|
Des middags om 5 uur werden we op eene soort Balisch komediespel
onthaald, harongan genaamd, dat door acht gemaskerde personen, waarvan
vier vrouwen voorstelden, werd gespeeld. De korte inhoud was, dat de
vier mannen de vier vrouwen wilden schaken, waarbij zij de
potsierlijkste poses aannamen en fataal leelijk tandakten, docli in die
schaakpartij „en masse" werden verhioderd door de komst van een
veiTaarlijk grooten leeuw (een met schapenvachten omhangen figuur door
twee daaronder verborgene mannen in beweging gebracht). Met veel moeite
werd toen eerst de leeuw bevochten en afgemaakt en daarna de
schaakpartij tot een goed einde gebracht. Erg mooi was het in onze
Europeesche oogen niet. Gelukkig werd er niet bij gesproken.
Na afloop bracht ik den rijksbestierder het beloofde bezoek;
natuurhjk riep hij mijn hulp in tegen impotentie. Ik zeg natuurlijk
omdat daaraan vele vorsten schijnen te lijden, ten minste werd ik ook op
vorige reisen daarover meermalen geconsulteerd. Hoofdzakelijk schrijf ik
. bet toe aan het erge opuim-misbruik, waaraan de meeste vorsten zich
schuldig maken en vooral ook aan fabusus in Venere^^ waaraan de meesten
zich in de jeugd reeds overgeven. Wanneer men daarbij rekent, dat een
vorst meestal 10 tot 30 wettige vrouwen en eene groote hoeveelheid (soms
300) bijwijven heeft, dan is het te begrijpen, dat wanneer hij het y^suum
cuique' huldigt en van vrede onder zijne kudde houdt, er reeds vroeg een
tijd komt, dat hij ge-
noodzaakt is den paus na te zeggen ,,xYo/}j9088Mntti^'\ Deze zwakkeling,
ik bedoel nl. den rijksbestierder, gaf eene andere oorzaak op voor het
ontstaan van zijn lastig gebrek. Acht jaren geleden was hij erg sy-
philitisch geweest, waartogen hij de hulp van een Boeginees had
ingeroepen, die het eiland in alle richtingen doorreisde, rechts en
links goed doende en wonderen verrichtende met de verzameling
geneesmiddelen, die hij meevoerde. Dozo had hem gedurende een geruimen
tijd een kwikkuur laten ondergaan, doordien hij hem eenige malen daags
de huid flink liet inwrijven met levend kwik (rosa) dat de patiënt mij
beschreef als „vloeibaar zilver'' met het gevolg dat zijne syphilis
verdween, doch impotentie er voor in de plaats trad, zoo luidde nl. het
verhaal van den vorst. Ik raadde hem zich eenigen tijd op reis te
begeven met achterlating van zijn harem, dikwijls koude zitbaden te
gebruiken en een flink glas goeden wijn te drinken. Dit laatste had ik
nauwelijks gezegd, of hij vroeg mij hem maar voorloopig aan eenige
flesschen te helpen, daar hij geen wijn bezat. Ik zond
hem het gevraagde en heb de overtuiging, dat hij alleen dit deel van
mijn voorschrift, voor zoover de voorraad strekte, trouw heeft opgevolgd.
Ben zijner dulcinea's, die mij werd voorgesteld om de erge hoofdpijnen,
waaraan ze aanhoudend leed, welke laatste ik reden heb als j^dolores
osteocopi^' te beschouwen, droeg eveneens het merk S in duidelijke
trekken op haar gezicht; eene fatsoenlijke en nette vorstelijke familie!
Zooals bekend is, is polygamie op Bali veroorloofd niet alleen, doch
wordt er eene ruime toepassing aan gegeven. Ieder Baliêr mag zich
zoovele vrouwen aanschaffen als hij verkiest, alleen de priesters mogen
er niet meer dan vier hebben en dan nog wel uit iedere kaste eene; toch
al genoeg, dunkt me. Nu kost eene vrouw op Bali niet zooveel aan
onderhoud als bij ons. Hare garderobe, we zagen het boven, is
gemakkelijk in orde te houden. Daarbij komt nog, dat de mindere man uit
iedere vrouw geld weet te slaan. Immers, hoe meer vrouwen hij heeft, des
te minder behoeft hij zelf te doen. Hij laat haar, die feitelijk zijn
slavin is, werken en zwoegen, om zelf ruimschoots van spel en opium
gebruik té kunnen maken. Ik kom later meer uitvoerig op dit onderwerp
terug.
Des avonds om 6 uur kwam de kroonprins, een jongmensch van ± 25 jaren,
in naam van den vorst, die toevallig buikpijn had ^ ons een contrabezoek
brengen. Hem volgden andere vorstelijke familieleden, alsmede huisdominé,
die ook heden morgen natuurlijk weer in het eerste gelid had geschitterd.
Het bezoek duurde slechts kort en na het vertrek gewerden den vorsten
onder de gouden pajong de officieele geschenken.
In den avond zond de Dèwa-agoeng mij eenige vogels ten geschenke; hij
had n.1. gehoord, dat ik moeite deed om vogels van Bali te verzamelen.
Aan vogels is Bali niet bizonder rijk. Verscheidenheid in soorten heeft
men wel, doch ieder soort is slecht vertegenwoordigd. Onder deze treft
men o. a. aan de geelkoppige wever {Phoceus hypoxantha)^ een zwarte
lijster {Capsychus amoenm\ de roodkleurige baard vogel {Magalaeme rosea\
de wielewaal (Oriolus Horsfieldii)^ de grondspreeuw (Sturno j^cistor),
de drieteenige specht {Chrysonotus tiga), een klein soort prachtig
glanzende kraai (een dtcrowrtw-soort). Verder bezit Balij vooral in 't
zuidelijk gedeelte, een zeer leerzame soort beo's {Eulabes Javani<:us)
eenige duiven-soorten, waaronder het sperwer-duifje {Geopeleia striata)
en de tortelduif {Turtur tigrinu8\ terwijl in de dichte bosschen de
boschkip {Gallus bankiva) en de groene boschhaan Gallus furcatus)
gevonden wordt. De uilen worden vertegenwoordigd door de strix javanica
en badia^ twee kerk-uilen. Met nog een paar soorten meer moet de
ornitholoog zich daar evenwel tevreden stellen. Men kan soms uren lang
een bosch doortrekken zonder een enkelen vogel te zien. Dit is te meer
te verwonderen, omdat Oost- Java dat zoo in de nabijheid ligt, zulk eene
groote verscheidenheid en rijkdom aan vogels oplevert. De pauwen,
getrouwe gezellen van den tijger, die in Oost-Java zoo talrijk
zijn, vindt men op Bali in 't geheel niet, in weerwil de tijgers juist
in dat deel van Bali dat van Java slechts door de smalle straat Bali is
gescheiden, zoo menigvuldig zijn. Over 't geheel is de dierenwereld veel
slechter vertegenwoordigd dan het plantenrijk. Verscheurende dieren,
vindt men op Balt en ook op Lombok niet, behalve de tijgers in het N. W.
van Bali,
Een opzettelijk onderzoek naar delfstoffen schijnt op Bali nog niet
te hebben plaats gehad, ten minste is er mij niets van bekend. Het
eenige wat ik dienaangaande kon te weten komen is, dat volgens opgave
van een vroegeren Controleur van Djëtnbrana (van Lier) tin in de
Djêmbrhrana-rivier moet voorkomen, dat er stofgoud moet zijn verzameld
nabij Pengastoelan^ op Boelélèng en dat er gedegen goud (?) op Loembanam
moet zijn gevonden. .Vrij algemeen is op Bali het vermoeden, dat de
bodem rijk is aan delfstoffen. Welke feiten dit
vermoeden billijken, weet ik evenwel niet.
