Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1892 De Baliers

Karang Asem

 
Des middags om 5 uur werden we op eene soort Balisch komediespel onthaald, harongan genaamd, dat door acht gemaskerde personen, waarvan vier vrouwen voorstelden, werd gespeeld. De korte inhoud was, dat de vier mannen de vier vrouwen wilden schaken, waarbij zij de potsierlijkste poses aannamen en fataal leelijk tandakten, docli in die schaakpartij „en masse" werden verhioderd door de komst van een veiTaarlijk grooten leeuw (een met schapenvachten omhangen figuur door twee daaronder verborgene mannen in beweging gebracht). Met veel moeite werd toen eerst de leeuw bevochten en afgemaakt en daarna de schaakpartij tot een goed einde gebracht. Erg mooi was het in onze Europeesche oogen niet. Gelukkig werd er niet bij gesproken.

Na afloop bracht ik den rijksbestierder het beloofde bezoek; natuurhjk riep hij mijn hulp in tegen impotentie. Ik zeg natuurlijk omdat daaraan vele vorsten schijnen te lijden, ten minste werd ik ook op vorige reisen daarover meermalen geconsulteerd. Hoofdzakelijk schrijf ik . bet toe aan het erge opuim-misbruik, waaraan de meeste vorsten zich schuldig maken en vooral ook aan fabusus in Venere^^ waaraan de meesten zich in de jeugd reeds overgeven. Wanneer men daarbij rekent, dat een vorst meestal 10 tot 30 wettige vrouwen en eene groote hoeveelheid (soms 300) bijwijven heeft, dan is het te begrijpen, dat wanneer hij het y^suum cuique' huldigt en van vrede onder zijne kudde houdt, er reeds vroeg een tijd komt, dat hij ge-
noodzaakt is den paus na te zeggen ,,xYo/}j9088Mntti^'\ Deze zwakkeling, ik bedoel nl. den rijksbestierder, gaf eene andere oorzaak op voor het ontstaan van zijn lastig gebrek. Acht jaren geleden was hij erg sy-
philitisch geweest, waartogen hij de hulp van een Boeginees had ingeroepen, die het eiland in alle richtingen doorreisde, rechts en links goed doende en wonderen verrichtende met de verzameling geneesmiddelen, die hij meevoerde. Dozo had hem gedurende een geruimen tijd een kwikkuur laten ondergaan, doordien hij hem eenige malen daags de huid flink liet inwrijven met levend kwik (rosa) dat de patiënt mij beschreef als „vloeibaar zilver'' met het gevolg dat zijne syphilis verdween, doch impotentie er voor in de plaats trad, zoo luidde nl. het verhaal van den vorst. Ik raadde hem zich eenigen tijd op reis te begeven met achterlating van zijn harem, dikwijls koude zitbaden te gebruiken en een flink glas goeden wijn te drinken. Dit laatste had ik nauwelijks gezegd, of hij vroeg mij hem maar voorloopig aan eenige flesschen te helpen, daar hij geen wijn bezat. Ik zond
hem het gevraagde en heb de overtuiging, dat hij alleen dit deel van mijn voorschrift, voor zoover de voorraad strekte, trouw heeft opgevolgd. Ben zijner dulcinea's, die mij werd voorgesteld om de erge hoofdpijnen,
waaraan ze aanhoudend leed, welke laatste ik reden heb als j^dolores osteocopi^' te beschouwen, droeg eveneens het merk S in duidelijke trekken op haar gezicht; eene fatsoenlijke en nette vorstelijke familie!
Zooals bekend is, is polygamie op Bali veroorloofd niet alleen, doch wordt er eene ruime toepassing aan gegeven. Ieder Baliêr mag zich zoovele vrouwen aanschaffen als hij verkiest, alleen de priesters mogen er niet meer dan vier hebben en dan nog wel uit iedere kaste eene; toch al genoeg, dunkt me. Nu kost eene vrouw op Bali niet zooveel aan onderhoud als bij ons. Hare garderobe, we zagen het boven, is gemakkelijk in orde te houden. Daarbij komt nog, dat de mindere man uit iedere vrouw geld weet te slaan. Immers, hoe meer vrouwen hij heeft, des te minder behoeft hij zelf te doen. Hij laat haar, die feitelijk zijn slavin is, werken en zwoegen, om zelf ruimschoots van spel en opium gebruik té kunnen maken. Ik kom later meer uitvoerig op dit onderwerp terug.

Des avonds om 6 uur kwam de kroonprins, een jongmensch van ± 25 jaren, in naam van den vorst, die toevallig buikpijn had ^ ons een contrabezoek brengen. Hem volgden andere vorstelijke familieleden, alsmede huisdominé, die ook heden morgen natuurlijk weer in het eerste gelid had geschitterd. Het bezoek duurde slechts kort en na het vertrek gewerden den vorsten onder de gouden pajong de officieele geschenken.

In den avond zond de Dèwa-agoeng mij eenige vogels ten geschenke; hij had n.1. gehoord, dat ik moeite deed om vogels van Bali te verzamelen. Aan vogels is Bali niet bizonder rijk. Verscheidenheid in soorten heeft men wel, doch ieder soort is slecht vertegenwoordigd. Onder deze treft men o. a. aan de geelkoppige wever {Phoceus hypoxantha)^ een zwarte lijster {Capsychus amoenm\ de roodkleurige baard vogel {Magalaeme rosea\ de wielewaal (Oriolus Horsfieldii)^ de grondspreeuw (Sturno j^cistor), de drieteenige specht {Chrysonotus tiga), een klein soort prachtig glanzende kraai (een dtcrowrtw-soort). Verder bezit Balij vooral in 't zuidelijk gedeelte, een zeer leerzame soort beo's {Eulabes Javani<:us) eenige duiven-soorten, waaronder het sperwer-duifje {Geopeleia striata) en de tortelduif {Turtur tigrinu8\ terwijl in de dichte bosschen de boschkip {Gallus bankiva) en de groene boschhaan Gallus furcatus) gevonden wordt. De uilen worden vertegenwoordigd door de strix javanica en badia^ twee kerk-uilen. Met nog een paar soorten meer moet de ornitholoog zich daar evenwel tevreden stellen. Men kan soms uren lang een bosch doortrekken zonder een enkelen vogel te zien. Dit is te meer te verwonderen, omdat Oost- Java dat zoo in de nabijheid ligt, zulk eene groote verscheidenheid en rijkdom aan vogels oplevert. De pauwen, getrouwe gezellen van den tijger, die in Oost-Java zoo talrijk
zijn, vindt men op Bali in 't geheel niet, in weerwil de tijgers juist in dat deel van Bali dat van Java slechts door de smalle straat Bali is gescheiden, zoo menigvuldig zijn. Over 't geheel is de dierenwereld veel slechter vertegenwoordigd dan het plantenrijk. Verscheurende dieren, vindt men op Balt en ook op Lombok niet, behalve de tijgers in het N. W. van Bali,

Een opzettelijk onderzoek naar delfstoffen schijnt op Bali nog niet te hebben plaats gehad, ten minste is er mij niets van bekend. Het eenige wat ik dienaangaande kon te weten komen is, dat volgens opgave van een vroegeren Controleur van Djëtnbrana (van Lier) tin in de Djêmbrhrana-rivier moet voorkomen, dat er stofgoud moet zijn verzameld nabij Pengastoelan^ op Boelélèng en dat er gedegen goud (?) op Loembanam moet zijn gevonden. .Vrij algemeen is op Bali het vermoeden, dat de bodem rijk is aan delfstoffen. Welke feiten dit
vermoeden billijken, weet ik evenwel niet.

