Tegen 11 uur kwamen we in de kota Kloengkoeng aan,
na een afstand van elf palen te hebben afgelegd. De ontvangst op de
grens was op lange na niet zoo schitterend als in Gjanjar^ doch mocht
voor Bali voldoende geacht worden. De paarden zagen er niet zoo goed uit
als in het vorige rijk, de koelies moesten nu en dan door
onze bedienden worden aangezet, er waren geene voorname hoofden om den
Gekommitteerde op de grens te verwelkomen, en bovenal, er ontbrak die
netheid en orde, die ons in Gjanjar zoo hadden verrast; doch wij waren
daar ietwat verwend en het liet zich dus voorzien, dat het ons in
Kloengkoeng eenigzins zou tegenvallen. De weg tot aan de kotta klimt in
zachte glooiing. Over ^t geheel zijn de wegen hier breed en goed en
doorsnijden keurig onderhoudene sawahs en vooral prachtige tabaksvelden.
Het viel mij op, dat hier
op de sawahs zoovele hedoegoeVs (tempeltjes voor de godin van den oogst)
stonden. Deze godin is de Sri der oude Hindoes, van wie waarschijnlijk
de godin Ceres {Sri) der oude Grieken is afgeleid. Beide staan bekend
als de godin des overvloeds en desgeluks. Yele Baliërs, die ik naar de
beteekenis der tempeltjes vroeg, gaven mij eene andere verklariog. De
bedoegoel wordt vlg: hen geplaatst op een plekje grond vcm een sawah of
tuin, welk plekje dan als heilig wordt beschouwd en door niemand mag
betreden worden.
We moesten op ons traject van heden een paar breede rivieren
doorwaden. De dessa 's, die wij passeerden, zagen er eenigzins florisant
uit. Tod jan moet de meest bevolkte dessa zijn van geheel Kloengkoeng^
hoewel de bevolking om het handwerk nl.
pottebakken, dat ze uitoefent, door de Baliers als het uitschot der
maatschappij, als het laagste plebs wordt beschouwd. Ook de blauwverwers
pawu^mn die men door heel Kloengkoeng vindt, genieten dese
onderscheiding; men beweert nl. dat deze lieden bg eene vroegere
geboorte apen geweest zijn. Men weet dat bij alle Hindoerolken
aan het dogma der zielsverhuizing wordt vastgehouden. In de onmiddelgke
nabgheid van de genoemde dessa Todjan moet deh volgens de legende de
plaats bevinden, die van het eiland Balt het eerst uit zee opdook.
Kloengkoeng het eens zoo machtige rijk, wiens vorsten de alleen-
heerschers van geheel Bali waren, is thans sterk in verval en het minst
bevolkt van alle Balische rijken. Doch langen tijd nadat die
alleenheerschappg der vorsten van Kloengkoeng had opgehouden, werd de
vorst van dit rijk nog altijd als de voornaamste vorst van Bali
beschouwd en geen ander radja durfde iets uittevoeren zonder toe-
stemming van den Dèwa-agoeng van Kloenkoeng. TaAU nu nog, nadat er reeds
lang Balisch gras is gegrodd over Kloenkoeng’sroem, nu zijne macht
grootendeels gefnuikt en zijne welvaart aan het tanen is, voert deze
vorst nog steeds den titel van Dhra-ayoeny^ terwgl die der overige
vorsten Anak-agfjenfj is en spreekt hij deze laatsten steeds in de lage
taal aan. Doch het eene rijk na het andere zeide hem de gehoorzaamheid
op, zodat men kan zeggen, dat hij zich thans alleen nog in het rijk
Mengwi en Bangli doet gelden. Met dit laatste hof is hij trouwens
geparenteerd, daar hij getrouwd is met de zuster van den thans
regeerenden vorst van Bangli. Alleen mieng^wi verschuilt zich, zooals
wij later zullen zien, in zaken van gewicht steeds achter het
zoogenaamde oppergezag van Kloengkoeng. De vorst van Meng^wi is ook de
eenigste, met wien onze Regeering
niet direct een contract heeft gesloten; voor hem heeft de Dèica- agoeng
van Kloengkoeng geteekend. Ook over Gjanjar wil deze nog zgn oppergezag
doen gelden, doch sedert vele jaren is hij reeds met dit rijk, misschien
wel om deze reden, in oorlog. Het woord Dètca duidt, zooals we reeds
zagen, de kaste aan, waartoe de persoon behoort. De vorst van
Kloengkoeng^ dit zagen we ook reeds, behoort evenals die van Bangli en
Gjanjar tot de 2® kaste; het woord jfOgoeng^^ achter zijn titel
