17 Augustus. — Heden morgen was het reeds
vroeg dag voor ons daar nog een groot deel der bagage moest ingepakt
worden. Alles was om 6 uur voor het vertrek gereed, doch koelies en
paarden waren absent en bleven absent. Nu en dan kwamen er een paar
opdagen, doch verdwenen even spoedig weer. Eenigen onzer gingen
zelve naar den broeder van den Radja, om hem hiermee in kennis te
stellen, doch hij beweerde heel laconiek, dat hij er niets aan kondoen,
dat hij nog eens zijn best zou doen, en doch het verveelt me, nog eens
de soesa te doorleven, die we hadden, om eindelijk om negen uur te
kunnen vertrekken. De Asst. Resident van BoelèUng
met gevolg vertrok op hetzelfde uur, om naar zijne Heimath terug te
keeren. Eenige handdrukken en groeten, en beide kolonnes rukten in
tegenovergestelde richting uit. En te paard gezeten oreerde ik een
fameuse philippica op de Banglische regeering, dat product van anarchie
en nepotisme en kwam tot dezelfde conclusie als die andere, „ Ceterum
censeOj Bangliam eaae delendam^\ en allen waren het met mij eens,
because there is something rotten in the state of Bangl"
Onderweg trachtten de koelies aanhoudend weg te loopen, sommigen
lieten zelfs de barang eenvoudig aan den weg staan en verdwenen in een
zijweg. Gelukkig konden we door middel van onze karwatsen eene voldoende
hoeveelheid tot aan de grens bij elkaar houden. Lang- zaam ging dan ook
de trein vooruit. De weg daalde, doch met zachte glooiing en voerde
langs heerlijke sawahs en de dessa’s Sidan,
Pataloan,Semblangan, tot aan de grens van Gjanjar, De weg
verkeerde in uiterst slechten toestand, waarschijnlijk omdat er, door
den voort-
durenden staat van gewapende vrede tusschen Bangli en Gianjar weinig
gebruik van wordt gemaakt. Alle Balische rijken worden door een strook
grond, die als neutraal terrein wordt aangemerkt, gescheiden.
Het neutraal terrein tusschen deze twee rijken wordt, naar men ons
vertelde, aan weerszijden aanhoudend door gewapende mannen bewaakt, en
het was kluchtig om te zien, hoe de dappere Bangliërs het hazenpad kozen,
zoodra ze de barang op de grens hadden neergezet, hoewel ze wisten, dat
de tegenwoordigheid van den toewan besaar hun voor iedere aanranding
beveiligde. Doch wij hadden Bangli met zijn prachtig natuurschoon, doch
ongastvrije bewoners achter den rug ik zal niet gemakkelijk de dagen
vergeten, die we aldaar hebben
doorgebracht en het lustte mij ter wille van hen, die na ons, van den
kant af van Gjanjar dit rijk mochten bezoeken, op. den grenspaal de
woorden te plaatsen, die Dante boven den ingang van de hel plaatste :
y^Voi ch^s entrate lasciate' ogni speranza" op een gastvrije ontvangst ;
doch er was geen grenspaal aanwezig.
Yelen der lezers zal het niet onaangenaam zijn te vernemen, hoe de
politieke verhouding is tusschen de Ned: Ind: Regeering en de
verschillende rijken van Bali en Lombok^ en op welke wijze het contract
tusschen die rijken en onze Regeering is tot stand gekomen. Ik wil
daarom hier ruimte geven aan het verhaal van de yfdata et facta^' die
tot de thans bestaande veihouding hebben aanleiding gegeven. Ik heb dit
verhaal geput uit een ongeteekcnd handschrift, dat onmiddelijk na de
eerste Balische expeditie in 1846 schijnt gemaakt en afkomstig te zijn
van iemand, die toen ter tijde in Bali geen vreemdeling was; een
ingezetene van Banjoewangi^ de tegenwoordige eigenaar van het
handschrift, die het mij voor dit doel goedgunstig heeft afgestaan en
die sedert een reeks van jaren geêmployeerde is bij den Gekommitteerde
voor fle zaken van Bali en Lombok^ heefc het daarin aangehaalde getoetst
aan de in het archief berustende documenten, en zegt dat ze volkomen
historisch zijn. Ten overvloede heb ik mij zelf uit die documenten van
de waarheid der hoofdfeiten kunnen overtuigen.
Nadat de oude Oost-Indische Compagnie gedurende
tal van jaren handels- en vriendschapsbetrekkingen met de vorsten van
Bali had onderhouden, zonder tot hen in eenige politieke verhouding te
staan, besloot de Oouverneur- Generaal Daendels meer vasten voet op dit
eiland te hebben. Hij zond om die reden kapt. van der Wol derwaarts met
den last om in het rijk Badoeng, op de zuidkust van Bali^ eene
versterking aantelcggen. Door onverwachte staats- gebeurtenissen kon
evenwel aan deze opdracht geene uitvoering worden gegeven. Het Engelsche
tusschenbestuur heeft, zooals uit verschillende feiten, vooral ook uit
de geschriften van Raffles blijkt, het gewicht ingezien van eene goede
verstandhouding tusschen het Javasche Gouvernement en de vorsten van
Bali en heeft steeds alles aangewend om die te onderhouden.
Nadat het Nederlandsche gezag in Indië was
hersteld, ging men op het voetspoor der Engelschen voort, zond in 1817
den Heer H. A, van den Bosch als regeerings-kommissaris derwaarts, en
wendde alles aan om eene goede vriendschapsbetrekking met de vorsten te
onderhouden. In 1826 werd den kapitein der artillerie Wetters eene
zending naar de rijken van Bali opgedragen, ten gevolge waarvan in 1827
een contract met den vorst van Badoeng werd gesloten en de Heer Dubois
tot 1831 in dat rijk als politiek agent geplaatst bleef.
Waarschijnlijk had dit alleen ten doel, om er soldaten te werven voor
ons leger gedurende den Java-oorlog. Immers na het eindigen van dezen
oorlog nam onze belangstelling in Bali gaandeweg af en misschien zoude
men nooit meer naar dit eiland omgezien hebben, indien men niet door de
omstandigheden daartoe gen oodzaakt was geworden. Onder het bestuur van
den Gouverneur-Generaal de Eerens yreri den kapitein WeHers nogmaals
eene .zending naar de hoven van Bali en thans ook van Lombok opgedragen.
Door de onlusten, die op dit laatste eiland waren uitgebroken en de
oorlogen waarin het gewikkeld werd, kreeg men misschien terecht vrees
voor Engelsche inmenging en dit moest onze Regeering voorkomen, door die
beide eilanden te bewegen de souvereiniteit van Nederland te erkennen.
Met dat doel werd tegelijkertijd ook de oorlogs-korvet Triton' onder
bevel van den kapitein Luitenant ter zee Edeling derwaarts gezonden, om
eene militaire vertooning te maken en de vlag te laten zien. In 1839
werd de Heer Huskes Koopmans als Regeerings-kommissaris derwaarts
gezonden, om met de verschillende vorsten contracten te sluiten en te
bewerken, dat aan den strandroof, waaraan men zich op Bali en Lombok
aanhoudend schuldig maakte, paal en perk werd gesteld. Dat
deze zending weinig gevolg had, blijkt uit het feit, dat het
Nederlandsche koopvaardijschip „Overijssel,'^ in 1841 op de
Zuid-Oostkust van Badoeng verzeild, door de vorsten en groeten van dit
rijk werd afgeloopen en geplunderd, en dit — in weerwil zich op Bali een
agent- schap bevond van de Ned.Indischehandelmaatschappij. Nogmaals
derwaarts gezonden kwam de Heer Hmkes Koopmans in 1843 terug met
contracten, die ' hij met de vorsten van Bali en Lombok had gesloten.
Deze verbonden zich hierbij van lederen strandroof aftezien
en in geval het voorkwam, de schuldigen te straffen, afstand te doen van
het zoogenaamde kliprecht (tawan-karang) en tevens de souve- reiniteit
van Nederland te erkennen* Doch spoedig bleek het, dat zij
zich weinig aan de geslotene overeenkomsten stoorden. Immers do
plundering der op de kusten van Bali aangekomene of gestrande en onder
Nederlftndsche vlag varende schepen duurde voort; de Baliers
zijn te gepassioneerde piraten, om lang hunne belofte te houden, en ten
overvloede bleek het, dat decontracten niet geratificeerd waren. Daarom
werden deze nogmaals ter ratificatie naar Bali terug- gezonden. Van de
meeste vorsten kreeg men de vereischte hand- teekeningen, alleen die van
de rijken Karang-Asëm en Boelèlèng weigerden halstarrig en verklaarden,
dat zij nimmer een contract hadden gesloten, waarbij ze de
souvereiniteit van ons Gouvernement hadden erkend. Wel hadden zij een
contract gesloten, waaruit het
Gouvernement dit meende te lezen, doch nooit had het in hunne bedoeling
gelegen om te verklaren, dat hun land hun volkomen eigendom niet was.
