|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
Bali 's Historie van de 6
de eeuw tot 1949 |
|
1911 Zwerftochten door Bali |
|
Door Henry Hubert van Kol, Lid van de
Eerste Kamer der Staten Generaal |
|
IV. IN HET HARTJE VAN BALI,
BANGLI. |
|
A. VERMEERDERING DER PRODUCTIE. |
Op Zuid-Bali, evengoed als op Java, waarvan sommige delen overbevolkt
mogen heeten onder detegenwoordige omstandig- heden noodig middelen te
beramen om een grootere productie uit den bodem te halen. Overleg en
toewijding zullen daarvoor noodig zijn, van Regeeringswege offers moeten
worden gebracht, doch nu onze troepen deze landen binnentrolden onder de
leuze van beschaving en welvaart, heeft de Balier het recht
dat van ons te eischen ; ja, ware het woordbreuk der Nederlanders
daaraan niet te voldoen.
Een begin is in sommige opzichten gemaakt De meeste ambtenaren gaven
blijken van den ernst en den goeden wil, waarmede ^ deze taak willen
vervullen, doch noemenswaarde verbetering van de economische toestanden
— die trouwens onder de Vorsten verre van slecht waren en gunstig
afstaken tegen Java -~ is nog geenszins bereikt
Hieronder zal worden toegelicht wat tot verbetering van landbouw en
veeteelt, van irrigatie en wegenbouw is geschied. Al staat de eerste er
op hoogen trap, men meene vooral niet dat den Baliers op landbouwgebied
niets valt te leeren, evenmin als op dat van het irrigatiewezen, dat
veel meer te wenschen overlaat dan men uit boeken zou opmaken.
Drinkwaterleidingen, en eveneens maatregelen tot verbetering der zoo
geringe geneeskundige hulp, vooral van krankzinnigen, blinden en
leprozen, zijn dringend noodig. Aan volksonderwijs voor deze
intelligente inlanders moeten de beste krachten worden gewijd ; wegen op
meer rationeele wijze dan tot heden geschiedde, worden gebouwd, waaraan
de overvloed van werkkrachten kan te pas komen. Meer rechtsgelijkheid
moet worden verkregen, en de groote voorrechten der triwangsa (nauwelijks
een deel
der bevolking uitmakende) tegenover den kleinen man, de .kaoela" worden
beperkt. Nu de Handelsvereeniging .Amsterdam" onlangs N, Rott. 20 Maart
1912) vergunning heeft verkregen tot het nemen van proeven met den
aanplant van suikerriet, zullen tijdig maatregelen noodig zijn ,om den
inboorling te beschermen tegen moge-
lijke verdrukking door de overmacht van het Europeesche kapitaal, als
het zich eenmaal hier zal hebben gevestigd
In Badoeng beslaan de desa's de halve oppervlakte der sawahs; maar in
Kloengkoeng en Karang Asem moeten velen als koelies elders werk gaan
zoeken; alléén Tabanan telt nog dun bevolkte streken. suiketfabrieken
kunnen aanslaan, vanwege den geest van samenwerking en initiatief, die
den Ball£r kenmerkt. De leuze van minister Idenburg: «een Inlandsclie
groot-industrie in leven te roepen door en voor den Inlander", kan hier
worden bewaarheid, wanneer de Nederl. Regeering de belangen der
bevolking wil stellen boven die van vreemde geldmannen.
Voor een en ander zijn mannen noodig, mannen die hart hebben voor dit
werk der beschaving, ,dle alléén de verovering en liet bezit van des
Oosteriings land rechtvaardigen kan." En nu moge de algemeene indruk van
het plichtsbesef en de werkkrachten der ambtenaren gunstig zijn, te
geringe kennis van land en volk, te
weinig studie der talrijke boeken daarover verschenen, moest Ik tot mijn
leedwezen bij sommigen constateeren. Nu is in het voort- durend gevaar
van overplaatsing naar geheel andere oorden, waar
volslagen andere toestanden heerschcn, een vergoelijking te vinden, doch
— onvoldoend onderlegd — moet hun werk daaronder lijden, worden goede
krachten doelloos verspild, zijn vergissingen en e^er niet uitgesloten.
Sommige controleurs van Zuid-Bali hadden de overdreven hormat-bewijzen
en het slaafsche hurken a^esch^
en juist hiin gezag en prestige scheen mij grooter dan dat van hen, die
aan zulke ijdeltuitgenoegens nog eenige waarde hechten.
Thans een enkel woord over de voortbrengingsmiddelen van Zuid-Bali.
De landbouw, vooral de natte rijstcultuur, staat van oudsher *) In
Bali op hoogen trap, hooger dan waar ook elders In den Ned.- Ind.
archipel. De rijstbouw staat er dan ook in hooge eere, en niemand — van
welke aanzienlijke afkomst hij moge wezen — schaamt zich daaraan deel te
nemen; zelfs de Brahmanen be-
bouwen hun velden zelf. Over de grondbewerking mis ik de noodige
gegevens ; de padiplantjes worden nc^ ultgel^d ; de velden worden
zorgvuldig gewied; het bevloeingswater wordt over vierkante kuilen
geleid om het onvruchtbare zand daarin te laten bezinken ; bemesting
heeft plaats door het verbranden van stoppels eenigen tijd voor dat de
regens dowkomen, terwijl ook de groene bemesting in sommige streken
wordt toegepast Minder rijke gronden iaat men van tijd tot tijd braak
liggen, en worden dan voor het weiden van vee gebruikt. Waar men veel
last heeft van muizen ,bikoet",. dan wel klapper-ratten .semal" worden
vereenigingen opgericht om deze plaag af te wenden, terwijl door het
departem. van Landbouw thans bet gebruik van zwavelkoolstof wordt aan-
geraden. Elk der soebak-leden moet een zeker aantal ratten of
muizen vangen, de gedroogde huiden bij den Sadahan-Agoeng inleveren,
waarna een feestelijke verbranding dier huiden plaats heeft.
Om zooveel mogelijk tegen diefstal op de sawahs te waken, wordt er
beurtelings de wacht gehouden, en is het verordeneerd ge- sneden padi 's
nachts naar huis te breien. De invoer van stoon- rijstpelmolem ware
gewenscht, evenals copra-drooginrichtingen en klapperoliefabrieken. Het
praatje op Lombok door Chlneezen
uitgestrooid, dat de padiziekten in 1911, na de oprichting vao een
stoompelmolen uitgebroken, een gevolg daarvan waren, .dat de rijst huilt
nu haar ledematen met steenen worden getaieasd," zou in Ball niet lang
opgeld doen.
De opbrengst van padi is op Bali aanzienlijk hooger dan op Java:
gemiddeld wordt 50 & 60 maal de gebruikte hoeveelheid zaad verkregen. In
Badoeng verzamelde ik de volgende g^vens: één tenah van 500 depa agoeng
of 4.500 vk. M. gaf ongeveer 65 .ikat" *) padi, waard ƒ65. Daarvan gaat
af 9 ikat voor het snijden, 2 voor het eten der arbeiders, I ikat voor
zaadpadi en blijven dus 53 ikat over, waarvan ƒ 125 belasting moet
worden
betaald. Meestal kan men hier per jaar 2 maal oogsten, zooda! per bouw
sawah door den landbouwer jaarlijks wel ƒ 150 wordt genoten. Noemt men
op Java 35 picols padi per bouw reeds een bijzonder mooien oogst, op
Bali is een ooe^t van 70 picols aiets ongewoons. Jasper spreekt in de
Gids van October 1913, van ,dit
goedgeïrrigeerde pracht-sawahs, welke — vooral in het Zuiden - tweemaal
per jaar met rijst beplant, den rijken oogst geven van ongeveer 100
picols padi per bouw en per snit" Op Java bereikt men gemiddeld
nauwelijks V« of 25 picols per bouw I Van droge rijstvelden wordt echter
niet meer dan Vi tot V* van diedertie- sproeide sawahs verkregen ; op
Java wordt dit ongeveer */t. In de beoefening van het landbouwbedrijf is
dus de Baliër een meester, van wien de Javaan nog heel wat zou kunnen
leeren. ,De booge
vlucht die op Bali de rijstcultuur heeft genomen," noemt Liefrinck een
gevolg ,van de vrijheid der bewoners" en .de zekerheid dat zij over de
opbrengst zullen l}eschikken" ').
Wat de veeteelt aangaat ziet men op Bali betrekkelijk weinig
karbouwen. De runderen zijn er forsch en gezond en sommige sappies zijn
ware prachtdieren, waarop de Baliër terecht trotsch is, wanneer zijn
prijswtnner, versierd met spiegels en aan den hals een houten reuzenbel,
^omfantelijk wordt rondgeleid. De in- voer van vreemd vee is verboden om
besmettelijke ziekten te weren; de verbetering van het ras moet zich dus
door selectie uit de inheemsche en de onttrekking van minwaardig vee aan
de voortteling beperken. Jammer genoeg is het gras In dit land, waar
vrijwel alle bruikbare bouwgrond in rijstvelden is omgezet,
gedurende den drogen tijd slechts schaars aanwezig ; naar geschilde
voedergewassen dient dus te worden gezocht.
De Balische paarden zijn klein doch niet slecht gebouwd, traag doch
gedwee, en bizonder geSigend voor het beklimmen van steile hellingen
langs uiterst primitieve bergpaden. Veelvuldig worden z^' gebruikt voor
draag- en trekdiensten, waarvoor de BaliSr zijn sappies te goed acht,
ofschoon deze als ploegvee wel degel^k
dienst doen. Het stationeeren van dekhengsten zou wétrnuttig zijn, naar
mij voorkomt.
Het aantal varkens- is er legio, waardoor steeds een levendige
uitvoerhandel mogelijk Is. Gedurende 1910 werden uit Zuid-Bali niet
minder dan 33.400 varkens en 9.500 runderen uitgevoerd, waard resp. ƒ20
en ƒ40 tot ƒ50 per stuk, die dan ook geregeld de beste plaatsen op de
Paketbooten in beslag nemen. Talrijke
kudden eenden ontmoet de reiziger; deze loopen trouw achter hun
vlaggetje en wanneer een enkele zijn vaandel verlaat is een: ,wat is dat?"
van den herder voldoende om haar weer terug te brengen in de rangen.