In den na avond verschenen vier ronggèngs {djogèd tongJcohan) van den
vorst, die onder begeleiding van een gamelan eenige sierlijke en
bevallige dansen uitvoerden en ons gedurende twee uren aangenaam bezig
hielden. Onder deze bevond zich de ons bekende Pepita van den vorigen
avond, do onderwijzeres van de anderen. De ove- rige drie priesteressen
van Terpsichore^ hoewel reeds y^etwas abge- liébV\ zagen er in haar
phantastisch kostuum werkelijk lief uit. Nu eens danste ieder
afzonderlijk, dan weer werd er eene bevallige en verrukkelijke rijendans
uitgevoerd, treurzangen in het kleed der pantomime, door bewegingen
vertolkte Liebes-Sehnsucht ^ die in het laatste geval nu én dan wel iets
had van een y,cancan a la Mabiley De vlugheid, waarmee die rijendansen
werden uitgevoerd, deed vol- strekt geen nadeel aan de bevalligheid. Uit
alles bleek, dat de Eloengkoengsche danseressen het in de
choreographische kunst tot eene aanmerkelijke hoogte hebbon gebracht en
dat het Eloeng- koengsche hof nog steeds den naam verdient van de beste
djogèd's te bezitten. Tegen 12 uur konden ze op een wenk van den
Gekommitteerde vertrekken. Wel hielden ze op met dansen, doch
vertrekken deden ze natuurlijk niet. Ik moet hier n.1. op een ge- bruik
wijzen, dat , hoewel door toedoen van vroegere Qekommitteerden zeer
verminderd, toch nog vrij algemeen op Bali heerscht.
Wanneer men de gast is van een voornaam persoon,
bijv. van een vorst, dan zoü hij meenen aan zijne verplichtingen van
gastheer te kort te doen, wanneer hij niet des avonds het noodige
damespersoneel uit zijn harem voor zijne gasten disponibel stelt.
Vroeger ging dit gebruik zelfs zoo ver, dat wanneer de Gekommitteerde
een bezoek
bracht , er een bepaald aantal meisjes uit de koninklijke harem voor den
Gekommitte^rde en zijn Europeesch gevolg werd aangewezen, die als het
ware het decoratief uitmaakten van het logies , waarin ieder hunner
intrek nam. Yoor den Qekommitteerde, als hoogste in rang werden de
meeste en beste gereserveerd, van vijf tot tien. Zooals ik boven zeide,
bestaat dit gebruik niet meer in die mate, dank zij de zwakheid of
wilskracht , al naar men 't nemen wil , van vroegere Gekommitteerden,
doch de vorsten doen nog neode afstand van een gebruik, dat,' volgens
hunne begrippen van gastvrijheid, on- afscheidelijk is van den eerbied,
die ze hun gasten verschuldigd zijn ; * doch daar ze dit nu niet meer
zoo openlijk durven doen als vroeger, zenden ze meestal eenige
dansmeisjes met de opdracht, om ook na afloop van het ballet in de
omgeving der gasten te blijven , ten einde bij de eerste oproeping
présent te zijn. Wanneer men voor het eerst op Bali reist en de
gast is van een vorst, wordt men niet weinig verrast door de ontdekking,
een deel der danseressen , die men reeds lang weer in hare gynaikonitis
terug dacht, in een uiterst luchtig kostuum in zijn eigen logies terug
te vinden; dé vrijpostigheid, het sansculottismus , om 't zoo eens te
noemen, dat ze in haar spreken en handelen aan den dag leggen, doet
iemand verbaasd staan, en het kost dan niet weinig moeite om die Oratiën
onder het verstand te brengen, dan men alleen wenscht te blijven en van
hare goede gaven niet wenscht gediend te zijn.
De vier Bajadères van heden avond , behoorende tot de harem van den
Dèwa-agoeng ^ moesten dan ingevolge de ontvangene parintah's blijven, en
daar ons gezelschap nog wat bleef praten en bij gebrek aan ander logies,
namen ze haren intrek in een leeg staande pen- dopo. Het duurde evenwel
niet lang , of eene der dames , die zeer goed maleisch sprak, werd
afgevaardigd, om ons te beduiden, dat ze alle vier zulk een hevige
buikpijn hadden , omdat ze den geheelen avond nog geen opium hadden
gebruikt; arme schepsels! Een der hoeren van het gezelschap was galant
genoeg om het noo- dige geld beschikbaar te stellen, opdat de dames zich
het heulsap
konden aanschaffen. Een half uur later konden we ons vergasten op het
yerrukkelyk schouwspel van vier Balische schoenen, waar- onder drie nog
jeugdige meisjes, in min bevallige en min kiesche houding zoo beschoven
mogelijk naast elkander te zien neerliggen. Eenc der vier prevelde in
haar opium-roos iets als : y^Flores fuimes^ sed flos f uit ille caductis''
of misschien wel een of ander bezwerings- formulier; duidelijk was het
niet.
Het opium-misbruik is op Bali vreeselijk erg. De mannen zyn er bijna
zonder uitzondering aan verslaafd ; vooral heerscht dit mis- bruik sterk
in hoogere kringen. Het wordt óf onvermengd gebruikt en wel uit een pijp
evenals op Java en heet dan njandoe , öf met fijnge- snedene atrar-airar
bladeren {Ficus septica^ nat. fam. der ^rlocnt^pene)- of met «a^an^-bladeren
(Pliolidocarpiis Ihur, nat. fam. der Palmaé)^ in welk geval men spreekt
van memadat. Onder de vrouwen is het opiumschuiven minder algemeen en
bepaalt zich meer tot de
hoogere kringen en tot de harem-bewoonsters, onder welke laatste het
n.1. vrij erg is. Het van nature anders sterk en krachtig gebouwd en
voor meerdere geestesontwikkeling uiterst vatbaar Balische ras verliest
door dit misbruik alle energie. De mannen zien er, over het geheel
genomen, vadsig en loom uit, zg be- wegen zich noode en wanneer ze het
moeten doen , dan ziet men, dat ze op verre na de veerkracht niet
bezitten, die men van hun vierkanten lichaamsbouw zou verwachten.
Epidemiên maken dan ook de meeste slachtoffers onder de mannelijke
bevolking. Eenige maanden voor den aanvang van dit verhaal, heerschte er
eene hevige koortsépidemie in Djembrana, Bij mijne komst aldaar, om een
onderzoek in loco intestellen, bleek het mij dat bijna alleen mannen als
slachtoffers dezer épidemie waren gevallen. De spreekwoordelijk
gewordene laxiteit van den Baliêr, het weinig resolute in zijn karakter
schrijf ik hoofdzakelijk toe aan het misbruik, dat hij van opium maakt.
Sommigen (waaronder J. J. de Hollander) hebben beweerd, dat de Baliër
arbeidzaam ^ dapper en krijgshaftig is. Ik heb reden die karaktertrekken
den tegenwoordigen Baliër te ontzeggen. Hunne zoo-
genaamde oorlogen, miniatuur-guerilla-krijgjes , kunnen ons al slecht
een bewijs van hun moed geven , en wanneer het N. I. Gouverne- ment,
tijdens de verschillende expedities op Bali vele zijner flinkste en
dapperste zonen heeft moeten verliezen, dan zijn het voor het kleinste
deel de Baliërs, die dat verlies hebben berokkend. Het is, vooral op
Bali zelf, bekend, hoe tijdens eene der moeielijkste expedities aldaar,
de Baliêrs de vrouwen en kinderen der Boeginee- zen, die zich in groeten
getale in de kuststreken ophouden, roofden
en naar het gebergte voerden en als losprijs de voorwaarde stelden dat
de Boegineezen, wilden ze niet dat hunne vrouwen en kinderen vermoord
werden, zich aan het hoofd der Balische troepen moesten plaatsen. De
arme Boegineezen , in weerwil ze met hart en ziel vóór de Compagnie zijn,
moesten voor de overmacht bukken en vochten als leeuwen voor het behoud
van vrouw en kroost.
De Baliër is égoist pur-sang, de zelfvergoding is zijn ideaal en hij
zal niets uitvoeren of hij moet kunnen berekenen, dat hij er on-
middelijk voordeel van heeft. Het altruïsme is hem geheel vreemd;
verwijfd, laf, cynisch, in hooge mate voluptueus, onzindelijk,
ongevoeligvoor de smart van anderen, zelfs van zijne naaste omgeving,
wraakzuch- tig en jaloersch, ziedaar de hoofdkaraktertrekken van het
gros der Baliêrs. Yoeg daarbij, dat hij door het opium-misbruik geéner-
Bali nl. het monopolie van den vorst, die het evenveel verpacht, en
bijna altijd aan Chinezen. Deze nu drijft een drukken handel in klappers
en klapperolie, die hij naar Soerabaia uitvoert. Yerder bestaat er een
drukke export-handel van tabak en lontar-bladeren
naar Salaijer, De kleine baai van Padang is dan ook bijna altijd vol met
Boegineesche handelsprauwen en Chineesche jonken, hetgeen, vooral door
de veelkleurige vlaggen en wimpels, die deze laatste altijd voeren, op
een afstand een schilderachtig effect maakt. Onze bandar had de attentie
gehad om de Nederlandsche driekleur op het strand en van zijne schepen
te doen wapperen, zoolang wij zijne gasten vearen, eene attentie, die
wij des te meer moesten op prijs stellen, omdat Karang-Asènij zijnde een
vasalstaat van den vorst van
Lomboky niet verplicht is, om evenals de andere rijken vau Balij onze
vlag boven zijne eigene vlag te voeren. Wat de reden is, dat,' bij het
sluiten der contracten met de Balische vorsten, Lomhok en dus ook
Karang-Asëm van deze verplichting is vrijgesteld, is mij niet bekend.