Men was dan ook vrij algemeen op Bali overtuigd. dat het Gouvernement
bij het doen teekenen der overeenkomst een list had gebruikt; zelfs de
op Bali wonende Europeanen deelden
die overtuiging. De bekendeschrijver van bovengenoemd handschrift
schijnt ook deze meening toegedaan. Immers ik lees daar woordelijk :
,In Art. I zou de Souvereiniteit van Nederland
worden erkend, ,maar nu kon men in de Inlandsche talen dat denkbeeld
niet duidelijk „uitdrukken.
„Het woord souvereiniteit is niet letterlijk te
vertalen en bleek „moeielijk te omschrijven. Er stond dan ook woordelijk,
dat de vorst „erkende, dat zijn rijk het eigendom was van Nederland.
„Hoe kan „ik dat teekenen P'' vroeg de verbaasde vorst. Mijn rijk is het
mijne „eb van niemand anders.
Ge hebt volkomen gelijk^" was het antwoord van
den Regeerings- „kommissaris,doch het tegendeel wordt er eigenlijk ook
niet mede bedoeld; het dient alleen om de groet en vriendschap
uittedrukken^ die er tuschen u en het Oouvernement bestaat .Vrienden'
wordt hier alleen bedoeld. Wat uw eigendom is is immers ook het eigendom
van Uwen vriend. En evenmin als uw vriend daarom over uw eigendom
beschikt^ zal hetGouvernement over het uwe beschikken .^^ ^^
Het werd dus voorgesteld als eene soort van
Oostersche beleefdheid. Doch de vorsten van Boelèléng en Karang-Asém
weigerden en bleven vooral weigeren, toen ze begrepen dat het
Gouvernement een ruimeren
uitleg aan die omschrijving gaf dan de Regeerings-Eommissaris hun had
verzekerd. Toen de Heer Ravia de Ligny, Asst. Resident van Banjoewangiy
dan ook in 1844 met een talrijk gevolg op Boelèléng kwam om de
ratifikatie te eischen, werd hij op zulk eene beleedigende en erger-
lijke wgze ontvangen, dat tot eene expeditie tegen Boelèléng werd
besloten. Ik zal mij hier van alle commentaren onthouden, noch nagaan in
hoeverre de vorst van Boelèléng in zijn goed recht was. Genoeg is het,
dat de woorden door 's vorsten woordvoerder, den rijksbestierder Goesti
K'toet Djelanlik^ tot den Regeerings-Eommissaris gesproken, mannentaal
waren, woorden die duidelijk verrieden, dat hij overtuigd was van
onedele bedoelingen onzerzijds. „nooit^," zeide hij in edele
verontwaardiging, terwijl hij zich met de gespierde vuist op do borst
sloeg, en zijn oog schitterde van inwendig vuur. ^nooit^ zoolang ik leef^
zal door dit rijk de souvereiniteit van Nederland
worden erkend in den zin als dit door uwe Regeering is opgevat Na mijn
dood moge de Radja doen wat hij verkiest. Men wordt zoo maar niet in
eens^ door middel van een stuk papier^ meester van eens anders
land. Eerst moet de kris beslissen " Deze woorden werden gesproken ten
aanhoore van het volk, dat in talrijke hoeveelheid was verzameld.
{historisch; missive van den Gekommitteerde voor de zaken van £a/i
en Lombok^ 10 October 1844.) Eene expeditie was, na zulk een overmoed,
na die beleediging, den Regeerings-Eommissaris aangedaan, noodzakelijk,
zoo meende men te Batavia en in Nederland.
Ook de Radja van Boelélèng en Ooesti Djelantik waren overtuigd, dat
eene expeditie hiervan het gevolg zoude zijn. Immers, toen in Juni 1846
onze troepen vóór Boelélèng verschenen, vonden ze hen niet onvoorbereid.
Doch in weerwil van een hardnekkigen tegenstand, in weerwil ook de
vorsten van Kloenkoeng en Karang-As^m zich tot den strijd hadden
aangegord, werd reeds den 25 Juni van dat jaar Boelélèng j en den
volgenden dag de vorstelijke residentie Singa- Radja door de onzen
ingenomen. De vorst en zijn gansche leger nam de vlucht naar het niet
ver van Singa-Radja. gelegen DjagaRaga. Die zegevierende tocht van de
onzen had zulk een paniek teweeggebracht, dat men niet geneigd was om
den oorlog voorttezetten, maar zich tot het sluiten der vrede,
onverschillig op welke voorwaarden, bereid verklaarde. — Met dit
wapenfeit eindigt het handschrift, dat vermoed wordt door een employé
bij het agentschap der N. I. handelsfaktorij te Badoeng geschreven te
zijn.
Ik moet hier nog bijvoegen, dat het rijk Boelélèng in 1849 aan den
vorst van Bangli werd ten geschenke gegeven en dat deze vorst het ons in
1854 tegen eenige geschenken weder afstond. In 1859 werd aldaar een
geregeld bestuur ingevoerd onder een Assistent-Re- sident. Eenigen tijd
later kreeg ook Djëmbrana een geregeld be- stuur onder een Controleur.
Dit zijn dus de beide eenige rijken van Balij die onder ons direkt
beheer staan. De laatste vorst van Boelélèng werd in 1873, die van
Djëmbrana in 1868 om kuiperijen tegen ons gezag buiten Bali verbannen.
Het contract, dat door den Heer Huskes Koopmans met de verschillende
vorsten van Bali in Augustus 1843 is gesloten en dat in 1849 zonder
noemenswaardige wijziging hernieuwd werd door den Luitenant Kolonel,
belast met het beleid en de behandeling der staatkundige aangelegenheden
van Bali en Lombok, J. van Swieten,
is voor alle rijken van het eiland Bali gelijkluidend en nog steeds van
kracht.
Tijdens het afdrukken dezer bladen, is hier het officieele bericht
ontvangen, dat Bali en Lombok tegen 1 Juli a. s. tot ééne Residentie
zijn verheven met de zetel van het bestuur te BoeliUng, terwijl
Banjoewangi als Assistent-Residentie aan Bezoeki wordt toegevoegd. Deze
verandering, die reeds lang te gemoet gezien en zeker niet praematuur
is, zal in vele opzichten Bali ten goede komen en vooral eene
verbetering ten gevolge hebben in onze politieke verhouding tot de
Balische rijken, die hier en daar zooveel te wenschen overlaat.
Moge een krachtiger optreden onzer Regeering, ~om de bevolking te
beschermen tegen den willekeur der vorsten, hiervan in de eerste plaats
een gevolg zijn.