In den na avond verschenen vier ronggèngs {djogèd tongJcohan) van den vorst, die onder begeleiding van een gamelan eenige sierlijke en bevallige dansen uitvoerden en ons gedurende twee uren aangenaam bezig hielden. Onder deze bevond zich de ons bekende Pepita van den vorigen avond, do onderwijzeres van de anderen. De ove- rige drie priesteressen van Terpsichore^ hoewel reeds y^etwas abge- liébV\ zagen er in haar phantastisch kostuum werkelijk lief uit. Nu eens danste ieder afzonderlijk, dan weer werd er eene bevallige en verrukkelijke rijendans uitgevoerd, treurzangen in het kleed der pantomime, door bewegingen vertolkte Liebes-Sehnsucht ^ die in het laatste geval nu én dan wel iets had van een y,cancan a la Mabiley De vlugheid, waarmee die rijendansen werden uitgevoerd, deed vol- strekt geen nadeel aan de bevalligheid. Uit alles bleek, dat de Eloengkoengsche danseressen het in de choreographische kunst tot eene aanmerkelijke hoogte hebbon gebracht en dat het Eloeng- koengsche hof nog steeds den naam verdient van de beste djogèd's te bezitten. Tegen 12 uur konden ze op een wenk van den Gekommitteerde vertrekken. Wel hielden ze op met dansen, doch
vertrekken deden ze natuurlijk niet. Ik moet hier n.1. op een ge- bruik wijzen, dat , hoewel door toedoen van vroegere Qekommitteerden zeer verminderd, toch nog vrij algemeen op Bali heerscht. Wanneer men de gast is van een voornaam persoon, bijv. van een vorst, dan zoü hij meenen aan zijne verplichtingen van gastheer te kort te doen, wanneer hij niet des avonds het noodige damespersoneel uit zijn harem voor zijne gasten disponibel stelt. Vroeger ging dit gebruik zelfs zoo ver, dat wanneer de Gekommitteerde een bezoek
bracht , er een bepaald aantal meisjes uit de koninklijke harem voor den Gekommitte^rde en zijn Europeesch gevolg werd aangewezen, die als het ware het decoratief uitmaakten van het logies , waarin ieder hunner intrek nam. Yoor den Qekommitteerde, als hoogste in rang werden de meeste en beste gereserveerd, van vijf tot tien. Zooals ik boven zeide, bestaat dit gebruik niet meer in die mate, dank zij de zwakheid of wilskracht , al naar men 't nemen wil , van vroegere Gekommitteerden, doch de vorsten doen nog neode afstand van een gebruik, dat,' volgens hunne begrippen van gastvrijheid, on- afscheidelijk is van den eerbied, die ze hun gasten verschuldigd zijn ; * doch daar ze dit nu niet meer zoo openlijk durven doen als vroeger, zenden ze meestal eenige dansmeisjes met de opdracht, om ook na afloop van het ballet in de omgeving der gasten te blijven , ten einde bij de eerste oproeping présent te zijn.
Wanneer men voor het eerst op Bali reist en de gast is van een vorst, wordt men niet weinig verrast door de ontdekking, een deel der danseressen , die men reeds lang weer in hare gynaikonitis terug dacht, in een uiterst luchtig kostuum in zijn eigen logies terug te vinden; dé vrijpostigheid, het sansculottismus , om 't zoo eens te noemen, dat ze in haar spreken en handelen aan den dag leggen, doet iemand verbaasd staan, en het kost dan niet weinig moeite om die Oratiën onder het verstand te brengen, dan men alleen wenscht te blijven en van hare goede gaven niet wenscht gediend te zijn.

De vier Bajadères van heden avond , behoorende tot de harem van den Dèwa-agoeng ^ moesten dan ingevolge de ontvangene parintah's blijven, en daar ons gezelschap nog wat bleef praten en bij gebrek aan ander logies, namen ze haren intrek in een leeg staande pen- dopo. Het duurde evenwel niet lang , of eene der dames , die zeer goed maleisch sprak, werd afgevaardigd, om ons te beduiden, dat ze alle vier zulk een hevige buikpijn hadden , omdat ze den geheelen avond nog geen opium hadden gebruikt; arme schepsels! Een der hoeren van het gezelschap was galant genoeg om het noo- dige geld beschikbaar te stellen, opdat de dames zich het heulsap
konden aanschaffen. Een half uur later konden we ons vergasten op het yerrukkelyk schouwspel van vier Balische schoenen, waar- onder drie nog jeugdige meisjes, in min bevallige en min kiesche houding zoo beschoven mogelijk naast elkander te zien neerliggen. Eenc der vier prevelde in haar opium-roos iets als : y^Flores fuimes^ sed flos f uit ille caductis'' of misschien wel een of ander bezwerings- formulier; duidelijk was het niet.

Het opium-misbruik is op Bali vreeselijk erg. De mannen zyn er bijna zonder uitzondering aan verslaafd ; vooral heerscht dit mis- bruik sterk in hoogere kringen. Het wordt óf onvermengd gebruikt en wel uit een pijp evenals op Java en heet dan njandoe , öf met fijnge- snedene atrar-airar bladeren {Ficus septica^ nat. fam. der ^rlocnt^pene)- of met «a^an^-bladeren (Pliolidocarpiis Ihur, nat. fam. der Palmaé)^ in welk geval men spreekt van memadat. Onder de vrouwen is het opiumschuiven minder algemeen en bepaalt zich meer tot de
hoogere kringen en tot de harem-bewoonsters, onder welke laatste het n.1. vrij erg is. Het van nature anders sterk en krachtig gebouwd en voor meerdere geestesontwikkeling uiterst vatbaar Balische ras verliest door dit misbruik alle energie. De mannen zien er, over het geheel genomen, vadsig en loom uit, zg be- wegen zich noode en wanneer ze het moeten doen , dan ziet men, dat ze op verre na de veerkracht niet bezitten, die men van hun vierkanten lichaamsbouw zou verwachten. Epidemiên maken dan ook de meeste slachtoffers onder de mannelijke bevolking. Eenige maanden voor den aanvang van dit verhaal, heerschte er eene hevige koortsépidemie in Djembrana, Bij mijne komst aldaar, om een onderzoek in loco intestellen, bleek het mij dat bijna alleen mannen als slachtoffers dezer épidemie waren gevallen. De spreekwoordelijk gewordene laxiteit van den Baliêr, het weinig resolute in zijn karakter schrijf ik hoofdzakelijk toe aan het misbruik, dat hij van opium maakt. Sommigen (waaronder J. J. de Hollander) hebben beweerd, dat de Baliër arbeidzaam ^ dapper en krijgshaftig is. Ik heb reden die karaktertrekken den tegenwoordigen Baliër te ontzeggen. Hunne zoo-
genaamde oorlogen, miniatuur-guerilla-krijgjes , kunnen ons al slecht een bewijs van hun moed geven , en wanneer het N. I. Gouverne- ment, tijdens de verschillende expedities op Bali vele zijner flinkste en dapperste zonen heeft moeten verliezen, dan zijn het voor het kleinste deel de Baliërs, die dat verlies hebben berokkend. Het is, vooral op Bali zelf, bekend, hoe tijdens eene der moeielijkste expedities aldaar, de Baliêrs de vrouwen en kinderen der Boeginee- zen, die zich in groeten getale in de kuststreken ophouden, roofden
en naar het gebergte voerden en als losprijs de voorwaarde stelden dat de Boegineezen, wilden ze niet dat hunne vrouwen en kinderen vermoord werden, zich aan het hoofd der Balische troepen moesten plaatsen. De arme Boegineezen , in weerwil ze met hart en ziel vóór de Compagnie zijn, moesten voor de overmacht bukken en vochten als leeuwen voor het behoud van vrouw en kroost.