Vogelnestjes „selanganan" worden aan de Zuidkust bij Tjeningan, op
den Tafelhoek, op de eilanden en bij Krambitan (Tabanan) gevonden;
gedurende de laatste maanden schijnen er ook bij Songon, aan den N. O.
hoek van het Batoermeer, ontdekt. De kofietuinen in de bergen zagen er
vrij goed uit, al lieten blijkbaar het onderhoud en de pluk te wenschen
over; dikke stammen worden er aangetroffen, die op een hoogen leeftijd
wijzen. Gedurende bet Vorstenbestuur was het in Tabanan verboden
koffie-boomen om te kappen, welk verbod thans is opgeheven. In Bangli
zijn er vele in handen van Chineezen gekomen, waarom werd voorgesteld
deze te onteigenen en die tuinen aan het staatsdomein toe te voegen.
Aanvankelijk werden velen daarvan door den Vorst ten eigen bate beplant.
De tabak van Zuid-Bali is zeer gewild en in 1910 werden daarvan 5.900
pic. uitgevoerd.
Voor de omschrijving van het grondbezit moet worden verwezen naar de
uitvoerige studie van Liefrinck O daarover. Daar alles eigendom is der
Godheid behooren zoowel de grond als het water, de lucht en de
delfstoffen aan de Goden en de geesten, doch worden die — namens dezen —
door de desa's beheerd.
Geen nieuwe grond mag worden bebouwd zonder dat aan de God- heid
vergunning daartoe is gevraagd; uit dankbaarheid wordt dan een altaar
opgericht, waarop een deel der vruchten des bodems wordt geofferd aan de
Goden, aan wie ook een huursom als „oepeti" wordt betaald. Den Goden
behoort wat door de natuur werd geschonken ; aan de menschen komt
slechts datgene toe wat de vrucht is van hun arbeid. De werkers bezitten
alleen een erfelijkindividueel en vervreemdbaar gebruiksrecht, behoudens
het voldoen aan hun publieke plichten en tasten. De rechten van den
soeverein, en dus thans van de Indische Regeering, op den grond,
zijn in werkelijkheid uitermate beperkt. De bemoeiing van den Vorst met
de bebouwde gronden is nihil (1. c. p. 430) en evenmin mag hij ingrijpen
bij de beschikking der onbebouwde gronden, die tot eenig desaebied
behooren, tenzij om grens- en andere geschillen op te lossen. Over de
volslagen woeste gronden mag hij nooit in zijn eigen belang beschikken,
doch kan alléén in hè algemeen belang der bevolking daarvoor regelingen
treffen. Voor het overige zijn de grondrechten van den Vorst geheel en
al gelijk aan die van private personen, en kan hij, evenals deze, het
gebruiksrecht slechts verwerven door ontginning, aankoop dan wel
erflating. Bij overlijden van een grondgebruiker .zonder kinderen,
keerden die gronden aan de desa terug, doch wisten de Vorsten — in
strijd met de aloude adat — zich deze, evenals de stukken waarover
geschillen ontstonden, toe te eigenen, waaraan vele .do- meingronden" —
vooral in Bangli — hun ontstaan hebben te danken ; deze behoeven dus
niet te worden ontzien. Het Balische erfrecht werkt de verdeeling der
sawahs in de hand.
Naar waarheid beschikt, in dit feitelijk democratisch land, de
desavereeniging, in communaal bezit, over alle gronden die q) haar
gebied voorkomen.welke dan ten gelijke aan de bewerkers individueel
worden afgestaan, terwijl elk lid zich vrij een deel der boschproducten
mag toeëigenen. In geval van kwesties alléén beslist de arbiter, die dan
meestal den grond aan beiden ontzegt tot overeenstemming is verkregen ;
intusschen worden
deze neutrale gronden .tanah kwalonan" dan onbewerkt gelaten. De
desavereeniging is dus de bewaakster van de grondrechten der desa, en
met haar zal men meer rekening moeten houden dan toen, door de
agrarische Wetten van 1870 en vroeger, de Neder- landsche Regeering voor
Java hare domeinverklaring doordreef,
die ook op Sumatra's Westkust tot verwikkelingen leiden zal. De zuivere
verhouding is dus dat bet gouvernement, voor de kosten van bestuur, een
matige belasting mag heffen van de bebouwde gronden ; dat het deze
alléén c. q. mag onteigenen ten algemeenen nutte, en dat het met de
onbebouwde, benevens woeste gronden, geen andere bemoeienis heeft, dan
daarover te beschilkken. indien dit wordt vereischt door het belang der
bevolking In het algemeen Moge dit rechtsbeginsel door de machthebbenden,
althans op Bali nooit uit het oog worden verlorenl Een nadere studie
dezer belangrijke kwestie dient dus tijdig te worden ondernomen, vöÖr
den tijd dat de Europeesche kapitalisten zullen aandringen op miskenning
der grondrechten van de bevolking, wier lot wij in handen namen.
Klein mag het grondbezit in de meeste streken nog niet heeten,
ondanks het vaak onrechtmatig ingrijpen van Vorsten ten bate van
gunstelingen, waardoor vooral in Bangli de sawah-aandeelen werden
ingekrompen, waarin door hernieuwde uitgifte van de sawah droewé (a. i.
domein-sawahs) Ican worden tegemoet gekomen, benevens door de uitvoering
van nieuwe irrigatiewerken en verbetering van de bestaande. In Tabanan
is vrijwel alles
beplant, doch heeft men weinig pachters, en wordt meer het halfbouw .menandoe*
-stelsel gevolgd. In Gianjar, waar nog het meeste grootgrondbezit
voorkomt, is de bodem van de rest erg ver- snipperd. Terecht wees de
ass.-resident Kroon, in zijn belang- rijke redevoering (8 Sept. 1911) op
een volksfeest te Den Pasar er op, dat de landbouwer in Kloengkoeng
reeds grond tekort komt; dat Zuid-Bali te veel inwoners telt, en men dus
naar andere middelen van bestaan dan den landbouw moet omzien. Reeds
werd per bouw sawah ƒ 1200 betaald, waarbij de eigendomsbewijzen steeds
keurig in orde blijken en elke verkoop daarop wordt aangeteekend, iets
wat men op Java nog volslagen onbereikbaar acht. Bij verhuur van grond
trekt de bezitter de helft van de opbrengst, na aftrek van het oogstloon,
de landrente en de zaad-padi; in bovengenoemd geval dus, 2 maal per jaar,
ƒ25,25 tegen ƒ26,50 voor den bewerker. De eerste maakt dus (bij een
grondprijs van /500 per 500 depa agoeng) ruim 10 pCt van den grondprijs
'). |
|
B. DE IRRIGATIE EN HET SOEBAKWEZEN. |
|
Uitvoerige beschrijvingen van een en ander zijn te vinden in de Indische
Gidsen der jaren 1886 II en 1887 1, waarin Uefrinck niet minder dan 8
vervolgartikelen aan deze levenskwestie van Bali wijdde, terwijl in mijn
vorig boek over Bali daaraan 7 biz. werden besteed. Doch ons beider
oordeel vereischt eenige her- ziening, nu door het bezoek aan meerdere
stuwdammen, zoowel in Kloengkoeng als in Qlanjar, Karang Asem, Badoeng
en Tabanan, mij vele leemten dan wel gebreken der Inlandsche bevloeiings-
werken zijn bekend geworden.
Zeer zeker, men moet achting hebben voor hetgeen de Baliër op dit
gebied met zijn geringe hulpmiddelen en zijn primitief waterpas-instrument
*), met weinig geld heeft tot stand gebracht
') Men rekent op Bali gewoonlijk met de maat van de tenah. Eén tenah
<b KO pettraken, elk van 1 depah of 3 meter in bet vierkant, zoodat 1
tenah * oppenrlakte heeft van 4W0 vk. M.
V £en beschrijving met teekenlns daarvan wordt In Nieuwenkamp's Bali
^ p- 102 gevonden, waar men ook kan lezen ,hoe een Udang een
waterleiding tot stand deed komen." De lange tunnels in zandsteen
uitgehouwen; de talrijke lefdingen, die als zilveren strepen langs de
steilste ravijnwanden kronkelen, zijn ware monumenten van energie en
wilskracht van dit' zoo begaafde volk; zij zijn de stomme getuigen van
groote terreinkennis, een praktischen blik en taai geduld. Doch de
meestal lage stuwdammen, aangelegd tn deze diep ingesneden rivieren met
hun sterk verval, zijn uiterst zwak en van tijdelijke materialen gebouwd
; zij slaan bijna ieder jaar weg en doen dan het werk van duizenden
handen, soms den oogst van honderden bouwssawah, verloren gaan.
Primitief in elkander gezet, van kalistenen al of niet in bamboemanden,
zijn zij in den regel slecht geschoord, ook verslinden jaarlijks
schatten aan bamboes en klapperstemmen. Zeer laag opstuwende — soms zijn
het slechts liggende boomstammen, die den stroom ter zijde leiden —
heeft men zeer lange aanvoer-
kanalen noodig. Enkele hoogere stuwen, zonder technische leiding op ruwe
wijze met groote verspilling van arbeidskracht gebouwd, bleven langer
weerstand bieden, doch beginnen in de laatste tijden veelvuldig te
breken, en dan is voldoende herstelling daarvan zeer moeilijk. De Baliër
geeft — van zijn standpunt niet zoo kwaad geredeneerd — aan dammen van
geringe hoogte de voorkeur, daar deze in geval van beschadiging
gemakkelijker te herstellen zijn. De kloven, waardoor de rivieren zich
een doortocht baanden dan wel uitschuurden in dezen tufbodem, zijn vaak
omringd door bijna loodrechte wanden, die bij elke doorbraak afbrokkelen,
of bij vlakkere oevers hun loop verleggen. Aldus wordt de rivierbedding
totaal geruïneerd en — op overigens gunstige plaatsen — volslagen
onbruikbaar vooreen „prise d'eau". Soms- heeft zich op den ouden bodem
een 7 è 8 m. diepe grindlaag neeigezet, wa&rop een dam moeilijk is te
fundeeren, terwijl zijn wegslaan
de bruggen in gevaar brengt.
In de leidingen heeft men veel last van verzanden door gebrekaan
spuisiuizen bij den stuwdam; in elk rijstveld is dan ook in den hoek een
vierkant gat aanwezig om het- zand te laten bezinken. Ook steekt men
soms tijdelijk de dammen door, om te voor- komen dat bij overloopen van
de oevers der leiding, het water
zich met woeste vaart stort in de diepe ravijnen waarlangs bet stroomt.
