan is hij natuurlijk met den tijd in de war en blijft dit
tot 's morgens of 's avonds, als wanneer met zons op- of onder- gang de
klok weer gelijk gezet wordt. Het gebeurde meermalen op onze reis, dat
in een half etmaal de penalikan reeds een uur verschilde.
Nu moet ik zeggen, dat tien uur in den morgen wel wat heel vroeg is
voor een Balisch vorst, om reeds een bezoek te ontvan- gen, en ik ben
geneigd om te gelooven, dat de radja besaar ons in stilte verwenschte en
ons voor nachtbrakers uitmaakte. Over 't geheel is de Balier al niet
matineus; meer dan eens reden wij des morgens om 8 uur door dessa's,
zonder een sterveling te zien, zij het dan een enkele, die door het
hoefgetrappel onzer paarden ont- waakt, met loome schreden naar buiten
kwam en ons met slaperige
oogen aanstaarde. Doch de vorsten en andere hooge personaadjes zijn
gewoon van den dag een nacht te maken en omgekeerd, en 't is mij op
mijne vroegere reizen op Bali dikwijls voorgekomen, dat wanneer ik mij
informeerde naar deze of gene Hoogheid, die ik moest spreken, men mij te
kennen gaf, dat zyne Doorluchtig-
heid nog in zijn mandje lag. Zij eten en drinken, wanneer zij daartoe
lust gevoelen, zoodat ze van eene geregelde verdeeling van den. dag dan
ook geen idéé hebben en het hun dus weinig schelen kan of de penalikan
al of niet de waren tijd aangeeft. En druk met regeeringszaken maken ze
zich in 't geheel niet. Acht van de
zestien Balische uren worden met slapen doorgebracht, en de overige acht
met eten, drinken, dobbelen en opiumschuiven zoek ge- ; maakt. Wat er
dan nog van den tijd overschiet, wordt besteed aan het ontwerpen van
grootsche lumioeuse regeeringsplannen, die den volke ten goede zouden
komen, indien ze werden uitgevoerd. We zullen in den loop van dit
reisverhaal zien, dat op dezen regel een paar zeer gunstige
uitzonderingen voorkomen. Eens in de maand en in spoedvereischende
gevallen komt de vorst met zijne poeng- gawd*s samen om de loopende
zaken aftehandelen ; zulk eene ver- gadering heet sangkèpan gedé. Voor
't overige wordt, zooals bijv. in Bangli^ het schip van staat veilig
toeveitroüwd aan den mantja negara^ 's vorsten eersten minister of
rijksbestierder. De macht van den vorst is in de grondwet, de agama^
omschreven; dit verhindert
hem evenwel niet om zoo autocratisch mogelijk te handelen. In Banglij
dat onder 6 of 7 broeders is verdeeld, van wie één als radja besaar
optreedt, is het staatsgebouw hoogst wankelend. Om deze broeders in
vorstelijke pracht te doen leven, wordt de bevolking op ergerlijke wijze
gekneveld en uitgezogen, dat weer ten gevolge heeft, dat de eerbied,
achting en gehoorzaamheid, die men den landsvader verschuldigd is, ver
beneden peil is gedaald.
Wij werden aan den ingang van de poeri op de voorgeschrevene wijze
door den radja in hoogst eigen persoon met een groot gevolg van prinsen,
rijksgrooten en ander ^Hofgesinden^ ontvangen. Het behoeft nauwelijks
gezegd, dat wij bij deze en dergelijke gelegenhe- den steeds in groot
ornaat waren. De vorst geleidde den Gekommii- teerde tot eene der vele
pendopo's op het vóór-binnenplein van de poeri^ alwaar de conferentie
moest plaats vinden ; wij anderen volgden ia statigen tred achteraan,
geflankeerd door verschillende hofgrooten en aangegaapt, door honderde
nieuwsgierigen van lederen leeftijd, die heel vertrouwelijk op
eerbiedigen afstand waren neergehurkt. Zelfs princessen en verscheidene
andere dames uit de vorstelijke stoeterij staken hier en daar de
nieuwsgierige hoofdjes door eene geopende deur. Alweer zondigde de vorst
tegen de étiquette. Het ceremonieel eischt nl. dat de Gekommitteerde aan
de rechterzijde van den vorst
plaats neemt, en hier werd Z. Hoogedelgestr. eene plaats aangewezen
schuin links van den vorst. Deze fout begingen trouwens meer Balische
vorsten. Bij geen ander volk zal men misschien zoo nauw- keurig letten
op zulk een verzuim. Wanneer men evenwel weet, dat de geheole
hofetiquette bijna eenig en alleen neerkomt op het hooger of lager, ter
rechter-of ter linkerzijde zitten, dan kan men begrijpen, dat het
plaatsen van zulk een artikel in het ceremonieel-programma volstrekt
niet van ondergeschikt belang is. Ik zal nog later in de
gelegenheid zijn hierop terug te komen en sommige in onze oogen
belachelijke staaltjes hiervan aanhalen. Ook zal ik later gelegenheid
hebben, om eené beschrijving te geven van een Balisch vorstelijk paleis;
ik doe dit vooral nu niet, omdat de poeri van Bangli slechts eene vuile,
morsige parodie is van hetgeen men als zoodanig te beschouwen heeft. Het
hof van Bangli is arm, men mag hieruit bij het bestaande nepotisme
concludeeren tot de armoede van het grootste deel der bevolking. De
receptie was natuurlijk hoogst officieel en er werd dus weinig gesproken.