De Baliër is égoist pur-sang, de zelfvergoding is zijn ideaal en hij zal niets uitvoeren of hij moet kunnen berekenen, dat hij er on- middelijk voordeel van heeft. Het altruïsme is hem geheel vreemd; verwijfd, laf, cynisch, in hooge mate voluptueus, onzindelijk, ongevoeligvoor de smart van anderen, zelfs van zijne naaste omgeving, wraakzuch- tig en jaloersch, ziedaar de hoofdkaraktertrekken van het gros der Baliêrs. Yoeg daarbij, dat hij door het opium-misbruik geéner- Bali nl. het monopolie van den vorst, die het evenveel verpacht, en bijna altijd aan Chinezen. Deze nu drijft een drukken handel in klappers en klapperolie, die hij naar Soerabaia uitvoert. Yerder bestaat er een drukke export-handel van tabak en lontar-bladeren
naar Salaijer, De kleine baai van Padang is dan ook bijna altijd vol met Boegineesche handelsprauwen en Chineesche jonken, hetgeen, vooral door de veelkleurige vlaggen en wimpels, die deze laatste altijd voeren, op een afstand een schilderachtig effect maakt. Onze bandar had de attentie gehad om de Nederlandsche driekleur op het strand en van zijne schepen te doen wapperen, zoolang wij zijne gasten vearen, eene attentie, die wij des te meer moesten op prijs stellen, omdat Karang-Asènij zijnde een vasalstaat van den vorst van
Lomboky niet verplicht is, om evenals de andere rijken vau Balij onze vlag boven zijne eigene vlag te voeren. Wat de reden is, dat,' bij het sluiten der contracten met de Balische vorsten, Lomhok en dus ook Karang-Asëm van deze verplichting is vrijgesteld, is mij niet bekend. Daar Karang-Asëm^ gelegen tusschen Bangli en
Kloengkoeng^ door een stedehouder van den vorst van Lomtok wordt bestuurd, en alle zaken van gewicht aan het laatstgenoemde hof worden afgedaan, was het niet noodig een bezoek aan het Karang- Assëm'sche hof te brongen. Dit speet mij vooral ook, omdat dit rijk met zijn pracbtigen Goenoeng Agoeng (of Piek van Bali, een
kegelberg van 12000 voet hoog) de schoonste, schilderachtigste natuurgezichten moet opleveren.

Even na onze aankomst te Padang hoorden we van uit de richting van Laboean Amok een schot lossen, een bewijs voor ons, dat de Watergeus'' in die baai het anker had laten vallen. De Gekommitteerde zond onmiddclijk een boodschapper derwaarts, om den Commandant te verzoeken, den volgenden morgen om zes uur vóór de baai van Padang op en neer te houden, ten einde ons en onze bagage optenemen.

Daar we door den afgelegden tocht in de brandende zon te vermoeid waren, om dien middag nog een bezoek aan de omliggende dessa's te brengen, kregen we dus van Karang-Ashn niets meer te zien. Op een vorige reis naar Badoeng moest ik behalve op Padang wegens windstilte ook één dag in eene andere kustplaats van Karag-
Asem nl. Tjoelik, verblijven. In mijn Tjoelik aantekeningen van die reis vind ik betreffende deze beide plaatsen het een en ander vermeld, dat ik, om toch iets van Karang-Asëm mêetedeelen, zij het dan bij wijze van aanhangsel, hier zal inlasschen. Ik maakte toen de reis in gezelschap van den Heer HeijligerS Controleur van Djémhrana^ de- zelfde die thans als waarnemend Sekretaris van den Gekommitteerde fungeerde, en wel met een kruisbootje met een inlandschen gezagvoerder (djoeragan).

Den 20 April kwamen we ter rede van Tjoelik. Daar we tegenwind hadden en de stroom begon te kenteren, moesten we aldaar op betere zeilgelegenheid blijven wachten. Deze reede levert in den^Oost-mousson
eene veilige ankerplaats zelfs voor schepen met groeten diepgang op, die tot dicht onder den wal kunnen naderen. Yan de reede uit heeft men een prachtig gezicht op den Goenoeng-agoeng^ terwijl de op zijne
hellingen liggende sawah's «en kampongs een lief panorama aanbieden. De dessa zelve, die nog twee palen van het strand verwijderd is, ligt aan den voet van dien berg, aan de rivier Tjoelik. De stranddessa, de
pabean (plaats waar de schatting geheven wordt) van Tjoelik heet Amëd. Hier werden we door den Chineeschen bandar Tjoa-Giok-Ping gastvrg ontvangen. Langs het strand ziet men duizende zoutpannen.
Tjoelik drijft een levendigen handel in klapperolie en lontarbladeren. Het eerste artikel wordt naar Java^ het laatste naar Saleijer uit- gevoerd. Ik ontmoette verbazend veel door pokken geschondene per-
sonen en vernam van onzen gastheer en van den pembekel Djero- Nengah'Djaja^ dat de sterfte aan pokken in Karang-Asém groot is. Bij herhaling had de bevolking den vorst (stedehouder) reeds doen verzoeken, om de vaccine bij hen intevoeren, doch hij had tot dusverre daartoe geene pogingen aangewend, misschien wel, zeide de pembekel, omdat hij zonder toestemming van den vorst van Lombok^ zijn oom, niets durfde uittevoeren. Des middags bezorgde onze gastheer ons een paar flinke paarden en maakten wij een uitstapje in het gebergte on de omgeving. De wegen zagen er fataal slecht uit ; beteren indruk maakten de sawah*s en uitgestrekte' bosschen van de prachtige lontarpalm, die hier even als de arèn-palm uitstekend groeit en in groote hoeveelheid wordt aangeplant.

In de rivier Tjoelik namen we bij een kleinen waterval een verfrisschead bad. Bij deze bezigheid werden we niet weinig verrast, toen wij bemerkten, dat we door eenige nieuwsgierige jonge Tjoe- liksche schonen, werden bespied, die hare aanwezigheid verrieden door een aanhoudenden schaterlach en den herhaalden uitroep van
kulitnja poetih,^^ Wij waren de dames blijkbaar te blank. 0f zij tot straf voor haar overmoed en nieuwsgierigheid als wijlen Actaeon in herten of liever hinden zijn gemetamorphoseerd, is mij nog niet ter oore gekomen. Na onze terugkomst bleven we nog een uur bij onzen vriendelijken gastheer praten. Nauwelijks waren we gezeten of vier jonge meisjes, die door hare mooie sarongs en veelkleurige saleifdang's, doch vooral door den krans van tjempaka-bloemen, die ze in de haren hadden gevlochten, onze aandacht trokken, kwamen
met de vrijpostigheid, aan dames van twijfelachtige renommée eigen, op ons tocgeloopen. Op mijne vraag aan den gastheer wie zij waren, vernam ik dat het ^panjeroan^s^^ van den vorst waren, die vernomen hebbende, dat er een vreemd schip tér reede lag, van het gebergte waren afgedaald om hare diensten aan te bieden. Daar ik in het vorenstaande reeds meermalen het woord j,panjeroan'^ heb gebruikt en in den loop van dit verhaal nog bij herhaling zal moeten te pas brengen, wil ik den lezer thans mededeelen, wat de genese, het beroep, het lot enz. dezer hoogst ongelukkige wezens is. Het kan tevens dienen als bijdrage tot de kennis van de positie der vrouw in de Balische maatschappij, en als graadmeter van de moraliteit, waarop de Balische wetgeving is gebaseerd.