beteekent ^groot^'' y^verheven^' ] degeheelo titel, dien hij ter
onderscheiding van do andere vorsten voert, be- teekent dus ^<le
verheven Deiva^ ITij is of liever was oorspron- keiijk zooveel als de
paus van Bali en geeft nog groote alge-
meene tempelfeesten. In 't sanskriet spreekt men ieder Torst met Dëwa
aan en Dèwa-agoeng is eene vertaling van oettoengga-dèwa : oppervorst^
een titel van de oud-Javaansche vorsten, zooais die steeds in
inscripties gevonden wordt. Werpen wij een vluchtigea blik op de
geschiedenis van Bali gedurende de laatste vier eeuwen, ten einde na te
gaan op welke wijze de vroegere en tegenwoordige ver- houding van den
Dhca-agoeng tot de zeven overige vorsten is tot stand gekomen.
De betrekking, die er tusschen het eens zoo machtige rijk van
Madjapahit en de grooteadecls onbeschaafde bevolking van het eiland Bali
bestond, was die van een moederland en een wingewest. De Hindoes van
Madjapahit trachtten hunne zeden, beschaving en gods- dienst onder de
Balicrs te verspreiden, die nog op een zeer lagen trap van ontwikkeling
stonden. Ofschoon nu het „;mA; der. overheersching^^ niet bizonder zwaar
was, daar men de Baliêrs meer door zedelijk overwicht dan door kracht
van wapenen in bedwang trachtte
te houden, werd toch de druk in zulk eene mate gevoeld, dat openlijk
verzet geene ongewone verschijnselen waren. In het laatst der 15^ eeuw,
kort vóór den val van Madjapahit^ had er eene van die oproerige
bewegingen plaats en wel van zulk een ernstigen aard, dat krachtige,
meer ingrijpende maatregelen noodig werden geacht. Aan twee der
voornaamste veldheeren van Madjapahit^ nl. de reeds vroeger genoemde
Arja Damar en Patih Gadja Mada^ werd de last op- gedragen, om thans door
geweld van wapenen het gezag op Bali to doen eerbiedigen. Met een
aanzienlijke macht trokken ze derwaarts en het was vooral de
eerstgenoemde, die er den krachtigen arm der overheerschers onder de
Balische bevolking deed gevoelen. En in de Javaansche overleveringen en
in de Balische litteratuur is zijn naam als beroemd veldheer bewaard
gebleven en vele der Balische waijang-voorstellingen zijn ontleend aan
de heldenfeiten, die door hem zijn verricht. Volgens do Balische
litteratuur, die men niet alle gezag kan ontzeggen, moet hij naar het
Noorden getrokken zijn,
terwijl zijn ambtgenoot Patih Gadja Mada naar het zuiden trok. Terwijl
evenwel de laatste werkeloos bleef, deed de eerste alles voor zijne
zegevierende wapens bukken en kwam, na zijn tocht volbracht te hebben,
Gadja Mada te hulp. Nauwelijks was hij verschenen, of ook hier volgde de
eene overwinning de andere en verwierf hij zich nog meer krggsroem,
totdat ten laatste weder geheel Bali aan Madjapahit was onderworpen. Dit
was trouwens de laatste krachts- ontwikkeling van dat machtige rijk van
Java., eens de beheerscher van
geheel den Indischen Archipel, want kort daarna ging het te gronde en
werd, zooals wij reeds weten, eerst een gedeelte van Oost- Java en later
Bali het toevluchtsoord van den vorst van Madjapahit^ die voor de zege-
vierende vanen van de ^Halve Maan'^ moest wijken. Zijn geheel geslacht
en eene talrijke menigte volgelingen zochten insgelijks op Bali eene
schuil- plaats. De kolonie werd de nieuwe zetel van de oude Javaansche
Hindoe-dynastie. Aan hervormingen op Bali werd nu met kracht gewerkt en
de bevolking, nog bloedende van de wonden door den dapperen Arja Damar
geslagen, onderwierp zich lijdelijk. De vorst van Madjapahit., die by
die gelegenheid op Bali kwam, was de eerste Dèwa-agoeng^ die zijn zetel
vestigde in Gèlgèly eene dessa in Kloengkoeng., aan zee, niet ver van
den tegenwoordigen zetel van den Déwa-agoeng gelegen. Geheel Bali
gehoorzaamde aan zijn gezag; doch hij verdeelde het eiland in
verschillende afdeelingen, die hij aan aanzienlijken van zijn hof in
erfelijk leen afstond, tegenover wie hij dus als leenheer op- trad en
die hunne afdeelingen als zijne poenggawa^s of vasallen bestuurden.