Inlaatsluizen zijn immers in den regel niet aanwezig. Ook vindt men niet
zelden talrijke aftappingen uit de rivier vlak bijeen, waar één enkele
had kunnen volstaan, want elke soebak zorgt eerst voor zichzelf. Verder
waren de grenzen der voormalige, vaak vijandelijk tegenover elkander
staande Kijkjes, een groot bezwaar, om van onderlinge vernieling der
waterwerken niet te spreken. De zoo vaak geroemde tunnels moesten
minstens zóó hoog worden gemaakt, dat iemand zittende er in werken kan.
Niet zelden bleek de helling onvoldoende, of verdween alle water
IN HET HARTJE VAN BALI, BANGLI. door een scheur in den bodem ; zij
berokkenden dus vaak teleur-
stelling.
Zoodra de velden geen water meer noodig hebben, laat men alle werken
aan hun lot over, wat later soms maandenlangen arbeid eischt om alles (dammen,
leidingen, dijkjes, overlaten, tunnels, bezinkvijvers, enz.) weer in
bruikbaren toestand te brengen. Door een en ander is een rationeele
irrigatie steeds moeilijker geworden, en is hulp en leiding van
Gouvemementswege niet langer meer te ontberen.
In tegenspraak met de vaak verkondigde meening, dat de Javanen, en
dus de Baliërs, den natten rijstbouw door de Hindoes leerden kennen, is
wet het feit dat onder de talrijke benamingen bij de irrigatie in
gebruik, voor rijst en alles wat daarmede in betrekking staat, geen
enkel Hindoesch woord is aan te wijzen. Dit krachtig hulpmiddel bij
allen tropischen landbouw is dus wel aan de eigen ontwikkeling der
oud-Javanen te danken. Sedert onheuglijke tijden zien de Baliers het nut
eener systematische bevloeiing in, overtuigd dat daardoor de gronden
verbeteren en meer zekerheid van oogst wordt verkregen.
De regenval op Bali is zeer ongelijk, en zuidelijk van het centraal
gebergte valt veel meer dan noordelijk daarvan dus in Boeleleng en K.
Asem. Tegen 1.188 mm. te Singaradja vielen als gemiddelde der jaren 1908
t/m 1910 in Tabanan = 3.893 mm. Door een onverklaarbaar verzuim werden
de maanden Mei tot Dec. 1909
in Badoeng, en Juli tot I>ec. 1909 — benevens het geheele jaar 1908 — in
Karang-Asem niet opgenomen. Gedurende 1910 vielen in K. Asem = 1.803 m.M.
tegen 2.491 m.M. in Badoeng, 3.845 m.M. in Tabanan, dus 5V< maal meer.
Die jaarlijksche hoeveelheid is over de verschillende maanden al zeer
ongelijkmatig verdeeld, wat
kunstmatige bevloeiing des te meer noodig maakt Gedurende de 6 maanden
October tot en met April vatt ongeveer */* van den regen over het
geheele Jaar.
Van de Toekad Beloeang (West-Tabanan) af tot Koesambé toe zijn alle
rivieren vaak meerdere malen afgetapt ; er komt dan ook weinig water
daaruit in 2ee terecht. In Djembrana en Boeleleng zijn van de 20.400 bw.
sawah slechts 200 van regen afhankelijk; in 1910 brachten deze samen 468
duiz. pic. padt op. De oerwouden zijn grootendeels verdwenen ; alleen op
de grens tusschen Boeleleng en Djembrana en op den bergrug bij Batoer
worden nog uitgestrekte wouden gevonden. Wat ontginbaar was, is bebouwd
;
alleen in de bovenstreken bestaat eenige kans op uitbreiding der
bcvloeide bouwvelden, op plaatsen den BaliErs wel degelijk bekend.
Enkele plekken zijn .tenged"; dus verbiedt het bijgeloof dat ze worden
beplant Ook het water der T. Petanoe durft men niet gebruiken, noch voor
baden, noch om te drinken, noch voor de rijstvelden, daar het bloed van
den Reuzenkoning Manga Danawa daarin vloeide en dan ook uit de, trouwens
oneetbare, r^staren bloed zou vloeien.
Door de diepte der rivieri>eddingen behooren oveistroomingen van een
geheele streek tot de hooge uitzonderingen. Slechts in enkele streken
heeft men overlast van water; en afwerkt, nei^ens meer bruikbaar sawah-water,
„tlhls" genaamd, moet soms door kanalen, .penikisan", naar zee worden a^eleid.
Bij een doorbraak van het meer Tamblingan werd (Oct. 1818) een deel
vanMidden- Boeleieng in een woestenij herschapen.
Men telt vier bergmeren op Bali, alle tusscben den Piek van Tabanan
(+ 2370 M.) en den Q. Abang (+ 1798 M.) op een hoogte van ongeveer 1000
M. gelegen, en die — naar de waarschijnlijk juiste meening der BaliSrs —
door onderaardsche uitwatering ver- schillende bronnen voeden. Bestonden
deze natuurlijke réservoirs
niet, dan zou de uitgestrektheid der rijstvelden veel kleiner zijn. De
rivieren werden door de Goden aan het menschdom geschonken om zich
daarvan te bedienen; de nieren zijn hun uitsluitend eigendom, en niemand
heeft het recht daaruit water weg te leiden. Nauwgezet worden in de
tempels op den oever der meren de
voorgeschreven offeranden aan de Dewi Dana verricht, waari>y vooral Dewi
Sri trouw wordt herdacht.
En thans een paar woorden over belangrijke stuwdammen, waaruit de
gebreken der Baliscbe constructie duidelijk blijken, doch waarbij erge
tegenvallers ook onder Nederl. bestuur niet zijn uit- gebleven.
In de T. Agoeng, die haar oorsprong neemt oostelijk van den O. Bratan
(4- 2.159 M.) en niet ver van Sanoer (Badoeng) in zee valt, was een
groot werk ter opstuwing van enkele meters ge- maakt. Door te steile
glooiing van den overlaat en onvoldoende bescherming van den rivierbodem
benedenstrooms, ontstond een gat onder den stuwdam, en bleef deze als
een brug, waaronda ^ het water doorheen stroomde, aan de rotswanden
hangen. De tunnel, hier hoofdleiding, kreeg dus geen toevoer meer.
Op korten afstand van Bangll bezocht ik den dam SIdemboeroet In het
ravijn der Melangit, datwaarschijnlijk door het Batoemieer wordt gevoed.
Langs dit breede en diepe ravijn wandelend, be-
speurde ik talrijke instortingen, die de weinige betrouwbaarheid der
oevers aantoonden. De stuw bestond uil talrijke rijen dunne palen,
waartusschen zand was aangespoeld; de kruin lag±20M. boven de oude
rivierbedding. Bij gewone standen kon al het niet gebruikte water zich
verwijderen door een sterk hellende tunnel in den linkeroever uitgehold
; bij meerderen toevoer trad de overlaat in werking. Een tunnel in den
rechteroever, lager dan de vorige gelegen, bracht het water naar
ongeveer 500 tenah ot 317 bouws sawah. Op den dam stond een
offertafeltje met vruchten voor de Qoden, wat niet belette dat dit werk
ieder jaar wegsloeg, en dan met inspanning van aller krachten snel moest
worden hersteld, om mislukking van den aanplant te voorkomen. Ofschoon
het water in de open leiding, achter den tunnel, een snelheid had van
0,8 M. per sec. werd toch veel zwart zand a^ezet, dat ook in de rivier
zelve groote banken vormde. De bouw van tunnels
geschiedt door speciale werklieden (vooral die der desa Soelang zijn
daarvoor beroemd), die nooit petroleumlampen doch steeds palitas
gebruiken, wanneer zij als mollen in den grond wroeten. Door enkele
zijgangen naar het ravijn wordt eenige luchtver- versching verkregen. Om
het zand uit de leidingen te weren ge- bruikt men soms filters van stroo
en takkenbossen, dan wel — als hier — sluisjes om het losgewroete zand
weer naar het ravijn te spuien; elders worden de leidingen, ten koste
van zwaren arbeid, geregeld schoongemaakt. Boven- en benedenstrooms
getuigden gleuven in de oevers en gaten van tunnels in de wanden, van
vroegere plaatsing der dammen, die alle waren bezweken voor de geweldige
kracht der bandjirs. En tot aan den voet van bet gebette, over een
lengte van 15 KM., had dezelfde lijdensge- schiedenis zich meermalen
herhaald.
In het kleine Kloengkoer^ telde ik op een onvolledige kaart, langs de
drie rivieren — de T. Boeboeh, T. Djinah en T. Oenda — over een lengte
van niet meer dan 9 K.M. niet minder dan 26 stuwdammen en 18 tunnels van
meer of minder grooten omvang. De geheele vlakte is dan ook tot aan den
voet der heuvels bevloeid.
Midden in een reeks van verlaten rivierbeddingen der T. Oenda, vond ik —
aansluitende aan den hoogen oever — een langen gebogen leidam, S'/t M.
hoog, van los opeengestapelde groote kalisteenen, die natuurlijk veel
water liet doorstroomen, en waarvan de kruin voortdurend afbrokkelde.
Een tunnel van uitgeholde aarde,
zonder eenige versterkii^, diende tot aanvoer van water naar de sawahs
en tevens als primitief meetmiddel der hoeveelheid. Beneden den weg van
Kloengkoeng naar Koesambé splitste zich de leiding in tweeen: één voor
500 en een tweede voor 1300 bouw, waarom op dit verdeelpunt een drempel
van klapperstammen was gemaakt, waarvan de openingen tot elkander
stonden als 1 : 3. Door schotbalken onder de nabijgelegen brug had men
dit doel veel beter en nauwkeuriger kunnen bereiken. Het bandjtrzand gaf
ook hier groot bezwaar, al bleef de grootste hoeveelheid water en zand,
door verlang van de damkruin op bepaalde gedeelten, in de
tegenwoordige rivierbedding. Zoover betoog reikte was hier, door
vernieling van den rivierbodem, geen geschikte plaats meer te vinden
voor een behoorlijke ,prise d'eau".