Wanneer een man van de laagste kaste (Soedra) komt te overlijden, zonder een zoon natelaten, die oud genoeg is om hem als pengajak (heerendienstplichtige) te vervangen, dan wil het gebruik dat de broeders van den overledene in het onbeperkt genot treden van diens nalatenschap,waartoe ook de vrouw en de kinderen van den overledene behooren. De lezer herinnere zich, hetgeen ik reeds vroeger zeide, dat nl. de vrouw niet als een zelfstandig individu, niet als iemand,, maar als iets wordt beschouwd. Bestaan er evenwel geen broeders van den overledene, of doen deze om de een of andere reden afstand van de nalatenschap, dan wordt alles het eigendom van den vorst, die de bezittingen van den overledene in klinkende munt omzet en de vrouw en kinderen als slavinnen in zijne poeri neemt. Dit recht van den vorst op de nalatenschap van een soedra noemt men njaboed. Ook de familie en de bezittingen van iemand, die vogelvrij is verklaard {hëdagan\ vervalt aan den vorst. En parenthese wil ik er hier even op vijzen, hoe gemakkelijk het den vorst wordt gemaakt, om zich het eigendom van een ander toe te eigenen, en het laat zich denken, dat van deze zeer verleidelijke gelegenheid meermalen misbruik wordt gemaakt, zonder de heerschende wetten te verkrachten. Wanneer de man nog bij zijn leven in 't gemis aan mannelijk eer voorziet, door een anderen jongen als zijn zoon aan tenemen en als zoodanig te doen erkennen, welk aangenomen kind ïnen ])ianak hangidih (l^g Bal:) sëntana
(hoog Bal:) noemt, of wanneer door den man de koopprijs (pi- toembas) nog niet aan hare ouders is betaald, in welk geval ze dus weer het eigendom van den vader wordt, dan vervallen de vrouw en kinderen niet aan den vorst; evenmin wanneer de man eeneervollen dood op het slagveld is gestorven. Worden ze nu het eigendom van
den vorst, dan worden de ouden van dagen voor allerlei huiswerk gebruikt, de half jonge tot zwaarderen arbeid, terwijl de jongere meisjes, zoodra zij de jaren der puberteit hebben bereikt, ja soms veel vroeger nog, gedwongen worden om j,Corpus quaestum faceré*^ d. w. z. om „in naam des konings*' hare eer en onschuld aan den meestbiedende te verkoopen. Die de vorst uit deze meisjes niet voor privaat gebruik uitkiest, om dus als aanvulling te dienen van zijn harem, worden naar alle oorden van het rijk gezonden, in naam als ronggèngs, doch inderdaad om als meretrices dienst te doen. Dit zijn de hoeren van Bali, Yan de opbrengst moeten ze maandelijks een zeker quantum aan den vorst afstaan, in Badoeng bijv. 9/10 deel der geheele recette, in andere rijken één of twee rijksdaalders, al naar gelang van het uiterlijk schoon van het ongelukkig individu,
of van de meerdere of mindere bevolktheid van het distrikt, dat zij te exploiteeren heeft. Het weinige, dat van de recette overblijft, kan ze ten eigen bate aanwenden. De lezer begrijpt nu eenigzins de vrijgevigheid van den vorst, om, indien hij er kans toe ziet, steeds eenige ^panjeroan's' ter beschikking van zijne gasten te stellen. Hij exploiteert op die wijze zijne gasten door intermediair van zijne panje-roan's Ook begrijpt men thans, hoe de vorst, behalve zijne vele vrouwen en bijwgven, nog een harem bezit Doch keercn we tot onze panjeroans terug. Het schandelijkste van de zaak is nog, dat wanneer zulk een meisje eens door de heer- schende wetten panjeroan is geworden, zij niet bij machte is, het haar opgedrongen eerloos beroep te laten varen. Zij kan niet huwen, tenzij met bizondero vergunning van den vorst, die ze natuurlgk, vooral als ze eenigzins productief is, zelden of nooit verkrijgt; eveneens moet ze, zoolang de activiteits-uniform, die ze van de natuur heeft gekregen,nog niet geheel versleten is, afzien van eene "poging om op meer eerzame wijze in haar, of liever des vorsten onderhoud te voorzien. Ziehier een onderwerp, dat tot een prachtig drama de stof kan leveren. B. v. Dramatis personae: Een Balisch vorst. Een pater familias uit de soedra-kaste. Diens dochter, ecne bloeiende schoone in het evolutie-tijdperk. Een jongmensch van 18 jaren. Een haljan (bal: toovenaar).
Leden der Kerta enz. enz. Eerste tooneel Alleenspraak van de jonge dochter, terwijl ze bezig is met een of ander huiswerk, over de verstoktheid van den jongeling, wien zij bij herhaling van hare liefde voor hem heeft doen blijken, doch die haar niet wil begrijpen, ten minste hare liefde onbeantwoord laat. Zy ontbiedt een baljan, die haar een liefdesmiddel (^oena) ter hand stolt en die zij den jongeling op de eene of andere wijze laat gebruiken.

Tweede tooneel. Uitwerking van genoemd toovermiddel ; de verliefdheid van den jongeling doorloopt de verschillende traditioneele phasen. Afspraak tusschen de geliefden voor cene schaking, d. i. huwelijk.

Derde tooneel. Dood van den vader door een ongelukkig toeval, nog vóór de schaking is tot stand gekomen. Hij laat geen zoon na, die hem als pengajah kan opvolgen, evenmin broeders, die de erfenis kunnen aanvaarden, zoodat de nalatenschap, met de dochter incluis, aan den vorst vervalt, die deze laatste, om hare jeugd en schoonheid, tot de favorite van zijn harem maakt.

Vier'de tooneel. Waanzin van den jongeling bij de ontdekking dat zijne geliefde voor altijd voor hem verloren is. Hij besluit in zijn waanzin, om zich aan het wettig eigendom van den vorst te vergrijpen, door zijne geliefde met geweld te schaken, voert dit plan uit en maakt zich dus, volgens de Balische wetten aan majesteitsschennis (prasangga) schuldig. Beide worden gevat en door de Kerta ter dood veroordeeld (dandepati). De vorst, terecht oordeelende dat eenvoudige doodstraf niet in overeenstemming is met de hoe- grootheid van het vergrijp, besluit de straf te^ verzwaren, door hem eerst eene maand opsluiting in een krankèng (hok, waarin de delinquent slechts kan liggen, zonder zich te verroeren, om de vele doornen, die er in zijn aangebracht, dat slechts ééne opening heeft om het karige voedsel te ontvangen en waarin de gevangene eveneens zijne natuurlijke behoeften moet doen) te doen ondergaan, en door haar even zooveel tijd in diens onmiddelijke nabijheid aan eene ketting gebonden te houden (mablènggoe). Zijn waanzin is afgenomen, *nu hij tot het besef komt, dat zij beide tegelijk zullen sterven. Samenspraken tusschen de veroordeelden gedurende dit tijdperk, bijv. over eene vereeniging in Indra^s hemel waar geen Balisch monarch of wet hen meer kan scheiden, enz. Ver vloekingen tegen het Gouvernement, dat de souve- reiniteit heeft over landen, waar zulke wetten kracht hebben en onder wiens vlag zulke gruwelen kunnen plaats hebben.

Vijfde tooneel. Executie. Hij wordt gekrist (kësalang) nadat hij eerst heeft moeten toezien, dat zij aan den vuurpoel wordt prijs gegeven (laboeh g'ni.)

Of zulke drama^s in werkelijkheid veel op Bali worden afgespeeld? Waarde lezer! De afloop is zeker niet altijd zoo tragisch, zoo poëtisch, doch dat er zulke drama's kunnen voorkomen, dat de eerste acte van het vierde tooneel zelfs bij herhaling wordt afgespeeld, is zeker

Behalve de menschonteerende zedeloosheid dezer.in alle rijken van Bali vigeerende wet, kan men begrijpen, hoe op deze wijze syphilis door alle oorden van het eiland wordt verspreid. Ik ben in de gelegenheid geweest, op mijne reizen door Bali verscheidene dezer beklagenswaardige wezens te spreken, en daaronder nog jeugdige individuên, die met tranen in de oogen haar ongelukkig lot betreurden. In Badoeng heb ik pajoroan's ontmoet die de jaren der puberteit nog niet waren ingetreden en toch door den vorst werden gedwongen,
maandelijks een zeker quantum op te brengen van het bloedig verdiend geld. Ieder vorst heeft van 200 tot 300 en meer pajeroan'^, die dus voor hem een voorname bron van inkomsten zijn. Doch, al erkennen wij, dat het feit op zich zelf op zijn zachtst genomen onmenscheljjk is, vooral volgens onze Westersche begrippen^
toch mogen we, bij de beoordecling van dit feit, niet de geheele schuld werpen op de vorsten, die door de landswetton als 't ware genoodzaakt zijn, voor de weduwen en weezen te zorgen, welke door de omstandig-
heden aan hun paleis vervallen. Op hen rust in dat geval de erplichting, om zoowel de oude moedertjes, de jonge kinderen en de ziekelijken te verzorgen als de huwbare meisjes.
Ook moeten wij rekening houden
met het peil, waarop zedelijkheid on beschaving, altijd volgens Westersche begrippen, bij de Baliêrs staan en vooral niet uit het oog verliezen, dat we te doen hebben met een uiterst voluptueus en zinnelijk volk, men zal dan het feit kunnen verklaren, dat de vorsten de dingen, die wij zoo verafschuwen en hekelen, allezins geoorloofd en natuurlijk vinden. Ook vergete men vooral niet de ondergeschikte positie, die de vrouw in de Balische maatschappij inneemt, men zal dan beter kunnen begrijpen, dat de vorsten er hoegenaamd niets
ongerijmds in vinden om zich eenigzins schadeloos te stellen voor de groote uitgaven voor hunne weduwen- en weezeninrichting, door geld te slaan uit de eer van jonge meisjes.