Meergenoemde Arja Damar kreeg bij deze verdeeling als loon voor de
groote diensten, door hem bewezen, het leeuwendeel. Immers, behalve dat
hij met Tabanan werd begiftigd, werd hij tevens de eerste minister van
den vorst onder den titel van Patik; zonder
zijne goedkeuring mocht de vorst niets ondernemen, een voorrecht, dat
ook erfelijk was op zijne opvolgers. De andere veldheer werd poenggawa
van Meng^wi, waartoe ook een deel van het tegenwoordige Badoeng en
Ojanjar behoorde. De Dèwa-agoeng hield het grootste deel van het eiland
onder zijne direkt bestuur, nl. het tegenwoordige Kloengkocng^ Bangliy
Gjanjar en Boelèlèng. Langen tijd hebben de Dèwa-agoeng^s hunne
opperheerschappij tegenover hunne vasallen kunnen bewaren en 't is niet
onwaarschijnlijk, dat tot het midden
der vorige eeuw de vorst van Kloengkoeng als de eenige vorst van Bali
moet beschouwd worden, aan wie alle overigen ondergeschikt waren. Doch
reeds met de oorspronkelijke verdeeling van zijn uit de Bandjar^sche
expeditie in 1868, die onder majoor rein Heemskerck begonnen en onder
den Kolonel de Brabant zoo schitterend beëin- digd is: jfB, R. F. van
Vlijmen^ Bali 1868, Eene bladzijde uit de Indische Krijgsgeschiedenis",
of het artikel in de Indische Gidsvan R. van Eek: „Een en ander over
Bali." Of laatstgenoemd artikel volkomen betrouwbaar is en dus
historische waarde heeft, mag met eenig recht betwijfeld worden. Het
verhaal n. 1. is geput uit een Balisch gedicht en is, daar de Baliers
van nature bluffers
zijn en hunne daden weten op te hemelen, zeer eenzijdig. O. a. wordt het
aantal gesneuvelden aan onze zijde, gruwelijk overdreven, om niet van
andere onjuistheden te spreken.
In de passang-grahan , die bij Ae poeri behoort, juist tegenover deze
gelegen is en voor ons verblijf bestemd was, werden we, onder het lossen
van een paar saluutschoten uit oude roestige kanonnetjes , door twee
broeders van den Dewa-agoeng ontvangen en namens dezen gekomplimenteerd.
Op het plein vóór ons verblijf wapperde de Nederlandsche vlag. Het hotel
zag er zeer onzindelijk uit, sommige der kamers (lees hokjes)
verspreidden een zeer penetrante lucht van aminen en amiden en
rechtvaardigde, evenals sommige zeer ver-
dachte vlekken tegen de eens gewitte, doch thans vuile wanden, eenigzins
het vermoeden , dat zij nog kort te voren als urinoirs dienst gedaan
hadden. De Gekommitteerde liet onmiddelijk een pot met sirihkalk
aanbrengen en de muren van zijn logies niet zuinig aankalken, hetgeen
oogen en neus zeer ten beste kwam. Al hadden
we nu niet een hófel-Paulez of Amsfel-hotel kunnen verwachten, toch
hadden wij gedacht, dat de Soesoehoenan'^ van Bali het Ne-
derlandsch-Indisch gezantschap iets beter had ontvangen. De chefn'
hekel kotta^ een logge persoonlijkheid met een hoogst indifferent
philistergezicht scheen als y^ynajor donius*^ bij ons aangesteld te zijn;
althans hij was den geheelen tijd in onze nabijheid en zorgde voor de
opvolging onzer bevelen. Als zoodanig deed ook de schrijver van den
vorst dienst, een Mahomedaan van Bandjertmasin geboortig en mager als de
schaduw van een uitroepingsteeken. Dat zulke personen steeds de geheime
opdracht ontvangen om al onze gangen te bespieden, behoeft niet
betwijfeld te worden. Geen der beide personen acht ik eene nadere
beschrijving waard. Des avonds om tien uur werd een gamelan op het erf
vóór ons verblijf aangebracht , op welker toonen eene ronggeng (djogèd)
eenige hoogst bevallige Balische dansen uitvoerde. Mager en leelijk, kon
men het deze tevens duidelijk aanzien , dat zij na het meer prakti-
sche gedeelte der liefde reeds eenige term strepen had verdiend, en toch
schitterden die gitzwarte oogen nog van een inwendig vuur, wanneer ze
bevallig coquet tot bij onze nabijheid kwam aangezweefd. Zij scheen ecne
volleerde cocotte, die onder de Parijsche demi-monde eene waardige
plaats zou hebben kunnen innemen. Het tandakken der Balische ronggeng's
is verreweg mooier, n.I. in Europeesche oogen, dan dat harer Javaansche
collega's. De bewegingen zijn vlugger, gracieuser, er zit over 't geheel
meer actie in. Die lenigheid der gewrichten , die slanke buiging en
golving van het lichaam, die levendige, bevallige gestes vormen een
hoogst aangenaam en- semble, een waar lendenmuziek ; het zijn louter
gedanste tranen, zuchten en Liebes-Wiinsche , die men te zien krijgt.
Zij danste ons eene geheele geschiedenis voor, misschien wel hare eigene
treurige
levensgeschiedenis. Zij was immers panjeroan^ en welke vreeselijke be-
teekenis dit woord op Bali heeft , zullen we zien , wanneer we spreken
over de positie der vrouw in de Balische maatschappij. In het pa-
leis van den vorst fungee^e zij, zooals ik later vernam, als tan-
dak-onderwijzeres. De gamelan, die haar accompagneerde, liet veel te
wenschen over.
20 Augustus. Toen den vorigen dag zich
de mare had verbreid, dat zich onder het hooge gezelschap ook een doctor
blandda be- vond, hadden verschillende personen mij door den lyembekel
kotta doen vragen of ik hier en ginds een patiënt zou willen bezoeken.
Voor allen stelde ik mij disponibel , in zooverre de tijd mij dit ver-
oorloofde. Over 't geheel zijn de Baliêrs minder afkeerig van de Obat
blanda dan de Javanen en men kan er van verzekerd zijn, dat het
voorschrift trouw wordt opgevolgd. Daarbij zijn ze eerlijk genoeg, om ,
wanneer men hun het gebruik van "^t een of ander ont- raadt en ze geen
kans zien om het achterwege te laten, dit ook
royaal te zeggen; dat is mij meermalen voorgekomen. Zij nemen de
leelijkste medicamenten in, als ze door een doctor blanda zijn
voorgeschreven. Met oLrkini heb ik onder de opiumschuivers, die aan
hardnekkige obstipaties en uitputtende bioedontlastingen leden ^
mirakels verricht en ik geloof, dat ik op den duur den Balische
„baljans*' en den eigenaars van witte stieren afbreuk zou gedaan hebben.
Mocht een der collega's lust hebben om zich op Bali te vestigen, hij kan
zich dan bij voorbaat overtuigd houden van eene flinke, uitgebreide
praktijk; alleen moet hij de financieele zijde der zaak buiten rekening
laten. Volgens belofte begaf ik mij heden morgen, onder geleide van den
pembekel kotta reeds vroeg op weg.
Ik bezocht eenige lijders aan rnalaria-cachexie , een paar vrouwen met
hardnekkige obstipaties, ten gevolge van opium-misbruik , een paar
lijders met verouderde beenzweren,enz. Een meisje van ongeveer 13 jaren
leed aan ichthyosiSj de Baliêrs noemen deze ziekte y^kèskès.^' Aan allen
werd, zoover de voorraad strekte, obat en zoo noodig wijn gegeven;
hetgeen aan geneesmiddelen niet voorradig was , werd later in de
apotheek van de Watergeus gereed gemaakt en aan een persoon meê gegeven,
die ons tot dat doel naar boord vergezelde. Op Bali komt eene oogziekte
voor bij menschen en kippen, ten gevolge van een wormpje in de lens ;
dit wormpje noemt men aldaar pilar ; misschien is het een ctjsticercus.
Men beweert dat men uit het oog van kippen soms
25 dezer wormpjes kan uitdrukken ; het lijden aan die oogziekte heet
pilaran. Ik was nog niet in de gelegenheid dit nader te onderzoe- ken,
móet mij dus van eene nadere diagnose onthouden. Ook ca-
taract (bal. horang) komt op Bali veel voor. Ik zag hiervan vele
exemplaren. Beri-beri , in Java en misschien ook elders ,ymkit loem-
poeh*^ genaamd, heet bij de Baliërs „roewjöoe.t. Yan mijne licentie werd
een zeer ruim gebruik gemaakt , want ik had letterlijk den geheelen dag
patiënten te zien , die bijna allen tot een
der opgenoemde rubrieken behoorden. Ook zag ik een paar gevallen van
verouderde syphilis. De Kloengkoengers zien er op verre na niet zoo
gezond uit als de Gjaniaryezen , vooral de vrouwen zijn anae-
misch en zwak ; of dit een gevolg is van gebrekkige voeding , dan wel
van langdurige koortsen, mag ik niet beslissen. Koortsen komen er
trouwens van tijd tot tijd in groote extensie en intensie voor en wel
tijdens het heerschen van den Zuid-Oost passaat. Pok- ken hcerschen er
in groote mate, te oordeelen naar de vele perse-
nen, die door de pokken ' geschonden zijn. Als bewijs, hoe groot de
verwoestingen zijn, die op Bali door de pokken worden aange- richt en-
hoe gevreesd deze ziekte is, kan o.a. het feit dienen, dat de Baliêrs
voor deze ziekte eene afzonderlijke pharmaeopea hebben, als ik de op
lontar in de kawitaal geschrevene verzameling van recepten (oemdd) zoo
noemen mag. Zulk een pharmaeopea is in mijn bezit. Ook beri-beri komt er
onder vrouwen zoowel als onder man- nen veel voor. Syphilis heerscht in
de strand Jessa's,* volgens verhaal
van den pembekel, zeer hevig en verspreidt zich van daar uit over het
geheele land.
Onder de ziekten, die men, behalve de reeds genoemde, op Bali kan
Aantreffen, behooren, o. a. toedjoe (rheumatismo), toedjoe béngang (haemorrhoiden),
varicellae (bal: tjangking)^ morbilli (bal: tampëk)
soms in uitgebreide épidemiën, angina diphtheritica (bal: oewing)^
aphthae tropicae (bal: blajoerem\ spruw bij kinderen (bal: goéam)^
phthisis (bal : ngërés) ; verder eene soort herpes (bal : goedig)^ acne
(bal: klaska8)j eczema scabiosa (bal: brinik) enz. Gentil noemt de
Baliêr eene eruptie van puisten op de huid, badasa is onze anthrax,
terwijl onder patjing ons panaritium verstaan wordt, syphilitische
huiduitfllagen heeten béngél^ oedema heet bétég, anasarca badés en
ascites boesoeng^ een verouderde etterende wond bëroeng^ het uitblijven
der menses bakL Is een of ander deel opgezwollen, dan spreekt men van
hësëh^ is het ten gevolge van een insektenbeet bësil. Onder pasgeborene
kinderen komt soms eene ziekte voor, die basoer heet, en bestaat in eene
ontsteking van den umbilicus. Onder de darmparasiten komt de
Taenia (solium?) op Bali zeer veel voor. Ik schrijf dit toe aan de
groote consumptie van varkensvleesch. Alleen te Boelilèng heb ik
gedurende een 14 daagsch verblijf bij de aldaar wonende Europeanen,
Indo-Europeanen en Armenianen zeven keer een taenia door middel van
decoct: cort: rad: granatorum, verwijderd.
De onzindelijkheid der Baliêrs is oorzaak, dat behalve door de
vroeger reeds genoemde Acanthia lectularia^ de orde der Hemiptera ook
zeer sterk vertegenwoordigd wordt door den pediculm capiiis (hoofdluis).
Dat de pediculus vestis (kleerenluis) minder algemeen is, is zeker
alleen daaraan toeteschrijven, dat de garderobe van den Baliër zoo
primitief en pover is. Voor hem, die Bali bezoekt, kan het van nut zijn
te weten, dat de pediculm puhis (platluis, pojor^ sojor en ook wel
tampjas op Bali genoemd) zeer veelvuldig voorkomt.
. De panjermns (zie later) zorgen wel dat dit genua niet uitsterft. Voor
al deze ziekten heeft de Balische medicus (haljan) zijne mantra's en
zijoe recepten, die in zijne aesadd's zijn opgeteekend en waaronder vele
zeer goede voorkomen. Ik hoop nog tijd en gelegenheid te hebben om op de
Balische receptuur meer uitvoerig
terug te komen. De reden, dat juist in de stranddessa's syphilis steeds
het ergst voorkomt, ligt, zooals de lezer reeds zal hebben vermoed,
daaraan, dat aldaar zoovele vaartuigen landen, die van heinde en ver
komen.
Op eene andere oorzaak van de verspreiding van syphilis moet ik later
terugkomen. Volgens ingewonnene berichten moet deze ziekte vooral veel
voorkomen op het tot Kloengkoeng behoorende eiland Noesa^ of Penida
genaamd, (waarvan sommigen Pandita^ ja zelfs Bandieten-eiland hebben
gemaakt, zie de bestaande géographische beschrijvingen en kaarten). Het
'is het grootste van een eilandengroep, die ten Zuid-Oosten van
Kloengkoeng ligt en als bannelings- oord wordt gebruikt. Dit eiland is
vooral bekend om zijne vele Kakatoe's^ waarvan ik een paar exemplaren
ten geschenke ontving ; het is de caccatus cristatus der Ornithologen.
Ik maak hiervan opzettelijk melding, omdat sommigen, zelfs die langen
tijd op Bali vertoefd hebben, doch Kloengkoeng misschien nooit hebben
bezocht, van oordeel zijn, dat deze vogelsoort aldaar niet voorkomt.
Wallace in zijn overigens uitstekend werk ^Insulinde^^ noemt dan ook ten
onrechte Lombok het westelijkste punt van den aardbodem, waar vogels van
deze familie voorkomen. De lezer houde n. 1. 't oog, dat tusschen
do eilanden Bali en Lombok de grens ligt van de twee groote zoölogische
gewesten van het Oostelijk halfrond. Hoe dicht ook bij elkaar gelegen en
hoeveel punten van overeenkomst deze beide eilanden, zoo in vegetatie
als anderzins, ook mogen hebben, zoo bieden zij een groot verschil in
wat betreft de fauna. Zoo vindt men op Lombok het zoog loophoen (Megapodius
Gouldii) aldaar ^yo^wjr geheeten, dat op Bali niet wordt aangetroffen,
terwijl daarentegen Bali de uiterste oost-grens is, waar men o. a. de
Ploceus hypoxantha^ de geelkoppige wever (bal: man(jar sangsja) aantreft,
die zijne fleschvormige nesten aan de takken der boomen vasthecht. Ik
mag hier niet vergeten opte- merken, dat D'. van der Tuuk het er voor
houdt, dat de kakatoea
op Noesa is ingevoerd, welke meening ik evenwel niet deel. Deze
kakatoea's zijn iets kleiner dan die der Moluksche eilanden, zijn
schitterend wit met een prachtige orangjekleurige kuif. Zij komen
overigens niet op Bali doch wel op Lombok voor.
Het drinkwater is in Kloengkoeng uitstekend van smaak en zuiver. Op
het erf vóór ons verblijf bevond zich een gemetselde welput. Dergelijke
vindt men meer op Bali^ hoewel als drinkwater vrij algemeen gebruik
gemaakt wordt van het water, dat van de bergen vloeit en zich in de
riviertjes vereenigt. De temperatuur en
het klimaat is door de nabijheid der zee afwisselend, de vegetatie als
elders op Balu
Volgens afspraak en op verlangen van den Gekommiteerde zouden wij
heden morgen om tien uur óns officieel bezoek bij den Dèwa-cigoeng
afleggen, doch eerst tegen 12 uur zond hij zijne rijksgrooten met gevolg
om den Gekommitteerde en ons aftehalen, zoodat we twee volle uren in
groot tenue hebben moeten wachten, totdat de Grooie Heer' het goed vond
op te staan en ons te ontvangen. Staatsielans-dragers, ofücieele groote
pajongs, saluut- schoten en een gevolg van nieuwsgierige Baliërs als
elders. Doch moesten wij al wat lang antichambreeren en was onze
stemming daardoor niet van de aangenaamste, de ontvangst, die ons in
het paleis van den vorst te beurt viel, vergoedde veel; immers die was
in één woord uitstekend. De poeri is een prachtig gebouw, zoowel wat
architectuur als kunst betreft. De sierlijke, in de roodsieenen muren,
„en relief" uitgebeitelde figuren uit de Hindoe-ge- schiedenis, de op de
houten of steenen deuren aangebrachte ara
besken, het bloem- en lofwerk, de van roodsteen opgetrokkeüe reusachtige
poorten, de met grillig snijwerk versierde stijlen der pendopo's geven
ons de overtuiging, dat het kunstgevoel der oude Hindoes bij hunne
nakomelingen nog volstrekt niet is uitgedoofd, zooals sommige schrijvers
over Bali hebben willen be weeren. Zulk werk zou ook in landen, waar de
kunst en het schoonheidsgevoel tot een hooger peil zijn opgevoerd,
groote waarde hebben. Meer- malen op mijne reizen door Bali zag ik
voorwerpen van dien aard. hartelijkheid, ons ieder op zija beurt op
gevoelige wijse aan zijn boezem drukte en ons de hoop te kennen gaf, dat
wij de verzekering met ons meèaamen, dat wij hem als goede vrienden
dierbaar en steeds welkom waren. Te huis gekomen, kwam een boodschapper
van den vorst mij verzoeken om hem na mijne terugkomst op Java een bril
toe te zenden, die iets sterker was dan die hij thans gebruikte. Aan die
opdracht heb ik bereids voldaan.
Als bizonderheid moet ik hier een feit mcdedeelen, dat niet van
algemeene bekendheid is en dat eenigzins de reden verklaart, waarom
Mmg'wi zulk een getrouw bondgenoot van den Dèwa^goeng is en zijne
prioriteit blijft erkennen. De Dèwa-ayoeng is nl. verplicht, om als
eerste wettige vrouw (patnii) bij ontstentenis van eene Kloeng-
koeng'sche, steeds eene Meng'wische schoone van vorstelijken bloede te
nemen en deze dus tot Dèwa-agoeng istri te verheffen. De overige wettige
vrouwen {sélir) mag hij ook uit andere rijken nemen. |