De wijze van ontvangst in Bangli noopte den Gekommitteerde, en terecht,
om eene zekere distantie in acht te nemen en do overigen van 't
gezelschap y^conticuere omnes et ora tenebanV\ zoodat ik ruimschoots
gelegenheid had den hof kliek oven optenemen. Slechts een paar zal ik u
voorstellen. De radja
besaar is een persoon van krachtigen lichaamsbouw, ongeveer 40 jaren oud,
met een zeer pokdalig gezicht, een gezicht, waaruit niet veel meer te
halen is, dan de vervaarlijke sirih-pruim, die hij onophoudelijk van den
e enen hoek van den mond naar den anderen werkt Hij spreekt zeer slecht
Maleisch, dat nog te onverstaanbaarder wordt,, omdat het gesprokene
woord eerst door gezegden sirih-pruim zijn weg
moet vinden Rechts van hem zit zijn biechtvader, hofprediker of
huiadominé, in tegenstelling van gewone priesters (padanda) poerohita of
perwUa genaamd, met eene uitdrukking in het vrome gelaat, als iemand
die een tweede-kamer-speech afsteekt tegen de vaccine ; overigens,
behalve zijne kleeding (waarover later), ziet hij er uit als andere
priesters in alle mogelijke landen. Een beteren indruk maqkt 's vorsten
broeder, dien wij reeds hebben ontmoet. Hij zit links van den vorst en
voert, nadat het zwijgen lang genoeg geduurd had, in vloeiend maleisch
een lang discours van ondergeschikt belang. Hij heeft een zeer gunstig,
verstandig uiterlijk en fungeert aan het hof als rijks- bestierder, dat
dan ook goed is om den boel ten minste eenigzins aan den gang te houden.
Ac&ter des vorsten zetel zitten de jongens met de gouden sirih-doos (lelantjan)
en schuinrechts en links achter hem twee dito met koperen spuwnappen (pamdoehan).
Onder
de overige hovelingen, die ik niet allen weet te classificeeren, in het
geheel ± 25 personen, bevinden zich 15 met pokdalige tronies. Dit gaf
mij hoop op het rcusseeren der zaak, waarvoor ik meer speciaal gekomen
was. Zoodra ik een hiaat ontdekte in het hoe langer hoe coulanter
wordende gesprek van 's vorsten broeder, stelde ik den vorst, door
tusschenkomst van onzen tolk, met het doel van mijne komst in kennis. De
wijze, waarop ik het voorstel zoo hier als aan de andere hoven inkleedde,
luidde ongeveer als volgt:
„Daar het bekend is, dat in uw rijk nu eens in heviger dan eens „in
mindere mate, maar toch geregeld pokken voorkomen, van welk „feit ik mij
op mijne reis door uw land ten overvloede heb kunnen „overtuigen, daar
hierdoor jaarlijks vele honderde menschen, meestal „in de kracht van hun
leven worden weggerukt en het rijk daardoor „vele werkkrachten worden
onttrokken, waardoor de rijkdom en de „welvaart van het land noodwendig
moeten achteruit gaan, terwijl „zij, die niet aan de ziekte bezwijken,
hun geheele leven door ge-
„ schonden blijven; daar verder door het handelsverkeer tusschon uw
„land en die landen, die direkt aan ons gezag zijn onderworpen, „ook de
gezondheid onzer onderdanen wordt bedreigd, waarvoor onze „Regeering,
zooals ze dat steeds doet, moet waken, zoo heeft de „Ned. Ind. Regeering
besloten u nogmaals te hulp te komen en wel „op eene wijze, die door u
niet anders dan goedgekeurd kan worden, ^overtuigd als zij is, dat ook u
de belangen uwer onderdanen moeten „ter harte gaan en ook de
volksgezondheid in uw land uwe grootste
^staatszorg is, doch dat u de wetenschap ontbreekt, hoe de vaccine, „de
eesige bestrijdster dezer ziekte, om doeltreffend te zijn, moet wor-
,)den geregeld. Daarom heeft de Regeering mij afgezonden, om de „zaak
met u te bespreken en u voortestellen, om uit uw rijk twee „eenigzins
ontwikkelde en invloedrijke personen naar Banjoewangi „te zenden, alwaar
ze onder mijne leiding op de hoogte zullen wor- dden gebracht van alles,
wat zij moeten weten om eene goede vao- „dne-regeling intevoeren en ik
hen van de noodige lancetten en „bibit zal voorzien/'
Wanneer nu dit voorstel door den vorst werd goedgekeurd, zooals dit
door de vorsten van alle rijken, behalve die van Mengwi zooals we later
zullen zien, geschiedde, dan wees ik er den vorst op, hoe alleen van
eene streng, desnoods met dwang doorgevoerde, vaccine heil te wachten