Laat ons bij de beoordeeling van het zedelijkheidsgevoel der Baliërs bovendien niet te streng zijn. Vergeten wij niet, dat het volk dat ons thans bezig houdt, om zoo te zeggen, geene nieuwere geschiedenis heeft, dat zijne ontwikkeling en beschaving nog staan op de hoogte als vóór eenige honderdtallen jaren, dat het als 't ware nog teert op den roem zijner groote mannen, die in zijne herinnering voortleven door de heldendichten en fabelen, die tot dezen tijd zijn bewaard gebleven, en verliezen wij vooral niet uit het oog den invloed, dien de dsdienstvorm uitoefent.De godsdienst der Baliërs is het product van twee godsdiensten, het Hindoeisme en het Polynesisch heidendom^ bij beiden is de phallus- dienst voorheerschende. Ieder volk bijna heeft gedurende een zekere phase zijner ontwikkeling, meestal samenvallende met den bloeitijd van zijn bestaan, een tijd gehad, waarop de zedelijkheid dikwijls nog beneden het peil stond van die, welke wij bij onze Baliërs zoo af-
keuren. Strabo verhaalt, dat gedurende zijne reizen in Bahylonië iedere vrouw gehoorzaamde aan het orakel, dat haar de verplichting oplegde, om lederen vreemdeling als haar eigen man te beschouwen; y^mos estj^ zegt hij, cum hospite corptés miscere'^ Iets dergelijks vinden wij bij de Hebreen, Romeinen, Grieken en Persen der oudheid terug, en men staat bij het lezen der geschiedenis dezer volkeren verbaasd over hunne verregaande onzedelijkheid, die bij hen plaats vond, toen ze op het toppunt van ontwikkeling stonden. Dit zelfde verschijnsel zien we ook bij de meeste nieuwere volkeren, vooral bij die van het Oosten. Hoe kant zich niet ons zedelijkheidsgevoel tegen het feit bijv, dat vele Japanners hunne dochters, zoodra ze huwbaar zijn, in een maüon de joie^ aldaar theehuizen genaamd, brengen en ze daar in ruime mate voorschot doen nemen op de rechten van het huwelijk, terwijl eerst na eenigen tyd verblijf in die inrichtingen een Japansch jongeling haar ten huwelijk mag vragen. Er zijn, vooral onder de tropen, nog meer landen, waar het voor de vrouwen nog geldig is : cum plurimis con* cubuisse fnaximum decus^ Hij, die meer over dit 'onderwerp wenscht
te weten, beveel ik de lezing aan van ,,1' histoire de la prostitution"' van Pierre Dufour^ een werk dat met veel tact en kennis van zaken is geschreven of het niet minder degelijke werk van J. J. Virey^ get : De la femme, sous les rapports physiol: moral et littéraire.

Wat zou een Baliër' wel zeggen van de zedelijkheid der zoogenaamd meer beschaafde volkeren van Europa als hij eens een kijkje konde nemen in de huishouding van onze haute volee Yolgens de Balische wetten wordt bij overspel de vrouw slavin en de man ter dood gebracht. Bloedschande {salah timpal of béro) wordt met den dood gestraft (verdrinking en verbranding) en deze straffen worden al in hare gestrengheid toegepast. En in Europa!

Zien wij ter loops welke plaats de vrouw in 't 'algemeen in de Balischa samenleving bekleedt. Reeds bij de geboorte wordt het meisje niet met die vreugde ontvangen als de jongen. Het is immers eene illusie van den Baliêr, dat zijne vrouw hem vele zonen schenkt en al mag de moeder haar dochtertje dezelfde liefde toedragen, ter wille van haar heer en echtgenoot had ook zij liever gezien, dat de nieuwgeborene een
knaapje was geweest. Wel plaatst de vader de sanggah (offernis bij de geboorte van een kind) op het voorplein van zijn erf, doch de dank offers worden daarin niet met onverdeeld genoegen neergelegd*
Doch de moeder zij zal ook haar dochtertje dezelfde liefde toedragen en voeden als ware *t een zoon geweest, al mag ook de vader zich thana weinig bekommeren om het kind en er nauwelijks meer naar omzien. En het meisje wordt door de moeder gezoogd en geliefkoosd en speelt later onder haar toezicht zelfs met de knaapjes in het zand en in het water, totdat ze vijf of zes jaar geworden is. Thans wordt haar reeds de taak opgedragen, om op de kleinere broertjes en zusjes een wakend oog te houden en nu en dan de kleine te schommelen, die daar in de ajoenan (eene soort van wieg) ligt, zoolang moeder afwezig is, of ze gaat met de moeder naar de passar om daar de mand met vruchten, die ze zelve op haar hoofdje derwaarts drangf, aan den man te brengen, of ze helpt de moeder bij de tjagfjag (weeftoestel) of bij het verwen van kains. bij het bereiden van het eten in de zoogenaamde keuken (pah(m) of bij ander huiswerk, ja zelfs hij het manji (padisnijden), njoekoetin (wieden) of anderen veldarbeid. En onder den voor haren leeftgd
reeds moeielijken arbeid dwalen hare gedachten dikwijls af naar buiten, waar hare broertjes en hunne speelmakkers zich vrij en lustig bewegen en zich bezighouden met het mëlalajangan (vlieger oplaten),
zich amuseeren met het mégangsing (tollen) of andere kinderspelen, of dol veel pret hebben bij eene waijang-voorstelling ; ze zou zoo gaarne meedoen. Dat er van intellectueele opvoeding geen sprake is, van moreele zoo 't kan nog minder, laat zich maar al te goed denken. zich de propaedeutiek eigen maken van haar later zwoegen en slaven, zeidaar alles. Ze heeft het van hare moeder af te zien hoe ze later den geheelen dag heeft te werken om haar man het noodige te verschaffen, ook voor spel en amiioen.

Eindelgk heeft ze den leeftijd bereikt van 12 d 13 jaren; nu wordt er voor het eerst notitie van haat genomen, want de vader geeft, ten bewijze dat ze van kind maagd is geworden (menèk-dM = eerste menstruatie) en dus huwbaar is, een soort van feest, waarbij zij zelve evenwel niet of weinig tegenwoordig is, daar ze zich gedurende eenige dagen moet opsluiten. Het eigenbelang van den vader is hier trouwens de grootste drijfveer tot het geven van het feest. Hij moet nl. trachten, door eenigen praal en luister te vertoonen bij dit feest,
zijne dochter op de meest voordeelige wijze van de hand te doen, te verkoopen, d. i. uit te huwelijken, ten minste reeds de attentie van dezen of genen jonkman op haar te doen slaan. Nog eens wordt er 'vóór haar huwelgk een feest (sangihfeest) ter harer eere gegeven, nl. bij gelegenheid dat hare tanden worden afgevijld (mësanngih^ laag Bal:; mëpandës; hoog Bal:). (Bij de jongens geschiedt dit meest iets later, nl. op zestienjarigen leeftijd ; meestal worden op Bali alleen de voorste tanden iets aangepunt of een weinig afgevijld. Men hecht aan deze godsdienstige acte vooral daarom veel waarde, omdat de Baliër overtuigd is, dat iemand, wiens tanden niet zijn gevijld, na zijn dood tot de grootste martelingen wordt veroordeeld, bijv. het
aanhoudend kauwen op hard hout. Eigenaardig is het, dat een Baliêr nooit zal spreken over dergelijke straffen, die hem hier namaals kun- nen worden opgelegd. Een soort van heilige vrees, misschien pic«
teit, weerhoudt hem om zich daarover uittelaten ea slechts bij ver- rassing kan men hem het een of ander dienaangaande ontlokken. De meeste van dergelijke bizonderhedcn heb ik van den tolk van den Gekommitteerde, (een Balisch mahomedaan).