Daar Karang-Asëm^ gelegen tusschen Bangli en
Kloengkoeng^ door een stedehouder van den vorst van Lomtok wordt
bestuurd, en alle zaken van gewicht aan het laatstgenoemde hof worden
afgedaan, was het niet noodig een bezoek aan het Karang- Assëm'sche hof
te brongen. Dit speet mij vooral ook, omdat dit rijk met zijn pracbtigen
Goenoeng Agoeng (of Piek van Bali, een
kegelberg van 12000 voet hoog) de schoonste, schilderachtigste
natuurgezichten moet opleveren.
Even na onze aankomst te Padang hoorden we van uit de richting van
Laboean Amok een schot lossen, een bewijs
voor ons, dat de Watergeus'' in die baai het anker had laten vallen. De
Gekommitteerde zond onmiddclijk een boodschapper derwaarts, om den
Commandant te verzoeken, den volgenden morgen om zes uur vóór de baai
van Padang op en neer te houden, ten einde ons en onze bagage optenemen.
Daar we door den afgelegden tocht in de brandende zon te vermoeid
waren, om dien middag nog een bezoek aan de omliggende dessa's te
brengen, kregen we dus van Karang-Ashn niets meer te zien. Op een vorige
reis naar Badoeng moest ik behalve op Padang wegens windstilte ook één
dag in eene andere kustplaats van Karag-
Asem nl. Tjoelik, verblijven. In mijn
Tjoelik aantekeningen van die reis vind ik betreffende deze beide
plaatsen het een en ander vermeld, dat ik, om toch iets van Karang-Asëm
mêetedeelen, zij het dan bij wijze van aanhangsel, hier zal inlasschen.
Ik maakte toen de reis in gezelschap van den Heer HeijligerS Controleur
van Djémhrana^ de- zelfde die thans als waarnemend Sekretaris van den
Gekommitteerde fungeerde, en wel met een kruisbootje met een inlandschen
gezagvoerder (djoeragan).
Den 20 April kwamen we ter rede van Tjoelik. Daar we tegenwind hadden
en de stroom begon te kenteren, moesten we aldaar op betere
zeilgelegenheid blijven wachten. Deze reede levert in den^Oost-mousson
eene veilige ankerplaats zelfs voor schepen met groeten diepgang op, die
tot dicht onder den wal kunnen naderen. Yan de reede uit heeft men een
prachtig gezicht op den Goenoeng-agoeng^ terwijl de op zijne
hellingen liggende sawah's «en kampongs een lief panorama aanbieden. De
dessa zelve, die nog twee palen van het strand verwijderd is, ligt aan
den voet van dien berg, aan de rivier Tjoelik. De stranddessa, de
pabean (plaats waar de schatting geheven wordt) van Tjoelik heet Amëd.
Hier werden we door den Chineeschen bandar Tjoa-Giok-Ping gastvrg
ontvangen. Langs het strand ziet men duizende zoutpannen.
Tjoelik drijft een levendigen handel in klapperolie en lontarbladeren.
Het eerste artikel wordt naar Java^ het laatste naar Saleijer uit-
gevoerd. Ik ontmoette verbazend veel door pokken geschondene per-
sonen en vernam van onzen gastheer en van den pembekel Djero-
Nengah'Djaja^ dat de sterfte aan pokken in Karang-Asém groot is. Bij
herhaling had de bevolking den vorst (stedehouder) reeds doen verzoeken,
om de vaccine bij hen intevoeren, doch hij had tot dusverre daartoe
geene pogingen aangewend, misschien wel, zeide de pembekel, omdat hij
zonder toestemming van den vorst van Lombok^ zijn oom, niets durfde
uittevoeren. Des middags bezorgde onze gastheer ons een paar flinke
paarden en maakten wij een uitstapje in het gebergte on de omgeving. De
wegen zagen er fataal slecht uit ; beteren indruk maakten de sawah*s en
uitgestrekte' bosschen van de prachtige lontarpalm, die hier even als de
arèn-palm uitstekend groeit en in groote hoeveelheid wordt aangeplant.
In de rivier Tjoelik namen we bij een kleinen waterval een
verfrisschead bad. Bij deze bezigheid werden we niet weinig verrast,
toen wij bemerkten, dat we door eenige nieuwsgierige jonge Tjoe- liksche
schonen, werden bespied, die hare aanwezigheid verrieden door een
aanhoudenden schaterlach en den herhaalden uitroep van
kulitnja poetih,^^ Wij waren de dames blijkbaar te blank. 0f zij tot
straf voor haar overmoed en nieuwsgierigheid als wijlen Actaeon in
herten of liever hinden zijn gemetamorphoseerd, is mij nog niet ter oore
gekomen. Na onze terugkomst bleven we nog een uur bij onzen
vriendelijken gastheer praten. Nauwelijks waren we gezeten of vier jonge
meisjes, die door hare mooie sarongs en veelkleurige saleifdang's, doch
vooral door den krans van tjempaka-bloemen, die ze in de haren hadden
gevlochten, onze aandacht trokken, kwamen
met de vrijpostigheid, aan dames van twijfelachtige renommée eigen, op
ons tocgeloopen. Op mijne vraag aan den gastheer wie zij waren, vernam
ik dat het ^panjeroan^s^^ van den vorst waren, die vernomen hebbende,
dat er een vreemd schip tér reede lag, van het gebergte waren afgedaald
om hare diensten aan te bieden. Daar ik in het vorenstaande reeds
meermalen het woord j,panjeroan'^ heb gebruikt en in den loop van dit
verhaal nog bij herhaling zal moeten te pas brengen, wil ik den lezer
thans mededeelen, wat de genese, het beroep, het lot enz. dezer hoogst
ongelukkige wezens is. Het kan tevens dienen als bijdrage tot de kennis
van de positie der vrouw in de Balische maatschappij, en als graadmeter
van de moraliteit, waarop de Balische wetgeving is gebaseerd.
Wanneer een man van de laagste kaste (Soedra)
komt te overlijden, zonder een zoon natelaten, die oud genoeg is om hem
als pengajak (heerendienstplichtige) te vervangen, dan wil het gebruik
dat de broeders van den overledene in het onbeperkt genot treden van
diens nalatenschap,waartoe ook de vrouw en de kinderen van den
overledene behooren. De lezer herinnere zich, hetgeen ik reeds vroeger
zeide, dat nl. de vrouw niet als een zelfstandig individu, niet als
iemand,, maar als iets wordt beschouwd. Bestaan er evenwel geen broeders
van den overledene, of doen deze om de een of andere reden afstand van
de nalatenschap, dan wordt alles het eigendom van den vorst, die de
bezittingen van den overledene in klinkende munt omzet en de vrouw en
kinderen als slavinnen in zijne poeri neemt. Dit recht van den vorst op
de nalatenschap van een soedra noemt men njaboed. Ook de familie en de
bezittingen van iemand, die vogelvrij is verklaard {hëdagan\ vervalt aan
den vorst. En parenthese wil ik er hier even op vijzen, hoe gemakkelijk
het den vorst wordt gemaakt, om zich het eigendom van een ander toe te
eigenen, en het laat zich denken, dat van deze zeer verleidelijke
gelegenheid meermalen misbruik wordt gemaakt, zonder de heerschende
wetten te verkrachten. Wanneer de man nog bij zijn leven in 't gemis aan
mannelijk eer voorziet, door een anderen jongen als zijn zoon aan
tenemen en als zoodanig te doen erkennen, welk aangenomen kind ïnen ])ianak
hangidih (l^g Bal:) sëntana
(hoog Bal:) noemt, of wanneer door den man de koopprijs (pi- toembas)
nog niet aan hare ouders is betaald, in welk geval ze dus weer het
eigendom van den vader wordt, dan vervallen de vrouw en kinderen niet
aan den vorst; evenmin wanneer de man eeneervollen dood op het slagveld
is gestorven. Worden ze nu het eigendom van
den vorst, dan worden de ouden van dagen voor allerlei huiswerk gebruikt,
de half jonge tot zwaarderen arbeid, terwijl de jongere meisjes, zoodra
zij de jaren der puberteit hebben bereikt, ja soms veel vroeger nog,
gedwongen worden om j,Corpus quaestum faceré*^ d. w. z. om „in naam des
konings*' hare eer en onschuld aan den meestbiedende te verkoopen. Die
de vorst uit deze meisjes niet voor privaat gebruik uitkiest, om dus als
aanvulling te dienen van zijn harem, worden naar alle oorden van het
rijk gezonden, in naam als ronggèngs, doch inderdaad om als meretrices
dienst te doen. Dit zijn de hoeren van Bali, Yan de opbrengst moeten ze
maandelijks een zeker quantum aan den vorst afstaan, in Badoeng bijv.