was en drong er dan op aan om de vaccine ver- plichtend te stellen. In
dat geval, zeide ik, zoude het land binnen zeer korten tijd voor goed
bevrijd zijn van deze zoo treurige ziekte, evenals Boelèlèng en
Djëmhrana, Aan het hof van Bangli werd mijn voorstel schijnbaar met
bizondere belangstelling aangehoord en mij de verzekering gegeven, dat
eerlang een paar personen met dat doel naar Banjoewangi zouden worden
afgezonden. De volkomen anarchie, die er in dit rijk schijnt te bestaan,
het weinig poid dat de vorst op zijne onderdanen heeft, de geest van
onverschilligheiddie ons . op Bangli overal tegenwaait, doet mij evenwel
twijfel opperen aan het welslagen van mijne pogingen aan het Bang-
li'sche hof.
Na een oponthoud van een uur braken we op en werden, op de- zelfde
wijze als we gekomen waren, weer naar onze hokken terugge- leid,
ongeveer als de tijgers in het cirque Wilson. Het is vermakelijk om te
zien, welke moeite de vorstelijke heeren moeten aanwenden, om gedurende
eene receptie hunne beenen in bedwang
te houden. In gewone omstandigheden zitten zo, met onder zich gekruiste
beenen, op een matje, dat voor den vorst en den kroonprins bij plechtige
gelegenheden met een veelkleurig en met gouden zilverdraad leelgk
opgesmukt kussen wordt verwisseld, en hen steeds door eene soort page
wordt achterna gedragen; dit geschiedde ook thans, in weerwil er nu geen
gebruik van behoefde gemaakt te worden. Immers thans moesten de heeren
op stoelen zitten, om vooral niet lager te zitten dan wij, die op den
keper beschouwd toch eigenlijk
maar soedra^s waren. Hunne boenen zijn natuurlijk aan deze positie niet
gewoon en het schijnt den resp: eigenaars veel inspanning te kosten om
te voorkomen, dat ze in een onbewaakt oogenblik niet als van zelve in de
gewone houding, d. i. j,sub partibus osterioribus^^ verzeilen. De een
slingert ze om de voorpooten van de stoel, een ander slingert ze om elka&r
heen, een derde steunt met beide handen, sommigen zelfs met de ellebogen
op de knieën enz. Anderen geven zich minder moeite en brengen reeds
dadelijk de musculi
sartofHi in werking en blijven y^sans gêne" met, op de stoel gekruiste,
beenen zitten, tot dat de conferentie is afgeloopen. Stoel zeg ik, nu ja,
in zooverre nl. een vuil, stofferig, verweloos, waggelend houten bankje
met dito rugleuning op dezen naam aanspraak kan maken. Sommige der
vorsten, die wij bezochten, hadden te
een of anderen tijd van dezen of genen Gekommitteerde een paar stoelen
ten geschenke ontvangen; dit was o. a. hier het geval. Doch deze stoelen,
die- voor deze gelegenheid uit de rommelkamer waren te voorschijn
gehaald, en een zeer gewild logies zijn voor meergemelde Acanthia
lectularia^ zagen er al niet veel beter uit. De vorsten schijnen
trouwens te begrijpen, dat wij het beter gewoon ijgn, en vragen daarom
ook geregeld bij zulke gelegenheid onze stoelen ter leen, die om
begrijpelijke redenen bereidwillig worden afgestaan. De
kleeding van de vorsten en andere autoriteiten in hofkostuum is al zeer
eenvoudig en bestaat uit een zeer kort onderkleedje, dat van af de
heupen tot even boven de knieën reikt, of liever uit eene soort bonte
lap, die eenige malen om de nates is gerold en toastra heet en door een
meestal fraaien met goud en zilver rijk doorweven buik- band {pëpékëk)
om het midden wordt bevestigd. Hier overheen dragen zij een prachtige
sarong, kampoeh genaamd, die op bevallige wijze, van af het midden van
de borst tot op de knie, in sierlijke plooien neerdaalt doch zoo, dat
een lange slip tusschen de beenen den grond raakt, soms zelfs een paar
voet langen sleep vormt; achter in den buik-band steekt altijd de kris,
meestal met prachtig en kostbaar
gouden handvat, een of ander wanstaltig hindoebeeld voorstellende. Voor
sommige dezer krissen worden duizende guldens besteed. De waarde van een
kris wordt niet alleen beoordeeld naar de hoeveelheid goud of
edelgesteenten, die hij bevat, doch vooral ook naar de teekens en
bochten, die zich aan het lemmet bevinden. Soms is de waarde nog meer
denkbeeldig. Een kris, waarmee reeds een vijand is vermoord of ander