Yan een huwelijk in de beteekenis, die het bijv. in Europeesche landen heeft, weet men hier niets. Het meisje wordt door den man die haar begeert, van de ouders gekocht of gestolen. Het eerste kan op tweederlei wijze plaats hebben, nl. door de koopsom 60 a 100 gulden (en parenthese ^ de som die men op Balt voor een paard betaalt) direkt aan den vader te betalen (mépadik) of door de^ som, evenals   bij de aartsvaders, eerst bij den vader in dienstbaarheid te verdienen (mëtoenggoé). De tweede manier om eene vrouw te krggeu,
en die in de lagere standen bijna regel is, is, dat men het meisje zijner keuze eenvoudig schaakt, hetzij met hare toestemming (mérangkat) o{ tegen haar zin, met geweld {ngëdjoek of mélëgandang), Yio&gi&t
merkte ik reeds op, dat het woord wiwdla = htCtcelijk woordelgk beteekent wegvoeren en praudhd = de hruid^ de weggevoerde, In het eerste geval betaalt de schaker eene boete aan den vader, ongeveer gelijkstaande met den prijs van een sapie, in het tweede geval is de boete hooger. Wordt een meisje geschaakt, wier tanden nog niet gevijld zijn, dan betaalt de schaker het dubbele van de som, die hij anders zoude moeten betalen. Dat ook hier weer onderscheid wordt gemaakt tusschcn de verschillende kasten, waartoe de schaker 'behoort,
behoeft geen betoog. De hoogere kasten hebben ook in dit opzicht meerdere voorrechten. Hij, die over dezen primitieven vorm van het huwelijk, nl. die door schaking, die in de vroegste oudheid algemeen en bij de meeste onbeschaafde volkeren nog de eenigste is, iets na- ders wil weten, beveel ik ten zeerste de lezing aan van een hoogst belangrijk artikel in de Indische Gids^ jaargang 1880 en 1881, „Over de primitieve vormen van het huwelijk en den oorsprong van het ge- zin^^ door G, A. Wilken. Gekocht of gestolen alzoo, als ware zij een
stuk vee, wordt zij het wettig eigendom van don kooper of schaker, indien deze slechts niet verzuimt, de ptHoemhas (koopsom) te betalen. Ik zeide daar, evenals een stuk vee, dit is niet geheel juist, daarop
het stelen van vee een zware straf en veel boete is gesteld, zelfs vogelvrij verklaring kan tengevolge hebben. Het meisje verandert us eenvoudig van eigenaar, en er wordt het alleminst naar gevraagd of haar nieuwe meester de man harer keuze is, evenmin als dat men er zich aan laat gelegen liggen of waarachtig zuivere liefde in de heilige beteekenis van het woord, dan wel voluptcts, dierlijke zinne- lijkheid, de portee zijner handeling is.

Zoo heeft ze dan eindelijk het ouderlijke huis verlaten, alwaar haar pad waarlijk niet met rozen was bestrooid, ze is gehuwd en zal nu de genietingen smaken, die het huwelijk haar aanbiedt en zich ten minste eenigzins schadeloos stellen voor hetgeen ze in hare jeugd is te kort gekomen, zoo meent ge! Welnu, in het huis van haren nieuwen meester wordt ze geduld, zoolang het dezen belieft; immers hij heeft het recht om haar weg te zenden, bijv. wanneer ze hem geene kinderen schenkt of om welke reden ook, ja zelfs zonder
reden; hij kan haar desverkiezende aan een anderen wegschenken, verkoopen, verdobbelen, of bijv. bij hanengevechten als weddingschap op het spel zetten; hij kan haar, bij het koopen van een koe of
varken of wat dan ook, als onderpand weggeven, om haar weer intelossen, als de termijn verstreken is, en de wet staat zulk een co?tnu- bium promiscuum toe, en al zwijgt ze dan ook van het recht van den man om zoo, naar willekeur, met zijn vrouw te handelen, toch ziet men dit maar al te dikwijls gebeuren. Ge zult misschien zeggen : in de meeste gevallen zal ze bij dien ruil winnen. Indien ze kinderloos is, stem ik dat volkomen toe, doch ook de Balische vrouw kent het woord y^moederliefdej* en al smaakt ze ook weinig de genietingen van het leven, al blijven haar daardoor vele zoete en aangename indrukken vreemd, toch klopt ook in hare borst een hart, gloeiende ware liefde voor de kinderen, die zij het aanzijn schonk en die kinderen worden
haar ontroofd, mogen haar niet volgen. Zij blijven bij den vader als diens wettig eigendom. Yan daar dat men zoo zelden hoort van wettige echtscheiding; de Balische wetgevers hebben dit der vrouw anders zeer goedgunstig toegestaan, indien ze meent al te zeer mishandeld te worden, mits ze slechts zorgt, dat den man het dubbele van den koopprijs wordt terugbetaald en ze natuurlijk afstand doet van hare kinderen. Ook mag ze zich, bij al te slechte behandeling, bij den vorst in dienst stellen (ngadjëro), doch ook in dat geval kan
de man eischen, dat de kinderen bij hem blijven. Qeeft ze haren heer en meester geen reden tot klagen en dunkt het hem goed haar bij zich te houden en niet te mishandelen, dan mag ze de huwelijkssponde met een
drie- of viertal of meer vrouwen deelen, met wie ze, zooals van zelf spreekt, zorgen moet in vrede te leven, wil ze geen gevaar loepen om als onruststookster weggejaagd te worden, alweer met achterlating van
hare kinderen. Benijdenswaardig is haar lot als huisvrouw, zooals ge ziet, voorzeker niet. Dat er bij dit alles van een huiselijk leven, van familiegeluk of hartelijkheid onderling, geen of weinig sprake is, laat zich maar al te zeer begrijpen.