9/10 deel der geheele recette, in andere rijken één of twee
rijksdaalders, al naar gelang van het uiterlijk schoon van het
ongelukkig individu,
of van de meerdere of mindere bevolktheid van het distrikt, dat zij te
exploiteeren heeft. Het weinige, dat van de recette overblijft, kan ze
ten eigen bate aanwenden. De lezer begrijpt nu eenigzins de
vrijgevigheid van den vorst, om, indien hij er kans toe ziet, steeds
eenige ^panjeroan's' ter beschikking van zijne gasten te stellen. Hij
exploiteert op die wijze zijne gasten door intermediair van zijne panje-roan's
Ook begrijpt men thans, hoe de vorst, behalve zijne vele vrouwen en
bijwgven, nog een harem bezit Doch keercn we tot onze panjeroans terug.
Het schandelijkste van de zaak is nog, dat wanneer zulk een meisje eens
door de heer- schende wetten panjeroan is geworden, zij niet bij machte
is, het haar opgedrongen eerloos beroep te laten varen. Zij kan niet
huwen, tenzij met bizondero vergunning van den vorst, die ze natuurlgk,
vooral als ze eenigzins productief is, zelden of nooit verkrijgt;
eveneens moet ze, zoolang de activiteits-uniform, die ze van de natuur
heeft gekregen,nog niet geheel versleten is, afzien van eene "poging om
op meer eerzame wijze in haar, of liever des vorsten onderhoud te
voorzien. Ziehier een onderwerp, dat tot een prachtig drama de stof kan
leveren. B. v. Dramatis personae: Een Balisch vorst. Een pater familias
uit de soedra-kaste. Diens dochter, ecne bloeiende schoone in het
evolutie-tijdperk. Een jongmensch van 18 jaren. Een haljan (bal:
toovenaar).
Leden der Kerta enz. enz. Eerste tooneel Alleenspraak van de jonge
dochter, terwijl ze bezig is met een of ander huiswerk, over de
verstoktheid van den jongeling, wien zij bij herhaling van hare liefde
voor hem heeft doen blijken, doch die haar niet wil begrijpen, ten
minste hare liefde onbeantwoord laat. Zy ontbiedt een baljan, die haar
een liefdesmiddel (^oena) ter hand stolt en die zij den jongeling op de
eene of andere wijze laat gebruiken.
Tweede tooneel. Uitwerking van genoemd
toovermiddel ; de verliefdheid van den jongeling doorloopt de
verschillende traditioneele phasen. Afspraak tusschen de geliefden voor
cene schaking, d. i. huwelijk.
Derde tooneel. Dood van den vader door een
ongelukkig toeval, nog vóór de schaking is tot stand gekomen. Hij laat
geen zoon na, die hem als pengajah kan opvolgen, evenmin broeders, die
de erfenis kunnen aanvaarden, zoodat de nalatenschap, met de dochter
incluis, aan den vorst vervalt, die deze laatste, om hare jeugd en
schoonheid, tot de favorite van zijn harem maakt.
Vier'de tooneel. Waanzin van den jongeling bij
de ontdekking dat zijne geliefde voor altijd voor hem verloren is. Hij
besluit in zijn waanzin, om zich aan het wettig eigendom van den vorst
te vergrijpen, door zijne geliefde met geweld te schaken, voert dit plan
uit en maakt zich dus, volgens de Balische wetten aan majesteitsschennis
(prasangga) schuldig. Beide worden gevat en door de Kerta ter dood
veroordeeld (dandepati). De vorst, terecht oordeelende dat eenvoudige
doodstraf niet in overeenstemming is met de hoe- grootheid van het
vergrijp, besluit de straf te^ verzwaren, door hem eerst eene maand
opsluiting in een krankèng (hok, waarin de delinquent slechts kan liggen,
zonder zich te verroeren, om de vele doornen, die er in zijn aangebracht,
dat slechts ééne opening heeft om het karige voedsel te ontvangen en
waarin de gevangene eveneens zijne natuurlijke behoeften moet doen) te
doen ondergaan, en door haar even zooveel tijd in diens onmiddelijke
nabijheid aan eene ketting gebonden te houden (mablènggoe). Zijn waanzin
is afgenomen, *nu hij tot het besef komt, dat zij beide tegelijk zullen
sterven. Samenspraken tusschen de veroordeelden gedurende dit tijdperk,
bijv. over eene vereeniging in Indra^s hemel waar geen Balisch monarch
of wet hen meer kan scheiden, enz. Ver vloekingen tegen het Gouvernement,
dat de souve- reiniteit heeft over landen, waar zulke wetten kracht
hebben en onder wiens vlag zulke gruwelen kunnen plaats hebben.
Vijfde tooneel. Executie. Hij wordt gekrist (kësalang)
nadat hij eerst heeft moeten toezien, dat zij aan den vuurpoel wordt
prijs gegeven (laboeh g'ni.)
Of zulke drama^s in werkelijkheid veel op Bali
worden afgespeeld? Waarde lezer! De afloop is zeker niet altijd zoo
tragisch, zoo poëtisch, doch dat er zulke drama's kunnen voorkomen, dat
de eerste acte van het vierde tooneel zelfs bij herhaling wordt
afgespeeld, is zeker
Behalve de menschonteerende zedeloosheid
dezer.in alle rijken van Bali vigeerende wet, kan men begrijpen, hoe op
deze wijze syphilis door alle oorden van het eiland wordt verspreid. Ik
ben in de gelegenheid geweest, op mijne reizen door Bali verscheidene
dezer beklagenswaardige wezens te spreken, en daaronder nog jeugdige
individuên, die met tranen in de oogen haar ongelukkig lot betreurden.
In Badoeng heb ik pajoroan's ontmoet die de jaren der puberteit nog niet
waren ingetreden en toch door den vorst werden gedwongen,
maandelijks een zeker quantum op te brengen van het bloedig verdiend
geld. Ieder vorst heeft van 200 tot 300 en meer pajeroan'^, die dus voor
hem een voorname bron van inkomsten zijn. Doch, al erkennen wij, dat het
feit op zich zelf op zijn zachtst genomen onmenscheljjk is, vooral
volgens onze Westersche begrippen^
toch mogen we, bij de beoordecling van dit feit, niet de geheele schuld
werpen op de vorsten, die door de landswetton als 't ware genoodzaakt
zijn, voor de weduwen en weezen te zorgen, welke door de omstandig-
heden aan hun paleis vervallen. Op hen rust in dat geval de erplichting,
om zoowel de oude moedertjes, de jonge kinderen en de ziekelijken te
verzorgen als de huwbare meisjes. Ook moeten wij rekening houden
met het peil, waarop zedelijkheid on beschaving, altijd volgens
Westersche begrippen, bij de Baliêrs staan en vooral niet uit het oog
verliezen, dat we te doen hebben met een uiterst voluptueus en zinnelijk
volk, men zal dan het feit kunnen verklaren, dat de vorsten de dingen,
die wij zoo verafschuwen en hekelen, allezins geoorloofd en natuurlijk
vinden. Ook vergete men vooral niet de ondergeschikte positie, die de
vrouw in de Balische maatschappij inneemt, men zal dan beter kunnen
begrijpen, dat de vorsten er hoegenaamd niets
ongerijmds in vinden om zich eenigzins schadeloos te stellen voor de
groote uitgaven voor hunne weduwen- en weezeninrichting, door geld te
slaan uit de eer van jonge meisjes.