Bij Pendjeng in Oianjar zou Europeesch vernuft de Balische
onwetendheid ter hulpe komen, de eerste permanente dam van Zuid-Bali zou
daar in 1910 worden gebouwd. De Inlanders stortten ƒ10.000 in handen van
den opzichter B. O- W.; daarna — toen deze som onvoldoende bleek — weer
ƒ5.000, en ten slotte n^
eens ƒ5.000. Nauwelijks waren deze ƒ20.000 uitgegeven en was de dam
gereed, of bij den eersten bandjir den besten sloeg het geheele
kunstwerk weg, waren de soebakleden hun gelden kwqt, en kreeg het
vertrouwen der Balifirs in de technische bekwaamheid der Europeanen een
leelijken deuk. |
|
HET SOEBAKWEZEN. |
Vereeniging en samenwerking zit den BallSrs in het bloed. Zij vereenigen
zich voor het uitoefenen van vischvangst als bedrqf, voor het
organiseeren van jachtpartijen, voor het uitroeien van schadelijk
gedierte, voor het bespelen van de gamelan en voor het houden van
volksfeesten. Het oogsten der rijstvelden in de
dun bevolkte bergstreken geschiedt door onderling en gratis hulpbetoon.
Doch meesterlijk zit werkelijk in elkaar de organisatie van een soort
waterschappen, van de Soet>aks, die beschikken over een eigen bestuur
met rechtsmacht bedeeld en over eigen geld- middelen. Eigenaars van
sawahs, die het water uit eenzelfde leiding ontvangen, sluiten zich
aanéén en regelen alles wat op den lijstbouw betrekking heeft. Al de
Soebakleden maken om beurten deel uit van het bestuur, dat den tijd van
bevloeien, ploten, planten
en oogsten vaststelt, de noodige werken onderhoudt en laat bouwen, de
waterverdeeiing, benevens den water aan- en afvoer regelt, de
belastingen Int, en voor ieders rechten waakt
De Soebakleden zijn verplicht de vergaderingen bij te wonen, die
periodiek worden gehouden, liefst op een schaduwrijke plek vanwaar men
de geheele soebak kan overzien, wat de t)espreking der zaken gemakkelijk
maakt De beslissing geschiedt bij meer- derheid van stemmen, doch appèl
op den Sedahan is geoorloofd.
De werkzaamheden voor dammen en leidingen, voor toezicht op de
waterverdeeiing, het bewaken der sawahs en het onderhoud der tempels,
geschieden gemeenschappelijk, en ieders aandeel daarin is evenredig aan
de hoeveelheid water hem verstrekt
Aan het hoofd der vereeniging, van de „Sekah Soebak" staat de „pekasih",
die voor de uitvoering der besluiten in de vergadering genomen zoi^
draagt. De pekasihs vormen weer een vereeniging, aan het hoofd waarvan
een .pengloerah", al of niet ter zijde gestaan door een .pangliman";
deze vergadering beslist over de
geschilpunten. De verschillende pengloer^s staan allen onder den Sedahan
Agoeng — tegenwoordig tevens onder-collecteur — die dus het hoofd vormt
van het gansche Soebakstelsel. Deze ambtenaar Is belast met de juiste
verdeeling van het inigatlewater, moet de landtiouw behartigen en
beheert de landelijke inkomsten; hl]
is dus een persoon van Invloed, en de bevolking ziet vooral in hem den
machthebber over het water der rivieren, bronnen en leidingen.
Dit overblijfsel uit den tijd der oer-BallErs, weet van stands- nog
kastenverschil, en dit sawahbestuur staat geheel onafhankelijk van het
districts- en desabestuur. Geen vaste omgrenzing der Soebak is
wenscheltjk geacht, haar taak beperkt zich tot het complex van velden,
die bevloelTngswater ontvangen uit eenzelfde hoofdleiding. De Nederl.
Regeering heeft het Soebakstelsel, dat onder het vaak zwakke
Vorstenbestuur niet geheel intact was gebleven, weer In eere hersteld en
ui^ebreid, door b. v. Badoeng in 2, Kloengkoeng in 4 irrigatiegebleden
te verdeden, in overleg met de soet>ak- vereenigingen. Vooral bij de
waterverdeeling verleent de soebak goede diensten.
De regeling daarvan is verschillend naarmate er overvloed van water
is, dan wel zuinigheid moet worden betracht, hetzij — door het „poeng-katan-stelsel"
— mislukking van den aanplant moet worden voorkomen, of dat er gebrek
heerscht aan drinkwater. De beurtbevloeiing is er in de puntjes geregeld.
Het recht van door-
voer van irrigatiewater is verzekerd, desnoods dwars door een huistempel
heen, zoodat voor dit belang van den landbouw zelfs de Goden, anders zoo
hoog vereerd, het veld moeten ruimen. Verhuur van water komt slechts
zeiden voor, verkoop van water wordt steeds meer tegengegaan, waaraan op
Java, — waar in suiker-
streken dit misbruik regel dreigt te worden — wel eens mag worden
gedacht. Trouwens, een regeling als de schandelijke methode thans op dit
laatste eiland gevolgd, waardoor de suikerfabrikanten het water des
daags krijgen en de inlandsche landbouwer daarover alléén des nachts mag
beschikken, zou op Bali tot een volksop-
stand leiden, heel wat moeilijker te onderdrukken dan de paar Vorsten
met faun volgelingen, vrouwen en kinderen, die in machte- looze
poepoetans den dood zochten!
De beschikking over het stroomend water is. dank zij de voortdurende
kwesties tusschen desa's, door den souverein aan zich getrokken, die
daarbij echter tioven alles moet letten op de belangen van den
landbouwer, van den kleinen man. Als retributie voor de verleende
diensten m^ hij eenige landrente (Hsoewinih") eischen,
benevens eene bijdrage voor de vorstelijke feesten evenredig aan de
genoten hoeveelheid bevloeiingswater. Alle moeilijkheden, die zicii
voordeden bij deze voornaamste bron van bestaan, wist de BaliSr dus
schitterend te overwinnen ; zijn gezond verstand, werklust en volharding,
vert>onden aan z^n geest van organisatie en samen- werking, kwamen hem
daarbij goed te stade. De BaliEr deed wat hij met zijn gebrekkige
hulpmiddelen, zoowel technisch als financieel kan bereiken; aan de
Indische Regeering nu de taak, hem door leiding en steun verder te
brengen op den reeds eenmaal ingeslagen weg.
Op vele plaatsen gaat de Inlander, uit eigen aandrang, er reeds toe
over om kleinere waterwerken te bemetselen en met cement te bekleeden,
waardoor het jaarlijks vernieuwen wordt voorkomen;
voor grootere werken is hulp van het Gouvernement noodig. Laat dit een
irrigatie-brigade naar Bali zenden om de noodige projecten op te maken,
en de bevolking zal gaarne een flink deel der kosten totalen, b. v. door
een waterrecht aan de Soebakbesturen. Alleen voor de stuwdammen en de
verdeelsluizen, minder voor de leidingen, is technische leiding noodig;
doch het geval met den dam Pedjang mag zich dan niet herhalen, de
landbouwer m*^ niet de dupe worden van ondeskundige voorlichting ').
Ook de studie van het grondwater moet vooral op Bali worden ter hand
genomen. Op meerdere plaatsen van Oost-Boeieleneng treft men
rijkvloeiende wellen aan, evenals lan^ het zeestrand bij Soko. Aan de
zuidgrens van Djembrana verdwenen gedurende den Oostmoesson geheele
rivieren in het zand; soms vindt men midden in de sawahs een hol van 40
M. of meer diepte, waardoor men een onderaardsche rivier ziet stroomen.
Dit water kan aan het daglicht worden gebracht *) en gebruikt voor den
landbouw, terwijl het nu nutteloos naar zee stroomt
Zeker, geldelijke offers van de R egeering zijn daarbij onmisbaar.
Alléén de bouw van een dozijn dammen in Badoeng (o. a. van den Oögan-dam
voor 4.300, de Kapal-dam = 2.400, Laos = 2.400, Blah Pijoeh 2.000, Leban
= 1.400 en Pedjang = 700 bouws) zullen tonnen gouds eischen, om van de
talrijke .prises d'eau" voor
100 k 400 bouws niet te spreken. In Gianjar alleen zijn 92 dammen van
klapperstammen vervaardigd en reeds oud, die dus elk oogen- blik kunnen
bezwijken, en die de geheele afdeeling uit de Toekads Pekrisan, OOs,
Tjangkir en T. ^ngrang van vruchtbaarmakend water moeten voorzien. Een
tweede regenmoessom met zulke zware bandjirs als die van 1909 — 1910,
zou vreeselijke gevolgen na zich slepen. Moge het Gouvernement nu dus
niet langer dralen, en het vertrouwen des volks niet beschamen. Langer
uitstel ware misdadig; want — men vergete het geen oogenblik: Bali staat
of valt met den sawahbouwl ') Oedurende het jaar 1913 werd de bekwame en
ijverige [ngenlenr van den Waterstaat, P. J. Ott de Vries, belast niet
een onderzoek naar de beboette aan bevloelingswerken op Bali. Motc de
Indische begrooting voor bel dienstjaar 1915 daarvan de sporen aanwijzen. |
|
C. NIJVERHEID EN KUNST, HANDEL EN VERKEER. |
Over de nijverheid valt weinig te zeggen. De bevolking drijft nagenoeg
uitsluitend landbouw; ambachten konden zich bezwaarlijk ontwikkelen,
daar ieder zijn eigen huis en muren bouwt van klei en steenen, terwijl
de vrouwen haar kleederen weven. Wel vindt men er (als reeds beschreven)
zoutmakers, verder pannen-
en kalkbranderijen. Ook wordt er nogal veel vlechtwerk vervaardigd en
worden er verdienstelijke ijzer- en kopersmeden, benevens snijders van
ivoren en houten beelden en ornamenten gevonden, die echter meer tot de
kunstenaars zijn te rekenen.
Op Bali worden bijna uitsluitend fijne zijden stoffen geweven; alléén
In de desa's waar nog Bali Aga wonen, wordt katoen gebruikt. Schepen en
prauwen worden niet gebouwd door Baliërs, doch door Boegtneezen en
Mandareezen, aan de kust wonende. Pottenbakkerijen zijn herkenbaar aan
een aantal gebroken potten
op een staak gestoken, doch de vervaardigers daarvan worden, even- als
de blauwververs, als het uitschot der maatschappij beschouwd, en men
beweert zelfs dat zij in een vroegere incarnatie apen zijn geweest
Kopergieters, die de ronde koperen doosjes voor sirih- kalk maken, zijn
zeer vaardig in hun vak, en één hunner, te Kloeng- koeng wonende, is
beroemd om zijn prachtig bewerkte schellen met hun helder geluid, en
zijn fraai gestyleerde kandelabers.