Op weg naar Gianyar passeerden Wy,langs nette, goed onderhoudene
wegen, de dessa's Sidan, Pataloan, Semblangan en
de kotta Gjanjar^ alwaar we om 12 uur aankwamen. In de kotta
Gjanjar passeerden we nog twee fraaie tempels, nl. de poera Toegoe, een
privaattempel van den vorst, en de poera Lelongan, Wij hadden heden in
het geheel slechts tien palen afgelegd. Het huis dat voor ons logies
bestemd was en dat op een groot vierkant plein, waartoe een smalle poort
toegang ver- leende, stond, was, zooals de bouworde reeds aanduidde,
oorspronkelijk het eigendom van een Chinees. Thans evenwel behoort het
aan den vorst, die het tot jassanggrahan voor zijne gasten heeft
ingericht. Alles zag er netjes en zindelijk uit, zoodat we onze
veldbedden gerust in hunne foudralen konden laten. Tafels, stoelen, in
een woord alles wat we za- gen, was van dien aard dat het onze
verwachting overtrof. Ook voor onze bedienden en voor de keuken had men
uitstekend zorg gedragen. En vóór en boven dit alles wapperde lustig de
Nederlandsche driekleur. Ik zal mij niet onledig houden met nadere
beschnjvingvan ons emplacement ; alleen om der curiositeits-wille maak
ik melding van twee schilderijen, die in den voorgevel van het
hoofdgebouw waren inge- metseld, waarvan de eene de geschiedenis van
Potifar en Joseph, lamlendiger gedachtenis, de andere die van Boas en
Ruth voorstelde, een paar fataal leelijke dingen in nog leelijker
kleurendruk met franschen en hollandschen tekst, die bijna
onverstaanbaar was door de tallooze fouten. De kuischheid op Balischen
bodem, een ^rontradictio in terminis.'^De reeds genoemde oude Ketoet
Pasék, alsmede de Chinees Si Tjin lang schenen door den vorst met de
zorg voor diens gasten belast te zijn. Zij waren bijna altijd in onze
omgeving en de geringste wenschen, die we ons lieten ontvallen, werden
door hen onmiddelijk uitgevoerd, evenals door hen uitstekend voor onze
keuken zorg werd gedragen. In Gjanjar schijnen vele Chinezen te zijn,
ten minste zagen we, toen we de kotta doorreden, vele van deze pioniers
der beschaving en men kan het voor Bali ten minste als vasten regel
aannemen, dat daar, waar vele Chinezen «ijn, meer orde en beschaving
heerscht, vooral wanneer ze invloed aan het hof kunnen uitoefenen,
zooals hier.Wij zagen hen ten minste gaarne op onze reis. De dus
genoemde is handelaar doch fungeert tevens als schrijver bij den vorst
en schijnt veel invloed aan het hof te hebben." Tevens neemt hij de
functie van vaccinateur waar on het verwonderde mij eenigzins te
vernemen, dat in Gjanjar twee vaecinateurs werk- zaam zijn, nl. de
genoemde Chinees voor de kotta en hare onmiddelgke omgeving en de Balier
Ida Made Manggis^ een brahmaan, die in de dessa Sidan woont en in de
omstreken aldaar vaccineert; te meer verwonderde het mij, omdat, evenals
Djembrana^ ook Gjanjar vroeger bij het toezenden van vaecinateurs geheel
vergeten was. De eerste had het indertijd in Djémbrana^ de andere in
Banjoeirangi geleerd. Hier behoefde ik dus niet te vreezen dat mijne
pogingen mislukken zouden; immers ik had het bewijs, dat de vorst vóór
de vaccine was
en er dus niet op tegen zoude hebben, dat die eenigzins beter geregeld
Werd; want dit lietveel te wenschen over. Zoo was er in eenige maanden
niet gevaccineerd, omdat, hetgeen zooals te begrijpen is, bij herhaling
gebeurde, ook thans weer de vaccine uitgestorven was ; zij haalden zoo
te hooi en te gras bibit van Boelélèng of Djembrana, vaccineerden dan,
die daarom aanvraagden en lieten de bibit uitsterven wanneer zich
geene liefhebbers meer aanmeldden. In de kotta zag ik verscheidene
kinderen, die uitstekend door den Chinees-vaccinateur waren ingeënt. Er
was dan ook een groot verschil tussen hier en Bangli waartene-
men wat betreft het aantal door pokken goschondene kinderen. De gron^
was hier dus gelegd en mijne taak gemakkelijk. Ik behoefde hier alleen
aantedringen op eene betere regeling en op het verplichtend
stellen der vaccine. Daarbij vond ik dezen Chinees allezins geschikt om
de functie te blijven waarnemen. Den andren vaccinateur, die zeer weinig
werk van de zaak schijnt te maken, heb ik niet ontmoet.
De vorst meende van zijne hartelijkheid te moeten blijk geven, door pas
na onze aankomst voor ieder onzer een flesch brandy te zenden.
Natuurlijk werd het geschenk in dank aangenomen. Even voor we aan den
avonddisch zouden gaan aanzitten, werden op het erf vóór onze woning tal
van gamelan-instrumenten, eigendom van den vorst, aangebracht, die ten
laatste, zooals weldra bleek, eene volledige gamelan, de
Setnar-pegoelingatk, samenstelden. Dit is het meest volledige orkest dat
op Bali bestaat en wordt alleen gebruikt, "wanneer gandroeng's en
lègong's of djogèd gégoedè'n's dansen uitvoeren. De namen der
verachillende muziek-instrumenten zyn mij niet bekend, zij zijn trouwens
vrij wel dezelfde als op Java,
Of het nu aan de betere constructie der terschillende instrumen- ten of
aan de meerdere geoefendheid der bespelers ligt, durf ik niet te
beslissen, misschien ligt het wel aan beide, doch zooveel is zeker, dat
de Balische gamelan voel schooner kinkt dan de Javaansche. Deze laatste
is nauwelijks begonnen, neen vroe-
ger nog, of zij maakt op onze Europeesche ooren, vooral in de nabijheid,
reeds een onaangenamen indruk, terwijl wij de Balische met genoegen een
paar uren hebben aangehoord. Vooral die we dien avond in de gelegenheid
waren te genieten was al zeer schoon en liefelijk. De crescendo'sen de
vele koperen bekkens, klinken niet onaangenaam, terwijl de bespelers bij
het allegro moderato^ op een paar saron'sj kromang's en qamhang's onder
zachte begeleiding van de gotig's een hoogst aan- genaam carillon-muziek
weten te voorschijn te brengen; zelfs de soeling en de rebab hebben,
door hen bespeeld, iets klagend schoons.
De Baliërs zijn over het algemeen hartstochtelijke liefhebbers van
muziek. Avond op avond kan men in de desa's de gamelan hooren bespelen
en men kan er zeker van zijn, dat dan honderde menschen er om heen
zitten en uren kunnen blijven, zonder iets anders te doen dan hun
sirihpruim te verwerken en naar de toonen te luisteren, die de vaardige
bespelers mot geoefende hand aan hunne instrumenten weten te ontlokken;
ook van zang houdt de Balicr veel. Ik ben een paar malen in de
gelegenheid geweest, een bepaald lief klinkend
drie- vierstemmig koraalgezang door eenvoudige dessabewoners te hooren
uitvoeren. Tijdens ons bezoek aan het rijk Meng^wi had de broeder van
den vorst, dien we later zullen leeren kennen, ons eenige malen een paar
liederen hooren zingen; weldra verscheen hij met zijn zoon, verzocht ons
het laatste lied nog eens te zingen en
toen we hieraan gevolg' gaven , zongen beide mede ; de zoon zelfs
schreef zoo goed en zoo slecht dit kon het Duitsche lied met Bali- sche
karakters over, en nu kon men hen den geheelen dag brok- stukken uit het
lied hooren neuriën. Op ons verzoek zong ook hij een Balisch lied en
hoewel dit nu niet zoo aangrijpend was als
wanneer Patti haar j^si vom n'avez rien a me dire*'' zingt, moet ik
zeggen dat er iets aangenaams in was. In ieder geval is het gevoel voor
muziek en zang veel meer ontwikkeld bij de Baliërs dan bij de Javanen.
Veel zorg wordt er door hen besteed aan het vervaardi- gen vooral van
hunne koper-instrumenten , die ze of van Kloenghoeng doch liever van
Samarang krijgen. Wil de vorst zich een nieuwe gamelan aanschaffen, dan
zendt hij een vertrouwd persoon, wiens muzikaal gehoor goed ontwikkeld
is, derwaarts, om teo te zien dat het mengsel, waaruit de instrumenten
gemaakt worden, uit de be- paalde verhoudingen aan zilver, koper enz.
bestaat en om te onderzoeken, of de toon, die het instrument voortbrengt,
wel de vereischte hoogte en zuiverheid heeft.
Nadat eene soort van ouverture was gespeeld en de pdlita's en twee
met verschillende kleuren zijde en met pauweveeren gedecoreer- den
lansen in den grond waren geplant , verschenen onder hoog geleide twee
netjes uitgedoschte meisjes van + 10 jaren, en voerden op de maat der
muziek verscheidene zeer bevallige dansen uit. Wij bewonderden om het
zeerst de sierlgkheid der bewegingen en vooral de maatvastheid der
kinderen. Dat waren lègong^s^ die uitsluitend door de vorsten worden
gehouden en alleen voor hen of voor hooge gasten mogen dansen , in het
paleis verblijf houden en worden onder- wezen, en steeds onder hoog
geleide worden binnengebracht, terwijl aan weerszijden van haar een
gedecoreerde lans wordt geplaatst.
Ook mag geen man met haar dansen, zooals bij de ijoghi-tong' kolian
geschiedt, (ngibing). Ook de gégoeden's zijn alleen voor den vorst {van
der Tuuk)\ ik heb evenwel „in verschillende rijken, gëgoedèrs ook met
anderen zien dansen. Aan het hof van Selaparang (Lombok) is het trouwens
ten sterkste verboden. De kleeding der
lègong^s is als de vroeger bij de gandroeng's beschrevene. Op een wenk
van den Gekommitteerde hielden ze tegen elf uur met dansen en spelen op
en verdwenen. In den loop van den avond zond de vorst voor ieder onzer
verschillende vruchten en rijstgebakjes.