Laat ons bij de beoordeeling van het zedelijkheidsgevoel der Baliërs
bovendien niet te streng zijn. Vergeten wij niet, dat het volk dat ons
thans bezig houdt, om zoo te zeggen, geene nieuwere geschiedenis heeft,
dat zijne ontwikkeling en beschaving nog staan op de hoogte als vóór
eenige honderdtallen jaren, dat het als 't ware nog teert op den roem
zijner groote mannen, die in zijne herinnering voortleven door de
heldendichten en fabelen, die tot dezen tijd zijn bewaard gebleven, en
verliezen wij vooral niet uit het oog den invloed, dien de dsdienstvorm
uitoefent.De godsdienst der Baliërs is het product van twee godsdiensten,
het Hindoeisme en het Polynesisch heidendom^ bij beiden is de phallus-
dienst voorheerschende. Ieder volk bijna heeft gedurende een zekere
phase zijner ontwikkeling, meestal samenvallende met den bloeitijd van
zijn bestaan, een tijd gehad, waarop de zedelijkheid dikwijls nog
beneden het peil stond van die, welke wij bij onze Baliërs zoo af-
keuren. Strabo verhaalt, dat gedurende zijne reizen in Bahylonië iedere
vrouw gehoorzaamde aan het orakel, dat haar de verplichting oplegde, om
lederen vreemdeling als haar eigen man te beschouwen; y^mos estj^ zegt
hij, cum hospite corptés miscere'^ Iets dergelijks vinden wij bij de
Hebreen, Romeinen, Grieken en Persen der oudheid terug, en men staat bij
het lezen der geschiedenis dezer volkeren verbaasd over hunne
verregaande onzedelijkheid, die bij hen plaats vond, toen ze op het
toppunt van ontwikkeling stonden. Dit zelfde verschijnsel zien we ook
bij de meeste nieuwere volkeren, vooral bij die van het Oosten. Hoe kant
zich niet ons zedelijkheidsgevoel tegen het feit bijv, dat vele
Japanners hunne dochters, zoodra ze huwbaar zijn, in een maüon de joie^
aldaar theehuizen genaamd, brengen en ze daar in ruime mate voorschot
doen nemen op de rechten van het huwelijk, terwijl eerst na eenigen tyd
verblijf in die inrichtingen een Japansch jongeling haar ten huwelijk
mag vragen. Er zijn, vooral onder de tropen, nog meer landen, waar het
voor de vrouwen nog geldig is : cum plurimis con* cubuisse fnaximum
decus^ Hij, die meer over dit 'onderwerp wenscht
te weten, beveel ik de lezing aan van ,,1' histoire de la prostitution"'
van Pierre Dufour^ een werk dat met veel tact en kennis van zaken is
geschreven of het niet minder degelijke werk van J. J. Virey^ get : De
la femme, sous les rapports physiol: moral et littéraire.
Wat zou een Baliër' wel zeggen van de zedelijkheid der zoogenaamd
meer beschaafde volkeren van Europa als hij eens een kijkje konde nemen
in de huishouding van onze haute volee Yolgens de Balische wetten wordt
bij overspel de vrouw slavin en de man ter dood gebracht. Bloedschande {salah
timpal of béro) wordt met den dood gestraft (verdrinking en verbranding)
en deze straffen worden al in hare gestrengheid toegepast. En in Europa!
Zien wij ter loops welke plaats de vrouw in 't
'algemeen in de Balischa samenleving bekleedt. Reeds bij de geboorte
wordt het meisje niet met die vreugde ontvangen als de jongen. Het is
immers eene illusie van den Baliêr, dat zijne vrouw hem vele zonen
schenkt en al mag de moeder haar dochtertje dezelfde liefde toedragen,
ter wille van haar heer en echtgenoot had ook zij liever gezien, dat de
nieuwgeborene een
knaapje was geweest. Wel plaatst de vader de sanggah (offernis bij de
geboorte van een kind) op het voorplein van zijn erf, doch de dank
offers worden daarin niet met onverdeeld genoegen neergelegd*
Doch de moeder zij zal ook haar dochtertje dezelfde liefde toedragen en
voeden als ware *t een zoon geweest, al mag ook de vader zich thana
weinig bekommeren om het kind en er nauwelijks meer naar omzien. En het
meisje wordt door de moeder gezoogd en geliefkoosd en speelt later onder
haar toezicht zelfs met de knaapjes in het zand en in het water, totdat
ze vijf of zes jaar geworden is. Thans wordt haar reeds de taak
opgedragen, om op de kleinere broertjes en zusjes een wakend oog te
houden en nu en dan de kleine te schommelen, die daar in de ajoenan (eene
soort van wieg) ligt, zoolang moeder afwezig is, of ze gaat met de
moeder naar de passar om daar de mand met vruchten, die ze zelve op haar
hoofdje derwaarts drangf, aan den man te brengen, of ze helpt de moeder
bij de tjagfjag (weeftoestel) of bij het verwen van kains. bij het
bereiden van het eten in de zoogenaamde keuken (pah(m) of bij ander
huiswerk, ja zelfs hij het manji (padisnijden), njoekoetin (wieden) of
anderen veldarbeid. En onder den voor haren leeftgd
reeds moeielijken arbeid dwalen hare gedachten dikwijls af naar buiten,
waar hare broertjes en hunne speelmakkers zich vrij en lustig bewegen en
zich bezighouden met het mëlalajangan (vlieger oplaten),
zich amuseeren met het mégangsing (tollen) of andere kinderspelen, of
dol veel pret hebben bij eene waijang-voorstelling ; ze zou zoo gaarne
meedoen. Dat er van intellectueele opvoeding geen sprake is, van moreele
zoo 't kan nog minder, laat zich maar al te goed denken. zich de
propaedeutiek eigen maken van haar later zwoegen en slaven, zeidaar
alles. Ze heeft het van hare moeder af te zien hoe ze later den geheelen
dag heeft te werken om haar man het noodige te verschaffen, ook voor
spel en amiioen.
Eindelgk heeft ze den leeftijd bereikt van 12 d
13 jaren; nu wordt er voor het eerst notitie van haat genomen, want de
vader geeft, ten bewijze dat ze van kind maagd is geworden (menèk-dM =
eerste menstruatie) en dus huwbaar is, een soort van feest, waarbij zij
zelve evenwel niet of weinig tegenwoordig is, daar ze zich gedurende
eenige dagen moet opsluiten. Het eigenbelang van den vader is hier
trouwens de grootste drijfveer tot het geven van het feest. Hij moet nl.
trachten, door eenigen praal en luister te vertoonen bij dit feest,
zijne dochter op de meest voordeelige wijze van de hand te doen, te
verkoopen, d. i. uit te huwelijken, ten minste reeds de attentie van
dezen of genen jonkman op haar te doen slaan. Nog eens wordt er 'vóór
haar huwelgk een feest (sangihfeest) ter harer eere gegeven, nl. bij
gelegenheid dat hare tanden worden afgevijld (mësanngih^ laag Bal:;
mëpandës; hoog Bal:). (Bij de jongens geschiedt dit meest iets later, nl.
op zestienjarigen leeftijd ; meestal worden op Bali alleen de voorste
tanden iets aangepunt of een weinig afgevijld. Men hecht aan deze
godsdienstige acte vooral daarom veel waarde, omdat de Baliër overtuigd
is, dat iemand, wiens tanden niet zijn gevijld, na zijn dood tot de
grootste martelingen wordt veroordeeld, bijv. het
aanhoudend kauwen op hard hout. Eigenaardig is het, dat een Baliêr nooit
zal spreken over dergelijke straffen, die hem hier namaals kun- nen
worden opgelegd. Een soort van heilige vrees, misschien pic«
teit, weerhoudt hem om zich daarover uittelaten ea slechts bij ver-
rassing kan men hem het een of ander dienaangaande ontlokken. De meeste
van dergelijke bizonderhedcn heb ik van den tolk van den Gekommitteerde,
(een Balisch mahomedaan).