En wat valt er nog te zeggen over de Balische kunst, nadat mannen als
Rouffaer en Nieuwenkamp daarover hun enthousiasme hebben geuit, en
spraken van „dat volk van verwonderlijken kunstzin en kracht," van „menschen
die kunnen" en daarvan alom getuigen. Het wemelt op Bali van kunstenaars
bij Gods genade, en alles wat men ziet, zoo wel de wapens als bet
huisraad, de schoteltjes van aardewerk als de waterkannen, de gevloch-
ten sirihtasschen als de uurwerken en sieraden, getuigt van hun liefde
voor het schoone. In Kloengkoeng was ik in de gelegenheid het werk van
een ivoorsnijder te bewonderen, die bezig was een miniatuurbeeld van
Visjnoe op den Garoeda te maken. Het was noch slechts een brokje, een „ébauche",
doch reeds daarin zag men de vlucht van den vogel en de strenge
uitdrukking van den Hindoe-God. De man was arm, bezat geen ivoor meer en
kon er geen koopen; tot mijn leedwezen slaagde ik er niet in, dat voor
hem op Java te vinden. Anders had ik hem een hoeveelheid toegezonden; ik
ben er van verzekerd dat Ik dit vrije voorschot had teruggekregen.
Doch de bouwkunst staat bij de Bali&rs voorop ; hun vurig geloof
drijft hen tot uiting van hun religieus-artistiek gevoel. Hier leeft de
kunst, op Bali I O^ouBaer I. c. p. VI). En de kunst kon alléén leven
door de matèrieele welvaart, waardoor hun fijn gevoel in de gelegenheid
was zich te uiten (Encycl. Ned. Ind. II, p. 330).
Zoowel de invloed der Hindoes als die der Chineezen is er nog
merkbaar, en de Islam benam den Balier, evenmin als een vreemde
heerschappij, de gelegenheid om aan zi{n scheppingsdraog gehoor te geven.
Hun tooneel, dans en muziek werden reeds de vorige maal door mij
beschreven. Die sierlijke vlugge passen, die dartele dansen vol bekoring,
geheel anders dan het tandakken op Java, waarin weemoed zit ; die muziek,
edeler dan de Javaansche gamelan, waaruit men de smartkreet hoort van
eeuwenlange onderdrukking. Te Dèn Pasar en elders genoot ik met volle
teugen bij den dans der „Isgongs" van Tjokorda Oeboet, waarbij drie
meisjes met fijn besneden gelaat, lenig als slangen, met trillende
bloemen in den haardos, als kapellen rond fladderden op de melodieuse
tonen eener muziek op koperen instrumenten, waarvan de tonen
inéénsmolten als in een viool door meesterhand bespeeld.
Gelukkig wordt te Dèn Pasar een museum gesticht, een schatkamer van
Balische kunst, waar voorwerpen worden verzameld uit de verschillende
Landschappen, om de studie dezer echt nationale kunst te bevorderen en
deze te beschermen tegen Westerscbe Vandalen.
De handel, vroeger voornamelijk in handen van Chineezen, die koffie,
kopra en vee opkochten, vooral in Badoeng en Tabanan, ^ wordt steeds
meer door BaliSrs gedreven. Door verbetering der havens aan de Zuidkust
zal de in- en uitvoer te Boeleleng ietwat minder worden. In 1873 bedroeg
aldaar de invoer (in duizenden j guldens) = 3.400 (waarvan »/■ opium);
in 1899 = 3.600 en in I 1910 = 6.450; de uitvoer in dezelfde jaren steeg
van ZOOO tol 3.600 en 6.530 mille. De invoer van manufacturen bedroeg ia
dit
laatste jaar te Boeleleng: 446 tegen 504 in Zuid-BaÜ; van petroleum resp.
246 en 77 m. De voornaamste artikelen van uitvoer waren resp. voor
Boeleleng en Zuid-Bali: runderen = 614 en 450; varkens = 299 en 603;
koffie = 614 en? en vooral kopra =2276 en 992 mill., benevens voor 205
m. klapperolie. De rijksuitvoer
van Zuid-Bali had in 1910 een waarde van 165 duiz. gul. tegen 437 m. In
het betere oogstjaar 1909. De invoer aldaar steeg in liet geheel van 636
in 1908 tot 1.111 in 1910, en de uitvoer van 1.132 , tot 1.336 mill.,
zoodat de totaal-handel in die 2 jaren steeg raA 43 pCt. ').
Het ruilmiddel van den handel, de munt, laat op Bali veel te te
wenschen over. Valsche rijksdaalders zijn er veel in omloop, en de
Chineezen verspreidden het praatje, dat de stukken vao den , .Radja
lëhèr pandjang" (Willem [1, den Vorsf met den langen nek) waardeloos
waren, ten einde ze met flink agio te kunnen opkoopen.
Ook de Willem III met de ,gondol" (hooge kuif) !s er niet „lakoe".
Guldens en Ned. Ind. pasmunt zijn op Bali niet in omloop, doch
bankpapier breekt er zich reeds baan.
Bali is echter het land van de .kèpèng" of Chineesche .pitjes",
waarvan er 6 è 700 op den gulden gaan. Men kent daarvan niet minder dan
8 soorten, vervaardigd uit allerlei metaal, terwijl een bepaald soort
alléén voor de tempels wordt gebruikt Door hun geringe waarde heeft men
daarvan een groot volume noodig, waarom zij met gaten in het midden aan
rottans worden geregen ; de minwaardige alliage doet ze aan elkander
plakken, wanneer zij op één worden gespeld. Zes rijksdaalders in kèpèngs
wegen reeds I pico), en toen er alléén in Tabanan 1.600.000 in Gouv.
bezit waren, waren alle geldkisten overvuld. De waarde er van is zeer
onstandvastig en varieerde in enkele jaren van 800 tot 2.000 per
rijksdaalder; in Gianjar zijn zij meerwaard dan elders, en de opiumregie
neemt ze aan ad 1750 per rijksd. tegen 1600 op de pasars.
Middelen tot Inwisseling dezer Balische duiten worden beraamd,
waarbij ten deele dezelfde bezwaren als vroeger voor Java werden
vernomen : langs den w^ zijn vele versnaperingen verkrijgbaar (tabak,
rijst, borak, strootjes, vruchtensap enz.) die men voor één kèpèng kan
verkrijgen ; bij lijkverbranding moeten kèpéngs worden gestrooid onder
de bevolking, terwijl sommige afgodsbeelden, de z.g. ramboet-sadama, van
duiten worden gemaakt. Bij nader onder- zoek bleek de waardeloosheid
dezer bezwaren, en alles pleit voor
het doen verdwijnen dezer penningen, waarvan het aantal op 785 millioen
en de waarde op 1 millioen gid. wordt geschat. Vooral voor Bali is dit
noodig, omdat — naar de Java-bode van 26 Sept. 1911 verklaarde — .daar
de handel het levendigst en de welvaart het grootst is onder alle
gewesten der Buitenbezittingen."
En dit alles, dit mooie kunstleven, de groote welvaart, werd op Bali
verkregen zonder éénige Inmenging van het Earopeesch bestuur, zonder
éénigen invoer van Europeesch kapitaal, alléén door de vrije en
onbelemmerde ontwikkeling van land en volk. Zal dat nu zooveel beter
worden ? |
|
D. DE VERKEERSMIDDELEN. |
De vroegere wegen, gering in getal, en vrijwel onbruikbaar op de grenzen
der verschillende Rijkjes, vooral bij de ravijnen, ken merkten zich door
hun trapsgewijzen aanleg In plaats van doorloopende hellingen. Deze .prigis"
van kalisteenen, vaak 60 M. lang en soms met hellingen van 15°, waren te
paard moeilijk te bestijgen, ofschoon nog juist berijdbaar; daartusschen
kreeg men dan weer lange vlakke gedeelten. gladde wegen had de
Balier niet noodig, daar hij geen wagens bezat, en op deze wijze werd in
deze geaccidenteerde terreinen het bezwaar van afspoe- ling op
praktische manier ondervangen. In de kom der desa's waren deze wegen
breed, niet zelden 15 M., doch daar buiten werden zjj veel smaller en
hadden soms geen breedere kruin dan
1 meter.
Na de laatste expeditien, en niet minder gedurende dien tijd, is op
Bali een geheel net van goed bruikt)are en berijdbare wegen ontstaan,
waardoor het binnenlandsch verkeer sterk is toegenomen en het reizen
veel gemakkelijker gemaakt dan gedurende m^n vorige reis, toen wij niet
zelden op handen en voeten met inspan-
ning tegen de hellingen naar boven strompelden. Het struikelblok bij
dien wegenbouw zijn de talrijke bruggen en de diepe ravijnen, die niet
hinderen wanneer men van de Zuidkust, in vrij zuiver noordelijke
richting, de bergruggen kan volgen. Dit wordt anders, wanneer men voor
het verkeer tusschen de landschappen onder-
ling van West naar Oost gaat, en dan vooral in den Oosthoek een
eindelooze reeks van terreinhindemissen moet overwinnen. Een behoorlijke
tracé-opname had dus aan den wegaanleg moeten voorafgaan, doch dit bleef
achterwege door — gebrek aan personeel. Ook had het Gouvernement voor
wegenbouw flinke voorschotten moeten geven, in plaats van het nu levende
geslacht den zwaren last van arbeid en geld te doen dragen, waarvan
vooral de komende geslachten voordeel zullen trekken. Ook ernstige
technische fouten en een soms ergerlijke arbeidsverspilling had men
kunnen voorkomen.
Voltooid waren bij mijn komst — in Badoeng — de wegen gaande van Dèn
Pasar straalsgewijze naar Sanoer, naar de reede van Benoea, naar Tabanan,
naar Sibang (in de richting van Batoeriti en Boeleleng), en naar
Soekawati en Gianjar. Van de hoofdplaats Karang Asem loopt een weg naar
de haven Oedjoeng en een
andere langs het strand over Mangels naar Kloengkoeng, waaraan echter
nog verscheidene bruggen ontbreken. Elders — vooral in den weg van K.