heldenstuk verricht, of waaraan eene boven- natuurlijke kracht wordt
toegeschreven, of die vele jaren lang een
erfstuk in eenc voorname Balische familie is geweest, heeft vooral veel
waarde. Zeer gezocht zijn vooral krisscheden, gemaaktvan het fraai zwart
en wit gevlekte hout van de katimad, jav. timShd (Kleinhovia hospita L :
nat : fam : der Buttneriaceae) die slechts op een paar plaat- sen van
Java, o. a. in Banjoewangi, het gevlekte hout (pèlèt) oplevert. Enkele
fraai gemoireerde stukken worden met eenige honderd guldens
betaald. Een der vorsten van het rijk Badoeng heeft ons een kris-
Bcheede getoond, waarvan het bovenste deel van genoemd hout was gemaakt.
Yoor dit stukje gevlamd hout had hij f 2250 betaald. Behalve op menjepi
(een godsdienstig feest, waarover later) loopt geen Baliêr zonder kris.
De zucht om de deugdelijkheid Ym zijn
kris te toonen of om te kunnen zeggen, dat deze reeds bloed geroken
heeft, verleidt soms menigen Baliêr tot een afschuwelijke daad. Toen
twee jaar geleden een persoon in BoelèUng, die door de kerta wegens
moord was ter dood veroordeeld, gekrist (kesulang) zou worden, bood zich
een neef van den verbannen vorst aan, om als beul {djoeroe ilangang)
dienst te doen, alleen uit zucht om de deugdelijkheid van zijn wapen te
toonen. Zijn kris, die waarschynlijk op het sleutelbeen terechtkwam,
werd krom en doodde den delinquent niet, zoodat een ander hem den
genadestoot moest toebrengen.
Overigens hebben de vorsten het bovenlijf naakt. Velen dragen nog
vingerringen, soms van hooge waarde. Het kapsel beschreef ik reeds
vroeger. Men ziet dat de eigenlijke kleeding al zeer eenvoudig is en er
van ecne doorloopende rekening bij Oger frères al weinig sprake kan zijn.
Des middags om 5 uur bracht ons de vorst met een groot gevolg hot
verplichte contra-bezoek, bij welke gelegenheid wij allen weer in deftig
kostuum waren. hij bleef, 2 uur bij ons, zonder buikpijn te gevoelen,
waaraan de meeste Balische vorsten by zulk eene gelegenheid schijnen te
lijden, hetgeen vrij vertaald
ongeveer beteekent : jelui verveelt me of ik heb trek aan een schuifjé'\
Hij moest trouwens wel iets langer blijven, daar de Ass^ Resident van
Boelèlèng deze gelegenheid had uitgekozen, om eenige tusschen Bangli en
Belèlèng hangende kwesties te bespreken, om welke reden ook de drie
Boeleleng^sche priesters, die ons waren gegevolgd en die met den kantja
(pleitbezorger), die ook aanwezig was, het gerechtshof (kerta) uitmaken,
bij deze officieele receptie tegen- woordig waren. Ik bewonderde bij die
gelegenheid den ouden padandu (priester) van Boelèlèng^ die den vorst
van Bangli of diens woordvoerder (ook een padanda) met een ernst en
bezadigdheid, doch tevens met eene flinkheid bestreed, die hem menig
prokureur- generaal zou benijd hebben. De ingeregene, op lontar-bladen
in de oud Javaansche taal geschrevene wetboeken, waarmee hij gewapend
was, werden door hem meermalen geraadpleegd. Bracht de vorst of diens
woordvoeder iets in het midden, waardoor hij meende de zaak ge- wonnen
te hebben, dan haalde de oude man zijn wetboek heel rustig
voor den dag, vond spoedig het artikel, dat hij noodig had, las of beter
zong het met luider stem voor en bracht zijne tegenpartij zoo de eene
nederlaag na de andere toe. De wetsartikelen worden nl. steeds gezongen
op eene wijze ongeveer, als de mis in de R. C. Eerk. Natuurlijk verstond
ik van het geheele pleidooi, dat in het hoog Balisch gevoerd werd, geen
jota, doch ik had daardoor beter gelegen- heid, om, bij gebrek aan beter,
studies te maken over de mimiek, en tot de overtuiging te komen, dat de
Baliêrs de verschillende gemoedstoestanden door mimiek en gebaren op
dezelfde wijze vertolken als wij, en de theorie van Dartcin dus oök hier
geldend is. Den radja en diens hoog gevolg werd inmiddels een glas
anisette geoffreerd, van welke versnapering de Balische vorsten veel
houden, zooals dan ook een paar fleschjes soopie manis steeds een deel
uitmaakt van de officieele geschenken, die den vorsten namens de
Regeering, bij het bezoek van den Gekommitteerde, worden aangeboden.