18 Augustus. — Heden morgen gingen
Bollaan en ik reeds zeer vroeg op marsch om eene wandeling door de kotta
te maken en het een en ander in oogenschouw te nemen. Reeds waren de
straten die wij passeerden , schoon geveegd en het bijeen gegaarde vuil
weggebracht. De passar, hier pèkën^ die in de nabijheid van ons ver-
blijf was, was nog niet druk bezocht. Het is een groot vierkant plein
met hier en daar kleinere en grootere opene of overdekte ba- lies voor
de uitstalling der verschillende koopwaren , • als vruchten ,
gebakjes, (djadja) kain', bloemen, rijst, ijzerwaren, kookgereedschap en
al datgene wat gewoonlijk op een passar wordt gevonden. Hier en daar zag
men zelfs aan het spit gebradene speenvarkentjes, waar-
van de liefhebber , door den aangenamen geur uitgelokt , voor slechts
weinige kèpèngs een goed stuk bekwam. Alles zag er even zindelijk en
appetitelijk uit.
Behalve de priesters, eten de Baliérs veel varkensvleesch ; daar hun
, nl. den leden der hoogere kasten het eten van rundvleesch is verbo-
den, behalve op enkele feestdagen. Volgens sommige priesters geldt dit
verbod alleen de hoogste kaste; zooveel is zeker, dat zich niet alle
Baliërs stipt aan dit verbod houden; er zijn ook onder hen die we- ten
te schipperen. Zooals men weet, is het rund bij de Hindoes heilig, w^ijl
de god Siiva wordt voorgesteld te rijden op den stier Nandu Wel
gebruiken ze deze dieren als trekvee, doch ze mogen
ze niet slachten. Eene bijzondere vereering geniet vooral een witte
stier, en het wordt als eene bizondere gunst der goden beschouwd,
wanneer iemand een witte koe of stier wordt geboren. Dit dier wordt dan
uitstekend gevoed en mag niet werken en de eigenaar vaart er wel bij.
Immers het beest bezorgt hem oen brevet als apotheker van heinde en ver
komt men hem de faeces en de urine — Ti-ran het beest afkoopcn, dat zoo
uitstekead is voor allerlei ziekten en ook steeds helpt wanneer er maar
geen kala tusschen beide komt. Oe ziet, zijne pharmacopea is nog al
eenvoudig, zijn clientèle groot en het witte beest werpt dus goede
winsten af. Eene zelfde vcrecring geniet een geheel wit paard (poernafna
sada) ; deze worden meestal voor do priesters gereserveerd.
Ik moet hier nog op eene bizonderheid van het Balisehe rund, eene
soort bantèng^ wijzen. De vrouwelijke exemplaren zijn (behoudens enkele
uitzonderingen, nl. de witte) steeds geel gekleurd, terwijl de
mannelijke steeds zwartaehtig zijn, beide trouwens met een groote «
witte vlak* aan de nates^ rondom den anus. Wanneer nu zulk een zwarte
stier gecastreerd wordt, hetgeen bijna steeds gebeurt, dan wordt de
kleur der haren in betrekkelijk korten tijd geel evenals bij de wijfjes,
terwijl de niet gecastreerden hunne donkere kleur be- houden. Eenige
zeldzame exemplaren zijn geheel zwart, zonder eenig wit haartje, en het
staat bij de Baliêrs vast, dat bij die, wier haren binnen in de
oorschelp ook zwart zijn, deze kleurs verandering niet
plaats heeft Voor zooverre mij bekend is, komt deze kleursveran- dering
der haren na de castratie alleen bij de Balisehe runderen voor. Men
heeft reeds lang geleden beweerd, en zeker niet zonder grond, dat er
verband bestaat tusschen de kleur der haren en het geslachtsleven. Het
aangehaalde feit zet aan die bewering veel kracht bij. Een feit is het
ook, dat gekapoeneerde hanen steeds een prachtigen vederdosch krijgen,
wanneer, de castratie vroeg genoeg geschiedt. Waarnemingen dienaangaande
bij de Turksche eunuchen
zijn mjj niet bekend, wel den invloed van het castreeren op de stem. -
De beste' tenorzangers vindt men onder de eunuchen, en kapoenen kraaien
niet. Het kan zijn, dat het kraaien der hanen als eene invitation pour
la danse^^ een minnelied moet opgevat worden en die impulsie missen de
kapoenen. Men zou er Danvin op moeten
hooren. Een ander feit, -dat ik hier niet vergeten mag te vermelden, is
het volgende. Nu en dan ziet men onder de Balinehe runderen exemplaren,
die vol mett witte spikkels op de huid zijn. Dit doen de Baliérs
kunstmatig. Evenals Laban bij zijne geiten, doch op andere wijze, maken
ook zij gebruik van de omstandigheid, dat hot
gemoedsleven der moeder invloed uitoefent op de ongeboren vrucht.
Wanneer zij nl. gespikkelde exemplaren willen hebben, dan geven zij der
zwangere koe van tijd tot tijd fijn gesneden gras of bladeren te eten,
vermengd met een paar handen vol levende djangkriq{AchetdL 8ijlvei>tris),
Telkenmale springt, terwijl de koe eet, een of meer dier insekten in
haar gezicht, hetgeen haar doet schrikken en op de huid der vrucht een
kleine witte ylek te voorschijn roept. Het moge eenigzins paradox
klinken, doch het feit bestaat en is mij
door verschillende zeer betrouwbare personen verzekerd. Trouwens, men
ziet dagelijks zoovele schijnbaar paradoxe, nog onverklaarbare fei- ten
op dit gebied, dat men zich ook over dit feit niet zoo behoeft
te verwonderen.
Ik geef hier plaats aan een paar éclattante voorbeelden, die op dit
physiologisch raadsel betrekking hebben en die ik zelf in de gelegen-
heid was waartcnemen. Eene vier maanden zwangere dame werd opmerkzaam
gemaakt op een persoon, wiens teenen aan beide voeten aan elkaar waren
gegroeid. Het kind, dat zij ter wereld bracht, had en heeft nog een
synechie van de tweede en derde teen van beide voeten. In de familie van
de beide ouders kwamen dergelijke afwijkingen nimmer voor. Een
borstelmaker in een dorp in de provincie
Groningen kreeg een doofstommen jongen uit het doofstommen-instituut te
Groningen als knecht in dienst. De zwangere vrouw van den borstelmaker
schrikte, toen zij den doofstommen knecht voor het eerst ontmoette, over
het wanklinkende geluid, dat deze, evenals alle doofstommen, te
voorschijn bracht en zij schonk eenige maanden later aan een kind het
leven, dat weldra bleek doofstom te zijn. Noch in hare familie, nóch in
die van haren man, was ooit een geval van doofstomheid voorgekomen. —
Eene vrouw in Groningen aborteerde een paar maanden na het bezoek van
een invalied soldaat, die tengevolge van het gemis van een been op
krukken liep, van een momtrum sireniforme. De medische lezers vooral
zullen deze voorbeelden evenals ik, nog met tal van andere kunnen
verrijken, die allen bewijzen, dat er tusschen het zenuwleven, als ik
het eens zoo noemen mag, van de moeder en de ongeboren vrucht een innig
verband bestaat, al is het vooralsnog langs anatomischen of
physiologischen weg niet te verklaren. Dat deze waarneming niet van den
jongsten tijd is, bewijzen de werken over kalopaedi^ (kunst om schoone
kinderen voorttebreDngen) die van de Grieken en Botnehien tot ons
zijn gekomen. Zij versierden de kamers, waarin hunne vrouwen verblijf
hielden en vooral de slaapsteden dezer laatsten met de prachtige beelden
en schilderijen hunner goden en helden en schreven daaraan vooral de
krachtige ontwikkeling hunner zonen toe. De ^Presse medkaV^ en het y^
Journal ds nied:^ de chirurg: et de pharma- cologie^^ hebben aan dit
onderwerp kort geleden eenige bladzijden gewijd. We lezen daar, dat in
de 16* eeuw Trenel en JeanHuart bizondere voorschriften gaven om schoone
kinderen voorttebrengen.
In 1665 gaf Claude Quillet daarover een werk uit. Ook Otédry en
Vandermer wezen op de mogelijkheid, die er bestond, om naar goed- vinden
schoone kinderen het aanschijn te schenken. Van nog later datum zijn de
werken over megalanthropogenie (kunst om groote kinderen te verwekken)
van Roberts Ronk en Giron, Bij de meeste hunner voorschriften wordt van
bovengenoemden nog overklaarbaren invloed gebruik gemaakt. Wij zien het
trouwens dagelijk^, dat de kinderen van hunne ouders niet alleen
morphologische geaardheden
en krachten, maar ook de intellectueele en moreele energie erven. Het „Aoc"
en y^langs welken tceg^^ blijft vooralsnog een physiologisch en
anatomisch vraagstuk.