Asem naar Bangli — is de baan wel verbreed, doch zijn de prigis behouden;
van Bangli loopt een vrij goede weg naar Kintamani, bij het Batoer-meer,
en dan verder naar het oude gouvernementsgebied Boeleleng.
Men onderscheidt 4 soorten van nieuwe wegen, naarmate zij een
kruinbreedte hebben van 5, 6, 7 of 8 M. en een daaraan evenredige
verharding. Zwaar is er aan deze wegen in heerendienst gewerkt, en de
onbetaalde arbeid, dien de Baliers daarvoor hebben verricht en nog
moeten verrichten, is véél en véél zwaarder dan van hen ooit door de
Vorsten werd geëischt Een fout die ik op mijn tochten veelvuldig aantrof,
was dat men in plaats van een korte omlegging, het tracé, als met een
liniaal getrokken, rechtaan liet loopen, waardoor veel arbeid werd
verspild aan diepe, noodelooze insnijdingen, terwijl door afstortingen
enz. het onderbond doelloos werd verzwaard.
Daarentegen zag ik soms een flink stuk van een uitnemend verharden
weg aan zijn lot overgelaten om een onbeduidende bocht af te snijden. De
wel wat erg breede weg tusschen Dèn Pasar en Tabanan toonde vaak
onvoldoende tonrondte ; om het materiaal voor een hoogen (wel noodigen?)
aarden dijk te verzamelen, haalden honderden heerendienstplichtigen
grond aan de diepgelegen oevers van een ravijn, in plaats van aten te
nemen
op een hoogen mg in de onmiddellijke nabijheid. Voor een onbeduidende
waterleiding was elders een reuzendijk in aanbouw. Op andere plaatsen
had men door een betere tracé-keuze meerdere rivier- of
leidingoveigangen kunnen vermijden. In den weg van Dèn Pasar naar
Soekawati, loopende door een reeks van rijstvelden, afgewisseld met lang
uitgestrekte desa's en met de blauwe zee in het verschiet, was men met
een wegverbetering bij de T. Ajoeng al zéér ongelukkig geweest Deze
steile taluds in een kleibodem, meer dan 6 M. hoog, had men kunnen
vermijden, en ook is het te betwijfelen of een aarden baan van 8 M.
breedte,
waarvan niet minder dan 6 M. wordt verhard, wel eenig verband houdt met
de verkeersbehoeften der eerste tijden.
Bij de verbinding van Kloengkoeng met Karang Asem stond men voor de
keuze van een landweg over Selat en Sibetan, die tevens de verbinding
met Bangli ware ten goede gekomen, dan wel een langs de grootendeels
dorre kust. De eerste bood meer technische iMzwaren, die door de
ambtenaren van het B.B. — niemand mag hun dat euvel duiden I — niet
konden worden opgelost Doch het feit, dat ik bij mijn rit langs den
strandweg soms gedurende 2 uren geen sterveling ontmoette, wijst er op
dat in deze ook economische factoren gewicht in de schaal leggen. In elk
geval, bij dat slappe verkeer in een land waar karren nog zeldzaam zijn,
ware het beter de tegenwoordige grasverharding te behouden in plaats van
deze door een veel duurdere grindlaag;
te vervangen. Ook de weg van Dèn Pasar naar Sanoer Is, voor de zéér
enkele karretjes die er passeeren, met 6 M. verharding veel te breed,
vooral daar — door verbetering der haven van Benoea — dat verkeer eer
zal af- dan toenemen; men schijnt daar de aarden baan te hebben gemaakt,
zonder vooraf de dwarspro-
fielen te bepalen. Hier is ten minste de streek bevolkt; doch in de
afgelegen bergstreken, waar lange wegen moeten worden gebouwd en
onderhouden door een luttel aantal bewoners, is dergelijke verspilling
van den arbeid van heerendienstplichtigen een veel erger bezwaar. Op één
plek vond ik 3 verschillende tracés waaraan gewerkt was, en het schijnt
door onvoldoende samenwerking wel eens voor te komen dat de controleur
den weg maakt en het overgangspunt der rivier kiest, waarin dan de B. O.
W. zoo goed of kwaad als het kan, maar een brug moet inpassen.
En nuttiger dan met dit alles, had men tijd, geld en arbeidskracht
kunnen besteden, door vóór alles een ernstig onderzoek in te stellen, of
in sommige streken van het zóó dicht bevolkte Zuid-Bali, de aanleg van
smal-spoorbanen niet verreweg de voor- keur zou verdienen, wat niet
alleen enkele Europeesche en inlandsche
ambtenaren, doch de talrijke te voet gaande en lastendragende bevolking
zou ten goede komen.
Bij den bruggenbouw moet men werkelijk het vernuft der Baliers
bewonderen in de wijze waarop zij, zonder metselwerk, met de meest
primitieve hulpmiddelen, duizelingwekkende diepten wisten te overspannen.
Elke rotspunt doet daarvoor dienst; lucht- wortels van reuzenboomen wist
men naar elkaar toe te brengen:
daarop liet men dan een houten brug steunen, of hing deze aan de takken
op. Zoo passeerde ik een dergelijke brug over de diepe T. Melangit op de
grens van Kloengkoeng, die het reeds jaren bad uitgehouden, en —
pijnlijke tegenstelling I — kort daarna de ruine der ingestorte brug
Banda door Westerlingen over de T.
Boeboeh gebouwd.
Bruggen, groote of kleine, zijn echter noodlg o. a. om een eind te
maken aan het isolement van het landschap Karang Asem, waarin de Piek
van Bali of O. Agoeng (plm. 3.200 M.) naar alle kanten zijn uitloopers
slingert. De verraderlijke rivieroevers, de weinig vertrouwbare padas
met zijn talrijke rolsteenen, de plotselinge
afwisseling van hechte zand- of kleilagen met losse aschbeddingen. maken
er bruggenbouw niet gemakkelijk, te meer daar men nog geen
debietwaarnemingen instelde, noch de bandjirstanden kent
Een ijzeren brug, tusschen Koesambé en Mangis, over de Geh. Banges,
d. i. lijkenrivier, gebouwd, is ingestort door te ondiepe fundeering en
slechte keuze van de plaats, waarbij men aan den reeds voltooiden weg
was gebonden. Eén landhoofd en de helft van den doorgebroken pijler zijn
verzonken, en deze rivier, die haar naam ontleende aan de veelvuldige
gevechten daar gevoerd, heeft thans een lijk te meer opgenomen in haar
boezem.
Op weg naar den Oedioeng (Karang Asem) werden van de steenen brug
Ngoelfng bij bandjir de landhoofden ondermijnd en viel de brug op den
bodem; men miste de noodige gegevens over de bandjir-standen en deed
slechts een onvoldoend grondonderzoek; ook het dwarsprofiel was veel te
nauw.
Een prachtwerk van ijzerconstructie, de brug over de Boetradi, met 3
spanningen van 7, 14 en 14 M., rustende op steenen land- hoofden en een
metalen pijler, onderging een droevig lot Terwijl in K. Asem twee
pennanente bruten door bandjlrs werden ver- nield, bleef deze hier niet
minder dan 13 M. beneden het bovendek en het ijzeren vakwerk. Het
metselwerk, waarop dit aan den linker of oostelijken oever rustte,
scheen mij slecht, en niet in staat het gewicht en den druk te dragen.
Het stortte in ; de ijzeren boven-
bouw brak en klapte tegen den metalen pijler aan den rechter- oever;
ƒ14.000 en heel wat dagdiensten waren alweer verspild.
Zou men voor zulke rivieren niet verder komen met den trauw van
kabelbruggen, die voor talrijke jaren nog voldoende zijn om aan de
eisenen van draagkracht te voldoen? En vooral, is het voor ons bestuur
niet om „maloe" te worden, dat zooveel werk voor niets is gedaan door
hen, die den Baliër nu eens zouden leeren hoe bruggen te maken, doch hem
niets dan teleurstelling berokkenden, en zichzelf blootstelden aan
welverdiende bespotting.
De pasars van Dèn Pasar en Kloengkoeng werden verbeterd, weshalve een
vegoeding voor bet schoonmaken van het terrein wordt geheven. Het
postverkeer kan nog heel wat doeltreffender worden voorzien.
Een bezoek aan de haven te Oedjoeng (Karang Asem) gaf niet veel hoop
dat daar iets goeds is tot stand te brengen. Een zandbank — waarop de
douaneloods staat en die door een hoogen dijk met zwaar verdedigde
taluds wordt bereikt, loopende langs vischvijvers en een meertje waarin
een kiosk op een eiland ~ slaat bij zwaren vloed voortdurend stuk om dan
weer dicht te slibben. Witte doeken voor de woning van den vroegeren
Sjah- bandar toonden aan dat er een doode was; zijn zoon (een Chinees)
offerde trouw in tempeltjes aan de Goden van zijn nieuw vader- land,
hopende aldus ook van hun gunsten profijt te trekken. Van het onderhoud
der Poera Legara (strandtempel) zijn in de laatste jaren de
Mohammedaansche Sassaks, in dit landschap vrij talrijk, voortaan
vrijgesteld.
Sanoer in Badoeng heeft wel een veiliger ankerplaats dan Oedjoeng,
doch in den Oostmoesson maakt een hevige branding het landen vaak
moeilijk; de reede van Koesambé (Kloengkoeng) ligt beter, In de luwte
van de Noesa-groep, en ietwat beschut tegen de westewinden door een
vooruitspringende landtong.
Reeds in de late helft der XIXde eeuw had de Ned. Handelmij. een
agentschap gesticht te Koeta, aan de Pantai-Timoerbaai. Toen deze
particuliere speculatie mislukte, eischte zij van de Regeering een
schadevergoeding van ƒ123.350 voor de geleden verliezen, ofschoon zij
deze van de eventueele winsten wei niets zou hebben g^even. Daar de N.
H. M. niet spoedig antwoord kreeg op haar curieus verzoek, draalde zij
met de ophang van haar kantoor tot juni 1844, doch verhoogde toen haar
eisch met ƒ49.644. Ondanks
hel verzet van Minister en Gouv.-Generaal wist dit invloedrijk lichaam,
dat steeds machtiger t)eschermeis dan dezen in Nederiand achter zich
heeft, zijn wil te doen zegevieren, en werd de .Indische" schatkist van
deze som beroofd ').