Doch ook indien voor haar alles naar wensch gaat en ze om zoo te zeggen in den smaak valt van haren echtgenoot, dan heeft ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te werken en te zwoegen, om man en kinderen het noodige te verschaffen, terwijl de man liefst den cenen dag na den anderen in een dolce far niente^" doorbrengt, wei te verstaan, wanneer de landbouw- werkzaamheden zijn afgeloopen; alleen in dien tijd werkt hij en is dan zelfs uiterst ijverig. Zelden ziet men bij feestelijke gelegenheden of bij volksspelen vrouwen
tegenwoordig, dit zou niet passen ; buitendien hebben ze te zorgen voor hare huishouding en toe te zien, dat er geld aanwezig is, opdat de man straks kan dobbelen en opium schuiven. Van slaafsche onderdanigheid zegt Birnie in zijne meer aangehaalde brochure, zagik niets.''' Hij heeft dan zeker nooit gezien hoe de vrouw haar man nadert. Ik ben meermalen in de gelegenheid geweest waartenemen, dat die verklaring van den Heer Birnie ton minste geen betrekking kan hebben op de verhouding van de vrouw tegenover den echtgenoot. Tijdens eeno vorige reis verzocht de radja Kasiman van Badoeng mij eene zijner vrouwen te onderzoeken, die aan erge be-
nauwdheden leed, evenals -een harer kinderen ; bij beiden constateerde ik eene hartziekte. Het was vervelend om te zien, hoe de vrouw, n. b.zijne eerste wettige vrouw, om des radja's stoel rondkroop, om eindelijk achter zijnen stoel met gebogen hoofd in de meest onderdanige houding neergehurkt te blijven, en de radja had heel
veel werk, om haar op mijn verlangen, ten einde haar te kunnen onderzoeken, onder het verstand te brengen, dat het haar veroorloofd was op te staan, hetgeen ze eindelijk, na vele semhalCs gemaakt te hebbon, deed ; nauwelijks was het onderzoek afgeloopen, of ze kroop wéér naar hare binnenvertrekken terug, 't Kan zijn, dat in dit speciale geval die kruipende onderdanigheid meer den vorst, dan den echtgenoot gold, zooals men dit immers bg de meeste Oostersche volkeren ziet; doch ook bij mindere dan vorstelijke personen kan men op Bali zulke stuitende bewijzen te zien krijgen van de slaaf- sche onderdanigheid der vrouw.De godsdienst heeft ook
hieraan zeker schuld, zult ge misschien meenen. Integendeel, het feit kan m. i. juist als bewijs dienen, dat het Brahmanisme, de voor- naamste vorm waaronder het Hindoeïsme zich bij de Baliêrs vertoont, veel van zijn oorspronkelijk karakter heeft verloren. Immers, vlg. Clavel^ Geschiedenis der godsdiensten^ leest men in het boek Manava- Sastraj (het wetboek van Manoe) dat handelt over de plichten van de aan- hangers van dezen godsdienst, het volgende : „Overal waar de vrouwen ^worden vereerd, zijn de godheden voldaan, maar als men haar niet eert, „zijn zelfs de vroomste daden onvruchtbaar. Elk gezin, waarin de „vrouwen in droefenis leven, zal niet lang bestaan ; maar wanneer zij niet „ongelukkig zijn, dan groeit en bloeit het gezin. De huizen, op „welke een vloek rust, uitgesproken door de vrouwen, aan wie men „de haar verschuldigde eer niet heeft bewezen, zullen geheel ten „onder gaan, alsof zij door een tooverwerk waren vernietigd. Daarom „behooren de mannen, die naar rijkdom haken, hulde toe te brengen „aan de vrouwen in hunne gezinnen en haar van opschik, kleedercn „en- lekkere spijzen te voorzien, vooral bij feesten en plechtigheden. „In elke familie, waarin de man behagen schept in zijne vrouw en „de vrouw haar lust vindt in haren man, daar heeft het geluk zijn
„infrek voor altgd genomen. Als eene vrouw niet sierlijk is getooid, „zal zij in het hart van haren gade de vreugde niet opwekken en „als de man geene vreugde gevoelt, zal het huwelijk onvruchtbaar „blijven." Deze zedcles nu is zoo geheel in strijd met de tegen- woordige positie van de gehuwde Balische vrouw, dat men mag
beslissen, dat het Brahmanisme van Bali zeer vervreemd is van den eer-roover (s. v. v.) eene boete, natuurlijk de hoogere kasten minder dan de lagere. Behoort het meisje tot de hoogste en de jongen tot eene lagere kaste, dan wordt de eerste, zooals wij reeds yróeger zagen, verbrand en de andere in zee verdronken, behalve in Boelèlèng en Diémbrana^ alwaar deze straf in levenslange verbanning buiten het eiland is veranderd. Bij de lagere kasten worden beide gekrist.

De geslachtelijke omgang op 'jeugdigen leeftijd geschiedt niet altgd in het geheim, doch dikwijls met medeweten van de ouders der beide partijen. Zoo is het bekend van den tegenwoordigen vaccinateur van
Boelèlèng Ida Mantra Bagoes^ dat hij nog op zeer jeugdigen leeftijd zijn kamertje en balc-balé ten huize zijner ouders mot zijn nichtje Ida-aijoe Foetoe deelde, en dit met medeweten der wederzijdsche ouders, die beide kinderen voor elkaar bestemd hadden. Nauwelijks hadden beide den leeftijd van veertien jaren bereikt, nog waren hunne tanden niet gevijld of de vader van den knaap spoorde dezen aan, om zijn nichtje quasi te schaken en daarbij de noodigo formaliteiten in acht te nemen, dus te huwen; dit geschiedde om te voorkomen, dat een ander Brahmaan uit Bandjar het meisje zoude schaken. De vader had namelijk gehoord, dat bedoelde Brahmaan van dit plan zwanger ging. Alles liep in de gewenschte orde af, de kinderen waren gehuwd en eerst na het huwelijk werden hunne tanden gevijld. Dit onbelem- merd en straffeloos zich prostitueeren van ongehuwde meisjes, dat men ook bij andere halfbeschaafde volkeren kan aantreffen, moet minder beschouwd worden als een gebrek aan schaamte of zedelijk- heidsgevoel, die zich in den loop der tijden door de omstandigheden heeft ontwikkeld, doch veel meer als een overblijfsel van den communalen echty uit. den tijd toen het persoonlijke huwelijk nog niet bestond, doch alle vrouwen van een stam aan alle mannen uit dien
stam toebehoorden (zie hierover: „Das Ausland" Jhrg: 1882 No. 6, on het vroeger genoemde artikel in „do Indische Gids" van Wilken). Paederastie {ménjélU) wordt op geheel Bali in erge mate bedreven en evenmin met den sluier der geheimzinnigheid bedekt. Hierover sprak ik reeds vroeger.

Bijna in dezelfde mate, doch meer geheim, heerscht onder de meisjes de zoogenaamde Lesbische liefde {mêfjèngfjèng djoeoek woor- delijk mot de bekkens tegen elkaar slaan zonder geluid te veroorzaken; in 't maleisch y^bêrtampoeh laboe'^] tampoeh = de kroon van een vrucht, misschien eene toespeling op de clitoris) met hare digitale en linguale variaties. De sterk ontwikkelde clitoris, waarmee vig. deskundigen vele Balische schenen zijn gezegend, werkt dit misbruik zeer in de hand. In weerwil van het y^entrée libre^\ dat de meeste
dochteren ChanCs hier in haar banier voeren, is toch, vooral onder het jongere geslacht, onanie en masturbatie vrij algemeen. Zij noe- men dit jffijoktjok''. Eetimoen en pisang worden door de Balische meisjes veel als versnapering, doch niet alleen als mondkost, gebruikt. In het boudoir van menige Balische schoone en zeker in iedere harem kan men een uit was vervaardigde j^plaisir des dames'^ vinden, die den bescheiden naam van j^ganèni" of tjélak-tjëlakan malèm (tjélak == penis, nialèm = was) draagt, en menig uurtje wordt in stille afzondering met dien y^consolateur^' doorgebracht. De ganèm heet ook wel koempëntji.

De Baliërs kennen eene massa middelen, die het wellustge voel bij den coïtus (mëkatoekan) en de geslachtsdrift vorhoogen en er wordt een niet al te gering gebruik van deze middelen gemaakt. Vroegtij-
dige impotentie, doch vooral blaasziekten zouden hiervan dikwijls het gevolg zijn. Reeds bedaagde vorsten hebben wij meermalen om middelen gevraagd, die hun de verlorene Erections-Fdhigkeit^^ kon- den teruggeven, daar de bij hen gebruikelijke middelen thans zonder gevolg bleven. Deze middelen behooren meestal tot het plantenrijk. Een der meest gebruikelijke is de Padang-derman (bal:) oi Pander^ man (Jav:) de bladeren ven Artemisia vulgaris L: nat: fam: der Compositae. Ook de Ghineezen leveren hun dikwijls middeltjes voor
dit doel. Ten einde het genot van den coïtus te verhoogen, wordt o. a. door de vrouwen vóór den coïtus een rood, harsachtig poeder, gopita genaamd, dat prikkelende en samentrekkende eigenschappen
bezit, en eene vernauwing van het lumen der vagina schijnt te bewerken, in de vulva (laag bal: tëli; hoog bal: srira) gestrooid. Ten onrechte beweert van Eck^ dat dit middel de vruchtbaarheid der vrouw zou bevorderen en men het tot dat doeleinde aanwendt.Ook in het aanwenden van mechanische middelen, om het genot van den coïtus te verhoogen, of in het uitvinden van verschillende behagelijke posities gedurende deze aqte, doet de Baliêr volstrekt niet

Daar de djoeragan het plan had om, zoodra wind en stroom ons gunstig waren, onder zeil te gaan. Zonder onze voorkennis had onze gastheer kippen, eenden, vruchten enz. aan boord laten brengen, zeker om ons nog ten overvloede een bewijs te geven, hoezeer hij ons bezoek op prijs stelde. De bevolking van dit gedeelte van Karang-Asëm ziet er minder goed uit, dan men bij eene goede voeding, waartoe hunne middelen hen in staat stellen, zoude mogen verwachten. Hoogst- waarschijnlijk is dit een gevolg van de vele koortsen, die in sommige
tijden van het jaar aldaar vrij hevig heerschen. Men vergete niet, dat de kusten rondom Bali^ uitgestrekte koraalriffen hebben. Syphilis moet, evenals op alle landingsplaatsen van Bali^ ook hier vrij hevig en
algemeen voorkomen. Kropgezwellen zag ik aldaar niet, doch moeten deze, volgens het verhaal van den pembekel, in het gebergte zeer veel voorkomen. Het grootste deel der bevolking spreekt, evenals die der
overige kustplaatsen, zeer goed maleisch, een natuurlijk gevolg van haar voortdurend contact met andere volken van den Archipel.