Tijdens ik den lezer met bovenstaande heb bezig gehouden, is
intusschen de passar iets meer bevolkt. Wat een leven en beweging, wat
eene bedrijvigheid onder die koop- en verkooplustige massa; wat krioelt
dat alles bout dooreen ; zie die gitzwarte kijkers schalks bedeesd en
toch uitdagend op ons gevestigd, oogen, die zoo echt natuurlijk achter
de lange zwarte wimpers trachten te verraden, wat ze, volgens zoogenaamd
meer beschaafde begrippen, moesten trachten te verbergen en die, bij de
jongere meisjes vooral, zoo sterk con-
trasteeren met de dubbele ceinture van schitterend witte tanden, die
tusschen de half geopende, iets naar buiten omgekrulde lippen te
voorschijn komen. Phidias had er de modellen voor zijn Minerva^ Apelles
voor zijn Venus Anadyomenon voor het grijpen gehad. Die prachtige
schoone vormen, door niets in hare ronding en ontwikkeling belemmerd, en
die zich in al hare onschuldige naaktheid aan ons vertoonen; die
prachtige lijnen; die zachte huid door Phoebtis Apollo bruin gekust; die
flinke solide bustes; die gevulde hals, die aan de Venus van Canova doet
denken, waarlijk, men moet alle aesthetisch gevoel verloren hebben, of
Hippolytus^ de zoon Theseus in persoon zijn, wanneer men de Balische
vrouwelijke tijpe niet schoon vindt, en trots het afschrikwekkend
schouderophalen van den broeder van den Vorst van Bangli^ herhaal ik het,
jammer duizend maal jammer, dat de pokken onder al dat schoons zooveel
ravages aanricht, zoodat er zoo velen onder haar niet veel meer zijn dan
de armzalige restes van eene geruïneerde schoonheid. Dat zou een land
voor Heine
geweest zijn, wat zou zijn y^Buch der Lieder'^ eene dimensie aange-
nomen hebben.
Ik zal gebruik maken van het recht van den medicus , om bij het levée
van zelfs de volmaaktste onschuld tegenwoordig te zijn en haar .in al
hare naaktheid voor zich te plaatsen, om onderzoek te doen naar geheimen,
die anders ternauwernood aan de wanden van het boudoir worden
toevertrouwd. Ik wil u, waarde collega! namelijk op een paar anatomische
bizonderheden eener volwassen Balische schoone opmerkzaam maken. Treden
we daarom het boudoir eener Balische dame binnen. Zoo even op de passar
kondt ge het niet zoo duidelijk zien als thans van naderbij , dat de
mammae (en dit geldt voor meer dan de helft der Balische vrouwen) van af
de mammüla tot ongeveer een vinger breed achter de areola eene afzonderl^ke
verhevenheid vormen. Het is alsof de stevige , flink gewelfde mamma uit
twee helften bestaat, nl. een kleinere voorste en een grootere
achterste heeft. Of een sterkere vetafzetting dien vorm te voorschijn
roept, mag ik niet be- slissen. De omstandigheid, dat het vooral bij
zoogende , zelfs magere vrouwen voorkomt, spreekt voor de eerste meening,
doch daartegen strijdt eenigzins het voorkomen bij nog jeugdige meisjes
, bij wie de borsten nog Werdung begriffen sind.De breede heupen, die we
daarna in oogenschouw nemen, doen vermoeden , dat het bekken der
Balische vrouw den dwars-elliptischenimi m Torm heeft, dus volkomen
afwijkt van de stomp-hartvormige type
van het zuiver Javaansche bekken. Jammer , dat we geen pelvimeter van
Baiideloque of Rizzoli bij ons hebben, anders zouden we kun- nen zien ,
dat de verkregene afmetingen ons vermoeden tot waarheid
maakten. Verder afdalende, zien wij dat ons model, dat we als type van
het Balisehe damespersoneel kunnen doen gelden, op zeer groeten voet
leeft, met welke grootte hare mollige hand weinig in overeenstemming is.
Over het geheel wijkt de Balisehe type zeer af van de Javaansche doch
nadert zeer tot de Bataksche. Bij de vrouwen valt dit onderscheid
tusschen de Balisehe en Javaasche type vooral duidelijk op. De breede
schouders en heupen, de iets korte gevulde hals, de over het geheel
sterke spierontwikkeling, de eenigzins
stompe neus , de breede bovenlip, het meer breede dan hooge voorhoofd,
zijn zoovele punten van verschil met de Javaansche tijpe. Zeer ten
onrechte wordt dan ook door sommige schrijvers (de Hollander) opgegeven,
dat de Balisehe en Javaansche typen zooveel overeenkomst hebben. Ik denk,
dat die schrijvers meer door redeneering dan door waarneming tot die
uitspraak zullen gekomen zijn. Het is nauwelijks vier
eeuwen geleden, dat, na den val van het groote rijk van Madjapa- hit de
Javanen in tallooze benden de vlucht namen voor de steeds voorwaarts
dringende legers der Muzelmannen. Een groot deel der vluchtende benden
zocht eene veilige schuilplaats in de dichte wouden van het niet ver
verwijderde Bali dat trouwens reeds eenigen tijd te voren door de
dappere veldheeren van den vorst van Madja- pahit^ nl. Ardja Datnar en
Patih Gadja Mada^ was ten onderge- bracht; een ander deel zocht een
wijkplaats in het rijk van Blambangang {Banjoewangï) en in andere deelen
van Oost-Java^ alwaar de Islam eerst in 't midden der 18de eeuw ingang
vond. De Javanen, die zelve voor de „halve maan" de vlucht namen en hun
godsdienst, het Hindoeisme, deels ook op Bali inveiligheid brachten ,
deden op dit eiland op hun beurt het oud Polynesisch heiden- dom voor
het Hindoeisme wijken, ten minste onderging de oorspronkelijke
godsdienst der Baliêrs daardoor zulk eene belangrijke wyziging, dat de
oude vorm er nauwelijks meer uit te herkennen was. Volgens Saffies
en Ciare/, moet reeds in de 8*** eeuw van onze jaartelling het
Hindoeisme op Bali geheerscht hebben , terwijl nog vroeger het Buddhisme
aldaar ingang vond. Dit is blijkbaar onjuist, evenals er nog meer onwaar
is in hetgeen beide schrijvers over den godsdienst en de zeden der
Baliërs hebben te boek gesteld.* Wellicht heeft deze meening der
schrijvers haar oorsprong te danken aan het feit, dat Balij nog yeel
vroeger dan de val van Madjapahitj een vasal staat was van een groot
Hindoesch rijk. De Baliêrs bleven op hun eiland, gaven
langzamerhand hunnen godsdienst prijs en omhelsden den leer van Siwa; en
thans zal men, behoudens een paar uitzonderingen (zie vroeger), zelden
meer een Baliêr vinden, die zijn stamboek niet tracht afteleiden van de
Javanen van Madjapahit De Bali-aga staan thans in minachting en een
ieder wil zich Wong-Madjapahit noemen. Dat door de croiseering der
overheerschers met de eilanders na vier eeuwen de oorspronkelijke tijpe
der Javanen moest verloren gaan, laat zich maar al te goed denken. Men
beweert , en 't is meer dan waarschijnlijk , dat onder de zich hier en
daar nog bevindende Bali- aga, de oorspronkelijke zuivere type der oude
Insulaners^ die in ieder opzicht afwijkt van die der Javanen, is
behouden gebleven. Vroeger bij mijn bezoek aan de verschillende dessa's
in Boelèlèng^ was mij het bestaan der Bali-aga niet bekend en heb ik ,
in weerwil ik daartoe in de gelegenheid was , tot mijn spijt op deze
omstandigheid geen acht geslagen.
Helpen we thans een handje bij het toilet van onze dame, al halen we
ons daardoor ook de minachting van de mannelijke helft der Balische
bevolking* op den hals. Daar onze schoone slaapt in haar wandeltenue, en
zich op straat vertoont in het kostuum van des nachts, is het al vrij
onverschillig op welk uur van den dag wij hierbg onze hulp verleenen. Ge
behoeft, waarde lezer, ook niet bevreesd te zijn, dat ge het een of
ander morsig maakt of kreukt^ coquet is de Balische schoone even goed
als hare zusteren in andere landen,
doch niet op hare kleeding. Ook heeft ze geen uur voor haar toilet
noodig. Halskragen a-la Marie Antoinette, japonnen style Pampa' dour of
style Directoire ^ corsetten en fornie euirasse en dergelijke
uitvindingen van hot beschaafde Westen, zijn haar geheel vreemd. Een
roode lap ééns om de heupen geslagen; een blauwe of gekleur- de dito,
die tot een handbreed beneden de knieën reikt en met een band of saboek
boven de heupen wordt bevestigd, een twee-vinger dikko rol lontar-blad
in het gat in de oorlellen, en uwe schoone staat
ia een in haar oog bevallig daagsch kostuum voor u. De eerste lap om
hare lenden {tapih) is wat erg vuil en slecht geparfumeerd, doch dat kan
ook wel niet anders, wanneer men slechts bedenkt, dat die lap nooit door
een schoone, doch als ze al te oud is, door een nieuwe verwisseld wordt.