De haven van Zuid-Bali die de meest schitterende toekomst heeft, is
echter Benoea, tegenover Koeta op een landtong gelegen. De ondiepe
Pantat-Timor met haar talrijke zandbanken, belet de stoomschepen binnen
te varen, doch een 8 tot 11 vadem diepe geul tusschen P.' Serangan en
Benoea, verschaft een veilige landingsplaats aan een steiger die in
aanbouw is. Gedurende den Westmoesson is de reede van Boeleleng slecht;
in den Oost- moesson is dit met alle havens der Zuidkust het geval, doch
Benoea is tegen deze Zuidoostewinden gedekt door koraalrifien, waarin
door bedoelde geul een opening is gemaakt Benoea is aldus van gansch
Bali de éénige haven die gedurende het geheele jaar veilig is ; maar het
moet alsnog door een landweg met Dèn Pasar worden verbonden. Voor
havenverbetering was bereids ƒ 392.000 toegestaan,
en de Paketvaart is van plan het aantal vaarbeurten hierheen te
vermeerderen. Bij een uitvoer van ƒ1.446.000 in 1910 en een invoerwaarde
van ƒ1.111.000, dus samen ruim 2Vt mülioen, een verkeer dat in de naaste
toekomst nog wel zal toenemen, is zulk een uigaaf In alle opzichten te
verdedigen.
Altéén is het te hopen, dat met de uitvoering van dit werk niet te
lang worde gedraald. De langzaamheid waarmede aanvragen door de B. O. W.
worden afgedaan, de lange duur van werken in uitvoering, stemmen — met
de flaters begaan bij den bouw van bruggen en irrigatiewerken — in dit
opzicht geenszins tot ge-
rustheid. |
|
E. REIZEN EN ONTMOETINGEN IN BANGLI. |
Om de hoofdplaats Bangli, van uit KarangAsem te bereiken, was een zware
tocht noodig. De weg bleek moeilqk
berijdbaar, steeg alleen tot Rendang ongeveer 480 M. over 25 KJH.
afstand, terwijl op de eerste 8 K.M. reeds 20 steile prïgis moesten
worden beklommen. Drie K.M. voorbij Rendang werd. bij de Toekad Djinah,
de grens van Bangii bereikt, waarna over een afstand van 8 K.M., behalve
het zware ravijn der T. Boeboeb
nog vier andere van soortgelijken aard moesten worden doorgeklauterd,
want bruggen schitteren op dezen weg door afwezigheid. Gelukkig had ik
het voordeel deze reis met een officier van gezondheid, Dr. Eldering, te
maken, als reisgenoot in zulke binnenlanden een der meest geschikte
exemplaren van het menschdom die men
vinden kan. De Poei^gawa van Rendang, die eenmaal G. Djilantik had
willen vennoorden, ontving ons buitengewoon vriendelijk, doch boezemde
den ambtenaren nog steeds weinig vertrouwen in. Die van Selat,
waar wij vroeger voorbij kwamen, was reeds verbannen, en de dokter
maakte van zijn aanwezigheid aldaar gebruik om de hoofden te waarschuwen
voor het gebruik van onzuiver drinkwater, daar een kwaadaardige
buikzlekte, een soort van .tropische dysenterie", juist in dien tijd
vele menschen ten grave sleepte.
Verder trof het mij dat de grooten hier de voorbijgangers het eerst
groeten; eerst dan achten de minderen het geoorloofd hun beleefdheid te
betuigen ; een praktisch middel om het onophoudelijk gegroet te
voorkomen. In een der vele poera's, die wij voorbij kwamen, t>ewezen het
geluid der gamelan en de vele keurig ge-
looide vrouwen die zich tempelwaarts t>ewogen, dat weer een of ander
feest aan de Godheden werd gewijd. Ondanks haar feesttooi droegen de
vrouwen haar fraaien haardos in een slordig in elkaar gedraaide wrong.
Op een wiegelende bamboebrug, een weinig vöör Selat over de T. Oenda
geslagen, raakte mijn voet verward in een der vele gaten en struikelde
ik ; gelukkig kon ik nog een bamboe grijpen, waar- door ik op het dek
bleef hangen en niet in de diepe en schui- mende kloof stortte. Verderop
was de weg uitgehouwen in een padaswand, waarvan door de BaliSrs
langwerpige blokken werden uitgezaagd, die dan in de zon werden gedroogd
en te Bangli, als bouwmateriaal, voor 10 centen per stuk verkocht. Op
den top van een der ruggen gekomen lag plots vóór ons de sierlijke massa
van den O. Batoer, dien ik geheel om moest trekken, terwijl op elke
hoogte die werd bestegen na het met Inspanning doorworstelen van een
ravijn, de moeite beloond werd door het fraaie uitzicht op een panorama
van rijstvelden, waarin elk plekje, zelfs op de hoogten, was herschapen,
en waarvoor talrijke tunnels waren ge- graven en heel wat dammen en
leidingen gemaakt.
Bangli, de ,tuin van Bali" is werkelijk een mooi land, en het éénige
landschap van Bali dat nergens aan de zee grenst; het telt ongeveer
36.000 inwoners, waaronder 10.000 weerbare mannen. Vorst en bevolking
waren, omstreeks 1840, arm ; er werd wel eens gebrek geleden, waardoor
het volk djagoeng moest eten en alléén
de Grooten rijst kregen. Nog in 1856 werd het gerekend tot de
armoedigste der Balische landschappen ^). De winsten der koffie- cultuur
deden het er spoedig weer bovenop komen, ondanks het vele oplumverbruik,
en — al was geld er in De hoofdplaats Bangli, omringd door ravijnen
waarin talrijke bruine apen koloniën vormen, van waaruit zij zelfe in
het NederJ. bivak komen, is regelmatig gebouwd en wordt rechthoekig
doorsneden door breede, uitmuntend onderhouden wegen. Rondom een ruime
aloen-aloen liggen noordelijk de poeri Agoeng van den Vorst, met een
ruime loopbaan voor hanen daar tegenover, en daarnaast de poeri van Gédé
Rai, met oostelijk nog andere poeri's; een prigi brengt de wandelaars
naar den drukken en levendigen pasar. De poera Artja bij de Toekad
Sangrang verdient wel een bezoek. In de nette pasan^pahan gezeten,
waarin een bureau voor den controleur, vernam ik dat de inlandsche
school aan de overzijde, naast het gebouw gelegen, waar de Raad van
Kerta's zitting houdt, was gesloten .vanwege de Poewasa.' Wat Mohamme-
daansche vasten te maken heeft met de vacantie van schoolkinderen in dit
Brahmaansche land, is mij tot beden nog niet duidelqk
geworden ; waarschijnlijk een der vele geheimenissen der Indische
bureaucratie.
Vlak vooruit had ik het uitzicht op de poeri's door de twee
aartsvijanden bewoond, poeri's jaren geleden door mij betreden. Het
terras van den hoogen koepel, waar wij toen (controleur Schwartz en mijn
persoon) gezeten waren, scheen wel onbewoond. Levensgroote portretten
van dronken Hollandsche matrozen, die een horlepiep dansten, waren er
aangebracht; ze waren vervaar- digd door Chineezen, die in vroeger jaren
wel eens gretig werden toegelaten, doch nauwelijks rijk geworden,
verbannen werden, terwijl hun goederen werden verbeurd verklaard. Zoowel
de Stede- houder Dewa Qedeb Tankeban als D. Oedeb Rai (zijn broeder)
brachten mij een bezoek, dat ik spoedig beantwoordde. De in 1875
overleden Vorst had 7 zonen nagelaten, die elk beurtelings
hem zouden opvolgen, en intusschen een deel van het gebied zouden
besturen als Poenggawah ; G. Rai wachtte dus met ongeduld op den dood
van zijn ziekelijken voorganger. Ondanks deze regeling heeft het Bangli
nooit aan twisten ontbroken en was de verhouding tot Karang Asem zóó
vijandelijk, dat nog heden de koelies die een reiziger vergezellen, er
's nachte niet zullen blijven, doch onmiddellijk over de grens
terugkeeren.
Die Vorsten woonden feitelijk ongezellig in smerige ellendige
huiscomplexen, doch hadden blijkbaar aan meer comfort niet de minste
behoefte. In vrouwen, hanen en opium stelden zij meer belang, |en
tijdens mijn vorig verblijf was de toen heerscheode Radja vóór het
middaguur nooit te spreken, als zijnde ncg niet nit zijn opiumroes
ontwaakt. De tegenwoordige D. G. Tankeban was een zwager van den Dewa
Agoeng van Kloengkoeng en had veel lust zich in den krijg naast dezen te
scharen. Toen ik hem ontmoette was hij blijkbaar, hoe trotsch en
eerzuchtig ook, tot een daad van enei^e niet meer in staat; enkele weken
later is hij trouwens overleden. Het was een oud man met een kranig
voorkomen en een hoog voorhoofd; doch — indien ik mij niet vergis — door
hartziekte geplaagd. Van zijn gesprekken is mij weinig bijgebleven.
De energieke kop van Dewa Gedeh Rai, met zijn scherpe gelaatstrekken,
zal ik niet spoedig vei^eten ; zulk een man Is als vijand niet licht te
schatten. Het getuigde voor zijn gevoel van eigenwaarde, dat hij in de
gesprekken met den controleur van zich zelf sfirekende de uitdrukking „titiang"
(het Maleische sahaja
d. i. slaaf) vermeed. Doch gaarne nam hij van dezen kenner der Balische
taal en van den aard van het Balische volk enkele vormen van Westersche
wellevendheid over, b. v. wat het spuwen op den grond, enz. betreft. Ook
wordt voortaan de resident, bij zijn bezoek, niet meer als voorheen door
de kleine poort van de
poeri, doch door de hooge met trappen toegelaten. Sommigen achten hem
onbetrouwbaar, doch zijn oprechtheid bij de uiting van grieven pleit eer
voor het tegendeel. Dat zijn prestige nog groot is onder de bevolking,
blijkt duidelijk bij plechtige gelegenheden, en — kon men in zijn hart
lezen — wellicht vond men
daarin schrijnende smart, dat de heldendood zijner bondgenooten, die bij
de „poepoetans" omkwamen, ook niet zijn deel is geworden. . .
Een derde broeder, Dewa Poetoeh, vergezelde mij op mijn reis naar
Tilkoep voor het bijwonen eener lijkverbranding ; meer slaafsch en
minder oprecht, schijnt dit een echte duitendief te wezen. De
koffietuinen, die ik bij den tocht naar Batoe doorreed, beloofden hem
flinke oogsten en rijke winsten, doch waren in heerendienst met betaling
aangelegd ; ,het is immers hetzelfde," zoo verdedigde liij dat, „of die
menschen te mijnen bate in die tuinen of in mijn poeri werken." Ook D.
G. Rai was voor den Raad van Kerta's
gedaagd wegens het niet betalen eener schuld, en tal van klachten tegen
de Dewa's zijn gunstige bewijzen van het vertrouwen der inlanders in
onze ambtenaren. Toch Is het de vraag, of het wel doenlijk is al die
reeds oude histories weer op te rakelen, te meer daar volgens de
Balische adat elke schuld reeds na 20 jaar
is venaard. Wanneer na de vestiging van ons bestuur slechts elke
knevelarij en wandaad ware voorkomen, had men reeds reden tevreden te
zijn.
Na meerdere voorhoven te hebben doorloopen, sommige in sterk verval,
andere meer ruTnes gelijk en alle even smerig, besteeg ik een vuil
huisje op hoc^ fundament, waar, omringd van haar getrouwen, — meestal
oude vrouwen, met ééa Hef blozend mei^e en tal van kinderen — gehuld in
een slordigen sarong, de Dewa Ajoe — de hoogbejaarde moeder der vorsten
— in de vrouwenpoeri zat Ondanks haar negentig jaren ziet zij met haar
scherpe oogen nog helder de wereld in ; hooren doet zij voldoende, doch
haar geheugen laat haar in den steek, en voortdurend herhaalde zij dat
zij aan ell kinderen het leven schonk, enz. Eerst de koude avondlucht,
die zij niet kon verdragen, maalde een einde aan het voor ons wel wat
eentonig gesprek. Ofschoon omringd door hulde- en eerbiedbewtjzen,
wanneer zij buiten haar poeri komt, verlaat zij deze zelden. De dewa's
met hun norsche trekken zijn vol zorgen en teederheid voor hun moeder;
trouwens, staaltjes van moederliefde onder de BaliSrs zijn niet zeldzaam
; ook Etadoeng's Vorst leverde daarvan het bewijs in het laatste uur
vodr zqn
vrijwilligen dood. Vier geslachten komen aldus in deze vrouwen- poeri
samen, zonder den oorlog zelfs vijf ; en mocht deze Vorstin, verwant aan
vele vorstengeslachten, eens haar .Mémoires" willen opstellen, een ware
historie zou worden verkregen van Bali in de laatste eeuw, doch dan van
Bali'sch standpunt beschouwd,
heteeen heel anders is dan dat van den veroveraar ').
De vroeger vermelde zonen van den Vofst, de .Anak Agoeng", kregen in
hun gebied het recht belastingen te heffüi, konden zeik doodstraffen
uitspreken, doch moesten in de hoofdplaats wonen, wat ook thans nog het
geval is. Zij bemoeien zich, als poeng- gawa, dan ook weinig met hun
district en stellen dan .wakils" aan, die op hun beurt weer
plaatsvervangers aanstellen. Ailet den wakil van Batoer of Kintamani,
een vrij lomp heer, mocht ik kennis maken, en enkele maanden later las
ik van eenige beroering aldaar door knoeierij met de heerendiensten
ontstaan.
De zeven poenggawa's van Bangli vei^aderden op geregelde tijden op de
,Paroeman" tot bespreking van dienstzaken met den Vorst; had één hunner
straf verdiend dan werd hij gedurende 5 i 10 dagen naar Kloengkoeng
gezonden. Erg slecht kan het bestuur niet zijngeweest; althans van het
recht van .metlias" werd zelden gebruik gemaakt. De heerendiensten waren
veel lichter dan thans, en op mijn vraag waarom men vroeger geen betere
wegen maakte, kreeg ik van een hunner het leuke antwoord : .om<^t dit
toen nog geen adat was."
Van alle Vorsten van Bali ons wellicht het meestvijandelijk gezind.
Is de Radja van Bangli den dans, en dus den dood, ontsprongen.
Voortdurend waren er kwesties gerezen over grensgeschillen, het
uitieveren van misdadigers, het opiumsluiken door Chineezen ea het
vernielen van irrigatiewericen. De Vorst had zelfs den raad gegeven, dat
ieder met zijn legerscharen naar de bergen zou trekken en daar op dood
of leven een hardnekkige guerilla voeren. Ware aan dezen raad gehoor
gegeven en had men het volk kunnen medesiepen, dan zouden de oorlogen
ons enorme offers aan geld en menschen hebben gekost, ware hij
waarschijnlijk nog thans
niet ten einde ... De andere Vorsten weigerden echter.
Eenmaal den nood aan den man gekomen, liet Bangli Kloengkoeng in den
steek en onderwierp zich gewillig aan onze, elders vermelde, zware
eischen. Bovendien werd aan Bangli de eisch gesteld de uitlevering van
de twee voornaamste raadgevers van den Vorst, van dewa Poetoe Kandoe en
Ide Made Daoed.
Van een heuvel, de Boekit Bangli (+ 622 M.), hadden de poeng- gawa's
de poepoetan te Kloengkoeng en het moorddadig vuur onzer geweren en
kanonnen aanschouwd, wat hun allen lust benam den strijd aan te binden.
Bangli willigde, na een ultimatum (13 October 1906), alle eischen in en
leverde beide hoofden uit, die
nu naar Banjoewangl werden verbannen. De Radja verzocht zijn aanstelling
als Stedehouder van het land, waarover hij voorheen als Vorst het bewind
voerde. Bangli werd een wingewest, en het laatste der Rijkjes van Bali
had zijn onafhankelijkheid verloren. Over de troonopvolging of liever de
benoeming van een nieuwen
Stedehouder maakte men zich gedurende mijn aanwezigheid ongenist, van
wege twisten tusschen de belanghebbenden. Het over- lijden had plaats,
doch van nistverstoring werd niets vernomen; de vrees voor onze wapenen
heeft weer gezegevierd. Bij Gouv. Besl. 1 1 Jan. 1913 is Dewa Gedé Rai
tijdelijk tot inlansch Bestuurder van dit Landschap aangesteld, met den
titel van Regent.
De afstand van Bangli tot Kintamani, op den ouden kraterrand van den
Batoer, bedraagt slechts 30 KJVL, doch de weg stijgt voortdurend van +
456 tot ongeveer + 1240 M. boven zee. Hij loopt echter geleidelijk naar
boven over den rug tusschen de T. Melangit en de T. Sangsang, die aan de
buitenzijde van dien rand beiden vlak bij Panalokan ontspringen.
Van Bangli uit loopt de weg langs het militaire kampement, laat men
rechts dien naar Rendang en K. Asem liggen, en rijdt langs de dunne
ijzeren buis die daar het drinkwater aanvoert. Snel stijgende komt men
den Bt Bangli voorbij, van waar de Dewa's, (op 12 K.M. afstand)
hetbombardementvanKloengkoengaanschouw-
den, en geniet men een heerlijk vergezicht over den Tafelhoek en de
Zuidkust Soms heeft plotseling, naast den weg, het water een diep
zijravijn uitgeschuurd. In de oplumverkoopplaats te Bang- ided ontmoette
ik een oude Balische kennis, en zag duidelijk achter een betrug de
rookwolken van den G. Batoer opstijgen.
De desa's hier hebben niet, als In de vlakte, kleimuren langs de straten,
doch stevige bamboe-paggers.B' 8 van spitsen vonn, waaraan padihalmen
waren oi^^angen. icbter bij Batoe werden zelfs lavabrokken gebruikt om
daarvan omheiningen te maken. Steeds meer nadert men den rand van den
ouden vulkaan, en deze is, behoudens een smalle strook aan de bovenzijde,
gelteel met cultuurgewassen beplant
Bij Panalokan aangekomen, geniet men een der schoonste uitzichten van
onzen, daaraan zoo rijken. Archipel. Aan uw voeten ligt het groote,
schijnbaar rustige, lich^oene meer ; en vlak vóór u stooten twee
krachtig werkende kraters voortdurend hun rook- kolommen uit; pikzwarte
beddingen doen u zien, boe kort geleden
hier nog de lavastroomen vloeiden. Dreigend waren zij, bij de laatste
uitbarsting (in \90I5), de in de diej^e gelegen desa Batoer genaderd,
tot, als door een mirakel, de gloeiende en vloeiende massa plotseling
stand hield voor den tempel der Goden. Op de oudere lavat>eddingen wordt
reeds het groen van nieuwen plantengroei zichtbaar. Scherp steekt echter
de donkere en dreigende vulkaanmassa af tegen de lichtgele kleur der
velden en de groene tint der oerwouden.
Van uit de nette pasan^rahan te Kintamani heeft men een heerlijk ve^ezicht
op den G. Batoer (+1501), den G. Abang (-1-1793), en den Piek van Bali
(-1- 3200 M.), dikwijls door dichte nevels verborgen, die echter
verdwijnen voor de warmte der opko- mende zon, die dan het gordijn weer
wegtrekt van dit mooie landschap. Het Batoermeer, aan den voet van den
vulkaan waarop 2ich meermaten nieuwe kraters vormden, heeft een lengte
van ongeveer 5 en een grootste breedte van ± 1,5 KM.; zijn opper- vlakte
kan op 800 bouw worden geschat Het water langs de oevers Is niet
drinktuar, waarom de dorpsbewoners dit in het midden gaan halen, waarbij
door plotseling opkomende stomen weleens ongelukken plaats grijpen.
Het Batoermeer heeft geen enkele zichttiare afwatering, ondanks zijn
stroomgebied van ± 90 vk. K.M., dus een regenval van wellicht 126
milUoen M'. jaarlijks. Volgens de verh^en zouden kèpèngs in het meer
geofferd, bij Rendang aan de T. Djlna «reer te voorschijn komen; op gel^ke
wijze zou de T. Banjoemala de uitwatering van het meer van Tamblinhan
zijn. Aan offerfeesten is bij de meren- trouwens geen gebrek en —
volgens de legende — zou het overvaren van het Batoermeer door den
eersten Dewa Agoeng van Kloenkoeng, voor hem het bewijs zijn geweest dat
hij op weg was om tot de grootste macht te geraken Thans is zijn macht,
evenals die van alle Vorsten van Balt, verdwenen ; de Nederl.
repeteergeweren bleken krachtiger dan de wil der Goden. |
|
Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng |
|
|
|