Yan een huwelijk in de beteekenis, die het bijv.
in Europeesche landen heeft, weet men hier niets. Het meisje wordt door
den man die haar begeert, van de ouders gekocht of gestolen. Het eerste
kan op tweederlei wijze plaats hebben, nl. door de koopsom 60 a 100
gulden (en parenthese ^ de som die men op Balt voor een paard betaalt)
direkt aan den vader te betalen (mépadik) of door de^ som, evenals
bij de aartsvaders, eerst bij den vader in dienstbaarheid te verdienen (mëtoenggoé).
De tweede manier om eene vrouw te krggeu,
en die in de lagere standen bijna regel is, is, dat men het meisje
zijner keuze eenvoudig schaakt, hetzij met hare toestemming (mérangkat)
o{ tegen haar zin, met geweld {ngëdjoek of mélëgandang), Yio&gi&t
merkte ik reeds op, dat het woord wiwdla = htCtcelijk woordelgk
beteekent wegvoeren en praudhd = de hruid^ de weggevoerde, In het eerste
geval betaalt de schaker eene boete aan den vader, ongeveer
gelijkstaande met den prijs van een sapie, in het tweede geval is de
boete hooger. Wordt een meisje geschaakt, wier tanden nog niet gevijld
zijn, dan betaalt de schaker het dubbele van de som, die hij anders
zoude moeten betalen. Dat ook hier weer onderscheid wordt gemaakt
tusschcn de verschillende kasten, waartoe de schaker 'behoort,
behoeft geen betoog. De hoogere kasten hebben ook in dit opzicht
meerdere voorrechten. Hij, die over dezen primitieven vorm van het
huwelijk, nl. die door schaking, die in de vroegste oudheid algemeen en
bij de meeste onbeschaafde volkeren nog de eenigste is, iets na- ders
wil weten, beveel ik ten zeerste de lezing aan van een hoogst belangrijk
artikel in de Indische Gids^ jaargang 1880 en 1881, „Over de primitieve
vormen van het huwelijk en den oorsprong van het ge- zin^^ door G, A.
Wilken. Gekocht of gestolen alzoo, als ware zij een
stuk vee, wordt zij het wettig eigendom van don kooper of schaker,
indien deze slechts niet verzuimt, de ptHoemhas (koopsom) te betalen. Ik
zeide daar, evenals een stuk vee, dit is niet geheel juist, daarop
het stelen van vee een zware straf en veel boete is gesteld, zelfs
vogelvrij verklaring kan tengevolge hebben. Het meisje verandert us
eenvoudig van eigenaar, en er wordt het alleminst naar gevraagd of haar
nieuwe meester de man harer keuze is, evenmin als dat men er zich aan
laat gelegen liggen of waarachtig zuivere liefde in de heilige
beteekenis van het woord, dan wel voluptcts, dierlijke zinne- lijkheid,
de portee zijner handeling is.
Zoo heeft ze dan eindelijk het ouderlijke huis
verlaten, alwaar haar pad waarlijk niet met rozen was bestrooid, ze is
gehuwd en zal nu de genietingen smaken, die het huwelijk haar aanbiedt
en zich ten minste eenigzins schadeloos stellen voor hetgeen ze in hare
jeugd is te kort gekomen, zoo meent ge! Welnu, in het huis van haren
nieuwen meester wordt ze geduld, zoolang het dezen belieft; immers hij
heeft het recht om haar weg te zenden, bijv. wanneer ze hem geene
kinderen schenkt of om welke reden ook, ja zelfs zonder
reden; hij kan haar desverkiezende aan een anderen wegschenken,
verkoopen, verdobbelen, of bijv. bij hanengevechten als weddingschap op
het spel zetten; hij kan haar, bij het koopen van een koe of
varken of wat dan ook, als onderpand weggeven, om haar weer intelossen,
als de termijn verstreken is, en de wet staat zulk een co?tnu- bium
promiscuum toe, en al zwijgt ze dan ook van het recht van den man om
zoo, naar willekeur, met zijn vrouw te handelen, toch ziet men dit maar
al te dikwijls gebeuren. Ge zult misschien zeggen : in de meeste
gevallen zal ze bij dien ruil winnen. Indien ze kinderloos is, stem ik
dat volkomen toe, doch ook de Balische vrouw kent het woord y^moederliefdej*
en al smaakt ze ook weinig de genietingen van het leven, al blijven haar
daardoor vele zoete en aangename indrukken vreemd, toch klopt ook in
hare borst een hart, gloeiende ware liefde voor de kinderen, die zij het
aanzijn schonk en die kinderen worden
haar ontroofd, mogen haar niet volgen. Zij blijven bij den vader als
diens wettig eigendom. Yan daar dat men zoo zelden hoort van wettige
echtscheiding; de Balische wetgevers hebben dit der vrouw anders zeer
goedgunstig toegestaan, indien ze meent al te zeer mishandeld te worden,
mits ze slechts zorgt, dat den man het dubbele van den koopprijs wordt
terugbetaald en ze natuurlijk afstand doet van hare kinderen. Ook mag ze
zich, bij al te slechte behandeling, bij den vorst in dienst stellen (ngadjëro),
doch ook in dat geval kan
de man eischen, dat de kinderen bij hem blijven. Qeeft ze haren heer en
meester geen reden tot klagen en dunkt het hem goed haar bij zich te
houden en niet te mishandelen, dan mag ze de huwelijkssponde met een
drie- of viertal of meer vrouwen deelen, met wie ze, zooals van zelf
spreekt, zorgen moet in vrede te leven, wil ze geen gevaar loepen om als
onruststookster weggejaagd te worden, alweer met achterlating van
hare kinderen. Benijdenswaardig is haar lot als huisvrouw, zooals ge
ziet, voorzeker niet. Dat er bij dit alles van een huiselijk leven, van
familiegeluk of hartelijkheid onderling, geen of weinig sprake is, laat
zich maar al te zeer begrijpen.
Doch ook indien voor haar alles naar wensch
gaat en ze om zoo te zeggen in den smaak valt van haren echtgenoot, dan
heeft ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat te werken en te zwoegen,
om man en kinderen het noodige te verschaffen, terwijl de man liefst den
cenen dag na den anderen in een dolce far niente^" doorbrengt, wei te
verstaan, wanneer de landbouw- werkzaamheden zijn afgeloopen; alleen in
dien tijd werkt hij en is dan zelfs uiterst ijverig. Zelden ziet men bij
feestelijke gelegenheden of bij volksspelen vrouwen
tegenwoordig, dit zou niet passen ; buitendien hebben ze te zorgen voor
hare huishouding en toe te zien, dat er geld aanwezig is, opdat de man
straks kan dobbelen en opium schuiven. Van slaafsche onderdanigheid zegt
Birnie in zijne meer aangehaalde brochure, zagik niets.''' Hij heeft dan
zeker nooit gezien hoe de vrouw haar man nadert. Ik ben meermalen in de
gelegenheid geweest waartenemen, dat die verklaring van den Heer Birnie
ton minste geen betrekking kan hebben op de verhouding van de vrouw
tegenover den echtgenoot. Tijdens eeno vorige reis verzocht de radja
Kasiman van Badoeng mij eene zijner vrouwen te onderzoeken, die aan erge
be-
nauwdheden leed, evenals -een harer kinderen ; bij beiden constateerde
ik eene hartziekte. Het was vervelend om te zien, hoe de vrouw, n.
b.zijne eerste wettige vrouw, om des radja's stoel rondkroop, om
eindelijk achter zijnen stoel met gebogen hoofd in de meest onderdanige
houding neergehurkt te blijven, en de radja had heel
veel werk, om haar op mijn verlangen, ten einde haar te kunnen
onderzoeken, onder het verstand te brengen, dat het haar veroorloofd was
op te staan, hetgeen ze eindelijk, na vele semhalCs gemaakt te hebbon,
deed ; nauwelijks was het onderzoek afgeloopen, of ze kroop wéér naar
hare binnenvertrekken terug, 't Kan zijn, dat in dit speciale geval die
kruipende onderdanigheid meer den vorst, dan den echtgenoot gold, zooals
men dit immers bg de meeste Oostersche volkeren ziet; doch ook bij
mindere dan vorstelijke personen kan men op Bali zulke stuitende
bewijzen te zien krijgen van de slaaf- sche onderdanigheid der vrouw.De
godsdienst heeft ook
hieraan zeker schuld, zult ge misschien meenen. Integendeel, het feit
kan m. i. juist als bewijs dienen, dat het Brahmanisme, de voor- naamste
vorm waaronder het Hindoeïsme zich bij de Baliêrs vertoont, veel van
zijn oorspronkelijk karakter heeft verloren. Immers, vlg. Clavel^
Geschiedenis der godsdiensten^ leest men in het boek Manava- Sastraj (het
wetboek van Manoe) dat handelt over de plichten van de aan- hangers van
dezen godsdienst, het volgende : „Overal waar de vrouwen ^worden vereerd,
zijn de godheden voldaan, maar als men haar niet eert, „zijn zelfs de
vroomste daden onvruchtbaar. Elk gezin, waarin de „vrouwen in droefenis
leven, zal niet lang bestaan ; maar wanneer zij niet „ongelukkig zijn,
dan groeit en bloeit het gezin. De huizen, op „welke een vloek rust,
uitgesproken door de vrouwen, aan wie men „de haar verschuldigde eer
niet heeft bewezen, zullen geheel ten „onder gaan, alsof zij door een
tooverwerk waren vernietigd. Daarom „behooren de mannen, die naar
rijkdom haken, hulde toe te brengen „aan de vrouwen in hunne gezinnen en
haar van opschik, kleedercn „en- lekkere spijzen te voorzien, vooral bij
feesten en plechtigheden. „In elke familie, waarin de man behagen schept
in zijne vrouw en „de vrouw haar lust vindt in haren man, daar heeft het
geluk zijn
„infrek voor altgd genomen. Als eene vrouw niet sierlijk is getooid,
„zal zij in het hart van haren gade de vreugde niet opwekken en „als de
man geene vreugde gevoelt, zal het huwelijk onvruchtbaar „blijven." Deze
zedcles nu is zoo geheel in strijd met de tegen- woordige positie van de
gehuwde Balische vrouw, dat men mag
beslissen, dat het Brahmanisme van Bali zeer vervreemd is van den
eer-roover (s. v. v.) eene boete, natuurlijk de hoogere kasten minder
dan de lagere. Behoort het meisje tot de hoogste en de jongen tot eene
lagere kaste, dan wordt de eerste, zooals wij reeds yróeger zagen,
verbrand en de andere in zee verdronken, behalve in Boelèlèng en
Diémbrana^ alwaar deze straf in levenslange verbanning buiten het eiland
is veranderd. Bij de lagere kasten worden beide gekrist.
De geslachtelijke omgang op 'jeugdigen leeftijd
geschiedt niet altgd in het geheim, doch dikwijls met medeweten van de
ouders der beide partijen. Zoo is het bekend van den tegenwoordigen
vaccinateur van
Boelèlèng Ida Mantra Bagoes^ dat hij nog op zeer jeugdigen leeftijd zijn
kamertje en balc-balé ten huize zijner ouders mot zijn nichtje Ida-aijoe
Foetoe deelde, en dit met medeweten der wederzijdsche ouders, die beide
kinderen voor elkaar bestemd hadden. Nauwelijks hadden beide den
leeftijd van veertien jaren bereikt, nog waren hunne tanden niet gevijld
of de vader van den knaap spoorde dezen aan, om zijn nichtje quasi te
schaken en daarbij de noodigo formaliteiten in acht te nemen, dus te
huwen; dit geschiedde om te voorkomen, dat een ander Brahmaan uit
Bandjar het meisje zoude schaken. De vader had namelijk gehoord, dat
bedoelde Brahmaan van dit plan zwanger ging. Alles liep in de gewenschte
orde af, de kinderen waren gehuwd en eerst na het huwelijk werden hunne
tanden gevijld. Dit onbelem- merd en straffeloos zich prostitueeren van
ongehuwde meisjes, dat men ook bij andere halfbeschaafde volkeren kan
aantreffen, moet minder beschouwd worden als een gebrek aan schaamte of
zedelijk- heidsgevoel, die zich in den loop der tijden door de
omstandigheden heeft ontwikkeld, doch veel meer als een overblijfsel van
den communalen echty uit. den tijd toen het persoonlijke huwelijk nog
niet bestond, doch alle vrouwen van een stam aan alle mannen uit dien
stam toebehoorden (zie hierover: „Das Ausland" Jhrg: 1882 No. 6, on het
vroeger genoemde artikel in „do Indische Gids" van Wilken). Paederastie
{ménjélU) wordt op geheel Bali in erge mate bedreven en evenmin met den
sluier der geheimzinnigheid bedekt. Hierover sprak ik reeds vroeger.
Bijna in dezelfde mate, doch meer geheim,
heerscht onder de meisjes de zoogenaamde Lesbische liefde {mêfjèngfjèng
djoeoek woor- delijk mot de bekkens tegen elkaar slaan zonder geluid te
veroorzaken; in 't maleisch y^bêrtampoeh laboe'^] tampoeh = de kroon van
een vrucht, misschien eene toespeling op de clitoris) met hare digitale
en linguale variaties. De sterk ontwikkelde clitoris, waarmee vig.
deskundigen vele Balische schenen zijn gezegend, werkt dit misbruik zeer
in de hand. In weerwil van het y^entrée libre^\ dat de meeste
dochteren ChanCs hier in haar banier voeren, is toch, vooral onder het
jongere geslacht, onanie en masturbatie vrij algemeen. Zij noe- men dit
jffijoktjok''. Eetimoen en pisang worden door de Balische meisjes veel
als versnapering, doch niet alleen als mondkost, gebruikt. In het
boudoir van menige Balische schoone en zeker in iedere harem kan men een
uit was vervaardigde j^plaisir des dames'^ vinden, die den bescheiden
naam van j^ganèni" of tjélak-tjëlakan malèm (tjélak == penis, nialèm =
was) draagt, en menig uurtje wordt in stille afzondering met dien y^consolateur^'
doorgebracht. De ganèm heet ook wel koempëntji.
De Baliërs kennen eene massa middelen, die het
wellustge voel bij den coïtus (mëkatoekan) en de geslachtsdrift
vorhoogen en er wordt een niet al te gering gebruik van deze middelen
gemaakt. Vroegtij-
dige impotentie, doch vooral blaasziekten zouden hiervan dikwijls het
gevolg zijn. Reeds bedaagde vorsten hebben wij meermalen om middelen
gevraagd, die hun de verlorene Erections-Fdhigkeit^^ kon- den teruggeven,
daar de bij hen gebruikelijke middelen thans zonder gevolg bleven. Deze
middelen behooren meestal tot het plantenrijk. Een der meest
gebruikelijke is de Padang-derman (bal:) oi Pander^ man (Jav:) de
bladeren ven Artemisia vulgaris L: nat: fam: der Compositae. Ook de
Ghineezen leveren hun dikwijls middeltjes voor
dit doel. Ten einde het genot van den coïtus te verhoogen, wordt o. a.
door de vrouwen vóór den coïtus een rood, harsachtig poeder, gopita
genaamd, dat prikkelende en samentrekkende eigenschappen
bezit, en eene vernauwing van het lumen der vagina schijnt te bewerken,
in de vulva (laag bal: tëli; hoog bal: srira) gestrooid. Ten onrechte
beweert van Eck^ dat dit middel de vruchtbaarheid der vrouw zou
bevorderen en men het tot dat doeleinde aanwendt.Ook in het aanwenden
van mechanische middelen, om het genot van den coïtus te verhoogen, of
in het uitvinden van verschillende behagelijke posities gedurende deze
aqte, doet de Baliêr volstrekt niet
Daar de djoeragan het plan had om, zoodra wind en stroom ons gunstig
waren, onder zeil te gaan. Zonder onze voorkennis had onze gastheer
kippen, eenden, vruchten enz. aan boord laten brengen, zeker om ons nog
ten overvloede een bewijs te geven, hoezeer hij ons bezoek op prijs
stelde. De bevolking van dit gedeelte van Karang-Asëm ziet er minder
goed uit, dan men bij eene goede voeding, waartoe hunne middelen hen in
staat stellen, zoude mogen verwachten. Hoogst- waarschijnlijk is dit een
gevolg van de vele koortsen, die in sommige
tijden van het jaar aldaar vrij hevig heerschen. Men vergete niet, dat
de kusten rondom Bali^ uitgestrekte koraalriffen hebben. Syphilis moet,
evenals op alle landingsplaatsen van Bali^ ook hier vrij hevig en
algemeen voorkomen. Kropgezwellen zag ik aldaar niet, doch moeten deze,
volgens het verhaal van den pembekel, in het gebergte zeer veel
voorkomen. Het grootste deel der bevolking spreekt, evenals die der
overige kustplaatsen, zeer goed maleisch, een natuurlijk gevolg van haar
voortdurend contact met andere volken van den Archipel.