Misschien staat dit vies gebruik in verband met hetgeen Clavel aanhaalt
over de Brahmaansche stammen in de bergen van Karnatik. Deze mensclien
nl, zijn op verbeurte van het koste-recht verplicht^ om de kleederen van
lijnwaad, die ze eens heb-
ben aangetrokken^ aan het lijf te houden tot ze als lompen afvallen,
zonder ze schoon te maken of in het water te steken. De buitenste
langere lap, die bij festiviteiten door cene betere en langere soort
wordt vervangen, is zoo om het lichaam geslagen, dat zij aan de
linkerzyde een spleet vormt, zoodat een onschuldige wind de eigenares
soms leelyke parten speelt en den nauwkeurigen waarnemer op aesthetisch
gebied soms veel te zien en nog meer te denken geeft. Alleen in het
vorstelijk paleis is de vrouw verplicht deze sarong tot onder de oksels
op te trekken en haren boezem te bedekken. De meeste vergeten dit
schijnbaar. Ook zoogende vrouwen bedekken meestal den boezem en smeren
geparfumeerde bcdak tusschen de borsten {njo-
njo laag Bal :, soesoe hoog Bal :). Ook moeten de vrouwen wanneer ze
iemand uit een hoogere kaste, of een Europeaan ontmoeten, zich den
boezen bedekken, evenals een man de beenen ; de vrouwen schijnen echter,
vooral de jongere exemplaren, zeer liberaal op dit punt. Velen dragen
nog een selendang, hier tengkaloeng geheeten , die ze soms zeer bevallig
in den vorm van een schuinstaanden tulband om het haar win-
den. De iBti{soebëng) in de oorlellen van opgerold gebleekt lontar-blad
(Borassus flabélliformis L : nat : fam : der Palmm) hebben soms een
middellijn van 3 c. M. Bij feestelijke gelegenheden dragen zij soms
zware gouden en zilveren arm- en beenbanden, vingerringen en weven een
krans van tjempaka en andere bloemen idyllisch door de haren. Yeel zorg
besteden zij anders niet aan hare coiffure. Het zit bijna altijd slordig
en heeft geen bepaalden vorm; in ieder geval dragen ze het haar zelden
op de wijze der Javaansche vrou-
wen in een sierlijken wrong. Slechts zelden ziet men eene vrouw, die een
kam {soewah) in de haren draagt, en dan nog zit die meest- al scheef.
Ongehuwde vrouwen laten altijd een bundel haren los in den nek hangen,
hetgeen beteekenen moet, dat ze nog maagd (lees ongehuwd) zijn, zooveel
als jfCubkulum IccandunC' dunkt mij. Dit niet altijd betrouwbare
virginiteit8-diplon\fi heet loengah soeadn. • Kinderen van beiderlei
kunne loopen tot hun zevende of achtste jaar poedel-naakt. Beide, zoo
jongens als meisjes, krijgen op hun vierde jaar gaten in de oorlellen {mato€soek)\
dit geschiedt evenals op Java met een uit de vrucht van aren gemaakt
ringetje, bloeloek geheeten. Bij de laatsten wordt er een dun rolletje
lontarblad ingestoken, dat langzamerhand door dikkere wordt vervangen.
De jongens dragen geen oorversieringen, doch bezigen die openingen later
dikwijls om er eene bloem in te steken. Ik heb zelfs Baliërs gezien, die
ze voor sigarenkoker gebruikten, in zooverre ze er na- melijk aan
weerszijden een strootje hadden ingestoken.
Na de passar rondgeloopen te hebben, gingen we een roemah dewa {djerofh
dèwa bal.) bezoeken, en wel den vroeger genoemden privaat- tempel van
den vorst. Nauwelijks waren wij binnen of de tempelwachter {pemangkoe\
die bezig was het een en ander in order te brengen, liet alles liggen,
zag ons met groote verbaasde oogen aan en verwijderde zich, doch kwam
weldra weer terug met twee Balische priesters {padayuia's)^ die ons
beduidden dat we anders wel den tempel mochten bezichtigen, doch dat
onmiddelijk de prinsessen zouden verschijnen om haar ochtend-aandacht te
houden en wij ons dus voorloopig te verwijderen hadden. Dit werd ons
evenwel op hoogst bescheiden toon gezegd en hoe gaarne wij die
prinsesjes bij
die vrome handeling hadden willen gadeslaan, waren we galant^genoeg om
ons te verwijderen. Trouwens wij hadden tijd genoeg gehad om het
bezienswaardige in oogenschouw te nemen. Behalve de roemah dewa van den
Radja Kaslman van Badoeng die ik op een vorige reis had bezocht en ook
deze reis weer in de gelegenheid
was te zien, en die ik, zoodra we in het rijk Badoeng zijn aangeland,
wel cenige regels zal wijden, was deze zeker de fraaiste, die ik tot
dusverre nog gezien had. Het is een groot door een hoogen muur in tweeën
gedeeld vierkant onoverdekt plein, dat door een hoogen muur is omgeven.
Op de buitenzijde van dezen uit gebakken steen opgetrokken muur zijn
reliefs van verschillende Hindoefiguren uitgebeiteld. Eenige trappen
verleenen toegang tot een hooge smalle poort, die ons binnen het plein
voert. Dit eerste gedeelte van het groote' vierkant dient tot het geven
van godsdienstige feesten en is van eenige, onder een dak staande, halé*s
en van schaduw- boomen voorzien. Nooit mist men op het plein van een
tempel de den Hindoes heilige waringin-hoom de Bo-boom der Buddhisten
(de Ficus religiosa). Hier en daar ziet men eenige Hindoe- beelden,
monstrueuse gedrochten, op voetstukken' staan. Eene smalle deur met .eenige
trappen er voor geeft toegang tot het tweede gedeelte, de eigenlijke
tempel, het heilige der heiligen. Hier vindt men eene massa van hout of
steen opgetrokkene, op groote duiventillen ge- lijkende offernissen,
weer tal van .grootere en kleinere Hindoe-boelden en restes van,
misschien den vorigen dag gebrachte, offeranden. Al die offernissen zijn
van drie of meer dakea voorzien. Ik geef slechts een zeer ruwe schets;
voor een deskundige valt hier zeker veel
meer op te merken; ik geloof dat het geheel veel architectonische waarde
heeft. Alles is zindelijk en net onderhouden.
Üaar we tegen 10 uur onze opwachting bij den vorst moesten maken,
gingen wij huiswaarts, ontbeten en kleedden ons voor de plechtigheid.
Hier ging de stadsklok goed. Klokke tien verschenen vier rijksgrooten,
om den Gekommitteerde onder groote pajong's ten paleize te geleiden.
Vooraan gingen de noodige toembakdragers. Üit twee kanonnen werden
saluutschoten gelost en zoo kwamen we in de dicht bij onze woning
gelegene poeri aan. Op het voorplein werden we door den Radja Dewa
Manggis III ontvan-
gen en naar eene pondok geleid, alwaar behalve het vorstelijk gevolg een
vette priester met een arrogant, verwaand uiterlijk ter rechterzijde van
den vorst plaats nam. Deze is een oud man van + 65 jaren en sedert 1856
aan de regeering. Hij is een voor zijne hooge jaren nog flink man, met
een beschaafd, fatsoenlijk uiterlijk en aangenaam in zijn discours, dat
hij in gebrekkig maleisch voert. Hij was eenigen tijd geleden ziek
geweest, had zich toen, zooals hij vertelde, op aanra- den van zijn
hofpriester eenigen tijd in zijn privaattempel als kluize- naar
teruggetrokken, hetgeen hem zoo had geholpen, dat hij thans weer sedert
elf dagen in zijn poeri teruggekeerd was. Huisdominé's ge- zicht nam bij
dit verhaal eene nog meer sacerdotaal-aanmatigende uitdrukking aan. De
priester ja toch, ik zal dezen gebruiken om u de kleeding te beschrijven,
die voor allen dezelfde is. De Oesammt-Masse zal ik later nog in
behandeling krijgen. Bijna het eenigste onderkennings- teeken van dit
genus is, behalve de clericale stempel, het sterk naar achter getrokkene
en in een kleinen wrong {de haarwrong van Suca) sftamgebondene haiar,
waarin meestal één of meer bloemen steken. Zijn sarong {wastra) draagt
hij ten voeten uit, zij is nooit opgehouden als bij de overige Baliers.
