Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1892 De Baliers

Kloenkoeng

 
Tegen 11 uur kwamen we in de kota Kloengkoeng aan, na een afstand van elf palen te hebben afgelegd. De ontvangst op de grens was op lange na niet zoo schitterend als in Gjanjar^ doch mocht voor Bali voldoende geacht worden. De paarden zagen er niet zoo goed uit als in het vorige rijk, de koelies moesten nu en dan door
onze bedienden worden aangezet, er waren geene voorname hoofden om den Gekommitteerde op de grens te verwelkomen, en bovenal, er ontbrak die netheid en orde, die ons in Gjanjar zoo hadden verrast; doch wij waren daar ietwat verwend en het liet zich dus voorzien, dat het ons in Kloengkoeng eenigzins zou tegenvallen. De weg tot aan de kotta klimt in zachte glooiing. Over ^t geheel zijn de wegen hier breed en goed en doorsnijden keurig onderhoudene sawahs en vooral prachtige tabaksvelden. Het viel mij op, dat hier
op de sawahs zoovele hedoegoeVs (tempeltjes voor de godin van den oogst) stonden. Deze godin is de Sri der oude Hindoes, van wie waarschijnlijk de godin Ceres {Sri) der oude Grieken is afgeleid. Beide staan bekend als de godin des overvloeds en desgeluks. Yele Baliërs, die ik naar de beteekenis der tempeltjes vroeg, gaven mij eene andere verklariog. De bedoegoel wordt vlg: hen geplaatst op een plekje grond vcm een sawah of tuin, welk plekje dan als heilig wordt beschouwd en door niemand mag betreden worden.

We moesten op ons traject van heden een paar breede rivieren doorwaden. De dessa 's, die wij passeerden, zagen er eenigzins florisant uit. Tod jan moet de meest bevolkte dessa zijn van geheel Kloengkoeng^ hoewel de bevolking om het handwerk nl. pottebakken, dat ze uitoefent, door de Baliers als het uitschot der maatschappij, als het laagste plebs wordt beschouwd. Ook de blauwverwers pawu^mn die men door heel Kloengkoeng vindt, genieten dese onderscheiding; men beweert nl. dat deze lieden bg eene vroegere geboorte apen geweest zijn. Men weet dat bij alle Hindoerolken aan het dogma der zielsverhuizing wordt vastgehouden. In de onmiddelgke nabgheid van de genoemde dessa Todjan moet deh volgens de legende de plaats bevinden, die van het eiland Balt het eerst uit zee opdook. Kloengkoeng het eens zoo machtige rijk, wiens vorsten de alleen- heerschers van geheel Bali waren, is thans sterk in verval en het minst bevolkt van alle Balische rijken. Doch langen tijd nadat die alleenheerschappg der vorsten van Kloengkoeng had opgehouden, werd de vorst van dit rijk nog altijd als de voornaamste vorst van Bali beschouwd en geen ander radja durfde iets uittevoeren zonder toe- stemming van den Dèwa-agoeng van Kloenkoeng. TaAU nu nog, nadat er reeds lang Balisch gras is gegrodd over Kloenkoeng’sroem, nu zijne macht grootendeels gefnuikt en zijne welvaart aan het tanen is, voert deze vorst nog steeds den titel van Dhra-ayoeny^ terwgl die der overige vorsten Anak-agfjenfj is en spreekt hij deze laatsten steeds in de lage taal aan. Doch het eene rijk na het andere zeide hem de gehoorzaamheid op, zodat men kan zeggen, dat hij zich thans alleen nog in het rijk Mengwi en Bangli doet gelden. Met dit laatste hof is hij trouwens geparenteerd, daar hij getrouwd is met de zuster van den thans regeerenden vorst van Bangli. Alleen mieng^wi verschuilt zich, zooals wij later zullen zien, in zaken van gewicht steeds achter het zoogenaamde oppergezag van Kloengkoeng. De vorst van Meng^wi is ook de eenigste, met wien onze Regeering
niet direct een contract heeft gesloten; voor hem heeft de Dèica- agoeng van Kloengkoeng geteekend. Ook over Gjanjar wil deze nog zgn oppergezag doen gelden, doch sedert vele jaren is hij reeds met dit rijk, misschien wel om deze reden, in oorlog. Het woord Dètca duidt, zooals we reeds zagen, de kaste aan, waartoe de persoon behoort. De vorst van Kloengkoeng^ dit zagen we ook reeds, behoort evenals die van Bangli en Gjanjar tot de 2® kaste; het woord jfOgoeng^^ achter zijn titel beteekent ^groot^'' y^verheven^' ] degeheelo titel, dien hij ter onderscheiding van do andere vorsten voert, be- teekent dus ^<le verheven Deiva^ ITij is of liever was oorspron- keiijk zooveel als de paus van Bali en geeft nog groote alge-
meene tempelfeesten. In 't sanskriet spreekt men ieder Torst met Dëwa aan en Dèwa-agoeng is eene vertaling van oettoengga-dèwa : oppervorst^ een titel van de oud-Javaansche vorsten, zooais die steeds in inscripties gevonden wordt. Werpen wij een vluchtigea blik op de geschiedenis van Bali gedurende de laatste vier eeuwen, ten einde na te gaan op welke wijze de vroegere en tegenwoordige ver- houding van den Dhca-agoeng tot de zeven overige vorsten is tot stand gekomen.

De betrekking, die er tusschen het eens zoo machtige rijk van Madjapahit en de grooteadecls onbeschaafde bevolking van het eiland Bali bestond, was die van een moederland en een wingewest. De Hindoes van Madjapahit trachtten hunne zeden, beschaving en gods- dienst onder de Balicrs te verspreiden, die nog op een zeer lagen trap van ontwikkeling stonden. Ofschoon nu het „;mA; der. overheersching^^ niet bizonder zwaar was, daar men de Baliêrs meer door zedelijk overwicht dan door kracht van wapenen in bedwang trachtte
te houden, werd toch de druk in zulk eene mate gevoeld, dat openlijk verzet geene ongewone verschijnselen waren. In het laatst der 15^ eeuw, kort vóór den val van Madjapahit^ had er eene van die oproerige bewegingen plaats en wel van zulk een ernstigen aard, dat krachtige, meer ingrijpende maatregelen noodig werden geacht. Aan twee der voornaamste veldheeren van Madjapahit^ nl. de reeds vroeger genoemde Arja Damar en Patih Gadja Mada^ werd de last op- gedragen, om thans door geweld van wapenen het gezag op Bali to doen eerbiedigen. Met een aanzienlijke macht trokken ze derwaarts en het was vooral de eerstgenoemde, die er den krachtigen arm der overheerschers onder de Balische bevolking deed gevoelen. En in de Javaansche overleveringen en in de Balische litteratuur is zijn naam als beroemd veldheer bewaard gebleven en vele der Balische waijang-voorstellingen zijn ontleend aan de heldenfeiten, die door hem zijn verricht. Volgens do Balische litteratuur, die men niet alle gezag kan ontzeggen, moet hij naar het Noorden getrokken zijn,
terwijl zijn ambtgenoot Patih Gadja Mada naar het zuiden trok. Terwijl evenwel de laatste werkeloos bleef, deed de eerste alles voor zijne zegevierende wapens bukken en kwam, na zijn tocht volbracht te hebben, Gadja Mada te hulp. Nauwelijks was hij verschenen, of ook hier volgde de eene overwinning de andere en verwierf hij zich nog meer krggsroem, totdat ten laatste weder geheel Bali aan Madjapahit was onderworpen. Dit was trouwens de laatste krachts- ontwikkeling van dat machtige rijk van Java., eens de beheerscher van
geheel den Indischen Archipel, want kort daarna ging het te gronde en werd, zooals wij reeds weten, eerst een gedeelte van Oost- Java en later Bali het toevluchtsoord van den vorst van Madjapahit^ die voor de zege- vierende vanen van de ^Halve Maan'^ moest wijken. Zijn geheel geslacht en eene talrijke menigte volgelingen zochten insgelijks op Bali eene schuil- plaats. De kolonie werd de nieuwe zetel van de oude Javaansche Hindoe-dynastie. Aan hervormingen op Bali werd nu met kracht gewerkt en de bevolking, nog bloedende van de wonden door den dapperen Arja Damar geslagen, onderwierp zich lijdelijk. De vorst van Madjapahit., die by die gelegenheid op Bali kwam, was de eerste Dèwa-agoeng^ die zijn zetel vestigde in Gèlgèly eene dessa in Kloengkoeng., aan zee, niet ver van den tegenwoordigen zetel van den Déwa-agoeng gelegen. Geheel Bali gehoorzaamde aan zijn gezag; doch hij verdeelde het eiland in verschillende afdeelingen, die hij aan aanzienlijken van zijn hof in erfelijk leen afstond, tegenover wie hij dus als leenheer op- trad en die hunne afdeelingen als zijne poenggawa^s of vasallen bestuurden. Meergenoemde Arja Damar kreeg bij deze verdeeling als loon voor de groote diensten, door hem bewezen, het leeuwendeel. Immers, behalve dat hij met Tabanan werd begiftigd, werd hij tevens de eerste minister van den vorst onder den titel van Patik; zonder
zijne goedkeuring mocht de vorst niets ondernemen, een voorrecht, dat ook erfelijk was op zijne opvolgers. De andere veldheer werd poenggawa van Meng^wi, waartoe ook een deel van het tegenwoordige Badoeng en Ojanjar behoorde. De Dèwa-agoeng hield het grootste deel van het eiland onder zijne direkt bestuur, nl. het tegenwoordige Kloengkocng^ Bangliy Gjanjar en Boelèlèng. Langen tijd hebben de Dèwa-agoeng^s hunne opperheerschappij tegenover hunne vasallen kunnen bewaren en 't is niet onwaarschijnlijk, dat tot het midden
der vorige eeuw de vorst van Kloengkoeng als de eenige vorst van Bali moet beschouwd worden, aan wie alle overigen ondergeschikt waren. Doch reeds met de oorspronkelijke verdeeling van zijn uit de Bandjar^sche expeditie in 1868, die onder majoor rein Heemskerck begonnen en onder den Kolonel de Brabant zoo schitterend beëin- digd is: jfB, R. F. van Vlijmen^ Bali 1868, Eene bladzijde uit de Indische Krijgsgeschiedenis", of het artikel in de Indische Gidsvan R. van Eek: „Een en ander over Bali." Of laatstgenoemd artikel volkomen betrouwbaar is en dus historische waarde heeft, mag met eenig recht betwijfeld worden. Het verhaal n. 1. is geput uit een Balisch gedicht en is, daar de Baliers van nature bluffers
zijn en hunne daden weten op te hemelen, zeer eenzijdig. O. a. wordt het aantal gesneuvelden aan onze zijde, gruwelijk overdreven, om niet van andere onjuistheden te spreken.

In de passang-grahan , die bij Ae poeri behoort, juist tegenover deze gelegen is en voor ons verblijf bestemd was, werden we, onder het lossen van een paar saluutschoten uit oude roestige kanonnetjes , door twee broeders van den Dewa-agoeng ontvangen en namens dezen gekomplimenteerd. Op het plein vóór ons verblijf wapperde de Nederlandsche vlag. Het hotel zag er zeer onzindelijk uit, sommige der kamers (lees hokjes) verspreidden een zeer penetrante lucht van aminen en amiden en rechtvaardigde, evenals sommige zeer ver-
dachte vlekken tegen de eens gewitte, doch thans vuile wanden, eenigzins het vermoeden , dat zij nog kort te voren als urinoirs dienst gedaan hadden. De Gekommitteerde liet onmiddelijk een pot met sirihkalk aanbrengen en de muren van zijn logies niet zuinig aankalken, hetgeen oogen en neus zeer ten beste kwam. Al hadden
we nu niet een hófel-Paulez of Amsfel-hotel kunnen verwachten, toch hadden wij gedacht, dat de Soesoehoenan'^ van Bali het Ne- derlandsch-Indisch gezantschap iets beter had ontvangen. De chefn'
hekel kotta^ een logge persoonlijkheid met een hoogst indifferent philistergezicht scheen als y^ynajor donius*^ bij ons aangesteld te zijn; althans hij was den geheelen tijd in onze nabijheid en zorgde voor de opvolging onzer bevelen. Als zoodanig deed ook de schrijver van den vorst dienst, een Mahomedaan van Bandjertmasin geboortig en mager als de schaduw van een uitroepingsteeken. Dat zulke personen steeds de geheime opdracht ontvangen om al onze gangen te bespieden, behoeft niet betwijfeld te worden. Geen der beide personen acht ik eene nadere beschrijving waard. Des avonds om tien uur werd een gamelan op het erf vóór ons verblijf aangebracht , op welker toonen eene ronggeng (djogèd) eenige hoogst bevallige Balische dansen uitvoerde. Mager en leelijk, kon men het deze tevens duidelijk aanzien , dat zij na het meer prakti-
sche gedeelte der liefde reeds eenige term strepen had verdiend, en toch schitterden die gitzwarte oogen nog van een inwendig vuur, wanneer ze bevallig coquet tot bij onze nabijheid kwam aangezweefd. Zij scheen ecne volleerde cocotte, die onder de Parijsche demi-monde eene waardige plaats zou hebben kunnen innemen. Het tandakken der Balische ronggeng's is verreweg mooier, n.I. in Europeesche oogen, dan dat harer Javaansche collega's. De bewegingen zijn vlugger, gracieuser, er zit over 't geheel meer actie in. Die lenigheid der gewrichten , die slanke buiging en golving van het lichaam, die levendige, bevallige gestes vormen een hoogst aangenaam en- semble, een waar lendenmuziek ; het zijn louter gedanste tranen, zuchten en Liebes-Wiinsche , die men te zien krijgt. Zij danste ons eene geheele geschiedenis voor, misschien wel hare eigene treurige
levensgeschiedenis. Zij was immers panjeroan^ en welke vreeselijke be- teekenis dit woord op Bali heeft , zullen we zien , wanneer we spreken over de positie der vrouw in de Balische maatschappij. In het pa-
leis van den vorst fungee^e zij, zooals ik later vernam, als tan- dak-onderwijzeres. De gamelan, die haar accompagneerde, liet veel te wenschen over.

20 Augustus. Toen den vorigen dag zich de mare had verbreid, dat zich onder het hooge gezelschap ook een doctor blandda be- vond, hadden verschillende personen mij door den lyembekel kotta doen vragen of ik hier en ginds een patiënt zou willen bezoeken. Voor allen stelde ik mij disponibel , in zooverre de tijd mij dit ver-
oorloofde. Over 't geheel zijn de Baliêrs minder afkeerig van de Obat blanda dan de Javanen en men kan er van verzekerd zijn, dat het voorschrift trouw wordt opgevolgd. Daarbij zijn ze eerlijk genoeg, om , wanneer men hun het gebruik van "^t een of ander ont- raadt en ze geen kans zien om het achterwege te laten, dit ook
royaal te zeggen; dat is mij meermalen voorgekomen. Zij nemen de leelijkste medicamenten in, als ze door een doctor blanda zijn voorgeschreven. Met oLrkini heb ik onder de opiumschuivers, die aan hardnekkige obstipaties en uitputtende bioedontlastingen leden ^ mirakels verricht en ik geloof, dat ik op den duur den Balische „baljans*' en den eigenaars van witte stieren afbreuk zou gedaan hebben. Mocht een der collega's lust hebben om zich op Bali te vestigen, hij kan zich dan bij voorbaat overtuigd houden van eene flinke, uitgebreide praktijk; alleen moet hij de financieele zijde der zaak buiten rekening laten. Volgens belofte begaf ik mij heden morgen, onder geleide van den pembekel kotta reeds vroeg op weg.
Ik bezocht eenige lijders aan rnalaria-cachexie , een paar vrouwen met hardnekkige obstipaties, ten gevolge van opium-misbruik , een paar lijders met verouderde beenzweren,enz. Een meisje van ongeveer 13 jaren leed aan ichthyosiSj de Baliêrs noemen deze ziekte y^kèskès.^' Aan allen werd, zoover de voorraad strekte, obat en zoo noodig wijn gegeven; hetgeen aan geneesmiddelen niet voorradig was , werd later in de apotheek van de Watergeus gereed gemaakt en aan een persoon meê gegeven, die ons tot dat doel naar boord vergezelde. Op Bali komt eene oogziekte voor bij menschen en kippen, ten gevolge van een wormpje in de lens ; dit wormpje noemt men aldaar pilar ; misschien is het een ctjsticercus. Men beweert dat men uit het oog van kippen soms
25 dezer wormpjes kan uitdrukken ; het lijden aan die oogziekte heet pilaran. Ik was nog niet in de gelegenheid dit nader te onderzoe- ken, móet mij dus van eene nadere diagnose onthouden. Ook ca-
taract (bal. horang) komt op Bali veel voor. Ik zag hiervan vele exemplaren. Beri-beri , in Java en misschien ook elders ,ymkit loem- poeh*^ genaamd, heet bij de Baliërs „roewjöoe.t. Yan mijne licentie werd een zeer ruim gebruik gemaakt , want ik had letterlijk den geheelen dag patiënten te zien , die bijna allen tot een
der opgenoemde rubrieken behoorden. Ook zag ik een paar gevallen van verouderde syphilis. De Kloengkoengers zien er op verre na niet zoo gezond uit als de Gjaniaryezen , vooral de vrouwen zijn anae-
misch en zwak ; of dit een gevolg is van gebrekkige voeding , dan wel van langdurige koortsen, mag ik niet beslissen. Koortsen komen er trouwens van tijd tot tijd in groote extensie en intensie voor en wel tijdens het heerschen van den Zuid-Oost passaat. Pok- ken hcerschen er in groote mate, te oordeelen naar de vele perse-
nen, die door de pokken ' geschonden zijn. Als bewijs, hoe groot de verwoestingen zijn, die op Bali door de pokken worden aange- richt en- hoe gevreesd deze ziekte is, kan o.a. het feit dienen, dat de Baliêrs voor deze ziekte eene afzonderlijke pharmaeopea hebben, als ik de op lontar in de kawitaal geschrevene verzameling van recepten (oemdd) zoo noemen mag. Zulk een pharmaeopea is in mijn bezit. Ook beri-beri komt er onder vrouwen zoowel als onder man- nen veel voor. Syphilis heerscht in de strand Jessa's,* volgens verhaal
van den pembekel, zeer hevig en verspreidt zich van daar uit over het geheele land.

Onder de ziekten, die men, behalve de reeds genoemde, op Bali kan Aantreffen, behooren, o. a. toedjoe (rheumatismo), toedjoe béngang (haemorrhoiden), varicellae (bal: tjangking)^ morbilli (bal: tampëk)
soms in uitgebreide épidemiën, angina diphtheritica (bal: oewing)^ aphthae tropicae (bal: blajoerem\ spruw bij kinderen (bal: goéam)^ phthisis (bal : ngërés) ; verder eene soort herpes (bal : goedig)^ acne
(bal: klaska8)j eczema scabiosa (bal: brinik) enz. Gentil noemt de Baliêr eene eruptie van puisten op de huid, badasa is onze anthrax, terwijl onder patjing ons panaritium verstaan wordt, syphilitische huiduitfllagen heeten béngél^ oedema heet bétég, anasarca badés en ascites boesoeng^ een verouderde etterende wond bëroeng^ het uitblijven der menses bakL Is een of ander deel opgezwollen, dan spreekt men van
hësëh^ is het ten gevolge van een insektenbeet bësil. Onder pasgeborene kinderen komt soms eene ziekte voor, die basoer heet, en bestaat in eene ontsteking van den umbilicus. Onder de darmparasiten komt de
Taenia (solium?) op Bali zeer veel voor. Ik schrijf dit toe aan de groote consumptie van varkensvleesch. Alleen te Boelilèng heb ik gedurende een 14 daagsch verblijf bij de aldaar wonende Europeanen, Indo-Europeanen en Armenianen zeven keer een taenia door middel van decoct: cort: rad: granatorum, verwijderd.

De onzindelijkheid der Baliêrs is oorzaak, dat behalve door de vroeger reeds genoemde Acanthia lectularia^ de orde der Hemiptera ook zeer sterk vertegenwoordigd wordt door den pediculm capiiis (hoofdluis). Dat de pediculus vestis (kleerenluis) minder algemeen is, is zeker alleen daaraan toeteschrijven, dat de garderobe van den Baliër zoo primitief en pover is. Voor hem, die Bali bezoekt, kan het van nut zijn te weten, dat de pediculm puhis (platluis, pojor^ sojor en ook wel tampjas op Bali genoemd) zeer veelvuldig voorkomt.
. De panjermns (zie later) zorgen wel dat dit genua niet uitsterft. Voor al deze ziekten heeft de Balische medicus (haljan) zijne mantra's en zijoe recepten, die in zijne aesadd's zijn opgeteekend en waaronder vele zeer goede voorkomen. Ik hoop nog tijd en gelegenheid te hebben om op de Balische receptuur meer uitvoerig
terug te komen. De reden, dat juist in de stranddessa's syphilis steeds het ergst voorkomt, ligt, zooals de lezer reeds zal hebben vermoed, daaraan, dat aldaar zoovele vaartuigen landen, die van heinde en ver komen.
Op eene andere oorzaak van de verspreiding van syphilis moet ik later terugkomen. Volgens ingewonnene berichten moet deze ziekte vooral veel voorkomen op het tot Kloengkoeng behoorende eiland Noesa^ of Penida genaamd, (waarvan sommigen Pandita^ ja zelfs Bandieten-eiland hebben gemaakt, zie de bestaande géographische beschrijvingen en kaarten). Het 'is het grootste van een eilandengroep, die ten Zuid-Oosten van Kloengkoeng ligt en als bannelings- oord wordt gebruikt. Dit eiland is vooral bekend om zijne vele Kakatoe's^ waarvan ik een paar exemplaren ten geschenke ontving ; het is de caccatus cristatus der Ornithologen. Ik maak hiervan opzettelijk melding, omdat sommigen, zelfs die langen tijd op Bali vertoefd hebben, doch Kloengkoeng misschien nooit hebben bezocht, van oordeel zijn, dat deze vogelsoort aldaar niet voorkomt. Wallace in zijn overigens uitstekend werk ^Insulinde^^ noemt dan ook ten onrechte Lombok het westelijkste punt van den aardbodem, waar vogels van deze familie voorkomen. De lezer houde n. 1. 't oog, dat tusschen
do eilanden Bali en Lombok de grens ligt van de twee groote zoölogische gewesten van het Oostelijk halfrond. Hoe dicht ook bij elkaar gelegen en hoeveel punten van overeenkomst deze beide eilanden, zoo in vegetatie als anderzins, ook mogen hebben, zoo bieden zij een groot verschil in wat betreft de fauna. Zoo vindt men op Lombok het zoog loophoen (Megapodius Gouldii) aldaar ^yo^wjr geheeten, dat op Bali niet wordt aangetroffen, terwijl daarentegen Bali de uiterste oost-grens is, waar men o. a. de Ploceus hypoxantha^ de geelkoppige wever (bal: man(jar sangsja) aantreft, die zijne fleschvormige nesten aan de takken der boomen vasthecht. Ik mag hier niet vergeten opte- merken, dat D'. van der Tuuk het er voor houdt, dat de kakatoea
op Noesa is ingevoerd, welke meening ik evenwel niet deel. Deze kakatoea's zijn iets kleiner dan die der Moluksche eilanden, zijn schitterend wit met een prachtige orangjekleurige kuif. Zij komen overigens niet op Bali doch wel op Lombok voor.

Het drinkwater is in Kloengkoeng uitstekend van smaak en zuiver. Op het erf vóór ons verblijf bevond zich een gemetselde welput. Dergelijke vindt men meer op Bali^ hoewel als drinkwater vrij algemeen gebruik gemaakt wordt van het water, dat van de bergen vloeit en zich in de riviertjes vereenigt. De temperatuur en
het klimaat is door de nabijheid der zee afwisselend, de vegetatie als elders op Balu

Volgens afspraak en op verlangen van den Gekommiteerde zouden wij heden morgen om tien uur óns officieel bezoek bij den Dèwa-cigoeng afleggen, doch eerst tegen 12 uur zond hij zijne rijksgrooten met gevolg om den Gekommitteerde en ons aftehalen, zoodat we twee volle uren in groot tenue hebben moeten wachten, totdat de Grooie Heer' het goed vond op te staan en ons te ontvangen. Staatsielans-dragers, ofücieele groote pajongs, saluut- schoten en een gevolg van nieuwsgierige Baliërs als elders. Doch moesten wij al wat lang antichambreeren en was onze stemming daardoor niet van de aangenaamste, de ontvangst, die ons in
het paleis van den vorst te beurt viel, vergoedde veel; immers die was in één woord uitstekend. De poeri is een prachtig gebouw, zoowel wat architectuur als kunst betreft. De sierlijke, in de roodsieenen muren, „en relief" uitgebeitelde figuren uit de Hindoe-ge- schiedenis, de op de houten of steenen deuren aangebrachte ara
besken, het bloem- en lofwerk, de van roodsteen opgetrokkeüe reusachtige poorten, de met grillig snijwerk versierde stijlen der pendopo's geven ons de overtuiging, dat het kunstgevoel der oude Hindoes bij hunne nakomelingen nog volstrekt niet is uitgedoofd, zooals sommige schrijvers over Bali hebben willen be weeren. Zulk werk zou ook in landen, waar de kunst en het schoonheidsgevoel tot een hooger peil zijn opgevoerd, groote waarde hebben. Meer- malen op mijne reizen door Bali zag ik voorwerpen van dien aard. hartelijkheid, ons ieder op zija beurt op gevoelige wijse aan zijn boezem drukte en ons de hoop te kennen gaf, dat wij de verzekering met ons meèaamen, dat wij hem als goede vrienden dierbaar en steeds welkom waren. Te huis gekomen, kwam een boodschapper van den vorst mij verzoeken om hem na mijne terugkomst op Java een bril
toe te zenden, die iets sterker was dan die hij thans gebruikte. Aan die opdracht heb ik bereids voldaan.

Als bizonderheid moet ik hier een feit mcdedeelen, dat niet van algemeene bekendheid is en dat eenigzins de reden verklaart, waarom Mmg'wi zulk een getrouw bondgenoot van den Dèwa^goeng is en zijne prioriteit blijft erkennen. De Dèwa-ayoeng is nl. verplicht, om als eerste wettige vrouw (patnii) bij ontstentenis van eene Kloeng- koeng'sche, steeds eene Meng'wische schoone van vorstelijken bloede te nemen en deze dus tot Dèwa-agoeng istri te verheffen. De overige wettige vrouwen {sélir) mag hij ook uit andere rijken nemen.

Previous • singaradja- Kintamani • Bangli • Gianyar • Kloenkoeng • Karang Asem • Lombok • Badoeng • Mengwi en Tabanan