Vóór we van Tjoelik vertrekken, wil ik nog even gewag maken van eene
ontmoeting, die we dien morgen op de passar aldaar hadden. Ik was nl.
derwaarts gegaan in gezelschap van mijn reisgenoot en onzen gastheer, om
eens te zien, welke artikelen aldaar werden ver- kocht en omdat ik daar
in de gelegenheid was de bevolking eens op te nemen in hare dagelijksche
bedrijvigheid. Op een der uitstalletjes, om welke de meeste lui hadden
post gevat, lagen vele soorten van ge- bakjes, kains, visch, vruchten
enz. De eigenares, een oud moedertje
met grijze haren en een ingevallen, rimpelig gezicht, scheen in hooge
mate de lach- en spotlust der vele omstanders optewekken, waartoe hare
ietwat vreemde kleeding zeker aanleiding gaf. Zij droeg nl. op
de wijze van vele Balische mannen een hoofddoek en was tevens voorzien
van een kris, die achter in haar buikband stak. Overigens was ze gekleed
op de wijze der Balische vrouwen. Een versleten, vuil en blauw stuk kain
deed als sarong dienst, terwijl eene bonte salendang ter nauwernood den
op non-activiteit gestelden boezem bedekte, en het wilde mij toeschijnen,
dat die haren vóór den tijd waren vergrijsd en de rimpels op het
uitgedroogde gelaat niet alleen oen gevolg waren van ouderdom. Er
speelde een droevige trek om haar
mond, in weerwil ze schijnbaar luchthartig de menschen te woord stond,
die haar iets kwamen afkoopen of die haar plaagden. ^Ttoê orang gila^\
antwoordde de Chinees, dien ik naar de reden van de
hilariteit der omstanders vroeg, luid genoeg, dat het yrouwtje het konde
verstaan. Nauwelijks had ze dit gehoord, of ze kwam vanachter haar
warong naar ons toegeloopen, liet de koopwaren en de omstanders
in den steek, keek ons zeer vertrouwelijk aan en zeide in goed Maleisch:
„Geloof het niet, die menschen daar om mij heen houden „mij voor gek en
plagen mij telkens, omdat ik een hoofddoek draag „en een kris. Wanneer u
mij daartoe verlof geeft, zal ik u de „reden verhalen, waarom ik mij zoo
vreemd kleed, u zult mij dan,
„ik ben er van overtuigd, niet voor zoo gek houden, als die andere
„menschen doen; misschien zult u medelijden met mij hebben." Ik begon
belang te stellen in het oude mensch en gaf haar gaarne verlof hare
geschiedenis te vertellen.
„Ik had een zoon, die reeds volwassen was," zeide zij, „want hij was
pengajah (heerendienstplichtige). Hij was mijn eenigste, mijn alles, „de
steun van mijn ouderdom. Hij word op zekeren dag bij den vorst
„ontboden, die hem als boodschapper naar Badoeng zond, want, hij was
„sterk en dapper, weet u." Hier volgde een kleine pauze, gedurende welk
oogenblik zij met haar salendang een paar tranen wegveegde, die het
reeds doffe oog verduisterden. „Dien zoon, mijnheer! hebben „ze in
Badoeng vermoord, ik heb hem nooit wêergezien en het eenigste „wat Ik
nog van hem bezit, is zijn hoofddoek en kris, die hij veelal» „droeg.
Als aandenken aan mijn kind bewaar ik die beide zaken als „een heiligdom,
en draag ze als een reliquie; ze mochten me ook „die eens ontnemen." Na
dit verhaal, dat ze ongekunsteld, doch blijk- baar met moeite deed,
bevochtigde een tranenvloed de perkamentachtigewangen, en daar vloog mij,
geloof ik, een vliegje in 't oog ; ik verwijderde mij even, gevolgd door
den Chinees, die mij verhaalde, dat werkelijk een paar jaren geleden
haar zoon door den vorst naar Badoeng was gezonden om te spioneeren, dat
hij aldaar ontdekt en vermoord was. Toen ik weer bij het warongtje
terugkwam, zag het oudje mij aan zoo vertrouwelijk, zoo gelukkig, alsof
zij zeggen wilde,
„gij hebt mij ten minste begrepen." Ik drukte de ongelukkige moeder de
hand en sprak meer met de oogen dan met den mond mijne overtuiging uit,
dat ik haar niet voor gek hield, en dat ze mij begreep. bewees de
glimlach, die zich op haar gelaat vertoonde. En onder de omstanders, die
haar zoo straks hadden bespot en uitgelachen, heersch- te eene heilige
stilte. Mijn reisgezel en ik kochten het een en ander van de vrouw en
daar we geene kèpèngs hadden, betaalden we met groote munt en vergaten
het gekochte mêetenemen. Een veelbeteekenende handdruk gold voor haren
dank. Dat was de uitdruk- king der moederliefde in de edelste en reinste
beteekenis van het woord. Die heldin verdroeg hoon en spot ter wille van
het gevoel van moederliefde, dat ze niet wilde, niet kon prijs geven.
Wij gingen des nachts om drie uur onder zeil en kwamen eerst des
middags om ruim drie uur ter reede van het kustplaatsje Pa^ dang. Was in
het begin de wind gunstig, zoodat we dachten, reeds na een paar uren
Padang te bereiken, weldra moesten we de nuk- kigheid van den ouden
Neptunus ondervinden en tot de overtuiging
komen , dat men op zee op niets behoeft te rekenen. Het werd nl.
bladstil , en de matrozen moesten flink roeien , om ons nog vóór den
tijd dat ook de stroom geheel in ons nadeel zou komen, ter reede Padang
te brengen. Van deze plotselinge windstilte droeg mijn jongen , die mij
op deze reis vergezelde , de eenige schuld , zooals onze djoeragan bij
kris en kras verzekerde. Het geldt nl. bij de Inlan- ders, die deze
wateren bevaren, voor zeker, dat, wanneer men op de hoogte tusschen de
eilandjes Manok en Djasih iets over boord
werpt , men een ongeluk krijgt , of door tegenwind als anderzins ten
minste een langdurige reis heeft. Immers, men vertoornt daardoor den
zeegod, den een of anderen Dèwa^ die in deze wateren verblijf houdt.
Mijn jongen nu, onbekend met de eischen, die deze Dèwa stelt, had de
veeren van een pas geslachte kip over bakboord ge- worpen, waarop de
gezagvoerder ons onmiddelijk met een hoogst ernstig gezicht kwam
voorbereiden op een moeielijken tocht. En ter- wijl de roerganger en
eenige matrozen op het hooren van deze Jobs- tijding door het
traditioneele fluiten den Dèwa trachtten te verzoenen en den wind te
lokken, keek de djoeragan aanhoudend naar de lucht, om te ontdekken van
welke zijde de onheilspellende wolk kwam op-
dagen. Wij trachtten met al den ernst, dien we bijeen konden ga- ren en
met de plechtigheid, die de omstandigheden ons geboden, hem gerust te
stellen, doch deze singit was voor den man orakel- taal ett wij
eindigden met hem te verzekeren, dat we onze zielen Allah zouden
aanbevelen en hy dan in geval van nood op ons zoude kunnen rekenen. Een
ongeluk overkwam ons nu wel niet, doch we kwamen laat en met veel moeite
te Padang aan. Yan dit plaatsje en van onze ontvangst aldaar heb ik
boven reeds het een en ander meegedeeld; ik moet hier nog bijvoegen, dat
we dien middag na onze landing een uitstapje te paard maakten naar de op
drie palen afstand ±, 800 voet boven zee ^gelegene dessa Baloembang ,
eene zeer welvarende, groote kampong, alwaar ik twee prachtige
gemetselde baden met levend water bezichtigde, waarvan het een door
mannen,
het andere door vrouwen werd gebruikt. Ook van uit Padang gingen we weer
met de noodige geschenken aan boord. |