Op straat vertoont hij zich nooit zonder zijn priesterstaf {tëkën)y die
iets hooger dan zijn kruin reikt. Bij den dienst in den tempel . is hij
in groot ornaat. Yroeger*ben ik in BoeUlèng in de gelegenheid geweest
eene godsdienstige scéance bij te wonen. Aan het daarvan door mij
opgeteekende zal ik hier eene plaats geven, ten einde den lezer een
priester in functie voortestellen en hem tevens eene gods- dienstige
formaliteit te beschrijven.
Zooals te voorzien was, droeg mijn voorstel betreffende de vaccine 's
vorsten volkomene goedkeuring weg. Hij stelde mij voor, om den
bovengenoemden Chinees als vaecinateur te behouden, dien hij dan, om met
het administratieve gedeelte, zooals het maken van rapporten, het
aanhouden van een journaal enz. beter op de hoogte te komen, met twee
kinderen, om versche bibit te halen, naar Banjoewangi zoude zenden.
Verder proponeerde hij mij, om den brahmaanschen zestienjarigen jongen,
Ida Poetoe Pandjij die op kosten van den vorst, te Banjoewangi de
inlandsche school bezoekt en aldaar nog één jaar moest verblijven, in
dien tijd tot vaecinateur opteleiden, opdat hij dan in Gjanjar
teruggekeerd, definitief als vaecinateur zou kunnen in dienst worden
gesteld. Ook dit voorstel vond ik uitstekend. De Chinees is thans reeds
g-oed onderwezen naar Gjanjar teruggekeerd, terwijl Ida Poetoe Pandji
reeds goed op de hoogte komt van hetgeen hem als vaecinateur te weten
noodig is ; ook keurde de vorst het goed, dat jaarlijks eene inspektie
werd gehouden over den toestand der vaccine^
Na een oponthoud van 3/4 uur verzocht ons de oude vorst, die heel
vertrouwelijk op den schouder van zijn vetten huiskapelaan steunde, om
zich te mogen verwijderen, daar hij erg lendenpijn had. De vorst van
Gjanjar ondersteund door zijn priester; Philips II van Spanje geleid
door zijn biechtvader Domingo^ prachtige tableaux voor zulke staten,
waar een priesterdom het roer in handen heeft van het schip van staat;
dat dit het geval in de Balische rijken is, zullen we later zien. Het
sein voor ons vertrek was dus gegeven, seinc Durchlaucht verabschiedete
sich, en wij gingen met hetzelfde geleide, als waarmee wij gekomen waren,
weer huiswaarts, ontdeden ons van onze deftigheid en besloten, daar de
zon zich achter de wolken had verscholen, nog eene kleine wandeling te
maken.
Wij bezochten, misschien wel voor de afwisseling, nog een paar
tempels, die evenwel niet bizonder fraai waren en kruisten de stad in
verschillende richtingen door. Veel bezienswaardigs was er niet,
de wegen verkeerden in een tamelijk goeden staat, altijd voor eene
Balische stad, en de passar begon al tamelijk ontvolkt te worden. De
huizen {pemah) en erven zijn, evenals op geheel Bali^ ook hier
verzamelplaatsen van vuil, ongezonde on onherbergzame hokken, ware
Augiasstallen, waarin eene gezondheids-kommissie handen vol werk zoude
hebben. Gelukkig leven de Baliêrs veel buitenshuis
of zitten en slapen in de, op de erven geplaatste, pendopoos (Bal : balé)
waarin velen zelfs den nacht doorbrengen. Een Balisch er{{natah)is een
groot vierkant, dat door een uit klei opgetrokken 1a 2 meter hoogen muur
(tèmbok) is omgeven. Door eene nauwe opening krijgt men toegang tot het
plein, dat geheel gevuld is met uit hout of klei of kadjang-matten
gemaakte en met atap gedekte kleine hokjes, die woonhuizen moeten
voorstellen, alle woningen van even vele, meestal tot ééne familie
behoorende, huisgezinnen. De plaats,
die door deze hokjes wordt vrijgelaten, wordt ingenomen door afval van
vruchten, vuilnis van menschen en dieren, bijeen verzamelde bladeren enz.,
en hetgeen hiervan niet door de vrijelijk zich bewegende varkens, kippen
en honden wordt opgepeuzeld, blijft liggen waar het eenmaal ligt, en
vormt langzamerhand eene drassige mestvaalt. De hokjes zelve zijn klein,
dompig en laag, het licht komt door de deur binnen, terwijl de reten in
dak en wanden als ventilateurs dienst doen. In 't midden van het plein
is ruimte gegeven aan eene soort pendopo, die dient om de gasten te
ontvangen, dan wel voor dezen als slaapvertrek dienst doet, het is de
balé mambéng ^ die in zindelijkheid en decoratief gunstig bij het
overige afsteekt. Hoewel de bale manbëng meer speciaal de logeer-kamer
is, worden de gasten evenwel ook in de andere bale's geherbergd. De
reeds genoem- de woonhuisjes, behalve de oemah mètèn of privaatwoning,
deelt de betreffende familie heel communistisch met zijn vee en
gevogelte, dat vrij in-en uitloopt. De toegoe^ een steenen of bamboezen
offernis, voor den ingang van het erf ontbreekt nooit. Behalve deze
vindt menen dikwijls nog tal van ofFernissen op een Balisch erf, welke
offernissen aan verschillende goden zijn gewijd en bij deze of gene
gelegenheid, uit dankbaarheid voor eene verkregene gunst, herstel van
eene ziekte, geboorte van een kind, enz. zijn opgericht. Men kan ze
beter beschrijven, dan door ze te vergelijken bij een aan eene ryde
opene duiventil. Des morgens of des avonds worden offerhanden neêrgelegd
in het offernisje van de godheid, die men op dat oogenblik ^t; meest van
noode heeft. De Balische goden schijnen trouwens op den goeden wil dan
op de hoegrootheid der offers te letten ; vruchten, wat rijst, een paar
bloemen, een paar kèpèng 's duiten met een gat in 't midden, die op Bali
als pasmunt worden gebruikt, en waarvan 1000 ongeveer de waarde hebben
van f 2.50 Hollandsch) ziedaar alles. Aan den ingang van vele erven, die
we in Gjanjar zagen, stond een lange bamboe, waaraan een wit* vlaggetje.
Dit is het teeken dat de erf bewoners Wisnoe^ den Onderhouder, verzoeken
hen voor ziekte te bewaren Bij het heerschen van épidemien kan men zulk
een vlaggetje of een klap- perblad aan een bamboe gebonden (èmpèr-èmpèr)
bijna op ieder erf vinden, men wil daardoor den voorbijganger
waarschuwen, dat er eene besmettelijke of erge ziekte is. Rood' is bij
de Hindoes de kleur van Brahina^ den Schepper, wit van Wisnoe^ den
onderhouder, en blauw of zwart van Siwa^ den verdelger, f*] Van daar dat,
wanneer men de vrouwen met hare offermandjes tempelwaarts ziet gaan, men
altijd aan het mandje, dat de offeranden bevat, een draad of lint van
een dezer drie kleuren gebonden ziet, men kan dan precies weten, voor
welke der drie godheden van den eersten rang het offer bestemd is. Ik
moet hier
trouwens de opmerking bijvoegen, dat Siwa^ de derde persoon der
Trimoertij op Bali niet, evenals bijv. in Hindostan en Britsch-Indië als
een god des verderfs^ doch evenals bij de Buddhisten als een vriendelijk
god wordt vereerd. Zoo vindt men meer in den godsdienst der Baliêrs, dat
aan het Buddhisme doet denken, wel-
ke godsdienst voor het Bramanisme op Bali zijne aanhangers vond. Over't
algemeen kan men zeggen, dat de Siwa- en Btiddhaiienst op Bali^ evenals
op Oud-Java^ vrij wel zijn saamgesmolten. De Buddhisten hebben op Bali
verreweg de minderheid, doch hunne gedichten en hunne priesters worden
door de Siwatten zeer geacht.
