Inleiding
Den 10 Augastus, des morgens om 8 uur, was liefc gezelschap, dat aan de
reis zoude deelnemen, aan den boom te Banjoewangi bijeen. Volgens
afspraak met den Eommandant van de Watergeusi zouden wij ons tegen dien
tijd naar boord begeven, terwijl onze reisbenoodigdheden reeds den
vorigen dag aldaar waren aangebracht.
Eene menigte officieele personen en belangstellenden waren bij den boom
vergaderd, om de vertrekkenden „als gold het een Noord- pooltocht", een
goede reis toetewenschen. De havensloep, die ons naar ^de Watergeus'''
zoude brengen, was voor deze gelegenheid in groot tenue gedoscht. Ook de
kommandants-sloep lag gereed, om bij het overvoeren van de passagiers
met hun gevolg behulpzaam
te zijn. Tijdens onzen overtocht naar de Watergeus werden van het fort
Utrecht eenige saluutschoten gelost, ter eere van den ver- trekkenden.
Resident de Vogel die op dat oogenblik dien officieelen titel met dien
van „ Gekommitteerde voor de zaken van Bali en Lombok inwisselde. Er
heerschte eene vroolijke opgeruimde stemming onder het kleine
reisgezelschap, die deels veroorzaakt werd door de illusies, die ieder
zich van den ophanden zijnden tocht had gemaakt, deels door het schoone
weder, dat zóó uitlokkend was, als dit in
Augustus in Oost-Java slechts kan zijn. Aan boord van „de Wa- tergeus,
die reeds stoom op had, werden we, zooals dit gebruike- lijk is, op
officieele doch niettemin hartelijke wijze ontvangen. Met het grootste
gedeelte van den état major hadden we reeds aan wal kennis gemaakt en
met het resteerend kleiner gedeelte was dit spoedig geschied. Ik zal mij
niet wagen aan eene beschrijving van den oorlogsstoomer, die ons op
Balischen bodem zoude brengen. ^De Watergeus'^ is reeds oud geworden in
den dienst, heeft, ik zoude
bijna zeggen, reeds zijne sporen verdiend en kan dus bij ieder be-
langstellende genoegzaam bekend zijn. Zeker is het, dat het schip door
de massa kisten, koffers en manden, die door ons moesten worden
medegevoerd, bovendeks vrij wel gemetamorphoseerd was in een pakketboot
tusschen Dover en Calais^ en de eerste officier, anders de joviaalste
man ter wereld, kon niet nalaten bij herhaling op de heiligschennis te
zinspelen, die ^de Watergeus'^ werd aangedaan. Hij deed alle moeite om
de barang-barang tot het kleinst mogelijk volumen te doen inkrimpen, en
die, zooveel zulks doenlijk was, aan het oog te onttrekken. Men moet
marine-officier zijn, om zulk eene heiligschennis in al haren omvang te
kunnen begrijpen. Hij, die ooit genoodzaakt was, in de binnenlanden een
reis van eene maand lang te maken, zonder veel kans de hebben op die
reis eene eenig- zins logeable pasanggrahan, laat staan eene Europeesche
gastvrije woning te vinden, kan zich zoo ten naasten bij voorstellen,
uit welke componenten die stapels op het dek van ^de Watergeus'^
bestonden. Kisten met blikjes waarin consumabilia van verschillende
soort, dito met wijn, bier en andere versnaperingen, met petroleum,
kleederen, lampen, rijzadels, keuken- en eetgereedschap, krandjangs met
ajer-
blanda, aardappelen enz., hokken met kippen, blikken doozen waar- in
steken, degens en andere attributen van den Gekommitteerde en den
Kontroleur, groote kisten gevuld met officiecle geschenken van de
Regering aan de verschillende Balische vorsten, dito dito met private
geschenken van den gekommitteerde, veldbedden, stoelen en wat dies meer
zij, lagen daar in bevallige wanorde dooreen. Bo- vendien had ik een
kist met verschillende geneesmiddelen, verband- katoen en eventueel
benoodigde instrumenten meegenomen. Onder
al deze reisgemakken moet ik afzonderlijk gewagen van een door- den
Resident hoogst ingenieus uitgedachte, portatievc commodité, waarvan we
in gewichtige oogenblikken uitstekende diensten hadden ;
op de wijze van een vouwstoeltje zonder leuning ingericht, paarden het
eenvoud aan doelmatigheid. Het is een vierkant houten raam, waarvan de
zijden ongeveer een halve meter lang zijn. Dit raam is met leder
overspannen, in het midden waarvan de vereischte ronde opening is. Het
geheel, dat op de helft kan worden dicht gevouwen, wordt geplaatst op
vier bamboepaaltjes, die men overal heeft en dus niet behoeven
meegevoerd te worden. Te velde, in bivakken en voor reizigers is dit
model zeer aantebevelen. Bij
vorige reizen op Bali was het mij gebleken, dat dit voor ons zoo
noodzakelijk meubelstuk den Baliers geheel onbekend is. Een onge- veer
twee voet diepe kuil van niet meer dan een halve voet in middellijn,
ziedaar alles wat ons daartoe verstrekt wordt. Men moet tenminste meer
dan eene oppervlakkige kennis van het richten en
mikken hebben, wil men het er bij voortduring goed afbrengen. Dat een
tolk, een schrijver, eenige oppassers en de noodige bedien- den tot het
gevolg behoorden, behoeft nauwelijks gozegd te worden.
Zelfs een kok, wiens culinarische kennis proefondervindelijk geble- ken
was, was niet vergeten.
Om klokke negen werd bevel gegeven om het anker te lichten en
nauwelijks waren we goed en wel onder stoom of de Eomman- dant heette
met een glas champagne zijne gasten welkom.
En zoo stoomden we, onder vroolijkèn kout, terwijl een luchtig
zcebriesje uit het Z. O. waaide, met een zevenmijls vaart de straatBali
uit in de richting van de op 11 zeemijlen afstands van Banjoewangi
gelegene reede van Boellèng^ alwaar we des middags om 3 uur het anker
lieten vallen. Of de Baliërs die daar in groote
hoeveelheid op het strand verzameld waren, met onvermengd genoe- gen een
oorlogschip van het N. I. Gouvernement op hunne reede zagen voor anker
komen, mag eenigzins betwijfeld worden. Immiers
bij de minder ontwikkelden onder hen staat het geloof vast, dat na zulk
een feit meestal eene cholera-epidemie ontstaat. Bij vroegere
gelegenheden hadden zij namelijk deze ondervinding opgedaan. Zoo
had dit o. a. plaats in 1868 na de Bandjarsche expeditie en in 1878 na
het vertrek van de Ardjoeno die den verbannen vorst wegvoerde. Dat dit
bijgeloof bij hen ruim veld zal winnen, nu ook thans weer eenigen tijd
na de komst van de Watergeus de cho- lera (bal. groeboeg) (*) in hevige
mate op Bali vooral in Boelèlèng^
heeft gewoed, mag men gerust als zeker aannemen. Daarbij had de Yori- ge
oorlogsbodem, die, ongeveer negen jaren geleden, aldaar ter reede kwam
(do Ardjoenó Kapt. Luit. t/z. dê Kanter) op zeer geheimzinnige wijze den
Yorst van Boelèlèng ontvoerd en in ballingschap gebracht.
Nauwelijks lagen wij voor anker of de Assistent Resident Vries- manj
die natuurlijk van onze komst verwittigd was, kwam met den aspirant
Eontroleur Kilian en een gevolg van Balische hoofden aan boord, om zijne
opwachting bij den Gekommitteerde en den Eom- mandant te maken. Al de
schepen op de reede hadden de drie- kleur in top geheschen; van „de«
Watergeus^' werden, toen de Ge- kommitteerde met een sloep naar wal
roeide, elf saluutschoten gelost en yan den wal werd een gelijk saluut
gegeven uit stukjes geschut, die vroeger het eigendom waren van den
verbannen Yorst. Behalve de Gekommitteerde ging ook diens waarnemend
Sekretaris en de Kommandant aan wal, om tot ons vertrek, dat bepaald was
op den 12® Augustus, hun intrek te nemen in de gastvrije woning van den
Heer Vriesman, Ook ik werd uitgenoodigd om tot zoolang de gast te zijn
van den Heer Vriesman bij wien mij reeds, by eene vroegere gelegenheid,
een gulle en vriendelijke ontvangst was ten deel gevallen. En om het der
goede gastvrouw niet te druk te maken, èn ook omdat onze tocht over land
toch een aanvang moest nemen in de onmiddelijke nabijheid der reede,
wees ik die uitnoo-
diging beleefd van de hand en besloot aan boord te blijven. De reede van
Boelelèng levert een prachtig ver-gezicht op op de bergen van Bali; het
water is aldaar in den Oostmousson kalm, doch in den Westmousson zeer
onstuimig, zoodat in dien tijd de schepen in de baai van het ongeveer 10
palen zuidelijker gelegene
kustplaatsje Temoekoes moeten ankeren. Des avonds ging ik met twee
officieren van den état major aan wal om met een karretje van den aldaar
wonenden kapitein-Chinees Tlie Tjing'Siang naar de op 2 palen afstands,
te Singaradja gelegene woning van den Heer Vriesman te gaan en hem een
beleefdheids-bezoek te brengen.
Nauwelijks aan wal gekomen, kwam een aldaar wonend Arnieniaan dien ik
van een vroeger bezoek kende, in de hevigste opgewonden- heid op mij
toegeloopen en verhaalde mij, dat zijne vrouw, even vóór de aankomst van
de Watergeus ter reede, na eene overigens voorspoedige bevalling (het
kind was evenwel tijdens de geboorte
gestorven) onder hevige verbloedingen was overleden. Hij verzocht mij
dringend even bij hem binnen te gaan om de overledene te zien, aan welk
verzoek ik natuurlijk voldeed.
De betreffende dame, een krachtig gebouwde, gezonde, 20 jarige primipara
wier zwangerschap normaal was verloopen, had dienzelfden morgen de
eerste dolores gevoeld, waarop de Balische doekoen (hier baljan manakan
genaamd) die haar, bij gebrek aan andere hulp, zoude assisteeren,
ontboden werd. De kindsbewegingen waren toen nog duidelijk waar tenemen.
De partus zou, zooals mij werd verteld, volkomen normaal verloopen, en
het kind, hoewel dood geboren, gemakkelijk ontwikkeld zijn, evenals de
placenta^ die in zijn geheel was uitgestooten. In weerwil nu alles
geheel normaal was, had de doekoen goed gevonden, om
der kraamvrouw een broeden band om den buik, op de hoogte van den
umbilicuSy te binden en dien met alle kracht saam te snoeren; dit had
eene hevige metrorhagie en tamelijk zeker dan dood ten gevolge. De
overledene toonde dan ook alle teekenen van een hevig bloedverlies. Ik
maak van dit geval melding, omdat ik
naar aanleiding daarvan de wijze kan bespreken, waarop de Balische
parturiens geassisteerd wordt door de baljan manakan die ze daarvoor
heeft bestemd. Komt het kind normaal en vrij spoedig ter wereld, dan
bestaat de hulp dezer vroedvrouw^ behalve in het prevelen van eenige
mantra's of in het neerleggen van offers in de toegoe (een offernis, die
men aan den ingang van ieder huis (oemah) of erf (natah) kan vinden), in
eene on-
schadelijke manudie. Zoodra evenwel het kind geboren en, door het
afsnijden van den navelstreng met een bamboe, tot zelfstan- dig
wereldburger bevorderd is, nl. in zooverre het voortaan voor eigen
gaswisseling heeft te zorgen, begint eigenlijk het werk van de
accoucheuse. Zij plaatst zich naast de jonge moeder op de
balé'balé en begint uit alle kracht met de handen en voeten den buik der
parturiens te bewerken, ten einde niet alleen de pla- centa te
ontwikkelen, maar ook later de lochien beter te doen afvloeien. Wordt
evenwel het kind niet spoedig genoeg ontwikkeld, dan begint deze
ulta-Crédésche manoeuvre reeds vroeger op tracht de vroedvrouw door
aanhoudend kneden van den buik het kind te voorschijn te brengen. Het
behoeft nauwelijks gezegd, dat voor vele der ongelukkige patiënten de
moedervreugde van uiterst korten
duur is, daar zeer vele deze ruwe behandeling met den dood moe- ten
bekoopen. Gelukkig wordt slechts zelden hulp van vreemden bij do
verlossing ingeroepen. Nu ik toch bezig ben dit onderwerp te behandelen
komt het mij het geschiktst voor, om hier reeds aan- tehalen, al hetgeen
ik betreffende zwangerschap en wat daarop betrek- king heeft, zoo op
deze reis als op vroegere heb kunnen te weten komen. Abortief middelen
kent iedere Balische vrouw bij massa's, en het lijdt geen twijfel, dat
er veelvuldig gebruik van wordt gemaakt.
Van daar dan ook dat er, volgens ingewonnen berichten, zoo be-
trekkelijk weinig kinderen buiten huwelijk worden geboren, in weerwil
door de meeste dochteren van dit uiterst voluptueus en cynisch volk,
behalve hare gewone bezigheden, ook nog een hori- zontaal beroep wordt
uitgeoefend. En niet alleen ongehuwde vrou-
wen grijpen dikwijls naar een dezer middelen. Eene vrouw nl. die zwanger
{helincj laag Bal., mohot hoog Bal.) (*) is, ziet in vele zeer
natuurlijke zaken dikwijls een slecht voorteeken voor hare bevalling. In
hare gedachten bevolkt ze hare omgeving met honderde kala's (booze
geesten) die het op het leven van haar of haar kind hebben gemunt, of
hare zwangerschap willen bemoeielijken. Het huilen van een hond, het
krassen van een vogel, het werken van een krater, enz. jaagt haar schrik
aan; hare persoonlijke vijanden, de buren,
waarmee ze op niet al te vriendschappelijken voet leeft, trachten haar
op alle wijzen te betooveren {ngléjak) om haar leven en dat van haar
kind zoo doende in gevaar te brengen, en in wanhoop grijpt ze naar een
der haar bekende middelen en offert haar onge- boren kind op om eigen
leven te redden. Een paar dezer middelen,
die als aboriiva dienst doen, ben ik te weten gekomen. Zoo ge- bruikt
men tot dat doel o. a. een koud aftreksel van den fijn ge- maakten bast
van de kepoh {Stercidia foeflda L. nat. fam. der Ster- culiaceae).
Verder een koud aftreksel van den bast van de Manga kawini {mangifera
foetida). Op Java (Banjoeuangi) worden de onrijpe vruchten van dezen
boom tot dat doel gebruikt. Onder de mechanische middelen is vooral het
wrijven en knijpen van den buik bij hen veel in zwang; zij noemen dit
ngoe-oet (mal: oeroet). Tijdens ons verblijf te Badong (zie later)
verhaalde mij eene der panjeroiins van den vorst (ik zal later uitvoerig
op deze bekla- gingswaardige lijfeigenen van den vorst terugkomen), dat,
zoodra een harer zwanger werd, deze zich bij den vorst moest aanmelden,
die haar dan onmiddelijk een chineesche obat, pèngërèt genaamd, toe-
diende. Dit mixtum van een zwarte kleur en wrangen smaak veroorzaakt na
het gebruik een gevoel van warmte en heeft bijna altijd het verlangde
effect. Mijne moeite om iets naders van dit middel te weten te komen, of
om het machtig te worden, was te vergeefs.
Wanneer eene Balische vrouw van welke kaste ook van een tweeling
bevalt van verschillend geslacht (men noemt dit këmhar boenfjing
bruids-tweelingen) dan moet de moeder onmiddelijk na de bevalling naar
de begraafplaats {sëma) lopen, waarheen haar de beide kinderen worden
nagedragen, en aldaar in een, in der haast opgericht, hutje gedurende
drie nieuwe manen verblijf houden, terwijl haar het voedsel wordt
aangebracht. Haar huis wordt in de asch gelegd, zoodat ook de man en de
overige familieleden hun for-
tuin elders moeten zoeken, de desa, waarin de woning stond, wordt
gereinigd; de tempels der desa, op een paar uitzonderingen na, nl. die
aan de nagedachtenis der dooden zijn gewijd, gedurende 60 dagen gesloten,
vreeslijk veel offers geplengd en de dessa, alsmede moeder en kinderen
met wijwater (toja tirta^ zie later) besprenkeld, en dit alles om de
bloedschande uittewischen, die de tweelingen in utero zouden hebben
gepleegd. De vrouw van den vorst of van een brahmaan is hiervan alleen
uitgesloten. Men kan begrijpen, dat ook deze godsdienstige plechtigheid
meermalen een menschenoffer eischt. Wanneer eene vrouw (dit geldt ook
voor de huisdieren) van een misvormd kind bevalt, dan beschouwt men dit
als een voorteeken,dat de betreffende dessa een ongeluk zal krijgen. Den
vorst moet hiervan onmiddelijk kennis worden gegeven, die dan een
godsdienstig feest aanricht, om de goden te verzoenen. Dit feest of
slamatan heet ^rq/as^iato. wanneer eene vrouw sterft tijdens hare
zwangerschap, dan mag haar lijk niet worden begraven noch verbrand, maar,
moet ten toe- ken van de grootste verachting, óf in een ravijn worden
geworpen, óf in een twee voet diep open graf of kuil gelegd (mëpasah),
volgens Balische begrippen, de grootste oneer, die iemand kan te beurt
vallen. Dit geldt voor alle standen en kasten, ook voor de vorstinnen.
Was de zwangerschap reeds in een vergevorderd stadium, dan gebeurt het
soms bij muliiparae^ dat het foetus^ door de spanning der door
de ontbinding, in abdomine zich ontwikkelende gassen, nog wordt
uitgedreven. In dat geval is de schande uitgewischt en mag het lijk op
gewone wijze nog de eer der verbranding ondergaan.
De Baliër beschouwt het als een groote gunst der goden, wanneer zijne
vrouw hem vele kinderen, vooral vele zonen schenkt, vooral wan- neer de
kinderen sélat hoenga (*) komen, d. i. om en om, een jongen en een
meisje enz . ; doch even diep is de verachting voor eene onvruchtbare (békoeng)
vrouw, en talrijk zijn dan ook de offers die de jongge- huwde speciaal
daarvoor gecreëerde godheid, met name Dèwa Boetoeh- nja^ (volgens
anderen is de naam dezer godheid Dkca Sambangan) brengt, om zegen te
erlangen op hare huwelijkssponde. Genoemde god- heid, in steen
uitgehouwen, wordt voorgesteld met een ontzachelijk hyper- trophischen
penis in studio erectionis^ even als vroeger bij de Grieken het
standbeeld van Priapus^ en bij de oude Germanen dat van den zonnegod
Freijr of Frö^ die eyeneens met een famensen phallus werden voorgesteld.
Ik was in de gelegenheid eenige dezer monstra te zien. Zeker om te
toonen met welk eene innigheid zij hare offers brengt, en hoe gaarne zij
hare hoop zou verwezenlijkt zien, zet menig jonge vrouw zich è cheval op
voorzegden penis. Of het helpt, dat wil zeggen, of zij daardoor de
moedervreugde deelachtig wordt, kon ik niet te weten komen. Het groote
kanon bij de stadspoort te Batavia wordt, zooals men weet, om dezelfde
reden door vrouwen
bereden. Ten einde zijn veestapel vermeerderd te zien, of indien zijn
vee onvruchtbaar {djoehëng) is, wordt door den Baliër ook aan deze
godheid geofferd. Men kan uit het pas aangehaalde gemakkelijk begrijpen,
dat, wanneer een echt onvruchtbaar blijft, de schuld meestal aan de
vrouw wordt geweten, terwijl de man dan tevens het recht heeft zich van
zijne vrouw te doen scheiden.
Zeer zelden ziet men een zwangere vrouw op den publieken weg loopen,
en nooit zal men haar veld-of anderen zwaren arbeid zien verrichten,
immers overal zou ze kala-^ kunnen ontmoeten, die haar geluk zouden
vernietigen.
Is de bevalling gelukkig afgeloopen, dan wordt al heel spoedig daarna
moeder en kind een frisch bad toegediend; er wordt weer duchtig geofferd
en feesten gevierd, vooral op den derden dag na
de geboorte, këpoes-poengsëd^ den dag nl. waarop de navelstreng afvalt,
waarbij moeder en kind niet zuinig met tqja tirta (wijwater) worden
besprenkeld. Voor 't overige mag zich evenwel de moeder niet voor den
veertigsten dag in het publiek vertoonen, terwijl de vader gedurende
veertig dagen niet aan een hanengevecht mag deel- nemen; misschien is
dit laatste nog een reste van een in vroegere tijden bij vele
onbeschaafde volkeren bestaan hebbend vreemd gebruik, nl. het mannen
kraambed. De nageboorte (hoog Bal: ari^ari^ laag
Bal: loeoe) wordt onmiddelijk voor op het erf in een haWen klap- perdop,
waaruit de pit niet is weggenomen, begraven. Gedurende 40 dagen wordt op
die plaats eene palita gebrand, en spijzen, water en sirih neergelegd.
Bij de Baliêrs staat het geloof vast, dat de ari-ari een broer of zuster
van het kind is, en wanneer iemand sterft, die soedara hem halverwege
tegemoet komt, om hem den weg naar den hemel van Indra te wijzen.
Ik had nog het genoegen dien avond een oud kennis op den wal te
ontmoeten. Die hem niet van vroeger kent, zou niet kunnen vermoeden, dat
de man, die in dat eenigzins excentriek wandeltenue op 2^2 Palen afstand
van zijne woning komt aangewandeld, de bekende oriëntalist Dr,
Neuhrojiner van der Tuuk is. lederen avond kan men hem de wandeling zien
maken van zijn huis naar het zeestrand (Pabéan) op bloote voeten,
blootshoofds, in slaapbroek en kabaija, en met den onafscheidelijken
ruwhouten knuppel van verscheidene kilo's zwaar in de hand. Sedert bijna
elf jaren te Boelèlèng woonachtig, om uit de beste bronnen de gegevens
te putten voor zijn groot werk, een uitgebreid Balisch-kawi (oud
Javaansch) woordenboek is hij zoo in het Balische volksleven te huis,
dat menig voornaam Balicr hem komt raadplegen over Balische zaken. Een
der radja 's van Badoeng^ die eens met mij over van der Tuuk sprak,
zeide zeer eigenaardig van hem: „Er is op geheel Bali maar één man, die
de Balische taal kent en begrijpt, en die man is van der Ttuuk^ Hij
brengt in den waren zin van het woord
het leven en deszelfs genietingen ten offer aan een groot doel, dat hij
zich heeft voorgesteld, nl. de grondige kennis van de kawi-taal, en dit