Het klimaat op Bangli is, door de hooge ligging, aangenaam. De
middagtemperatuur was 26*^ C, de nachttemperatuur ± 21*^ C. De vruchten
zijn vrij wel dezelfde als die in- Oost- Java voorkomen; dit
het lijk aanhoudend een ondragelijken stank om zich heen verspreidt,
laat zich maar al te goed denken. Het is mij meermalen voorge- komen,
dat ik bij het passeeren van een kampong door den eigenaardigen stank
opmerkzaam werd gemaakt op de aanwezigheid van een lijk in die kampong.
Toen ik in het begin van Februari 1881 mij te Djémhrana bevond, om een
onderzoek in loco intestellen naar eene aldaar heerschende
koorts-épidemie, werd ik o. a. ook door een der padandas gevraagd, om
ten zijnen huize een patiënt te komen zien.
Den volgenden dag begaf ik mij derwaarts, doch de padanda^ die mij
tegemoet kwam, gaf mij in overweging of het niet beter was, dat hij den
patiënt bij zijn, iets nader bijwonenden, collega liet brengen, om reden
het lijk zijner vrouw, dat reeds 30 dagen bij hem te huis boven den
grond stond, zulk een ondragelijken stank verspreidde. In die omgeving
nu bevond zich o. a. ook een zoon van A^npadanda^ de bedoel- de patiënt,
die oorspronkelijk een ulcus cruris^ doch thans eene uitgebrei- de
periostitis van hot geheele onderbeen en eene beginnende goniitis had.
Prof. Selmi heeft onlangs in de lucht op kerkhoven de tegenwoor- digheid
van een organisme geconstateert, door hem septo-pneuma ge- noemd, dat
den schadelijksten invloed op organische stoffen en op den mensch kan
uitoefenen, en zelf weer de oorzaak is voor het ontstaan van massa's
bacteriën. Indien dit waar is, dan behoeft, het nauwelijks in
herinnering gebracht te worden, hoe schadelijk zulk
eene concentratie van het schadelijk agens op de omgeving moet inwerken.
Gelukkig mogen de lijken van aan pokken gestorvenen niet worden verbrand
en worden dus ook niet bewaard; toch is de wijze, waarop deze behandeld
worden, ook geheel in strijd met de eerste regelen der hygiëne. In
Boelèlèng en Djémhrana legt men
het lijk van een poklijder eenige dagen in een open, twee voet diep graf,
om daarna gewasschen en begraven te worden {ngloengah). In de meeste
Balische rijken (misschien alle), die niet aan ons onderworpen zijn,
blijven zo op de begraafplaats (séma) io den open kuil liggen, of worden,
hetgeen ten minste uit een hygiëosch oogpunt beter is, in een ravijn
geworpen, en het wilde mij menigmaal toeschijnen, wanneer we een ravijn
passeerden, dat dit zulk een reusachtig open graf was y^disjectaque enlm
membra circuni\
Ook personen aan lepra gestorven mogen niet worden verbrand, doch
onmiddelijk begraven, om later te worden verbrand. Vlg. van Bloemen
WaanderS is de termijn gesteld voor Brahmanen op 10, Ksatrya^s 15,
Wesija's 20 en Soedra's 25 jaren.
Dat ook vrouwen, die tijdens de zwangerschap sterven, de eer der
verbranding niet mogen deelachtig worden, doch de smaad der mepa^ah
ondergaan moeten, zagen wij reeds boven. Hierin staan ze gelijk met hen,
die wegens de eene of andere overtreding den doodstraf met de kris
ondergaan.