De stijlen van vele Balische pendopo 's zijn beschilderd met eene
guirlande van rood, wit en blauw. Vroeger dacht ik, dat dit een bewijs
was van de ingenomenheid der Baliërs met het Nederlandsch oppergezag, en
men mag nu veel of weinig patriot zijn of meer of minder aan
HeimathS'Sehnsucht laboreeren, het doet iemand in ieder geval goed de
vaderlandsche kleuren op vreemden bodem te zien. Men beschouwt dan die
menschen, die ons herbergen, niet zozeer als vreemden doch als leden van
dezelfde familie, men durft dan vrijmoediger met hen spreken over ons
land, onze belangen, men bluft dan meer franchement op de beschaving,
den godsdienstzin en de belastingen, die wij hebben ingevoerd onder de
onbeschaafde, ongodsdienstige naties van Oosten West, ja, men
encanailleert zich langzamerhand zóó, dat men in het gesprek met die nog
nauwelijks ten halve beschaafde menschen, tot het triviale afdaalt, en
vertelt hoe jufvrouw Laps en dergelijke goede oude vrouwtjes met zedige
neepjesmutsen in ons gezegend land steeds in de weer zijn, om voor de
zaligheid van hare bruine broederen te zorgen en met welk eene
toewijding, belangeloosheid en opoffering een zeker rubriek van blanke
menschen, vulgo zendelin- gen*^ genoemd, zich alle opofferingen en
gevaren getroosten, om zelfs in onherbergzame oorden de j^hlijde
boodschap'' te brengen. Men wordt dan vertrouwelijk en gemüthlich,
vooral na het tweede glas brandy- grog. En nu stelle men zich mijne
ontnuchtering voor, toen ik lang daarna vernam, dat die drie kleuren de
reverentie vertolkten, niet voor het N. I. Gouvernement maar voor het
Hindoesch afgodendom. Nu begreep ik dien glimlach van het dessahoofd,
toen ik zoo hoog opgaf van jufvrouw Laps^ van Eek en consorten.
Geheel Gjanjar ademt iets gemoedelijks ; overal heerscht een be-
drijvige kalmte; de. vorst doet veel voor zijn volk en het volk houdt
van hem als een kind van zijnen vader. Het is daar eene ordelijke
huishouding, waar ieder zijn plicht kent en zonder morren ten uitvoer
brengt ; de boel marcheert er en ieder is tevreden. Gjanjar is daarbij
het best bevolkte Balische rijk, hetgeen op zich zelf reeds spreekt voor
de flinke wijze, waarop het rijk bestuurd wordt. Immers verloop van
menschen, die ontevreden zijn, is in menig Balisch rijk aan de orde van
den dag.
Op mijn tocht door Gjanjar ontmoette ik slechts ééne vrouw met een
kropgezwel; men bedenke hierbij, dat dit rijk laag gelegen is. Koort-
sen komen er van tijd tot tijd nog al in groote extensie voor. Dit was
o. a. thans het geval en gaf aanleiding tot het uitsteken der genoemde
witte vlaggetjes. Syphilis (bal : kongkangan, gonorrhoe ngrasa) komt
volgens ingewonnene berichten alleen in de stranddessa's voor. Het
vorige rijk, dat wij bezochten (Banglt), dat geheel van zee is afge-
ftloteD, zou weinig van deze ziekte te Iijden hebben. Lepra is hier niet
erger dan elders en komt op Bali weinig voor. De lijders aan deze ziekte
worden zonder onderscheid van kaste buiten de dessa, bg voorkeur naar
het zeestrand gebracht, alwaar hun het voedsel
wordt toegezonden, doch waar ze overigens geheel van de samenleving zijn
uitgesloten. Ziet als maatregel van hygiëne, doch meer om een ieder, die
langdurig ziek blijft, en die men natuurlijk veronderstelt betooverd te
zijn, aan den invloed yan den toovenaar te onttrekken, wordt de lijder
dikwijls naar eene andere dessa
overgebracht (kagrit). Zoodra in eene dessa eene besmettelgke ziekte
uitbreekt, dan worden de tempels in die dessa bgna allen geslo- ten en
een groot godsdienstig feest gegeven, prajastjita genaamd, roet het doel
om de ziekte te bezweren. Tevens dragen dan de meeste personen sommige
kruiden in het haar, als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Vroeger deed
ik reeds uitkomen dat de geneeskunde bij de Baliërs op geen hoogen trap
staat, en dat de behandeling van vele ziekten hoofdzakelijk in het
prevelen van tooverspreuken {man- tra's) en in het offeren aan de
godheid bestaat. En toch bestaat er eene pharmacopea Balicaj hier oesada
genaamd, waarin, behalve de bezwerings-formulieren voor iedere ziekte,
ook vele inlandsche
recepten voorkomen, zoowel voor in-als uitwendig gebruik. Personen, die
zich met de geneeskunde bezig houden, zoowel mannelijke als vrouwelijke,
vindt men onder de Baliërs in groot aantal en verscheidenheid, ja zelfs
heeft men personen, die zich speciaal metééne ziekte bezighouden, bijv.
eene specialiteit voor buikziekten. Zijn hoofdwerk maakt bij van het
kneden en wrijven van den buik des lijders, en wel alleen bij opgezettcn
buik, colica flatulenta, ascites en bij hernia inguinalis (ngaoed),
Diarrhoe, dysenterie of andere darmziekten behandelt hij evenwel niet.
Volgens van Bloemen Waanders moet er op Bali eene ziekte voorkomen,
gëndongan geheeten, waardoor alle kinderen ééns worden aangetast, en die
negen dagen duurt, gedurende welken tijd het gezicht geheel is
opgezwollen. Hoewel ik deze ziekte niet zelf heb kunnen waarnemen,
blijkt mij na de vele en betrouwbare betichten, die ik heb ingewonnen,
dat van Bloemen Waanders hier niet geheel juist is, daar niet het
gezicht, doch wel de halsklieren zijn opgezwollen. De Balische benaming
dezer ziekte duidt dit trouwens reeds aan, daar gëndong klieropzwelling
beteekent. Hoogst waarschijnlijk is het de parotitis epidemieca^ bofj
het Javaasche gondongen. Eenige jaren geleden heeft deze ziekte zich ook
epidemisch vertoond onder de
Banjoewangische kinderen. De Baliêrs bespuwen de opgezwollene plaats met
het vocht van fijn gekauwde uien en ketella. Een ziek deel, door
bespuwing genezen, heet in het hoog Balisch sëmbar^ in het laag Balisch
simboeh (Jav: semboer).
Het drinkwater in Gjanjar is uitstekend, de vegetatie evenals de
onder Bangli beschrevene, behalve dat in dit laatste rijk om de hooge
ligging weinig of geen klappers voorkomen. De langs de kotta stroo-
mende rivier, Toekad Tjangkir^ levert eene heerlijke badgelegenheid op,
waarvan een ruim gebruik gemaakt wordt, zooals de frisch ge- wasschene
gezichten bewijzen, die men 's morgens reeds vroeg op de passar ziet.
Heden middag zou de vorst zijn verplicht contra-bezoek brengen, doch
hij liet zich om zijne zwakte verontschuldigen en zond in zijne plaats
den troonsopvolger met hoog gevolg. Na hun vertrek werden
de verplichte cadeaux gezonden.
In den na-avond verscheen weer een gamelan, doch niet zoo volledig
als den vorigen avond. Wij kregen eene gamboeh- (tooneel) voor- stelling.
Ik zal u niet bezighouden met eene beschrijving „en détaiP*,
met de mise en scène en wat dies meer zij. Een algemeene schets mag hier
evenwel hare plaats vinden. Een gamboeh is eene tooneel- voorstelling,
die gewoonlijk een episode uit de geschiedenis van het Hindoeisme of uit
een gevoerden oorlog tot onderwerp heeft, meesstal in de kawi-taal
opgevoerd wordt en eindigt met eene schaakpartij van deze of gene prima
donna. Tevens is er altijd eene soort van clown {semar) bij, die in het
Balisch eene massa uien tapt, waardoor de lachlust der omstanders niet
weinig wordt gaande gemaakt. Hoewel
niet veel Baliêrs de kawi-taal verstaan, begrijpen toch de meesten den
inhoud van het stuk, en al wordt het ook voor de honderdste maal
opgevoerd, telkens ziet men tal van toeschouwers. Deze stukken
vereischen, willen ze goed opgevoerd worden, veel studie; een régis-
seur ontbreekt dan ook nooit Dikwijls spelen ook vrouwen mêe. Heden
avond werd er evenwel een stuk opgevoerd, dat noch met gedeelte kwamen
en de dessa^s Todjan (met vele steen- en pottebakkerijen) en Dflantik (wier
bewoners meestal ijzersmeden (pandé
bësi zijn) passeerden; vooral worden door deze smeden fraaie lanzen
(toembak) en krissen (kadoetan) vervaardigd, welke wapens op Bxli het
meest gebruikelijk zijn. De enkele geweren (bedil) (oud
model vuursteen-geweren) die men op Bali ziet, zijn evenals enkele
buksen {trekoJ) ingevoerd. Lontgeweren eveowel maken zij zelve. Behalve
van de genoemde wapens, maken de Baljërs een zeer handig gebruik van
blaasroeren {toeloep)^ waaruit ze kleine pijltjes (pasar) of van klei
gemaakte kogeltjes (poengloe) blazen. |