wel met eene toewijding, die men bij een man met grijze haren niet meer
zoude verwachten. En pieen nu niet, dat hij een keurig erf bewoont en
eene huishouding voert, die hem ten minste eenigzins schadeloos kan
stellen voor zijne ontberingen. Hoewel zijne middelenh om dit zeker
zouden veroorlooven, woont hij desniettemin in een kamponghuis, midden
tusschen zijne Baliërs, die hem als eene soort
halfgod beschouwen en met wie hij, ter wille zijner studie, op intiemen,
zelfs familiarcn voet staat. Zijn huisraad is niet meer dan het
allernoodzakelijkste. Een chair\. bureau miyiistre of Chesterfield
ruMbanken zal men te vergeefs bij hem zoeken, daarentegen wordt zijn
geheel huis, van voor tot achter, in beslag genomen door zijne
uitgebreide bibliotheek. Op den vloer, op stoelen, tafels, kisten en
planken liggen lijvige folianten, oude handschriften en dito be-
schrevene lontarbladeren in onbevallige wanorde dooreen en 't is te
verwonderen, hoe hij uit die wanordelijke verzameling steeds het
verlangde zoo spoedig weet voor den dag te brengen; de vrees, dat eene
vrouw zou trachten meer regel en orde in zijne huishouding te brengen,
is, volgens zijn zeggen, de eenigste reden, dat hij zulk een verstokt
coelibatair is. Een ongenietbaar mensch, onmogelijk voor de samenleving,
een echte boekenwurm, meent ge. Ge vergist u, waarde lezer ! Yan den
vroegen morgen tot soms diep in den nacht kunt ge hem bezig vinden met
zijne studie, die slechts voor een oogenblik afgebroken wordt door
menschen uit alle standen en rangen der Balische maatschappij, die hem
over een juridisch vraagstuk of over eene ziekte komen raadplegen, en
die hij ook allen met de meest mogelijke gewilligheid helpt, doch van
wie hij op zijn beurt ook weer profiteert door hen te ondervragen over
zaken uit het Balische volksleven. Doch wanneer ge hem bezoekt is, als
met een tooverslag, de heele geleerde verdwenen en gemetamorphoseerd in
een jolig stu- dent, wiens kennismaking niemand, die ooit het voordeel
had hem
te ontmoeten, zal betreuren. Wanneer er hoog bezoek ten huize van den
Asst. Resident is, zooals thans het geval was, dan dompelt hij zich,
zooals hij het noemt, voor eenige oogenblikken in de Europeesche
beschaving, dat wil zeggen, hij trekt een pantalon en overhemd aan van
twijfelachtige kleur, kleedt zich in een jas, die wat snit en wolligheid
aangaat, alle air heeft van een erfstuk te zijn, dat hij als reliquie
bewaart, trekt schoenen aan, die de helft te groot zijn, neemt zijn
onafscheidelijken knuppel en gaat zijne opwachting maken. Doch hij is
nauwelijks gezeten, en ge hebt nog ter nauwer- nood zijne patriarchale
buitenzijde kunnen opnemen, of ge vergeet door zijne geestige
kwinkslagen en talrijke anecdotes, dat de snit van zijn jas wat
antidiluviaansch, een winkelhaak in een zwart klee- dingstuk met een
witten draad genaaid is, of dat de helft van zijn boord tot den rubriek
„staande'*, de andere helft tot dien der „liggende" behoort. Dat zijn
schoeisel hem hindert en ongewoon is, ziet ge telkens wanneer hij
opstaat. Doch de tijd vliegt om in zijn gezelschap en telkens wanneer
men hem ontmoet, leert en profiteert men van hem. Ik heb verscheidene
aangename uren in zijn gezel-
schap doorgebracht, uren in welke hij mij een heel studentenleven liet
doorleven. Van zijne balilogische kennis heb ik veel kunnen profiteeren
en vele wenken bij het samenstellen van deze bladzijden ben ik aan hem
verschuldigd. |