Wanneer men gezien heeft hoe eene Balische begraafplaats eruitziet, (waarbij
in de meeste Balische rijken een persoon steeds de wacht houdt, welke
persoon om deze betrekking veracht is,) dan zal' men
zich 'moeten afvragen, hoe de familie na zoovele jaren het stoffe- lijk
overschot kan terugvinden. Men herinnert zich evenwel slechts de plaats,
waar het geliefde pand eens in den schoot der aarde werd ter bewaring
gelegd, omwoelt den grond, en is het geheele skelet niet te vinden, dan
vergenoegt men zich met het kleinste brokstukje, dat gevonden wordt, ja
bij gebreke van dien, zelfs met een handvol aarde, waarin het lijk eens
rustte, en mocht het zijn dat men zelfs de plaats niet meer kan terug
vinden, dan verbrandt men het slechts „tn effigié*'*; men snijdt dan
ecDvoudig een houten pop (adëgan) en de verbrandings-plechtigheid heeft
plaats, alsof het lijk goed en gaaf aanwezig was. Ik zal later bij de
beschrijving van de wadaKs (verbrandingstoestellen), die ik in Tabanan
zag, nog even op het ceremonieel bij de verbranding moeten terugkomen.
Alleen wil ik nog aanhalen, dat het lijk, zoolang het boven de aarde
staat, niet geheel aan zich zelf wordt overgelaten ; op bepaalde tijden,
om de vijf dagen, wordt het met toja tirta (wijwater) besprenkeld, en
geregeld houdt een persoon (meestal een slaaf of slavin) bij het lijk de
wacht, om zorg te dragen dat niets van de banjèh (lijkvocht) ver- loren
ga. Hééft deze ongelukkige er goed en wel het leven afge- bracht, dan
geniet hij het voorrecht om voor deze bewezene diensten met zijne
familie, veracht en verlaten buiten de maatschappij te mogen leven.
Ook mag ik niet vergeten, hier nog even een geurig staaltje van het
verrege^nde cynisme van den Baliër te releveeren. Is een man gestorven
en wordt zijn lijk tot aan de verbranding in de baU bandoeng bewaard,
dan wil hier en daar het gebruik, dat zijne vrouwen zich de paar eerste
dagen aanhoudend derwaarts begeven, om 's mans penis nog eens danig op
verschillende wijzen te bewerken, misschien om te doen blijken, hoe
zielsveel ze van hem (ik meen nl. den echt- genoot) hielden en hoe noode
ze van hem (den echtgenoot) kunnen scheiden. Mijn zegsman beweerde, dat
vele vrouwen bij deze acte van groote toewijding blijk geven. Erger kan
het toch zeker niet. Waarlijk, Antisthenes zelfs had bij de Baliêrs
kunnen ter school gaan.
Wordt nu het lijk begraven, het zij dan al of niet met het doel om
later weer ter verbranding te worden opgegraven, dan wordt het
onmiddehjk na den dood gewasschen en, evenals bij de Javanen, in een
kain gewikkeld op een baar gelegd en zoo spoedig mogelijk onder een
groote pajong naar de sëma (begraafplaats) gebracht, alwaar de mannen
een twee voet diepen kuil graven en daarin het lijk déponeeren.
Natuurlijk wordt bij deze {plechtigheid wéér druk geofferd en
godsdienstige liederen gezongen. De kuil wordt gesloten, doch
met dien verstande, dat de zich ontwikkelende gassen door drie op het
lijk 'staande holle bamboezen (oeroes-oeroes) vrijelijk kunnen uit-
stroomen. Men begrijpt, dat de bedoeling voor hen eene andere is. Aan
het hoofdeinde van het graf wordt een kleine op een bamboe- staak
bevestigde offernis, sanggar-tawang geplaatst,' waarin door de
familieleden van tijd tot tijd wordt geofferd.
Behalve de beide aangehaalde methoden om hunne doden te behandelen,
nl. begraven of verbranden, bestaat er nog eene andere, die op Bali in
de op 15 paal afstand van het vroeger genoemde Sangsit (Boelèlèng)
gelegene Sembiran wordt in praktijk gebracht.
Evenals in Sangsit bevindt
zich, zooals we reeds vroeger zagen, ook
in deze dessa een overblijfsel van de Ur-Baliêrs {Bali-aga) aanhangers
van het oud Polijnesisch heidendom. De Bali-aga van Sembiran nu weigeren
halstarrig hunne doeden te begraven of te verbranden. Zij leggen ze
eenvoudig buiten de dessa in of onder een boom, denkende, dat er wel een
of ander dier zal komen, om ze weg te voeren. Indien een tijger het lijk
weghaalt, dan komt, volgens hun bijgeloof, de ziel van den afgestorvene
in den hemel. Dit exponeeren der lijken is ook, naar ik uit betrouwbaren
bron vernam, op Nias en bij de tegen woor- dige Parsis op Bombay
gebruikelijk. Ook de oude Persen moeten op deze wijze hunne lijken
behandeld hebben. Ook in de dessa Ténganan^ in het rijk Karang-asém,
moet dit, volgens sommiger getuigenis, plaats
hebben.van der Tuuk is geneigd, om het geheele verhaal voor een praatje
te houden, dat door de Hindoe-Baliers, de Wong Ma- djapahit^ is
rondgestrooid, die steeds alle moeite aanwenden, om de Bali aga in een
belachelijk daglicht te plaatsen. Ik heb daarentegen Balische
Mohamedanen gesproken, die het ten sterkste bevestigden.
Alhoewel nu deze laatste wijze van de lijken te behandelen al weinig
blijk geeft van de piëteit voor de nagedachtenis van den overledene,
moet men evenwel niet denken, dat deze plechtigheid zonder
smulpartij afloopt. Men hoore slechts. Zoodra een dezer Bali-aga
overleden is, wordt het lijk van kop tot teen gewasschen en daarna
buiten de dessa gedeponeerd. In het water nu, waarmee het lijk
gewasschen is, kookt meu eene groote hoeveelheid rijst gaar, die daarna
gekneed wordt en herschapen in een groote pop. Daarop komen famUieleden
en vrienden bij een om het doodenmaal te vieren. Een der naaste
familieleden breekt den kop van deze rijstpop af en begint er van te
eten, en geeft daarmee het sein tot een algemeenen aanval op de
rijstpop, waarvan ieder nu naar hartelust smult. Bon appetit! Men
bedenke evenwel, dat onder de Bali-aga^ nog niet zoo lang geleden,
menscheneters voorkwamen ; o. a. worden de bewoners van de dessa Bratanj
in Boelèlèng, die het bedrijf van goud- en ijzersmeden uit- oefenen,
gezegd zich hieraan te hebben schuldig gemaakt.
Hoewel het niet in direkt verband staat met mijne reis noch met Bali
wil ik hier toch even inlasschen, hetgeen mij door den Overste
Marinkelle werd verhaald aangaande de wijze, waarop de bewoners der
Zuid-Westereilanden {Tenimber-Eilandj Vordate, Serre en do eilanden der
Egeron-straat) hunne lijken behandelen. Zij is de volgende: de lijken
worden in uitgeholde boomstammen gelegd en de beide uiteinden zorgvuldig
dicht gemaakt. Het geheel wordt op twee schragen gesteld zoo dat het
eene hellende richting heeft. Het lijk-
vocht nu loopt aan het benedenste eind door eene van onder gemaakte
opening af en wordt in een onderstaande pot opgevangen, om dan door
familieleden en vrienden als blijk van vereering te worden gedronken.
Prosit! Ik dacht dat het op Bali al erg was, doch men ziet het: y^omnia
jam fiunt, fieri (piae />os5^ w^^raiaw." Een voornaam ambtenaar, die den
Molukschen Archipel dikwijls had bereisd eo met wicn ik deze wijze van
de hjken te behandelen besprak, bevestigde het boven aangehaalde in
hoofdzaak; alleen beweerde hij, dat dit
alleen met de lijken van de radja *s en andere hoofden plaats had en dat
het lijkvocht op den dag van het lijkfeest met arak vermengd door de
treurende familieleden en vrienden gedronken werd.
16 Augustus. — Zooals ik reeds in den aanhef van dit reisverhaal
aanstipte, zou de vorst van Bangli die eerst kort geleden door zijn volk
tot die waardigheid was verkozen, namens onze Regeering door den
Gekommitterde bevestigd worden, om welke reden ook de Asst. Resident van
Boelèlèng tot zooverre een deel van ons gezelschap uitmaakte. Deze
officieele plechtigheid, die bestaat in het onderteekenen door den vorst
en zijne rijksgrooten van het tusschen onze Regeering en het Banglische
hof bestaande contract en de acte van verband en aan welk ceremonieel
ieder vorst van Bali zich bij zijne troonsbestijging moet onderwerpen,
zoude heden morgen om tien uur plaats hebben. Doch onze Radja was het
met zijne rijksgrooten niet eens over den inhoud van het contract, dat
natuurlijkin het Balisch en Hollandsch is geschreven, en om kort te gaan,
hij maakte bezwaar om het te teekenen. De plechtigheid zou om tien uur
plaats hebben, doch het kostte den fungd. Sekretaris van den
Gekommitteerde, den tolk en de poenggawa's heel wat woorden, om hem
eindelijk zoo ver te krijgen, dat de inauguratie om 12^ uur kon plaats
hebben. Daar deze plechtigheid eigenlijk niets plechtigs heeft en alleen
bestaat in het voorlezen en teekenen der stukken, besloot ik te huis te
blijven en mijne gedachten haren vrijen loop te laten gaan over hetgeen
ik in de laatste paar dagen had kunnen waarnemen. Dit trok mij meer aan
dan de heele vorstelgke omgeving. De overige leden van het gezelschap
gingen op het gezegde uur derwaarts, en ik bleef alzoó met mijn
aanteekeniugsboekje en mijne gedachten alleen. Doch ik zat nauwelijks,
of een verbazend schieten uit geweren vlak voor onze woning
leidde mij af. Ik ging naar buiten om te zien wat het beteekeude, en
ziet, een geheele stoet van jonge meisjes passeerde. Aan het hoofd ging
's vorsten huispriester, dezelfde, dien ik gisteren had ontmoet, en
links en rechts werd de stoet geflankeerd door jongens, die uit oude
roestige loDtgeweren met los kruit schoten. Ecnige brokstukken gamelan
sloten den trein. De meisjes (er waren er ongeveer 25) droegen glazen
bekers en dergelijk huisraad. Tussehen haar in liepen een paar meer
bedaagde vrouwen, vrouwelijke priesters (padanda istri). Toen ik mij
informeerde naar de bedoeling van dien optocht, vertel- de men mi), dat
men naar eene nabij liggende heilige bron ging, waar de priester gewijd
water fabriceerde, door er zijne voeten in te was-
schen. Met dit water nu, de toja tirta^ waarover ik reeds meer heb
gesproken, moest het lijk van den overleden vorst worden besprenkeld.
Een uur later kwam de stoet terug en had nu werkelijk de bekers
en drinkglazen gevuld.
Na een verblijf van twee uren, die zoek waren gemaakt met het
schrijven van 27 handteekeningen , kwamen de heeren terug en konden we
tot het meer essentieele gedeelte van den dag, nl. de rijsttafel
overgaan. Des middags om 5 uur werd den Radja het offi- cieele^ geschenk
van de Regeering onder den gouden pajong toegezonden. Dit geschenk
bestaat uit de volgende ingrediënten en is voor alle overige vorsten,
die we nog te bezoeken hadden, hetzelfde, nl. 4 Amst : ellen groen of
rood fluweel, 5 meter breed, goud-of zilver-galon, twee flesschen soopie
manis, drie fleschjes odeur (Rimmel) en een kistje eau de Cologne. Des
Radja^s dank liet zich niet wachten.
Na mijne siësta deed ik eene middag- wandeling en ontmoette des
vorsten broeder, dien ik den lezer reeds heb voorgesteld. Daar ik wist,
dat hij eigenlijk de man was, die de zaken van den vorst waar- nam,
knoopte ik een gesprek met hem aan en bracht nog eens de vaccine-questie
op het tapijt. Hij verhaalde mij o. a., dat in Bangli gemiddeld de helft
van de personen, die door pokken werden aangetast, bezweek. Juist zag ik
een paar meisjes passeeren, die er aardig zouden hebben kunnen uitzien,
wanneer zij niet beide door de pokken
waren geschonden. In het vuur van mijn gesprek wees ik hem er op, hoe
jammer het was, dat de meisjes, die het land in zulke schoone nuances,
zoo rijkelijk bezat, zoo geschonden werden, terwijl het middel daar was
om dit te voorkomen. Ik had gepraat als Brugmans en dacht, dat ik hem
thans wel zoo ver gebracht had, dat hij onverwijld zijne aspirant-vaccinateurs
naar Banjoewangi zoude afzenden. Lezer! ik had gewenscht dat ge 's mans
verbazing had gezien , toen hij zag dat ik partij trok voor een meisje,
eene vrouw. Parampoewanl? dit
woord herhaalde bij wel drie malen, trok de schouders op en zag mij aan
met een gezicht alsof hij zoo pas de veepest had uitgevonden. Ik had de
plank geheel mis geraakt. Was er in plaats van die twee meisjes maar één
(jandroeng gepasseerd, ja dan, maar notitie nemen van eene vrouw, dat
was iets onbegrijpelijks, en werd mij zeker aangerekend als een attentat
des moeurs. De vrouw, waarde lezer! wordt op BaU niet beschouwd als een
persoon, als iemand, doch als iets en dan nog wel als iets, dat men
slechts in sommige oogenblikken noodig heeft, nog minder dan een
opiumpijp, een paard of iets dergelijks. Doch ik zal nog betere
gelegenheid krijgen om hierop terug te komen.
Ik ging huiswaarts en had voorloopig van Bangli genoeg. Een soeroean,
die den vorigen dag naar den Radja van Gjanjar was ge- zonden, om onze
komst op den 17e Augustus te melden, kwam met
het bericht terug, dat aldaar alles keurig voor onze ontvangst in orde
was. De Radja van Bangli werd met den tijd van ons vertrek in kennis
gesteld en hem door den Gekommitteerde verzocht voor een 20 tal paarden
en 200 koelies te willen zorgen, die om 6 uur zouden present zijn en ons
naar de grens van Bangli moesten brengen. |