Vóór we van Tjoelik vertrekken, wil ik nog even gewag maken van eene ontmoeting, die we dien morgen op de passar aldaar hadden. Ik was nl. derwaarts gegaan in gezelschap van mijn reisgenoot en onzen gastheer, om eens te zien, welke artikelen aldaar werden ver- kocht en omdat ik daar in de gelegenheid was de bevolking eens op te nemen in hare dagelijksche bedrijvigheid. Op een der uitstalletjes, om welke de meeste lui hadden post gevat, lagen vele soorten van ge- bakjes, kains, visch, vruchten enz. De eigenares, een oud moedertje
met grijze haren en een ingevallen, rimpelig gezicht, scheen in hooge mate de lach- en spotlust der vele omstanders optewekken, waartoe hare ietwat vreemde kleeding zeker aanleiding gaf. Zij droeg nl. op
de wijze van vele Balische mannen een hoofddoek en was tevens voorzien van een kris, die achter in haar buikband stak. Overigens was ze gekleed op de wijze der Balische vrouwen. Een versleten, vuil en blauw stuk kain deed als sarong dienst, terwijl eene bonte salendang ter nauwernood den op non-activiteit gestelden boezem bedekte, en het wilde mij toeschijnen, dat die haren vóór den tijd waren vergrijsd en de rimpels op het uitgedroogde gelaat niet alleen oen gevolg waren van ouderdom. Er speelde een droevige trek om haar
mond, in weerwil ze schijnbaar luchthartig de menschen te woord stond, die haar iets kwamen afkoopen of die haar plaagden. ^Ttoê orang gila^\ antwoordde de Chinees, dien ik naar de reden van de
hilariteit der omstanders vroeg, luid genoeg, dat het yrouwtje het konde verstaan. Nauwelijks had ze dit gehoord, of ze kwam vanachter haar warong naar ons toegeloopen, liet de koopwaren en de omstanders
in den steek, keek ons zeer vertrouwelijk aan en zeide in goed Maleisch: „Geloof het niet, die menschen daar om mij heen houden „mij voor gek en plagen mij telkens, omdat ik een hoofddoek draag „en een kris. Wanneer u mij daartoe verlof geeft, zal ik u de „reden verhalen, waarom ik mij zoo vreemd kleed, u zult mij dan,
„ik ben er van overtuigd, niet voor zoo gek houden, als die andere „menschen doen; misschien zult u medelijden met mij hebben." Ik begon belang te stellen in het oude mensch en gaf haar gaarne verlof hare geschiedenis te vertellen.

„Ik had een zoon, die reeds volwassen was," zeide zij, „want hij was pengajah (heerendienstplichtige). Hij was mijn eenigste, mijn alles, „de steun van mijn ouderdom. Hij word op zekeren dag bij den vorst „ontboden, die hem als boodschapper naar Badoeng zond, want, hij was „sterk en dapper, weet u." Hier volgde een kleine pauze, gedurende welk oogenblik zij met haar salendang een paar tranen wegveegde, die het reeds doffe oog verduisterden. „Dien zoon, mijnheer! hebben „ze in Badoeng vermoord, ik heb hem nooit wêergezien en het eenigste „wat Ik nog van hem bezit, is zijn hoofddoek en kris, die hij veelal» „droeg. Als aandenken aan mijn kind bewaar ik die beide zaken als „een heiligdom, en draag ze als een reliquie; ze mochten me ook „die eens ontnemen." Na dit verhaal, dat ze ongekunsteld, doch blijk- baar met moeite deed, bevochtigde een tranenvloed de perkamentachtigewangen, en daar vloog mij, geloof ik, een vliegje in 't oog ; ik verwijderde mij even, gevolgd door den Chinees, die mij verhaalde, dat werkelijk een paar jaren geleden haar zoon door den vorst naar Badoeng was gezonden om te spioneeren, dat hij aldaar ontdekt en vermoord was. Toen ik weer bij het warongtje terugkwam, zag het oudje mij aan zoo vertrouwelijk, zoo gelukkig, alsof zij zeggen wilde,
„gij hebt mij ten minste begrepen." Ik drukte de ongelukkige moeder de hand en sprak meer met de oogen dan met den mond mijne overtuiging uit, dat ik haar niet voor gek hield, en dat ze mij begreep. bewees de glimlach, die zich op haar gelaat vertoonde. En onder de omstanders, die haar zoo straks hadden bespot en uitgelachen, heersch- te eene heilige stilte. Mijn reisgezel en ik kochten het een en ander van de vrouw en daar we geene kèpèngs hadden, betaalden we met groote munt en vergaten het gekochte mêetenemen. Een veelbeteekenende handdruk gold voor haren dank. Dat was de uitdruk- king der moederliefde in de edelste en reinste beteekenis van het woord. Die heldin verdroeg hoon en spot ter wille van het gevoel van moederliefde, dat ze niet wilde, niet kon prijs geven.

Wij gingen des nachts om drie uur onder zeil en kwamen eerst des middags om ruim drie uur ter reede van het kustplaatsje Pa^ dang. Was in het begin de wind gunstig, zoodat we dachten, reeds na een paar uren Padang te bereiken, weldra moesten we de nuk- kigheid van den ouden Neptunus ondervinden en tot de overtuiging
komen , dat men op zee op niets behoeft te rekenen. Het werd nl. bladstil , en de matrozen moesten flink roeien , om ons nog vóór den tijd dat ook de stroom geheel in ons nadeel zou komen, ter reede Padang te brengen. Van deze plotselinge windstilte droeg mijn jongen , die mij op deze reis vergezelde , de eenige schuld , zooals onze djoeragan bij kris en kras verzekerde. Het geldt nl. bij de Inlan- ders, die deze wateren bevaren, voor zeker, dat, wanneer men op de hoogte tusschen de eilandjes Manok en Djasih iets over boord
werpt , men een ongeluk krijgt , of door tegenwind als anderzins ten minste een langdurige reis heeft. Immers, men vertoornt daardoor den zeegod, den een of anderen Dèwa^ die in deze wateren verblijf houdt. Mijn jongen nu, onbekend met de eischen, die deze Dèwa stelt, had de veeren van een pas geslachte kip over bakboord ge- worpen, waarop de gezagvoerder ons onmiddelijk met een hoogst ernstig gezicht kwam voorbereiden op een moeielijken tocht. En ter- wijl de roerganger en eenige matrozen op het hooren van deze Jobs- tijding door het traditioneele fluiten den Dèwa trachtten te verzoenen en den wind te lokken, keek de djoeragan aanhoudend naar de lucht, om te ontdekken van welke zijde de onheilspellende wolk kwam op-
dagen. Wij trachtten met al den ernst, dien we bijeen konden ga- ren en met de plechtigheid, die de omstandigheden ons geboden, hem gerust te stellen, doch deze singit was voor den man orakel- taal ett wij eindigden met hem te verzekeren, dat we onze zielen Allah zouden aanbevelen en hy dan in geval van nood op ons zoude kunnen rekenen. Een ongeluk overkwam ons nu wel niet, doch we kwamen laat en met veel moeite te Padang aan. Yan dit plaatsje en van onze ontvangst aldaar heb ik boven reeds het een en ander meegedeeld; ik moet hier nog bijvoegen, dat we dien middag na onze landing een uitstapje te paard maakten naar de op drie palen afstand ±, 800 voet boven zee ^gelegene dessa Baloembang , eene zeer welvarende, groote kampong, alwaar ik twee prachtige gemetselde baden met levend water bezichtigde, waarvan het een door mannen,
het andere door vrouwen werd gebruikt. Ook van uit Padang gingen we weer met de noodige geschenken aan boord.

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan