|
Previous • De Oorlog • Toerisme • Transport • Ontdekkingsreizen • De Vrouwen • De Ljkverbranding • Algemeen |
|
De Ljkverbranding |
|
|
Nieuwe Rotterdamsche Courant
23-09-1924, Avond
|
|
BALI EN LOMBOK. Lijkverbranding. |
Een medewerker van het Soer. Hbl., die met de „Kamphuis- de reis naar
Bali heeft meegemaakt, schrijft 0.a.:
In de Poerie zouden alle ceremoniën voor de ere» malie plaats hebben. De
verbranding geschiedde op een kleinen afstand daarvan op een vlakte,
iets hoo» ger gelegen dan de Poerie en hel plaatsje Gianjar. i-.,i .1 u.
c.s' ,ie een llangenamen en préttigen indruk maakte, bracht ons naar de
lijken, welke het verbrandingsproces zouden ondergaan. De_e waren van
zijn grootmoeder, die reeds 4 jaar geleden gesterven was en haar
kleinzoon, juist twee dagen geleden overleden De dooden worden op Bali
niet gebalsemd De lijken lagen op een praalbed in een van de vele
tempeltje» of kamertjes van de Poerie Verder waren verscheiden lijken
daar in de omgeving geplaatst, welke tegelijk verbrand zonden worden; in
het geheel waren er 18. De praalbedden. in het geel voor de vrouwelijke
lijken, rood voor de mannelijke, waren omwonden met een heel lange
nagemaakte slang, verder ware» aan de stijlen jonge kuikens ge» bond.u.
die levend mede verbrand zouden worden, of uiteengereten. En liet
geheele vertrek was gevuld met offeranden en bloemen. Van heinde en ver
waren de Balineezcu gekomen, om te offeren. De gamelan deed zich van
alle richt in gen hooren en alles en ieder was druk en bedrijvig,
duizenden mei««ohen waren op de been. Het verbranden van een doodc kost
zeer veel aan offers en betalingen aan de priesters, zoodat een lijk
lang bewaard wordt, vóórdat het geld voor de verbranding bij elkaar is
en daarom worden dan verscheiden doo» den bijeengebracht voor een
gezamenlijke verbranding.
De agent der K. P. M. was zoo vriendelijk ons verder rond te leiden en
den gang van zaken uit te leg» gen; hij bracht ons naarde verschillende
torens, welke veel op pagoden gelijken. Deze waren zeer kunstig gemaakt,
het geraamte was van bamboe en bekleed met katoen, verder behangen met
spiegeltjes, bloemen, maskers en het motief, dat in iederen Hindoetempel
is. Dit bestond uit watten of geplozen katoen en was in kleuren geverfd;
het geheel maakte een schitteren» den indruk. Er is ook heel wat geld
aan ten koste ge» legd. Boven in den toren wordt het lijk gelegd om naar
de verbrandingsplaats. dicht bij de Poene gelegen, gebracht te worden.
Om de lijken zoo hoog in die torens te kunne» bergen, zijn er trappen
gemaakt, zoowel op de plaats van verbranding als in de Poerie. Vóórdat
het lijk in den toren geplaatst wordt, heef t. er een schijngevecht
plaats van 500 man, die het lijk op aarde willen houden en 500 man, die
het in den toren willen hebben, om het naar de verbranding»» plaats en
naar den hemel te brengen, wat niet een ontzettend lawaai en gekrijsch
plaats heeft. Wanneer alle dooden in de torens geplaatst zijn, zet de
stoet zich in beweging. Eerst de eerewachten, dan de lansen» of
sperendragers. daarna de priesteressen met haar gevolg, mooi aangekleed
in draagstoelen, gevolgd door vrouwen, die wijwater-offers, bloemen en
andere artikelen droegen, welke de dooden, bij hun leven gebruikten,
trommelslageis e» gamelanspelers, de priesters met gevolg in,
draagstoelen, nogmaals of fer andendra dan een wacht en een gedragen
huisje of tempeltje met lle naaste familie erop en ten slotte de torens.
En alles werd gedragen door inboorlingen, die dit uit vrijen wil doen.
Op de plaats dor verbranding zijn de brandstapels, in den vorm' van
tempels met een rieten dak, waar» onder een houten stier geplaatst is.
De dooden worden uit de torens gehaald en geplaatst in de houten beesten.
Hier waren het stieren; deze worden uit groote houtblokken vervaardigd
en zijn rijk bekleed en versierd. Hoogere kasten hebben die beesten in
tempels geplaatst, de lagere kasten in de open lucht eu de nog lagere
plaatsen hun doocicn eenvoudig op een paar takkenbossen. Wanneer nu de
processie op de plaats der verbranding arriveer, worden de trappen weer
aan de torens geschoven en de lijken uit de torens in de stieren
geplaatst, waarna ze van hun windsels ontdaan en door de priesters
gewijd worden. Er zijn ontzettend veel soorten van wijwater en goden;
d«> wijding duurt een geruimen tijd. Onderwijl worden door de menigte de
booze geesten door gebaren en geschreeuw verjaagd en de brandstapels in
vlam gezet. In den tijd, dat priesters aan het werk zijn, mag de
bevolking de torens, die — zooals ik reeds zeide — versierd zijn,
rampassen, want, hoe klein ook, een stuxje van zoon toren brengt geluk
aan; men begrijpt, dat ze na alle opwinding en gebruik van toeak, er als
wilden op aanvlogen, tot dat alleen het geraamte «verbleef. Toen werden
de torens bij den brandstapel aangeschoven en alles werd in vlam gezet,
wat onder een oorverdoovend geschreeuw om de kwade geesten te verdrijven,
plaats vond.
Dit alles is overweldigend grootsch en interessant, maar als men
rondkijkt en de lijken en lijkjes ziet, die niet in een beest geborgen
zijn, doch zoo maar op een paar takkebossen op den grond verbrand worden,
is het zeer griezelig, vooral ook. omdat de lijken voortdurend met
lansen en krissen doorstoken worden, om het verbrandingsproces te
bespoedigen, en de geur welke opstijgt, is voor ons, Europeanen, niet te
verdragen. Den daarop volgenden morgen werden de asch en overblijfselen
in zee geworpen. Den avond vóór do verbranding, gaf de regent een feest,
bestaande uit gamelanmuziek-, dansen van jonge meisjes en topeng en
wajang-wong; er werden vruchten enz. rondgediend in zuiver gouden
schalen. Deze geheele plechtigheid duurde van 4 uur 's middags tot 2 uur
's nachts. Krissen, sieriedoozen. de doppen van de speren der wachten,
alles was van zuiver goud en edelgesteenten, ja zelfs de sproeier van de
fontein was van, puur goud en gesteente. Sommige Inlandsche personen
droegen petten en andere hoofddeksels van goud. Do kleeding der
vorstelijke personen is zeer kostbaar door het vele goud en zilver en
edelgesteente, maar lang niet zoo deftig en stemmig als bij ons op Java;
do prins en gevolg uit Solo, die als gasten vertegenwoordigd waren,
staken zeer voordeelig at, bij het vele goud en geschitter 'n de Poerie.
Dl, Poerie zelf is evenals de kampongs een verzameling van kleine
huisjes uit klei opgebouwd ; ze missen huisraad en zelfs de noe» digste
gemakken. Alleen het Vo'.Ksraadslid, tevns stedcnhouder. heeft zich in
de Poe'ie een huis uit steen laten bouwen met deuren van mooi
houtsnijwerk en wat meubilair.
Ook de regenten met hun dames van Noord-Bali waren voor de crematie
aanwezig; dc betere standen hebben zeer lange nagels aan één hand. deze
ziin langer dan de geheele hand, wa» hun zeer bemoeilijkt in hun
bewegingen, maar het is een teeken. dat ze met behoeven te werken
Overigens waren ze in hun optreden heel beschaafd en gastvrij; zij
mengden zich voortdurend onder dc gasten. De crematie, die om 2 uur zou
plaats hebben en waaraan een ectpartij vooraf moest gaan. begon reeds om
elf unr. Aanwezig waren de resident met echtgenoote. de assistent-resident.
de controleurs en de ad^n controleurs met hun dames, ook die. van
KloenkoengiXai^ng-Asem enz. de, civiel gezaghebber, de verschil, i?
Kostlikken, uit den handel, de officieren van de Pelikaan en van den
onderzeeër K 8. verder de toeristen van de Numphius. onder wie mr.
s'Jacob Volksraadslid. en verscheiden andere personen. De regent hield
cc» toespraak bij hel begin van den maaltijd en deze speech werd
beantwoord door den resident; hij bedankte namens alle aanwezigen, welke
rede en"h' h" fdedellQ,lder in het Balineesch werd omgezet
Aan het eind van den maaltijd dankte de recent weer De champagne vloeide
rijkelijk; de regent" ... familie nare» zee,* voorkomend en gastvrij;
alles verliep rustig en in d© «lemming, die er bij een «lergelijke
gebeuileu,> behoort te ziju. Om twaalf uur ongeveer eindigde de.
maaltijd en begon de on» tocht. Om-«ven nUr ««ond alles in brand; wij
keerden huis- of beter scheepw-,arts, waar we wel zeer moe maar ook zeer
voldaan aankwamen. ' |
|
|
De ,,dela". BALI EN LOMBOK. Krantentitel:
Nieuwe Rotterdamsche Courant Datum, editie:
10-03-1927, Avond
|
|
BALI EN LOMBOK. De ,,dela". |
Het vrouwenotler hij de lijkverbranding op Bali zoonis dit voor de
bemoeienis van on» bestuur met Baliueesche aango legenheden werd
gebracht.
Ia de Maart-aflovering van de Indische Gids ont» leent dr. H. H. Juynbou
een treffende beschrijving van een lijkverbranding, op Bali in het
midden der 19e eeuw aan een verleden jaar versohenen en hier te lande
nog weinig hekend Deensch boek, getiteld ,Hlads Lange Til Bali" door
Aage Kramp «ielsen. Het is het bericht van een Deen, Vemer Helms, die op
20 December 1847 de verbranding heeft bijgewoond van een Balineeschen
radja, waarbij drie van zijn lievelingsvrouwen zich offer» den aan de
vlammen ten overstaan van eon menigte van 40 tot 50.000 menschen. Do
schrijver vertelt hoe de vreeselijke plechtigheid van de „hela"') plaats
vond op een stralenden dag en hoe de menigte «r heentoog als ware het
voor een vroolijk feest. Bekort geven wij hier de beschrijving van liet
offer veer:
Midden op een open plaats, omgeven door een rij hoornen, trekt een
prachtig gebouw met verguld dak, rustonde op karmozijnrode zuilen, onze
aandacht. Dat is de plaats, waar do verbranding van den gestorven Radja
zal geschieden. Bü nader onderzoek van het gebouw schijnt het te rusten
op een vier voet hoog platform van gemetselde steenen, waarboven nog een.
met zand bedekte vloer is. In het midden staat een houten beeld van een
leeuw, stralend van purper en gouden versierselen. De rug is zoo gevormd,
dat die geopend kan worden, en dio is bestemd, om het koninklijke
lichaam voor de verbranding te ontvangen. Het beele gebouw is rijk
versierd met spiegeltjes, Ohinoesch aardewerk en verguldsel.
Onmiddellijk aansluitend bij dit gebouw ligt een vierkant plateau,
omgeven door een vier voet hoogen muur. Deze geheele ruimte is gevuld
door een vlammend, helder vuur, het noodlottige vuur, dat de offers zal
verslinden. ken lichte brug van bamboe boven, ter hoogte van twintig
voet, voert over dezo plaats heen. en eene bedekking van plataantakken
beschut die tegen het vuur. Midden op «e brug bevindt zich een paviljoen,
bestemd om de offers to ontvangen, terwijl zijn zich voorbereiden tot
den doodssprong.
Do toeschouwers, vulden de ruimte tusschen deze ge» bouwen en den
buitenmuur, waarbinnen een reeks kleuio paviljoenen ten gebrnike der
vrouwen gemaakt was. Dezo plaats werd nu spoedig vol. en aller oogen
waren gericht op ven kraton, van waar de lijkprocessie zou komen.
Merkwaardig genoeg verliet de.doode heerscher voor liet laatst zijn
paleis niet op den gewonen weg. Een lijk wordt als onrein beschouwd, en
niets onreins mag do poort doorgaan. Er was daarom iets gebouwd, dat
"e--leek op een brug over de muren, en hierlang, werd Let lijk gedragen.
De brug voerde omhoog naar de bovensto verdieping van een reus achtigen
toren, in den vorm eener pa«o«ic. Hierheen werd het lyk gedragen. „ "setoren,
die „bade" genoemd word», werd gedragen door 500 man. Hij bestond uit
elf verdiepingen, behalve drie lagere platformen, en bet geheel was
prachtig ver?}_: B-wen op de hoogste verdieping bevond zich bet Hik, in
wit linnen gewikkeld, en bewaakt door mannen, die waaiers droegen.
Achter de groote „bade", die den doeden radja droeg, volgden drie
kleinere en niet zoo «machtige, elk eens ion-?» vrouw bevattend, die
geofferd moest worden. De offers van «At wicede bijgeloof toonden geen
teeken van angst voor het vleezelijke lot, dat nu zoo nabij was. Zij
waren in net wit gekleed en waren gedeeltelijk verscholen achter hare
lange, zwarte haren ; niet een spiegel in de cene Nan,! en een kam in do
andore, schenen zij slechts verviiili vau do gedachte, zich te versieren
als voor een vroo-
De moed die haar kracht verleende in deze akelige omstandigheden, was in
waarheid bewonderenswaardig Omdat zij favorites waren, geloofden zij.
dat zij ook Zo liovelingsvro'iwen en vorstinnen van hun overleden heer
in de andere wereld zonden blijven. Zij waren er van verzeker,!, dat de
goede wil, om hem naar bet hiernamaals ie volgen, verheugd en omgeven
door praal en pracht <>o <>>i«c!i.da»e xaclxen zo» beiiaize,, ou den
groeten 'god ™« ft«i°j bewegen, , haar onmiddellijk toegang to verleenen,
tot den Lwargaloka, Indra', hemel. Rondom do arme verdoolde vrouwen
stonden hars familieleden on vrienden. Ook dezen zagen evenmin met 55»
il. nïr de- huiveringwekkendo voorbereidselen of £TT jn \nßn6 dochter,
of zusters aan den vroeselijken «Jood, die baar wachtte, te onttrekken.
Nadat de verbranding van het lijk van den radja met groote plechtigheid
had plaatsgevonden, werden do vrouwen m processie drie maal rondom do
plaats gedragen en daarna op de noodlottige brug gebracht. Daar wachtten
«ij in bot bovengenoemd© paviljoen, totdat de vlammen bet Jeeuwcnbeeld
en zijn inhoud verteerd haddon. Lil toonden nog steeds geen teeken van
vrees, en hare zorgen «dienen zich alleen tot hare versiering uit to
strekken, alsof zij zich voor het leven en niet voor den dood tooiden.
Inmiddels maakten de wachtende vrienden alles gereed voor het
vrceselijko oogenolik. Het staketsel aan h"t einde van de brug werd
geopend en «eu plank over het vuur geschoven, en do makkers daaronder
goten massa's olio op het vuur, hetgeen heldere on schitterende vlammen
veroorzaakte die hoog de lucht inschoten. Het oogenblik was gekomen. Met
vaste, en afgemeten schreden tra. den <!<v offers op de noodlottige
plank. Driemaal voegden zij do handen samen over haar hoofd, waarop een
kleine, levende duif -at, en sprongen daarop met uitgestrekt lichaam
naar beneden 1» do vlammenzee daaronder, terwijl do duiven omhoog vlogen
en de vrijgemaakte «el symboliseerden. s Twee van de vrouwen toonden
zelfs op het laafde oogenblik geen «eeken van vre«s. Zij zagen elkander
aan om te zien. of beiden gereed waren, en deden daarop den sprong
zonder te dralen. Do derde scheen te talmen en den sprong met minder
Zelfvertrouwen te. maken: -ij wankelde een oogenblik, maar volgde daarna
do anderen. Allo drie verdwenen «ij zonder geluid in de vlammen. Dit
vrceselijko schouwspel scheen geen beweging te veroorzaken onder de
groote volksmenigte. Het Zoonoot eindigde met barbaarsche muziek en
kanonschoten. ..Het was een gezicht, dat men nooit, verbeet", eindigt
Helms zijn verhaal, „on het vervulde ons hart met een gevoel van
dankbaarheid daarover te behooren tot eeno beschaving, dio ondanks al
hare fouten barmhartig is en er hoe langer line meer naar streelt, do
vrouwen te hebbennen tegen onderdrukking en wreedheid. Dank zij het
Britsche bestuur is deze akelige landplaag van menseheniffers uitgeroeid
in Indië, on zonder twijfel hebben de Hollanders nu hetzelfde gedaan op
Bali."
Dr. Juynboll teekent hierbij aan: Het is gegaan, zooals Iselms vermoedde,
dat het Hollandsche bestuur op Bali een einde heeft gemaakt aan do
barbnarsche gewoonte van vrouwenoffers, maar dit is ook het eenige punt,
waarin eenige verandering gebracht is in l.e! schitterende en grootscho
tooneel, waarmee de verbranding van een Balineesch vorst gepaard gaat.
?fog tegenwoordig evenals ten tijde van Mals I^ange en Helms en «luizend
jaar voor hun tijd is de lijkverbranding eeno grootscho feestelijkheid,
dio maanden van te voren voorbereid, wordt. Nog tegenwoordig trekt de
schitterende processie voorwaarts, vooraan do honderden dragers met don
fan'astise'.ien pagodeti,ren van 12 verdiepingen, die het lijk van den
dood» bevat. Da oude padanta (opper, priester) ««Mot nog van do vier
windstreken aiinebloeanpijlen at op din kop van ds grimmige slang. Maar
wanneer do vlammen om do ki»>t omhoog slaan, «ijn het niet meer do jonge
vrouwen van het paleis, die den vorst in don dood volgen. Orooto
strooien poppen in kostbare gewaden gekleed, «zyniboliseorer de jonge
vrouwen, die do nieuwe heersehera van het land, d, Hollanders, wreed
genoeg verhinderen >m haren heer te volgen in den dood tot de
gelukzaligheid van god Indra'» hemel.
*) Bela beteekent: trouw tot in den d»od, |
|
|
|
Nederlandsch-Indië.
Van Nu en Straks. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
11-04-1927, Dag
|
| Nederlandsch-Indië.
Van Nu en Straks. |
• Het „communisti sche Bal i".
• In de jongste (Maart) aflevering van den Indische(a) Gids
vestigt Dr. Juynboli de aandacht op eene beschrijving van een
lijkverbranding op Bali in het midden der i9e eeuw, te vinden in
een boek van den Deen - schen schrijver Niels en', die daarin
weergeeft het bericht van zijn landgenoot Verner Helms. Deze
woonde 20 Dec. 1847 de verbranding bij van een Balineeschen
radja, waarbij drie van diens vrouwen zyn lijk — naar het heette
: vrijwillig, — in de vlammen volgden.
• Er zijn enkele onjuistheden in die beschrijving, gelijk b v.
d^gjrè^gdé .LP- df>*. het iijk in het houten beeld van een leeuw
werd verbrand.
• Lijken van vorstelijke manspersonen worden in het beeld van
een koe gelegd, deze staat met den van vergulde horens
voorzienen kop gekeerd naar het Oosten. Het stoffelijk overschot
van vorsten-vrouwen daarentegen wordt in het houten beeld van
een leeuw verbrand.
• Zoo althans geschiedde het bij het groote verbrandings-feest
in 1910 te Karang-Asem, alwaar het liik van Goesti Djilantik aan
de vlammen werd prijs gegeven, en Bali» kenners verzekerden mij
dat zóó de gewoonte was.
• Ook de voorstelling des Deenschen berichtgevers, als zou
alleen vrijwilligheid „in het spel" zijn bij de „Bela" — (het
volgen der vrouwen van hun geliefden echtgenoot in het vuur) —is
niet juist. Het kan zijn dat door aangeboren of kunstmatig
gekweekte exaltatie er inderdaad zich gevallen van zoodanige
zelf-offering voordeden, maar vast staat dat over het algemeen
van vrijwilligheid geen sprake was. Dat zou immers tegen de
menschelijke natuur zyn, nietwaar ?
• Helms vertelt wat hij zag als volgt
• . „Nadat de verbranding van het lijk van den radja met groote
plechtigheid had plaatsgevonden, werden de vrouwen in processie
drie maal rondom de plaats gedragen en daarna op de noodlottige
brug gebracht. Daar wachtten zij in het bovengenoemde paviljoen,
totdat de vlammen het leeuwenbeeld en zijn inhoud verteerd
hadden. Zy' toonden nog steeds geen toeken van vrees, en hare
zorgen schenen zich alleen tot hare versiering uit te strekken,
alsof zij zich voor het leven en niet voor den dood tooiden.
• Inmiddels maakten de wachtende vrienden alles gereed voor het
vreeselijke oogenblik. Het staketsel aan het einde van de brug
werd geopend en een plank over het vuur geschoven, en de makkers
daaronder goten massa's olie óp het vuur, hetgeen heldere en
schitterende vlammen veroorzaakte die hoog de luej.t ,in-schoten.
Het oogenblik v/as gekomen. iMet vaste en afgemeten schreden
traden do offers op de noodlottige plank. Driemaal voegden zij
de handen samen over haar hoofd, waarop een kleine, levende duif
zat, en sprongen daarop met uitgestrekt lichaam naar beneden in
de vlammenzee daaronder, terwijl de duiven omhoog vlogen en de
vrijgemaakte ziel symboliseerden.
• Twee van de vrouwen toonden zelfs op het laatste oogenblik
geen teeken van vrees. Zij zagen elkander aan om te zien, of
beiden gereed waren, en deden daarop den sprong zonder te dralen.
De derde scheen te talmen en den sprong met minder
zelfvertrouwen te maken ; zij wankelde een oogenblik, maar
volgde daarna de anderen. Alle drie verdwenen zij zonder geluid
in de vlammen.
• Dit vreeselijke schouwspel scheen geen beweging te veroorzaken
onder de groote volksmenigte. Het tooneel eindigde met barbaarse!,
muziek en kanonschoten. „Het was een gezicht, dat men nooit
vergeet", eindigt Helms zijn verhaal, „en het vervulde ons hart
met een gevoel van dankbaarheid daarover te behooren tot eene
beschaving, die ondanks al hare fouten, barmhartig is, en er hoe
langer hoe n naar streeft, de vrouwen te beschermen' tegen
onderdrukking en wreedheid. Dank zij het Britsche bestuur is
deze akelige landplaag van menschen-offers uitgeroeid in Indië,
on zonder twijfel hebben de Hollanders nu hetzelfde gedaan op
Bali." Tot zoover het relaas. Inderdaad maakte de Nederlandsche
regeering een einde aan deze barbaarschhedon. En zij deed dat,
moest dat doen met d, ' De expeditie van 1906 hield nog o.a. met
die verbranding van levende vrouwen verband, want in 1903 had
die gruwel nog in Tabanan plaats, ondanks het uitdrukkelijk
verbod der regeering. Maar waar we hier op komen willen, is de
tegenstelling tusschen deze gruwzame werkelijkheid en de idylle
die theosofische en communistische dames en heenn altyd van Bali
maken. Bali is taboe, kom er niet aan, dat is een paradijs op
aarde. Inderdaad, sedert het Nederlandsch bestuur er zijnen
bewoners begrippen van menschelijkheid bij-bracht, en hen dwong
om zich daarnaar te gedragen, heeft het er wel iets van. Het
zijn de beruchte Mevr. Roland — Holst en haar echtgenoot, die in
lezing en orgaan, in gesproken en geschreven woord niet aflaten
met het te doen voorkomen als zou men niet beter kunnen doen dan
maar zoo gauw mogelijk naar Bali te verhuizen. Zoo vertelde zij
nog in 1919 aan de Amsterdamsche studenten tijdens een lezing
van de „communistisch en o, zoo gelukkig levende bewoners van
Bali." Tegenover de Balineesche vrouwen, die ze op de bekende
foto 's van Dr. Krause had gezien, stelde zij de afgesjouwde
vroegoude jonge vrouwen onder het kapitalisme! En de
communistische spreekster maakte den jeugdigen studenten wijs
dat het leven op Bali van feesten, muziek, spel en dans aan
elkaar -hing.
• In een particulier schrijven van den heer Lekkerkerker,
archivaris van het Bali-Instituut, aan Dr. v. Dieien te
Amsterdam, die wantrouwig staat tegenover het enthusiasme van
mevr. Roland—Holst, deelde eerstgenoemde mede dat het
ongelooflijk was zooals het volk op Bali, vóór de bemoeienis van
het Nederlandsche „kapitalistische" bestuur, werd uitgezogen en
ver trapt. De ellende vloeide hoofdzakelijk volgens hem voort
uit het kasten-wezen, de slavernij en de ellendige positie der
vrouw als gevolg van Hindoosche begrippen.
• Het aitikel in do Indische Gids van Maart j.l. gaf gereede
aanloiding dit alles nog eens naar voren te brengen. Het trekt
de aandacht hoe de soc.-democratische en communistische partijen
de laatste jaren „veel werk" van Indië maken, hetgeen niet het
allerlaatst voortvloeit uit het feit dat het terrein der sociale
wetgeving vrywel is afgegraasd, maar vooral omdat de voormannen
dier partijen zich daar vrij veilig voelen, wetende te spreken
en te ageeren voor een galei _ die niet au, fait is, een publiek
dat'men over koloniale zaken straffeloos vrijwel alles op de
mouw kan spelden wat men wil. En dat hebben de demagogen ginds
noodig. Mevr. Roland — Holst met hare honneponnige „communistische"
Baliërs bewijst het. |
|
|
Oost Indië. Indrukken uit Bali. VII.)
Lijkverbranding. Krantentitel:
Nieuwe Rotterdamsche Courant Datum, editie:
02-06-1928, Avond |
|
|
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character
Recognition). Deze techniek levert geen 100% correct resultaat
op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen
voorkomen. Naar schatting is op deze pagina 95.1% van de tekens
correct.
Oost Indië. Indrukken uit Bali. VII.) Lijkverbranding.
(Van onzen <) correspondent.) Op zee. II April. De Balinees te
een man vol opgewektheid. HU weet wat feestvieren te. en het te
geen toeval «lat zUn godsdienst hem een lange reeks van kostbare
.-familie» partijen" oplegt. Geen daarvan echter te zoo groot,
zoo luidruchtig en zoo kleurig als „der dooden allerlaatste
feest", de lijk» verbranding. Ik kwam op Hall ta een tUd die
weinig kans geeft een dergelijke plechtigheid te aanschouwen.
Want onze ha«»w»aaud«*a «yn daarvoor blj voorkeur aangewezen.
D^«tt«mln heb lk het voorrecht gehad tweemaal met
e«»varbrandln«aplechtlgheld ta aanraking ta komen. ««?".3!3^ *n
-»-«--■-«-- «Un «tooen van sterven «00--5™ "l"3?n *"? leder
ander. Da verbranding vindt aan ook echter ln den regel nlet
onmiddellijk na den nood plaats. Het lijk wordt dan zoolang
begraven of ge» balsemd, in Noord vau l, een UJkverbrandlng nog
zóó '"l At weinige tamlll*3n de kosten kunnen «dragen van een
tadlvldueele behandeling hunner dooden. Duizenden guldens aijn
er met het maken van den verbranding», telen, van de lijkkist en
de onvermijdelijke feeatelUkneden gemeeld. Daarom verzamelt men
dooden tot de families met vereende krachten de plechtigheid
kun» nen betalen.
In het Zuiden heeft men geleerd, de verbranding aan» voudiger ta
te richten. Allicht echter kost de voorbereiding eenlge maanden.
En een «ware laat blijft alj toch. Daar echter heb lk een paar
gevallen van tadlvldueele verbranding ontmoet.
Er «Un ook alleriel godsdienstige redenen, waarom een
verbranding soms Jaren. Ja decennia moet worden uitgesteld. Als
er van het lljk slechts een paar botjes over zUn, voldoet de
verbranding aan de eischen van het geloof. En «Un die nlet meer
te vinden, dan kan men af met wat de Chineezen een zieletablet
zouden noemen: een staafje van lontarblad, waarop een poppetje
geteekend te met daarbij de naam van den overledene. Veelal, als
de verbranding niet eindeloos hoeft ta worden uitgesteld, houdt
de familie den doode in huis. Het lljk wordt oppervlakkig
geprepareerd, d.w/2. door toepassing van allerlei uiterlijke
middelen verduurzaamd. Deze methode te ta den regel heel wetalg
afdoende; maar de BaUVr beweerd dat na weinig weken de
lijkenlucht wel wUkt. Wellicht is het juteter te zeggen, «lat de
omgeving eraan gewend raakt.v«7ant menigmaal te het ta de buurt
heel goed uit te maken — zélfs zonder de eigenaardige lantaarn
die de aanwezigheid van een doode op het erf aankondigt — dat
een overledene er op de laatste plechtigheid wacht. In gunstige
gevallen te het erf gekenmerkt door een penetrante lucht van
gezouten visch; het kan echter nog erger.... Ik moet echter
erkennen, dat ta belde gevallen, waarin ik aan de baar van een
doode heb gestaan, van lucht niets meer te bespeuren viel.
Desniettemin zal er wel spoedig een einde worden gemaakt aan het
gebruik, om lijken langen tUd op het familie-erf te bewaren.
MUn eerste ontmoeting met een verbranding waa op den weg naar
ITabanan. VVU moesten wachten voor een dichte menigte, uit wier
midden een zeer bont versierde, luchtig geconstrueerde toren
omhoog rees. Een groote menigte lieden droeg met behulp van een
onderstel van zwaar bamboe het gevaarte. Zoo heb ik ook de baar
van aanzienlijke Chineezen zien «Iragen. Het was een gejoel van
belang, eu als de toren verder ging, dan liet het evenwicht,
waarin hU getransporteerd werd, heel wat te wenschen. Het was
duidelijk, dat niemand wat gebeurde als een tragische
plechtigheid beschouwde. Alles ging met een wild gekrioel van
half» naakte lijven en een helsch gehuil en geschreeuw ta zUn
werk. Voor een erf hield men stil. Eerst werd door een menigte —
ook van vrouwen — het zeer lange, witte Iljkkleed naar buiten
gebracht. ledereen wilde meedra» j
gen. men vocht en rukte om een plaatsje. Aan de toren is een
soort trap. waarlangs Ujk en Ujkkleed naar boven worden gebracht.
Mannen klommen daartegen op, en legden het kleed neer om den
doode te ontvangen. Daarna werd het Ujk, ta katoenen doeken
gewikkeld, op de zelfde wUze, met hetzelfde geloei en geworstel
naar bulten gebracht en op zUn plaats hoog ta de toren neer»
gelegd. MUn begeleiders zelden mU toen, de de rest nu wel vele
uren zou voortduren, en dat wachten niet meer mogelUk was.
Het dorpshoofd echter had mijn belangstelling gezien, en kwam
vertellen dat men wat zou voortmaken. en dat het interessantste
nu komen moest. Hij gaf een bevel, en met hefonvermUdelUke
geschreeuw en gejoel stortte ieder zlch naar zUn plaats aan dé
draagstaven. Zwiepend ging ht gevaarte nu vooruit, met een
orkaan van geluid van een menigte, die zich heelemaal gaan laat.
Zoo kwamen wU op de plaats der verbranding. Daar wachtte op een-
verhooging een weer kleurig ver» sierde, naar mU voorkwam
papieren kist. Vele mannen bestormden nu de trap eén haalden het
lijk naar beneden. Intusschen had een opmerkelijke ceremonie
plaats ge» vonden. Een jonge vrouw was naar de kist gebracht.
Aan haar nieuwsgierig en tegelijk verlegen glimlachend ge» zicht
was te zien, dat haar een bijzondere taak was opgedragen. Men
gaf haar instructies en toen maakte zU de, voor de Ballsche
vrouw typische, zeer lossen wrong — Of juister: eenvoudige knoop
— van haar zware, zwarte haar los; en met de losse haren veegde
zU door de kist. Dit was blijkbaar een magische vorm van
reiniging. De vrouw was. naar het scheen, een bloedverwante van
den doode. Maar zU verrichtte haar taak met een glimlach, alsof
zlj de ceremonie wat dwaas vond. Daarna voegde zU zich bij de
twee groepen van familieleden, die beschut tegen de zon met
belangstelling — maar dan ook met niets anders — de plechtigheid
stonden aan te kijken. Deze werd nu als schouwspel belangwekkend
genoeg. De priester ging op de verhooging staan en verrichtte,
met zUn helpers, de reiniging van den doode. Het was een als
ceremonie Indrukwekkende vertooning. Zoo wild als al het
voorgaande was geweest, zoo vol religieuze wijding was deze
handeling. Een lange rU van vrouwen, prachtig om te zien in de
natuurlijke bevalligheid van haar naakt bovenlichaam en de
strekking van de armen naar de aarden potten met wUwater en met
offergaven dle zU op het hoofd droegen, ging langzaam naar de
verhooging. Ta het tempo waarin de priester de gaven kon
aannemen. Gebeden prevelend en met plechtig en fijn gebaar der
handen plengde de priester het reine water over den doode.
waarbU hij het goot door een opgehouden doek vol bloemen.
Telkens als hU een der nieuwe aarden kommen met wUwater geledigd
had. wierp hU dle stuk op den grond, waar mannen met dikke
stokken het vaatwerk nog verder vergrulzelden.
Dle wijding, met de nu stille menigte op een afstand, met de
groep van de met een afdak en met een zonnetscherm ta de schaduw
gehouden familie, en met de rij van bevallige, half naakte,
kruiken op het hoofd dragende vrouwen, dat was een typisch
tafereel voor het kokette museumlandje 8a1i....
.Het dorpshoofd kwam toen weer naar nuj toe. om nuj te raden nu
Uever niet langer te wachten, maar later terug te komen. Want nu
zou het uren zoo door gaan, zeide hU, voor de toren ta brand
gestoken zou worden. Het tos het verder wachten niet waard, zoo
zei hlj. Terugkomen was mU helaas nlet mogelijk. Daardoor heb ik
het tafereel gemist van den vlammende» toren en de wilde menigte
dle erop los stormt en stukken van da versierselen van den toren
losrukt.
Voor Amerlkaanaone tourlaten la «llt vooral een geliefd
schouwspel, «lat men hun gaarne zou gunnen, als zll geen
aanstoot wekten door menigmaal aan de plundering een al te fel
aandeel te nemen, waardij zlj uiteraard liet «w? Sï?,!?rBCheld
wat adat ia an wat kwataanda ruwheid. niet kunnen aanvoelen.
t«~» J!*^S? ?,^k *' va *-***» heett ar nleta Ju ,£-!?'n «lkverbrandtagen
aan schouwspel alln voor «e vreemdelingen. HU la verdraagzaam an
op dlt punt
niet al te teergevoelig. Velen beschouwen het zelf als een 53»^
«f do?den en "X"* de familie, als vreemdelingen «langstelling
toonen voor het pompeuze verbranding»-feest. De Baliër is
pronkUevend en het te niet slechts religieuze behoefte «lic hem
zoo zware lasten doet dragen voor de bevrijding zijner dooden
van de aardsche banden in voorname families kost een
lijkverbranding menigmaal tienduizenden guldens. De hoogste
Nederlandsche autoriÏÏhTÏ». ?d? °"i» gevraagd en zullen zeker
aanwezig A^^ t e,.^ent Caron zeggen tot een Hollandsch ?&iw
'^"".°""ke vormen en Meeding verwesterscht Baltaeesch hoofd, met
wien hU zeer bevriend te: „Ge hebt mU verleden jaar geïmponeerd,
zooals ge weer heetemaal Balisch feodaal vorst geworden was.
toen ge Pra,chtlee «tatiekleedtag p den toren stond en de
h^U/mende7° "" die de° toren *** ak e<-BaUlLe.es glimlachte. Dat
was de dure glorie van «Un geslacht geweest. En de BallSr heeft
«ovAl gevoel
e"oor^BwN *&■******* afkeer van bet dure
veN-,K«,^ ■tawSJ? to een ae-Wa. waar men de verbranding van een
Brahmaan voor den volgenden dag
voorbereidde. Heel het dorp waa In nijvere ben Men bouwde nog
aan den toren en aan de kat«H die het bUwndere van het geval
etecht». Men fe overal nog «pU«n en bloemen voor de offerande!
onthaal. Op het erf waa bUna geen plaata door «>,,
rige en weelderige zee van offergaven, dla overal ' stapels
waren uitgestald. Een afgesneden karbouwen.' lag voor het huisje,
waarin het Ujk op een katal, wachtte. Dat huisje was volgepropt
met offer,, bloemen. Honderden menschen zwermden als mieren, «llt
alles heen.
Ik werd voorgesteld aan den pedanda. den zoon r den overledene,
die zijn opvolger was als priester. IK waardeerde merkbaar de
belangstelling die wij — de - begeleidende bestuursambtenaar en
ik — toonden « zekeren trots liet hU ons rondkijken. Van
droefenk =- bU hem niet veel merkbaar. ,maar zooveel te meer r
vLnt°ldoe"nB ,v*n den man. die zUn werk welg^ vindt, en die zich
koestert in het aan den dag tred-* aanzien van zijn geslacht.
-) Nr. VI zie Avondblad A 30 Mel.
Een lijkverljrandingsptechtighetd-op Bali Het lijk wordt inden
toren, gedragen.
Een Wh^verbrandbi^lecrmgheid op Balt. op het erf van dm «looile. |
|
|
LIJKVERBRANDING OP BALI Krantentitel:
De Sumatra post Datum, editie:
13-02-1932, Dag
|
|
LIJKVERBRANDING OP BALI |
De ziel dient zevenmaal geincarneord te zijn, om een staat van
volmaaktheid te bereiken en om in den hemel bij Sjiwa te worden
toegelaten. De lijkverbranding is daarom voor de Baliërs van
buitengewoon groot belang, en het ceremonieel dat erbij te pas
komt is naar verhouding. Onmiddellijk nadat iemand overleden is
wordt evenwel niet tot crematie overgegaan. De
lykvcrbrandingsceremonie brengt vrij hooge kosten mee, en niet
iedere Baliër is in staat, om die kosten terstond te voldoen,
vooral ook omdat de aan de plechtigheid gepaard gaande feesten
eveneens vrij hocge uitgaven vergen. Behalve redenen van
financieelen, zijn er ook van anderen aard, waardoor een
lijkverbranding voorloopigwordt uitgesteld. Zoo wordt het niet
juist geacht, dat een jong lid der familie eerder verbrand wordt
dan de oudere leden van het gezin, die nog in leven zijn. Men
wacht dus met de crematie van zyn lijk, totdat ook een ouder
familielid het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft,
waarna een gezamenlijke crematie plaats vindt.
Daarom zal men zelden de lijkverbranding van één persoon, doch
van een geheel gezin bijwonen. Zoo is het b.v. in Taba-
nan gebruik, dat slechts eens in de drie jaren lijkverbrandingen
worden gehouden. De lijken der overledenen worden zoolang
begraven, terwijl in hoogere kringen de lijken vaak gebalsemd
worden. Veelal ook wordt het lijk gemumificeerd, door het in
zwachtels te winden. Dit laatste procédé is de reden, dat in de
dorpen soms een ondragelijke geur hangt. *Wanneer het tijdstip
van een lijkverbranding dan eindelijk nadert, plegen de
ingezetenen van een kampong overleg met een Brahmaansch priester,
een pedanda, die een geschikten dag uitkiest, voor de
plechtigheid. Daarbij houdt hij vooral rekening met den stand
der maan, terwijl ook de regentijd een rol speelt: deze dient
namelijk vermeden te worden. In don regel zullen touristen op
Bali getuigen van lijkverbrandingen kunnen zijn tusschen
Augustus en November, meer in het bijzonder in October en
November. Zoodra het tijdstip is bepaald, treft men de
voorbereidende maatregelen voor de oprichting van de „wadah". De
„wadair" is een soort statiebaar die bij de plechtigheid niet
ontbreken mag. De „wadah^s worden in den regel rijkelijk
versierd en zijn, ook vanwege de gedegen constructie, vrij
kostbaar.
Op de baar, welke* van bamboe vervaardigd wordt en die vaak
afmetingen bezit, dat wel honderd personen haar kunnen dragen,
wordt vervolgens een geweldige „garoeda" bevestigd, de arend,
het dier van de godheid Sjiwa.Dezegarocda's vertegenwoordigen
soms de fraaiste kunstËroductcn, welke kenmerkend zijn voor ali.
De „wadah" wordt tenslotte gecompleteerd met een toren in den
vorm van een pagode. Aan de structuur der baar kan men zien, tot
welke kaste de overledene behoorde. De hoogste torens zijn
alleen bestemd voor overledenen van vorstelijken bloede, en het
aantal verdiepingen, varieerend van 7 tot 11, toont aan of de
prins tot de derde kaste der Goestis, of tot de tweede kaste
derSatria's behoorde. De eenige echter, die een toren van 11
verdiepingen voerde, wasdeDewaAgoeng van Bali, die in de dagen
der Oost Indische compagnie is overleden. Deze vorstelijke
familie is evenwel uitgestorven, toen de laatste leden ten tijde
van de landing van regeeringstroepen op Bali, in 1908, zellmoord
pleegden. Zoodra een „wadah" ongeveer gereed is, gaan de
vrienden en nabestaande van den overledene het lijk opgraven.
Eerst dan begint de eigenlijke plechtigheid. Tot aan den dag der
crematie wordt het lijk in een gallerij bewaard, de zoogenaamde
balebandoeng, van het opgerichte gebouw, terwijl een uitgebreide
maaltijd gereed wordt gemaakt voor de verschillende
feestelijkheden, die thans zullen plaats vinden. Op „wadah",
inmiddels gereedgekomen, wordt dicht bij het doodshuis geplaatst
en de lijken, die tevoren tb witte lakens gewikkeld zyn, worden
: en hellende plank naar de „wadah" overgebracht" Meestal ziet
men bij een lijkverbranding drie van die „wadah" 's waarvan de
hoogste en de fraaiste bestemd is voor het oudste lid der
familie.
Het is echter onmisbaar bij een crematie een soort receptoir te
hebben, waarin het lijk geplaatst wordt. Elke kist, waarin niet
meer dan een lijk geplaatst wordt, heeft overeenkomstig de kaste
van den overledene, het aanzien van een leeuw, een koe of een
visch. Den dag voor de verbranding worden de kisten in optocht
naar de verbrandingsplaats gedragen, en indien de overledene van
adel was, dus tot de triwangsa behoorde, wordt de kist in een
hellenden stand gezet. Talrijke belangstellenden en gasten —
indien de overledene van aanzien was — droegen versnaperingen
aan, die worden uitgedeeld, zooals sirih, kwe-kwe, enz., welke
op zilveren schalen worden aangedragen en welke bestemd zijn
voor de zielen der afgestorvenen. De gamelan tokkelt daarbij
onafgebroken haar onbegrepen melodieën en verhoogt het poëtisch
karakter van deze bijzondere plechtigheid.
In de bale-bandoeng worden de lijken op een soort catafalk
gelegd, welke met kostbaarheden is bedekt, gouden en zilveren
ornamenten, pajongs, krissen en kostbare gewaden.
Nabij het praalbed is het monsterlijke hoofd van Naga zichtbaar,
de machtige slang en de oppergod van de onderwereld uit de
Balineesche mythologie. Bij een Satria moet^deze Naga
tegenwoordig zijn, en dit gebruik berust op een oude legende. De
bedoeling is namelijk eiken vorst te heriniieren aan de
oppermacht van de Brahmaansche priesters, welke boven elke
wereldlijke macht verheven is, welke laatstgenoemde alleen in
handen van de Satria's was. In den stoet loopen eerst vrouwen
meedie op heur hoofden zilveren borden dra, gen, daarna volgen
zwaarddragers en dan weer een onafzienbare rij Balineesche
vrouwen, die plechtstatig voortschrijden, en kruikjes heilig
water van een der tempels uit de omgeving meedragen. Dit water
doet dienst als betuiging van sympathie en leedwezen, zooals wij
rouwkransen zouden zenden.
De lijken der overledenen worden dan uit huis gebracht en in de
„wadah" geplaatst. Een groote pajong beschermt hen tegen de
stralen van de middagzon. Vervolgens wordt de „wadah" opgetild
door de dragers, onder een oorverdoovend geknal van vuurwerk,
waarna men de menigte vooruit ziet snellen, dan weer
plotseling stil ziet staan en omkeeren, om de booze geesten op
een dwaalspoor te brengen.
De priester loopt in vol ornaat met den mijter met den
monsterlijken draak Naga getooid, voor den stoet uit.
Na aankomst op de plaa.ts waar de lijkverbranding zal plaats
vinden, wordende lijken uit de „wadah" getild, van hun windselen
ontdaan en in een gereedstaande kist gelegd. Nauwelijks zijn de
lijken daar geplaatst, of ;de Baliërs, in het bijzonder de jeugd,
plunderen de versierselen, papieren pop petjes en vogels,
spiegeltjes, kraaltjes, enz. De pedanda gaat vervolgens tot
wijding van de dooden over, welke plechtigheid vry lang duurt en
met veel waardigheid wordt verricht. Eerst tegen het vallen van
den avond wordt de „wadah" aangestoken, waardoor de omgeving
feeëriek wordt verlicht door een rossen gloed. De „wadah" stort
weldra in en alleen de kisten blijven langzaam nabranden.
Tenslotte wordt de asch naar zee gedragen, aangezien anders geen
reïncarnatie kan plaats vinden, en indien men niet bij zee woont
wordt de asch aan de rivier toevertrouwt, die het te bestemder
plaatse brengt Men ziet, dat er op Bali meer zorg aan de dooden
besteed wordt, dan in de westersche landen gebruikelijk is.
h • ,?• bestaat de gewoonte om de dooden te verbranden. Zonder
die ve: Dranding toch kan de ziel, naar meening der, het
Hindoeisme belijdende Baliër met ten neme. varen. Op den dag der
verbranding wordt het lijk onder oorve; scheurend gehuil langs
een trap of brug overgebracht
naar een hoogen rijk versierden toren (verbrandingstoren). Deze
toren wordt naar de verbrandingsplaats gedragen, waar de doode
in een kist wordt gelegd,) welke gewoonlijk den vorm van een
stier heeft. Nadat het lijk en de kist verbrand zijn, wordt de
asch verzameld en met den verbrandingstoren aan de zee
toevertrouwd |
|
|
Massaverbranding op Bali, TIENDUIZENDEN
BELANGSTELLENDEN. De ceremonie Krantentitel:
De Sumatra post Datum, editie:
28-02-1934, Dag
|
|
Massaverbranding op Bali, TIENDUIZENDEN
BELANGSTELLENDEN. |
De ceremonieDe correspondent van de Ini. Crt. op Bali schrijft
aan zijn blad ddo. 13 dezer:
Gisteren, Maandag den 12den Februari, had op het groote Balische
kerkhof te Badoeng een verbrandingscereraonie plaats, die zeer
zeker eenig in haar soort moet heeten: het stoffelijk overschot
van ruim drie honderd afgestorvenen werd aan het vuur
prijsgegeven.
Zooals men weet, wacht de bevolking met de verassching harer
dooden gaarne tot een of andere groote des lands een palebon (verbrandingsfestijn)
houdt en van zelf sprekend is het dan de groep der vroegere
onderdanen van een bepaald vorstengeslacht, die hvm dooden op
dien dag mede de vuurceremonie doen ondergaan, welke, zooals men
weet, ten doel heeft, de ziel geheel los te maken van aardsche
banden. Het waren ongetwijfeld groote dooden die gister
uitgedragen werden uit de Poeri Djero Koete, het verblijf van
Anak Agoeng Biang Dj ro Koete, zooals de bevolking zegt,
afstammeling van een der vier be kende vorstengeslachten in het
Badoengsche. Reeds meer dan een maand was in deze poeri gearbeid
aan de voorbereiding van de ceremonie, welke, zooals men weet,
zeer omslachtig is. Zelfs in dezen tijd, waarin kennelijk de
Baliër tijdelijk eene versobering heeft aan gebracht, wat
betreft versiering en algeraeene praal, daar blijft het heele
complex der afzonderlijke offeranden, offerdiensten en alles,
wat daarbij behoort, een uiterst tydnemende kwestie. Volgens het
algemeene zeggen zouden de regens, die dagen en dagen lang, ja
eigenlijK reeds weken, neergegudst hadden, ophouden op het uur
van deze groote verbranding, en ziet, als het ware klokslag één
uur des namiddags, werden de hemelsluizen dichtgedraaid en
verscheen voor het eerst sedert lang een helder zonnetje aan een
onbe wolkten hemel. En een warm zonnetje! Op het enorme
kerkhofterrein verdrongen zich stellig ettelijke tienduizenden,
van heinde en ver toegestroomd, en de hitte in de menigte,
overstraald door die plotselinge zon, brandend door een met
waterdamp bezwangerde atmosfeer, was zoo nu en dan schie
ondragelijk Oncoodig te zeggen, dat de enkele Europeanen, die
zich in deze drommen toeschouwers bevonden, nauwelijks opgemerkt
werden. Het was allerminst een «kijkspel" voor hen, integendeel,
dikwijls werd het een sauve qui peut en vooral toen de
lijktorens aankwamen, die zonder aanzien des persoons blank en
bruin in hun wilde bewegingen verdrongen. We zagen menigeen in
greppels en kuilen belanden..,. Aan een omschrijving der
ceremoniën wagen we ons niet: genoeg te vermelden, dat pijnlijk
nauwkeurig, door royalty als door het volk, de reeksen
plechtigheden verricht werden en het was, als steeds,
merkwaardig om te zien, hoe de honderden familieleden, die hier
bijeengekomen waren ter verzorging van het zieleheil hunner
afgestorvenen, als van ouds op de meest stipte wijze hun offers,
hun wijwater, hun bloemen en alles, wat tot de crematie hoort,
verzorgd hadden. Het befaamde „er mag niets aan ontbreken", dat
zoo typisch is voor de geschreven wetten op Bali, heeft nog
niets aan kracht verloren.
Wel moge ten slotte nog even vermeld worden de niet zoo vaak
voorkomende ceremonie met de slang, de naga, een prachtig stuk
werk uit met goud bedekte, fijn uitgesneden buffelhuid en een
drie honderd meter lang, groen lichaam, dat door talloos velen
gedragen wordt.
Een priester in vol ornaat, de rood on gouden mijter op het
hoofd, het shiwaitische kralensnoer over de schouders hangend,
gezeten op een door net volk gedragen gestoelte met kop en
versiering van de naga voor zich, verrichtte de ceremonie van
het „levenwekken" en daarna „dooden" van d;t mythisch wezen.
Opmerking verdient thans nog slechts het merwaardig feit, dat
zulk een enorme menigte zich geheel zelf regeert; politie stond
slechts aan de viersprongen, op grooten afstand, ten einde
auto's tegen te houden, hetgeen overi ;ens niet bepaald een
succes geweest is! |
|
|
DE „BELA" OP BALI. Krantentitel:
Tilburgsche courant
|
|
DE „BELA" OP BALI. Het vroegere vrouwenoffer bij
de lijkverbranding van een radja. |
In de Maart-aflevering van de Indische Gids ontleent dr. H. H.
Juynboll een treffende beschrijving van een lijkverbranding op
Bali in het midden der 19e eeuw aan een verleden jaar verschenen
en hier te lande nog we:,ndg bekend Deensch boek, getiteid Til
Bali" door Aage Krarup NieJsen. Het is het bericht van een Deen,
Verner Helms, die op 20 December 1847 dé verbranding heeft
bijgewoond van een Balinee*chcn radjte, waarbij drie van zijn
liévelingsvrouwcn zrich offerden aan de vlammen ten overstaan
van een menigte van 40 tot 50.000 menschen. De schrijver vertelt
hoe de vreeselijke plechtigheid van de „bela" (bcia beteekent:
trouw tot in den dood) plaats vond op een stralenden dlag en hoe
de menigte er heentoog als ware het voor een vroolijk feest.
Bekort geven wij hier d* beschrijving van het offer weer:
Midden op een open plaats, omgeven door een rij boomen, trekt
een prachtig gebouw met verguld dak, rustende op karmozijnroode
zuilen, onze aandacht. Dat :'s de plaats, waar de verbranding
van den gestorven Radja zal geschieden. Bij nader (Onderzoek van
het gebouw schijnt het te rusten op een vier voet hoog platform
van gemetselde steenen, waarboven nog een, met zand bedekte
vloer is. In het midden staat een houten beeld van een leeuw,
stralend van purper en gouden versierselen. De rug .is zoo
gevormd, dat die geopend kan worden, en die is bestemd, om het
koninklijke lichaam voor dc verbrandnig ie ontvangen. Het heele
gebouw is rijk . versierd met spiegeltjes, Chineesch aardewerk
en verguldsel.
. Onmiddellijk aansluitend bij dit gebouw iigt een vierkant
plateau, omgeven door een vier voet hoogen muur. Deze geheele ■ruimte
is gevuld door een vlammend, helder vuur, het noodlottige vuur,
dat de offers zal vers Enden. Een lichte brug van bamboe boven,
ter hoogte van twintig voet, voert over deze plaats heen, en
eene bedekking van pfataantakken beschut die tegen het vuur,
Midden op dc brug bevindt zich een paviljoen, bestemd om de ,
offers te ontvangen, terwijl zij zich voorbereiden tot den
doodssprong. De toeschouwers vulden de ruimte tusacben deze
gebouwen en den buitenmuur, waarbinnen een reeks 'kleine
paviljoenen ten gebruike der vrouwen gemaakt was. Deze plaats
werd nu spoedig vol, en aller **ogen waren gericht op den kraton.
van Waar de lijkprocessie zou komen. Merkwaardig genoeg verliet
de doode heerscher voor het laatst zijn paleis niet op den
gewonen weg. Een lijk wordt aLs onre'n ■beschouwd, en niets
onreins mag de poort doorgaan: Er was daarom iets gebouwd, dat
geleek op een brug over d.c muren, en hd'erlangs werd het lijk
gedragen. De brug voerde omhoog maar de bovenste verdieping van
een reusachtigen toren, in den vorm eener pagode. Hierheen werd
het Jijk gedragen.
Deze toren, die „bade" genoemd wordt, werd gedragen door 500
man. Hij bestond uit 'elf verdiepingen, behalve drie lagere
platformen, en bet geheel was prachtig versierd. Boven op de
hoogste verdieping bevond zich het lijk, m wit linnen gewikkeld,
en bewaakt door mannen, die waaiers droegen.
Achter de groote „bade"T die den doode radja droeg, volgden drie
kleinere en niet zoo prachtige, eik eene jonge vrouw bevattend,
die geofferd moest worden. De offers van dit wreede bijgeloof
toonden geen •teeken van angst voor het vreesclijke lot, dat nu
zoo nabij was. Zij waren in het wit gekleed en waren
gedeeltelijk verscholen achter hare lange, zwarte haren; met een
spiegel in de eene hand en een kam in dc andere, schenen zij
slechts vervuld van de gedachte, zich te versieren als voor een
vrcoüjk feest.
De moed, die haar kracht verleende in deze akelige
omstandigheden, was in waarheid bewonderenswaardig. Omdat zij
favoótés waren, geloofden zij, dat zij ook de lievelingsvrouwen
en vorstinnen van hun overleden heer in de andere wereld zouden
blijven. Zij waren er van verzekerd, dat de goede wil, om hem
naar het hiernamaals te volgen, verheugd e» omgeven door praal
en pracht, de onzichtbare machten zou behagen en den gr.oöten
god Ciwa zou bewegen, haar onmiddellijk toegang te verleenen,
tot den Swargaloka, Indra's hemel. Rondom de arme verdoolde
vrouwen stonden hare familieleden en vrienden. Ook dezen zagen
evenmin met schrik naar de huiveringwekkende voorbcreidselen of
trachtten hunne, dochters of zusters aan ,den vreeselijken dood,
die haar wachtte, te onttrekken. Nadat de verbranding van het
lijk van den radja met groote plechtigheid had plaatsgevonden,
werden de vrouwen in processie driemaal rondom de plaats
gedragen en daarna op de * noodlottige brug gebracht. Daar
wachtten zij in het bovengenoemde paviljoen, totdat de vlammen
het leeuwenbeeld en zijn inhoud verteerd hadden: Zij toonden nog
steeds geen teeken van vrees, en hare zorgen schenen zich alleen
tot hare versiering uit te strekken, alsof zij zich voor het
leven en niet voor den dood tooiden. Inmiddels maakten de
wachtende vrienden alles gereed voor het vreeselijke oogenblik.
Het staketsel aan het einde van .de brug werd geopend en een
plank over het vuur geschoven, en de makkers daaronder goten
massa's olie op het vuur, hetgeen heldere en schitterende
vlammen veroorzaakte, die hoog de lucht inschoten. Het oogenblük
was gekomen. Met vaste en afgemeten schreden traden dc offers op
de noodlottige plank. Driemaal voegden zij de handen samen over
haar hoofd, waarop een kleine, levende duif zat, en sprongen
daarop met uitgestrekt lichaam naar beneden in de vlammenzee
daaronder, terwijl de duiven omhoog vlogen en de vrijgemaakte
ziel 'symboliseerden. Twee van de vrouwen toonden zelfs op het
laatste oogenblik geen teeken yan vrees. Zij zagen elkander aan
om te zien, of beiden gereed waren, èn deden daarop den sprong
zonder te dralen. De derde scheen te talmen en den sprong met
minder zelfvertrouwen te maken; zij wankelde een oogenblik, maar
volgde daarna de anderen. Alle drie verdwenen zij zonder geluid
in de vlammen. Dit vreeselijke schouwspel scheen geen beweging
te veroorzaken onder de groote vorksmenigte. Het tooneei
eindigde met barbaarsche muziek en kanonschoten. „Het was een
gezicht, dat men nooit vergeet", eindigt Helms zijn verhaal, „en
het vervulde ons hart met een gevoel van dankbaarheid daarover
te behooren tot eene beschaving, die ondank^ al hare fouten
barmhartig is en er hoe langer hoe meer naar streek, de vrouwen
te beschermen tegen onderdrukking en wreedheid. Dank zij het
Britsche bestuur is deze akelige landplaag van menscherJoffers
uitgeroeid in Indië, en zonder twijfel hebben de Hollanders nu
hetzelfde gedaan op BalL" Dr. Juynboll teekent hierbij aan: „Het
is gegaan, zooals Helms vermoedde, dat het Hollandsche bestuur
op Bali een einde heeft gemaakt aan de barbaarsche gewoonte van
vrouwenoffers, maar dit .'s ook het eenige punt, waarin eenige
verandering gebracht is in het schitterende en groötsche tooneei,
waarmee de verbranding vin een Balineesch vorst gepaard gaat.
Nog tegenwoordig evenal, ten tijde van Mals Lange en Helms en
duizend jaar voor hun tijd is de lijkverbranding eene groötsche
feestelijkheid, die maanden van te voren voorbereid wordt. Nog
tegenwoordig trekt de schitterende processie voorwaarts, vooraan
de honderden dragers met den fantastjschen pagodetoren van 12
verdiepingen, die het lijk van den doode bevat. De oude padanta
(opperpriester) schiet nog van de vier windstreken zijne
Moempijlen af op den kop van de grimmige slang. Maar wanneer de
vlammen om de kist omhoog slaan, zijn het niet meer de jonge
vrouwen van het paleis, die den vorst in den dood volgen. Groote
strooien poppen in kostbare gewaden gekleed, symboliseeren de
jonge vrouwen, die de nieuwe hcerschers van het land, de
Hollanders, (gelukkig) verhinderen dm haren heer te volgen in '
den dood tot de gelukzaligheid van god Indra's hemel." |
|
|
|
|