Koloniën. LOMBOK.
Krantentitel:
Rotterdamsch nieuwsblad Datum, editie:
29-09-1894, Dag
|
| Koloniën. LOMBOK. |
De gisteren uit Indië ontvangen telegrammen luiden niet zeer
bemoedigend. Inderdaad stuit men bij de Baliërs op hardnekkiger
en krachtiger tegenstand dan men vermoed had. Bijna 14 dagen
geleden (op 14 September) werd uit Indië geseind, dat de staf
geloofde, binnen een week Mataram te kunnen bemachtigen. En
thans wordt zelfs bericht, dat er sprake zou zijn van hervatting
der onderhandelingen, omdat de verovering van Mataram en Tjakra
Negara zooveel moeite kost!
Er wordt echter nog enkel van geruchten gesproken. Wanneer die
al een grond van waarheid hebben, dan zal die wel een andere
zijn dan dat onzerzijds de eerste stap is gedaan om te
onderhandelen, omdat... de onderwerping der Baliërs door kracht
van wapenen zich langer laat wachten dan men gemeend had.
Veeleer is het aan te nemen, dat van de Baliërs een poging is
uitgegaan om weder tot ecu schikking te geraken en heeft het
ondervonden onoplhoud, dat vermoedelijk met terreinbezwaren
samengaat, aanleiding gegeven tot het gerucht, dat men
onderzijds aanraking zoekt. Het gerucht klinkt al zeer weinig
geloofwaardig.
Stellig luidt het bericht, dat een oorlogsschip en een bataljon
naar Bali gezonden zijn, omdat Goesti Djilantik daar onrust
stookt. Men zal zich herinneren, dat deze vorst van Karang Asem
(op Bali) vazal is van den vorst van Lombok en met zijn volk
naar Mataram was gekomen om hulp te verleenen. Hij was de ziel
der vorige onderhandelingen en werd beschouwd als de
vredestichter. Aan het verraad verklaarde hij geheel onschuldig
te zijn en men liet hem ongemoeid naar Bali terugkeeren. Nu hij
daar onrust stookt, schijnt hij het masker te hebben afgeworpen.
Het is te hopen.dat de komst der "troepen tijdig genoeg zal zijn
om die zaak in den aanvang te smoren. Een opstand in Bali zou
zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Ook met het oog daarop is
het wenschelijk, dat op Lombok spoedig de zaken een beslissende
wending nemen. Waarom ongerustheid te Makacsar heerscht — gelijk
het telegram verder meldt — is .yegens de beknoptheid der
mededeeling niet geheel te verklaren. Er wordt gesproken van de
aanwezigheid van 5000 man hulptroepen uit Goa en Sidenreng. Dit
zijn staatjes in het zuidwestelijk deel van Celebes, waar ook
Makassar is gelegen. Reeds vroeger is gemeld, dat de hoofden
dier staatjes hulptroepen aan het gouvernement hebben aangeboden.
Van aanneming is echter niets vernomen. De hoofden schijnen
echter alvast 5000 man te hebben bijeengebracht en in de
nabijheid van zulk een inlandsch leger acht de burgerij van
Makassar zich blijkbaar niet volkomen veilig. H b 1. Aan een
brief van een soldaat, die deelneemt aan de expeditie op Lombok,
ontleenen wij de volgende eigenaardige .voorstelling omtrent
land en volk aldaar: „(Bali?) en Lombok weigerden om onder de
Europeanen te staan en wilden geen belasting betalen. Het
inlandsche hoofd speelde daar den baas. Als er een was, die 50
gulden verdiende, dan moest hij daar 25 gulden van af geven, en
zoo niet, dan motst hij dood gemaakt worden. Dit gaat hier heel
gemakkelijk ; ze nemen maar een kris, een steek in het hart en
weg ben je, want aan de. kris zit zwaar vergift. Als een
huisvader of een huismoeder of ook een landbouwer de grootste
helft niet gaf, was het onmiddellijk de dood. Er waren dagen,
dat er 30 a 40 om het leven werden gebracht. Op het laatst begon
men tegen elkander te oorlogen en dit is nu al twee jaar aan den
gang. Het behoeft dus niet gezegd, hoe verwilderd de menschen
er'waren en wat het voor ons was, daar aan land te gaan. Het
hoofd — de koning van Lombok — heeft zich zelf daarop gewerkt,
dat wil zeggen op den troon. Wegens de herhaalde binnenlandsche
vechtcrijen, waaraan de mannen moesten deelnemen, zijn de
vrouwen er reeds aan gewoon geraakt op het veld te werken,
zoodat men nu, nu er niet gevochten wordt, de mannen het
huiselijk werk ziet verrichten en met de kinderen loopon, en de
vrouwen op den akker. Wanneer zich nu de een of andere compagnie
soldaten vertoont, gelijken de menschen op herten : zoo ziet men
zeen zoo zijn ze verdwenen. Het is hier 's nachts zoo koud, dat
ik met een sprei, deken en mijn kapotjas over mij hoen nog niet
warm word. Bij ontwaken spoed ik me dadelijk naarde keuken om
brood, koffie en een oorlam te koopen. Hier zijn vijf
buitenverblijven. Er zijn erbij veel mooier dan in Nederland en
die stellig een millioen hebben gekost. De arbeiders van een der
verblijven moeten echter werken voor niets, zonder eten, en die
dit niet verlangt, wordt eenvoudig gedood. Hier groeit van alles,
wat men ook maar bedenken kan." H b 1. |
| |
Lombok.
Krantentitel:
Algemeen Handelsblad Datum, editie:
17-06-1894, Avond
|
| Lombok. |
Nu. volgens de Staatscourant van Donderdag, van Lomboksche
zijde niet voldaan is aan de door het Indisch Bestuur gestelde
eischen on daarop door den Gouverneur-Generaal aan den vorst van
Lombok de oorlog is verklaard, schijnt ons het oogenblik gekomen
in eenige beschouwingen te treden omtrent de kansen der
expeditie. Wij stellen op den voorgrond, dat wij steeds hebben
aangedrongen op minnelijke tusschenkomst, wanneer die slechts
eenigszins mogelijk was. „De vorsten van Lombok, zoo schreven
wij een paar jaren geloden, zijn onze oudste bondgenooten in het
Zuidoostelijk gedeelte van den Indischen Archipel; wij hebben
verplichtingen aan het Lomboksche vorstenhuis, en de aangewezen
weg is dus: niet dat wij ons met de opstandelingen verbinden om
den vorst te verdrijven, maar wel dat wg trachten, met den vorst
betere toestanden in het leven te roepen." Wij zullen dus de
laatsten zijn om de door den gouverneur-generaal Pijnaeker
Hordijk gevolgde gedragslijn af te keuren. Nederland verlangt
geen uitbreiding van zijn gebied, en de vorsten, aan wio
zelfbestuur is gelaten,
moeten in het algemeen wel overtuigd zijn dat wij hunne rechten
ten volle eerbiedigen.
Doch .... aan alles is een grens. Wanneer de vorst van Lombok
weigert de brieven van den gouverneur-generaal, den
vertegenwoordiger van den souverein, in ontvangst te nemen, dan
verbiedt onze waardigheid, daarin te berusten. Wanneer het
wanbestuur des vorsten zoo hoog stijgt dat ellende en
hongersnood in zijn land heersenen, dan verzaakt de souverein
zijn plicht als zoodanig, en den plicht der monschelijkheid
tevens, indien hij niet tusschenbeide komt: vriendschappelijk
zoo het kan, met de wapens in de hand, zoo het moet. En door de
vriendschappelijk bedoelde inmenging op de lovopste wijze af to
wijzen, heeft de Lomboksche potentaat ons ten slotte tot de
expeditie gedwongen. Aldus is de indruk, dien wij verkregen uit
do van tijd tot tijd openbaar gemaakte berichten. Die indruk zou
wellicht gewijzigd kunnen wordon, indien wij vollediger waren
ingelicht dan thans hot geval is. Doch wij meenen te weten dat
èn de reside«t van Bali en Lombok, èn de Raad van Indië sedert
lang op wapengeweld hebben aangedrongen. Zeker is dit feit niet
zonder beteekenis: de resident kan de politieke toestanden on
ook de moeilijkheden, aan eene expeditie verbonden het best
beoordeelen; — de Raad van Indië, geheel uit burgerlijke
ambtenaren samengesteld, kan allerminst van „militaire
aapiratiën" worden verdacht. Als zoowel de resident als de Raad
van Indië een militair optreden noodzakelijk en onvermijdelijk
achten, is er inderdaad groote waarschijnlijkheid dat het zulks
ook is. Om ons volk do overtuiging te schenken dat de expeditie
naar Lombok volstrekt noodig, door onze waardigheid geboden was,
ware het wenschelijk dat alle daarover handelende rapporten
sedert het begin van 1890 — toen de opstand der Mohammedaansche
bevolking een aanvang nam —» werden gepubliceerd. Wij vermoeden,
dat dan afdoende zou blijken, dat de meest mogelijke, wellicht
zelfs overdreven lankmoedigheid is betracht, en dat de
tegenwoordige Indische regeering niet anders kon handelen dan
zij gedaan heeft. Wanneer de overtuiging daarvan zich bij ons
volk en zijne Vertegenwoordiging gevestigd heeft, is dat een
moreele steun voor de Regeering, waaraan zij wellicht eenmaal
behoefte zal hebben. Ten aanzien van Atjoh heeft zq die te veel
gemist! Uitgaande van de meening dat het zenden eener expeditie
thans — nadat alle andore middelen tot vereffening der
Lomboksche quaestiëu te vergeefs zijn beproefd — ten volle
gerechtvaardigd is, willen wij thans trachten, het pessimisme te
bestrijden, dat ten aanzien der kansen van de expeditie verleden
week bij monde van den oud-Gouverneur-Generaal Pijnacker Hordijk
aan het woord was. Luchthartigheid is voorzeker misplaatst. Men
moet de slechte kansen niet over het hoofd zien, en daartegen
zooveel mogelijk zijne maatregelen nemen. Maar van den anderen
kant — hij die in het volle vertrouwen op zijn goed recht een
oorlog begint, moet ook niet beangst ge-
maakt worden voor den uitslag; zijn zelfvertrouwen moet niet
ondermijnd worden!
lïeeds bij de aanvraag tot het houden zijner interpellatie, op 7
Juni, sprak de heor Hordijk over de „ongerustheid" die zich van
hem had meester gemaakt, op het vernemen van het bericht dat
eene expeditie naar Lombok werd voorbereid. En hij wees daarbij
op de Balische expeditiën van 1846—1849, „om te doen uitkomen
dat eene expeditie tegen eene bev^lking van dezelfde geaardheid
en een eiland" van ongor?0*1 «lenzelfden omvang eene zaak is van
niet gering S"wicht.- die vergelijking gaat, dunkt ons', _nêr.nlmBt
.°P! De heer Hordijk erkende „dat er belaügriji*-6
verschilpunten tusschen Bali en Lombok zijn, maar wees deze niet
nader aan. Zij zijn, bovenal, dat wij op Bali de gansche
bevolking tegen ons hadden, terwijl, op Lombok, nagenoeg de
geheele bevolking (94 pCt. volgens Jacobs, bl. 149) reikhalzend
naar onze komst uitziet en onze troepen als bare verlossers van
de schandelijkste overheersching begroeten zal. Op Bali vochten
onze troepen hoofdzakelijk tegen Boegmeezen, daartoe door de
Baliërs gedwongen (Jacobs, bl. 115); op Lombok zullen zij staan
tegenover Baliërs, die volgens Jacobs niet dapper en
krijgshaftig zijn. Inderdaad, de „verschilpunten" tusschen Bali
en Lombok zijn wel belangrijk; zóó belangrijk, dat men kan
zeggen dat er tusschen beide expeditiën — die van voorheen tegen
Bali, van thans tegen Lombok — niet de minste overeenkomst is
waar te nemen ! Bij het houden zijner interpellatie, op 8 Juni,
heeft de heer Hordijk zich herhaaldelijk beroepen op een opstel,
door den kapitein H. P. Willemstijn in het Indisch Militair
Tijdschrift van 1891 geplaatst. Wij willen hierbij opmerken, dat
dit opstel niet anders was dan eene, wij voegen er gaarne bij,
zeer volledige en 'verdienstelijke compilatie van hetgeen iv
vroeger en later tijd over Lombok is gepubliceerd; het was niet
gegrond op eigen onderzoek of eigen waarneming. Meu mag het dus
niet te hoog lateu klinken dat het stuk, als afkomstig van een
kapitein van den generalen staf, derhalve wel eenig vertrouwen
verdient (Handelingen le K., bl. 17). Zoo wat de ongezondheid
betreft. Voor zoover wij hebben kunuen nagaan, is alles wat
daaromtrent medegedeeld is, afkomstig vau Zollingen, die in 1847
over Lombok schreef. Zollingen had (Tijdschrift voor Ned^ Indië
1847 II bl. 303) „de droevige ondervinding dat het klimaat van
Lombok zeer gevaarlijk was"; Pidjoe was de eeuij'e „zeer gezonde
plaats die (hem) als zoodanig bekend was". Maar wij vragen: is
dio mededeeling als een afdoend bewijs te beschouwen? Zollinger
zelf schrijft: „bij den eersten aanblik zou men het eiland zeer
gezond uoomen; het land is goed bebouwd, de moerassen zijn
zeldzaam, de berg- en zeewinden waaien bijna altoos en temperen
de groote warmte". — Jacobs schrijft, (bl. 154) dat het
drinkwater „uitstekend" is. Vanwaar dan de roep van ongezondheid?
„De inboorlingen zeiden mij — Bchrijft Zollinger t. a. p. bl.
304, — zich geen enkelen goedeu moesson te herinneren waarin de
koortsen zoo gevaarlijk waren geweest als in die van het vorige
jaar". Welnu, in 1846 was het ook op Java hoogst ongezond ; toen
heerschte er in het Zuidelijk deel onzer bezittingen eene
koortsepidemie,die duizendeu en duizenden ten grave sleepte,
ltochusson spreekt in zijne Toelichting en verdediging van
eenige daden van mijn bestuur in Indië, bl. 152, van do „epidemie,
welke gedurende de jaren 1846, 1847 en 1848 in de bergdistrieten
van het centraalgedeelte van Java heeft gewoed en zooveel
verwoesting heeft aangericht. Mag men daaruit nu de
gevolgtrekking maken dat Java een hoogst ongezond koortsland is,
waarin de Nederlanders zich liefst niet moeten wagen? Immers
neen! Do heer Pij_acker Hordijk, op grond van de beschouwingen
des heeren Willemstijn aannemende dat de Mohammedaansche
bevolking door Mohamraedaansch fanatisme togen hareu vorst wordt
opgezet, stelt de vraag: „of het op onzen wog ligt om, daar waar
naast den Mohammedaanschen godsdienst ook de godsdienst der
Hindoe-Baliërs gevonden wordt, door expeditiën in zekeren zin
propaganda te maken voor het Mohammedanisme?" Wanneer men den
brief leest, uit naam der bevolking tot den resident gericht en
Woensdag jl. in ons blad opgenomen, dan zal men zion dat niet
het Mohammedaansche fanatisme, maar wel de verregaande
onderdrukking en knevelarij waaraan het volk van de zijde van
den vorst was blootgesteld, de oorzaak van den opstand is
geweest. Doch wanneer men de bescherming eener Mohammedaansche
bevolking beschouwt als het maken van propaganda voor het
Mohammedaansche geloof, eu haar daarom bedenkelijk acht, dan
stellen wij daartegenover de vraag: wat de dertig millioen
Mohammedanen in onsen Archipel wel van ons bestuur zouden moeten
denken, wanneer zij zagen dat wij ous op jLombok van de
bescherming der bevolking onthielden omdat deze Mohammedanen
zijn? Natuurlijk heeft de heer Pijnacker Hordijk dit niet zoo
bedoeld. Maar wij meenen dat de Regeering, in goeden zin
neutraal blijvende ten aanzien der verschillende godsdiensten,
nooit de overweging mag laten gelden, dat een Hindoe-vorst de
Mohammedaansche bevolking mag onderdrukken, omdat men,dit
tegengaande, „iv zekeren zin propaganda zou maken voor den
Islam" ! Eindelijk zeide de heer Pijnacker Hordijk nog, dat men
den vijand, dien men tegenover zich zoude vinden, niet moest
onderschatten; bi) fceeft „een groot getal wapenen, dat eenigen
tgd geleden a' gerekend werd te bedragen 25000 geweren, waarvan
1000 achterladers, en verstaat zelfs de kunst om geweren te
maken..." Overschatting van den vijand is altijd verkeerd; maar
men hoede zich evenzeer tegen oj-erschatting! De indruk, dien de
lezing van het opstel van kapitein Willemstijn ons gaf omtrent
de bewapening ver Lomboksche benden, >b geenszins zoo
verontrustend als Enen uit dé mededeelingen daaruit, van den
Hordijk, zonde afleiden. De „vuursteu- en percussiegeweron' zrjn
van weinig waarde. „De oefeningen èestaan in het uitvoeren van
bewegingen en uitdagende gebaren die, wel verre van het vu"ur te
versnellen, veel tijd doen verliezen. De* Baliërs besteden
vooral met het aanleggen zooveel tijd, dat een Europeesch
soldaat drie maal laadt en vuurt vóór zij het geweer hebben
afgeschoten". „Overweegt men", schrijft Willemstijn, „dat
Zollinger dit heeft geschreven in den tijd toen onze troepen nog
met voorlaadgeweren bewapend waren, dan zal het overwicht va ft
ons tegenwoordig vuurwapen izel zeer groot zijn" (Ind. Mil.
Tijdschrift 1891, I. b1.529)r al „gebiedt de voorzichtigheid, om
de mogelijkheid aan to nemen dat de Baliërs op dit gebied sedert
wel zijn vooruitgegaan". Deze zinsnede bewijst wel, dat alle
zekerheid dienaangaande ontbreekt. Daarentegen weten wij wel,
dat 's vijands artillerie „ons niet behoeft af te schrikken"; er
zijn 70 :i 80 kanonnen van zeer oude constructie, waarvan het
grootste gedeelte geen affuiten heeft. Eene expeditie naar een
eiland, waar de overgroote meerderheid der bevolking aan onze
zijde staat en ons als hare verlossers begroet; waar het klimaat
met dat van Java ge wordt gelijk te staan; waar de bewape) onzer
tegenstanders in hooge mate lager staan dan die onzer troepen, —
zoodanige expeditie heeft, n:tar onze meening, alle kans op
succes. En het is onze vurige wensch, dat dit succes spoedig en
afdoend verkregen worde, opdat in de toekomst niet meer sprake
zij van „Lomboksche gruwelen", maar de bevolking reden hebbc de
wijsheid en de rechtvaardigheid van Nederland te roemen. |
| |
Eerste Blad. DE
EXPEDITIE NAAR TABANAN. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
15-01-1904, Dag
|
| DE
EXPEDITIE NAAR TABANAN. |
II.*) [Slot]. Hier vond men derhalve in beginsel het
paria-wezen uil» Hindostan terug. En eveneens uo opvatting daar
in zwang, volgens welke de vrouw, die weigerde haren echtgenoot
in dea dood te yoigen, uit de samenleving werd genooten en als
een verachtelijk persoon be.landeld. Een schrijver in een
yxoeger Indisch tijdschrift, den „Moniteur des Indes". schreef
over dez© weduwenverbranding: „Of dit wel altoos vrijwillig
geschiedt, mag veilig betwijfeld worden; dooh men i.s niet karig
met bedwelmende dranken en gebruikt desnoods gewelddadige
middelen. Er bestaan zelfs voorbeelden, dut zoons hunne moeder
het hart doorboorden, omdat zij weigerden huns vaders lijk ten
vure te volgen."
lets dergelijks gebeurde ook bij het recente geval in Tabanan.
Het was ter kennisse van de itcgeering gekomen, dat minstens één
van de daaj- verbrande weduwen tegen haar wil op den brandstapel
werd geworpen, en dat deze omstandigheid door een deel der B^ulisahe
toeschouwers, bij wijze, van protest, beantwoord was door zich
onmiddellijk te verwijderen. Trouwens, zulk een protest was niet
zeldzaam, ook in het vaderland der lijkverbranding, bij
inboorlingen, die men voor hun tijd liberaal had kunnen noemen.
De bereisde scheepschirurgijn Wouter Schouten bevestigt dit in
zijn bekend "reisverhaal. En ook - dat" degenen, die schroomden
dit hoogste blijk van huwelijkstrouw te geven, door hunne
landgenooten voortaan uit de gemeenschap gebannen werden. Over
rijn bezoek aan de kust van Coromandel, waar do 0.-I. Comp. hare
factorijen bezat, en hetgeen hij daar van het „sutti" of de
weduwenverbranding gezien had, schreef hij:
"De vrouwen, welke do kloekmoedigheid gehad hebben van zig dus
te laten verbranden, wordan onder de heiligen in den hemel
geplaatst. Doch dezulken integendeel, die geen lust hebben op
deze wijze de reis naair de ander© waieredd aan tè vangen,
worden gevat, heit haar offeiesnedsn, ge- Fcholden, smadelijk
gehandeld en vervolgens van menden en magen schandelijk ver&tooten;
wanneer zij dan genoodzaakt zijn lianen kost op eea oneerlijke
wijs te winnen."
De koloniale staatslieden in Engelsch-Indië waren intusschen de
Hollandsche in Ned.-Indië ver vooruit, zoowel met de afschaffing
der slavernijl als met de onderdrukking van „sutti". Er was geen
denken aan, de millioenen Hindoes en Mohammedanen, welke
Voor-Indië bevolkten, van hun voorvaderlijken godsdienst te
willen afbrengen; de reeks der nationale opstanden zou daardoor
slechts vermeerderd zijn geworden. De leer der volkomen
godsdienstvrijheid werd door hen in Indië gehuldigd en
volgehouden met die beginselvastiteid. welk© het Angel-Saksische
*) Zie Set Nieuws van den Dag van 11 Jan.
ras zoo vaak onderscheidt. Maar het misbruik van „suttee" kon
geen genade in hun oogen vinden. Daartegen werd een absoluut
verbod uitgevaardigd, en dit verbod door de Britsche residentie
aan de inlandsche hoven met klem gehandhaafd. In hefc rijk van
Bicanir, waar zioh nog (te Dcvi Kound) de marmeren gedenk.
teekenen bevinden voor de vrouwen, die ?ich met, het lijk van
een overleden vorst lieten verbranden, had de laatste dezer
hekatomben plaats in hot jaar 1826. Toen werd de tweede zoon van
den radja, een zeer schoon jonkman, na. zijn overlijden verbrand,
en tegelijk met hem zijne weduwe, die eene prinses van Oudipore
en slechts achttien jaren oud was.
En in Ned.-Indië daaaentegen werden dertien jaren te voren, nog
twintig vrouwen verbrand, bij gelegenheid van het overlijden van
den radja van Boieleng (Bali). De 0.-I. Compagnie volgde ten
deze eene staatkunde van non-interventie; zij liet zoowel den
soesoehoenan van Mataram als de vorsten van Bali hun gang gaan,
waar zij het bloed hunner onderdanen als water vergoten, mits
hare handelsbelangen slechts niet in de knel kwamen. Beeds
Va.lentijh maakt van deze toestanden gewag als een erkend
godsdienstig gebruik, waarmede de loffelijke Compagnie zich niet
dacht te bemoeien in een tijd, toen zij buitendien elders de
handen vol had, eh ook vaak de middelen miste om aan hare
wenschen met ijzer en staal kracht bij te zetten. Jn zijne „Beschryvinge
van Bali" leest men:
"Een. groot blijk van de genegenheid en onderdaanigheid dezer
vrouwefi -bespeurt men ten tijde als J.iaare mannen komen ta
sterven; alzoo zij, wanneer hunne lijken na 's lands wijze
verbrand worden, met haaire juweelen aan en onder 't geluid van
hunne speeltuigen, al danzendö in 't vuur springen, en zich met
hen zeer welgemoed laaten verbranden; zich vast inbeeldende, dat
zij met hen in de andere wereld, en zoo zij elders sterven in
hun vaderland, op 't eiland Bali, ten eersten zullen herleven,
en daar in een veel lij ker staat weer bij hare mannen zijn, om
welke reden zij te minder zwaarigheid maken om hen te volgen.
Wij hebben dit ook elders met een geval van een overleden prins
van Balamboang (Balembangan), dat mede meest Baliërs zijn,
aangewezen, met welke eenige honderd vrouwen toen stierven."
Het lijkoffer wt*_dt „satija" genoemd, wan-: neer de vrouw zelve
zich opoffert, maar is het een bijwijf of slavin, dan noemt men
het „bela". Aan de vrouwen van alle kasten komt het recht toe
zich op te offeren, maar bij de handeldrijvertde en de militaire
klasse werd dit gebruik het meest gevolgd. De aanwijzing d<?r
slachtoffers bij: het pverlijden van een vorst geschiedde door
den „braohmana phidanta" of hoofdpriester, brj. gelegenheid dat
het lijk van den overledene werd „afgelegd" en met wijwater
besproeid. Dweepzucht en bijgeloof aan den eenen kant, het
vooruitzicht op levenslangen smaad en schande aan den anderen
kant waren in den regel voldoende om de vrouwen tot vrijwillige
aangifte te bewegen; maar tochi niet ieder was gemaakt van het
deeg waaruit men martelaren vormt. Gewis werden in den loop der
jaren honderden vrouwen niet door eigen overtuiging, maar door
vreemden dwang ten vure gedoemd.
Men zou de Koloniale Verslagen oplettend moeten doorlezen om te
ervaren of, en zoo ja, sedert wanneer, de resident van Bali en
Lombok, als vertegenwoordigers der Indische Eegeering, zich
tegen dezen openbaren gruwel heeft verzet. Een krachtiger steun
dan het gouvernement gewoon was aan de pending in Indië te geven,
had hier zeker wel iets goeds kunnen uitwerken. Het strekt
Nederland niet tot eer, dat, waar de Britsche autoriteiten in
Hindostan sedert lang de secte der Thugs of worgers uitroeiden (óók
eene uitspatting van den Hindoe-godsdienst) en de
weduwenverbranding geheel deden ophouden, in Oost-Indië nog
heden ten dage eene expeditie noodig blijkt om aan de
barbaarschheid paal en perk te stellen.
Wat (zoo vraagt men zioh af) heeft de Eegeering tot dusver
gedaan om aan de duistere gebruiken van den Shiwa-dienst ¦ een
eind te maken; en is het eerst onder dezen Gouverneur- Generaal,
dat do. zaak in die mate de aandacht heeft getrokken? Het is
waar, dat "na de derde Balis-ehe expeditie (waarbij' Tabanan en
Badong als bondgenooten der Eegeering optraden) eigenlijk eerst
sedert het jaar 1859 althans in de gouvernements-afdeelingen van
het eiland de mensclienoffers ophielden. - Maar in de zgn.
Vorstenlanden bleef het gebruik in zwang, en nog in 1890 werden
de wettige vrouw en twee bijwijven van den overleden vorst van
Badong aldus aan do goden geofferd. De maohtsontwikkeling bij de
thans op het getouw gezette expeditie (twee marschvaaTdig
gemaakte bataillons infanterie met een vijftal oorlogsschepen en
een tiental kanonnen voor de landingsdivisie) bewijst wel, dat
de Eegeering éen indrukwekkend wapenfeit voorbereidt, berekend,
om de eilandvorstjes te dwingen zich te voegen naa^r Westersche
begrippen van menschelijkh 1.. Eu recht. Reeds de
Gouverneur-Generaal Rochussen,. schreef tijdens de tweede
Balische expeditie aan den commandant daarvan, den Generaal Van
dea- Wyck:
"Laat God mij in het leven, ön de Koning mij in mijne betrekking,
dan zal ik niet rusten, voordat Bali in zoover zal ten onder
gebracht zijn, dat het ons niet tarten of 6chadem kan. Ik heb
steeds verklaard geen conquest tot vermeerdering van ons eigen
gebied, tia veclaogjes.: dit verlang ik nog niet", enz.
Maar een jaar later, toen de derde expeditie noodzakelijk was
geworden, schreef dezelfde landvoogd aan Generaal Michiels:
"Ik herhaal nogmaals, dat inlijving van Bali onder de
bezittingen onder ons onmiddellijk beheer doel noch wensch is,
maar dat men daarvoor niet moet terugdeinzen, wanneer zonder dit
niet is te verkrijgen heit tweeledig oogmerk: voldoening voor
het verleden© en waarborg voor de toekomst."
Welnu, de verbonden vorsten van Bali moesten bukken, en die
voldoening voor het verleden© werd tot op zekere hpogte wel
verkregen. Niet alzoo de waarborg voor ile toekomst — hefc
voornaamste! De vorsten behielden hun- ne 'Volkomen
zelfstandigheid, onder erkenning van de Nederlandsche
suzereiniteit; zij beloofden alleen zeeroof ca slavenhandel 'te
zullen tegengaan en deden afstand van het kliprecht Met de
voorvaderlijke instellingen en godsdienstige gebruiken, derhalve
ook met de vrouwenverbranding, liet de Regeering zich niet in,
toen zoo min als vroeger. En zóó weinig *as de toekomst
gewaarborgd, dat nog in 1857 en in 1868 expeditiën naar Bali
moesten ondernomen worden, hoewel die sleohts kort van duur
waren en me«r een politionneel dan een staalkundig karakter
hadden.
Alleen in de gouvernements-aideelingen, in Boleleng en Djembrana,
waar .het Nederlandsche gezag in de plaats was gekomen van het
gezag der inlandsche potentaten, werd voor altijd een eind
gemaakt aan menschenoffers, die een voortdurende aanklacht waren
tegen.het bestuur van de erfgenamen der Oost-Indische Compagnie.
Hetzelfde onverbeterlijk optimisme, dat in 1849, na de
eindelijke onderwerping des èïlands, het gewonnen terrein weer
prijs gaf en alle verbetering van de staatkunde hoopte, speelde
ook later aan. Nederland zijne parten. Men geloofde niet door
geweld, maar door politiek beleid zijn invloed te zullen
uitbreiden; men geloofde, dat alleen daardoor de aan ons gebied
grenzende landschappen er toe zouden komen om zich eveneens
ouder het Hollandsche bestuur te stellen, ten ginde de welvaart
ca de rust der gbuverruementslanden jnede deelachtig te worden.
De thans op handen erpnd» krijgstbcht' is hèt antwoord op dat
aveiechtsche Begeeringsbeleid. En voorzeker zal men die
krachtsontwikkeling toejuichen, waar ze mede dienstbaar gemaakt
wordt aan de beschaving, aan de uitroeiing van een
onmenschelijk-godsdienstig gebruik. Wist men niet<, dat
instellingen, die met het waas van het goddelijke overtogen zijn,
soms lijnrecht ingaan tegen de wetten der natuur, men zou het
schier onmogelijk achten, dat een volk eeuwenlang 'uit
godsdienstwaanzin berusten kon in den marteldood van zooveel
honderden onschuldigen. Want ook hier geldt het woord des
dichters:
Jedoch eter schrecklichste der 'Schreckeii, Dae ist der Mensch,
in. sein .oa, Walm. S. KALFF. |
| |
|
De Tabanan-Kweatle.
Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
19-02-1904, Dag
|
|
De Tabanan-Kweatle. |
| II. O De schrijver eindigt zijne belangwekkende studie als
volgt: Hier vond men derhalve in beginsel het paria-wezen uit
Hindostan terug. En eveneens da opvatting daar in zwang, volgens
welke de vrouw, dia weigerde haren echtgenoot in den dood te
volgen, uit de samenleving werd gestooten en als een
verachtelijk persoon behandeld. Een schrijver ineen vroeger
Indisch tijdschrift, den „Moniteur des Indes", schreef over deze
weduwen verbranding : ,0f dit wel altoos.vrtjwillig geschiedt,
mag veilig betwijfeld worden: doch men is niet karig met
bedwelmende dranken en* gebruikt desnoods gewelddadige middelen.
Er baataan zelfs voorbeelden, dat zoons hunne moeder het hart
doorboorden, omdat ztj weigerden huns vaders lük ten vure te
volgen." Iets dergelijks gebeurde ook btj het recante geval in
Tabanan. Het was tor kennissavan de Begaering gekomen, dat
minstens één van de daar verbrande weduwen tegen haar wil op den
brandstapel werd geworpen, en dat deze omstandigheid door een
deel dar Balische toeschouwers, btj wijze van protest,
beantwoord was door zich onmiddellijk te verwijderen. Trouwens,
zulk een protest was niet zeldzaam, ook in het vaderland der
lijkverbranding, bij inboorlingen, die men voor hun tijd
liberaal had kunnen noeman. De bereisde scheepschirur(*) Z»e ons
nummer vaa 17 dezsr (T weede Blad.) gön Wouter Schouten
bevestigt dit in zfln bekend reisverhaal. En ook dat degenen,
die schroomden dit hoogste blflk van huwelijkstrouw te geven,
door hunne landgenooten voortaan uit de gemeenschap gebannen
werden. Over z|jn bezoek aan de kust van Coromandel, waar de O.
I. Comp. hare factorflen bezat, en hetgeen h|j daar van het „sutti"
of dé weduwenverbranding gezien had, schreef h|j: „De vrouwen,
welke de kloekmoedigheid gehad hebben van zich duste laten
verbranden, worden onder de heiligen in den homel geplaatst.
Doch dezulken integendeel, die geen lust hebben op deze w|jze de
reis naar de andere wereld aan te vangen, worden gevat, het hair
afgesneden, gescholden, smadelijk behandeld en vervolgens van
vrienden en magen schandelijk verstooten; wanneer zfl dan
genoodzaakt z|jn haren kost op een oneerlijke wijs te winnen."
De koloniale staatslieden in Engolsch-Indië waren intusschen de
Hollandsche in Ned.- Indië ver vooruit, zoowel met de
afschaffing der slavernij als met de onderdrukking van .sutti".
Er was geen denken aan, de miliioenen Hindoes en Mohammedanen,
welke Voor-Indiö bevolkten van hun voorvaderlijken godsdienst te
willen afbrengen; de reeks der nationale opstanden zou daardoor
slechts vermeerderd z|jn geworden. Ds leer der volkomen
godsdienstvrijheid ward door hen in Indiö gehuldigd en
volgehouden met dis beginsel vastheid, welke het Au gel-Saksische
ras zoo vaak onderscheidt. Maar het misbruik van .suttee" kon
geen genade in hun oogen vinden. Daartegen werd een absoluut
verbod uitgevaardigd, en dit verbod door de Britsohe residentie
aan de inlandsche hoven mst klem gehandhaafd In het r|jk van
Bicanir, waar zich nog (te Dcvi Kound) de marmeren gedenkteeken
en bevinden voor de vrouwen, die zich met het l|jk van een
overleden vorst Heten verbranden, had de laatste de&er
hekatomben plaats in het jaar 1826. Toen werd de tweede zoon van
den radja, een zeer schoon jonkman, na z|jn overlijden verbrand,
en tegelijk met hen. zjjne weduwe, die eene prinses van Oudipore
en slechts achttien jaren oud was. En in Ned. Indiö daarentegen
worden dertien jaren te voren nog twintisr vrouwen verbrand, b|j
gelegenheid van het" overlijden van den radja van Boleleng
(Bali). Da 0.-I. Compagnie volgde ten deze eene staatkunde van
non-inter ven tic; z|j Het zoowel den soesoehoenan van Mataram
als de vorsten van Bali hun gang gaan, waar zfl het bloed hunner
onderdanen als water goten, mits hare handelsbelangen slechts
niet in de knel kwamen. Reeds Valentfln maakt van deze
toestanden gewag als een erkend godsdienstig gebruik, waarmede
de loffelijke Compagnie zich niet dacht te bemoeien in een tijd,
toen z|j buitendien elders de handen vol had, en ook vaak de
middelen miste om aan hare wenschen met Ijzer en staal kracht
b|j te zetten. In zflna „Bescaryvinge van Bali" leest men: „Een
groot bl|jk van de genegenheid en onderdanigheid dezer vrouwen
bespeurt men ten t|jde als haare mannen komen te sterven; alzoo
z|j, wanneer hunne l|jken na 's lands w|j_e verbrand worden, met
haare juweelen aan en onder 't geluid van hunne speeltuigen, ai
u3_.__o_.do in 't vuur springen, en zich met hen zeer welgemoed
laaten verbranden; zich vast inbeeldende, dat z|j met hen in de
andere wereld, en zoo zij elders sterven in hUn vaderland, op 't
eiland Bali, ten eersten zullen herleven, en daar in een veel
heerlijker staat weer bv hare mannen zflo, om welke reden zij te
minder zwaarigheid maken om hen te volgen. Wfl hebben dit ook
elders met een geval van een overleden prins van Balamboang (Balembangan),
dat mede meest Baliers zfln, aangewezen, met welke eenige
honderd vrouwen toen stierven. Het lijkoffer wordt „satfla"
genoemd, wanneer de vrouw zelve zich opoffert, maar is het een
b|jwflf of slavin, dan noemt men het „bela." Aan de vrouwen van
alle kasten komt bet recht toe zich op te offeren, maar bfl de
handeldrflvende en de militaire klasse werd dit gebruis: het
meest gevolgd. De aanwflzing der slachtoffers bfl het overlflden
van een vorst geschiedde door den .brachmana phidanta" of
hoofdpriester, bfl gelegenheid dat het lflk van den overledene
werd „afgelegd" en met wfl water besproeid. Dweepzucht en
bflgeloof aan den eenen kant, het vooruitzicht op levenslangen
smaad en schande aan den anderen kant waren in den regel
voldoende om de vrouwen tot vrflwillige aangifte te bewegen;
maar toch, niet ieder was gemaakt van het deeg waaruit man
martelaren vormt. Gewis werden in den loop dör jaren honderden
vrouwen niet door eigen overtuiging maar door vreemden dwang ten
vare gedoemd. Men zou de Koloniale Verslagen oplettend moeten
doorlezen om te ervaren of, en zoo ja, sedert wanneer, de
resident van Bali en Lombok, als vertegenwoordigers der Indische
Begeering, zich tegen dezen openbaren gruwel heeft verzet. Ben
krachtiger steun dan het gouvernement gewoon was aan de zending
in Indië te geven, had hiar zeker wel iets goeds kunnen
uitwerken. Eet strekt Nederland niet tot eer, dat, waar de
Bdtache autoriteiten in Hindostan sedert lang de aecte der Thugs
of worgers uitroeiden (Ó6V_ eene uitspatting van den
Hindoeegodsdienst) ei de weduwenverbranding geheel deden
ophouden, in Oost- Indië nog heden ten dage eene expeditie
noodig blijkt om aan de barbaarschheid paal en perk te stellen.
Wat (zoo vraagt men zich af) heeft de Begeering tot dusver
gedaan om aan de duistere gebruiken van den Shiwa-dienst een
eind te maken; en is het eerst onder dezen öouverneUr-Qeneraal,
dat de zaak in dié mats de aandacht heeft getrokken ? Het is
waar, dat na de derde Falischa expeditie (waarbfl Tabanan en
Badong als bondgenooten der Begeering optraden) eigenlflk eerst
sedert het jaar 1859 althans in de Gouvernementsafdeelingen van
het eiland de menschenoffers ophielden. Maar in de zgn.
Vorstënlanden bleef het gebruik in zwang, en nog in 1890 Werden
de W9ttige vrouw en twee bfl wfl ven van den overleden vorst van
Badong aldus aan de goden geofferd. De machtsontwikkellng bfl de
thans op het getouw gezette expeditie (twee marschvaardig
gemaakte batalllons infanterie met een vflf tal oorlogsschepen
en een tiental kanonnen voor ds landingsdivisie) bswflst wel,
dat de Begsering een Indrukwekkend wapenfeit voorbereidt,
berekend om de eüandvoratjös te dwingen zich te voegen naar
Westersche begrippen van mensihelflkheld en recht. B.^da da
Gouverneur-Generaal Bochuasen schreef tfldens de tweede Ballsche
expeditie aan den commandant daarvan, den Generaal Van der Wyok:
„Laat God m£ in het leven, en de Koning mfl in mflne betrekking,
dan zal ik niet rusten, voordat Bali in zoover zal ten onder
gebracht zmn, dat het ons niet tarten of schaden kan. Ik heb
steeds verklaard geen conquest tot ver_userdß_ing van ons eigen
gebied te verlangen: dit verlang ik nog niet", enz. - Maar een
jaar later, toen de derde expeditie noodzakelijk was geworden,
schreef dezelfde landvoogd aan Generaal Michiels : „Ik herhaal
nogmaals, dat inlijving van Bali onder de bezittingen onder ons
onmiddellijk beheer doel noch wensch is, maar dat men daarvoor
niet moet terugdeinzen, wanneer zonder dit niet is te verkrflgen
het tweeledig oogmerk: voldoening voor het verledene en waarborg
voor de toekomst." Welnu, de verbonden vorsten van Bali moesten
bukken, en die voldoening voor het verlödone werd tot op z_ker6
hoogte wal verkregen. Niet alzoo de waarborg voor de toekomst —
het voornaamste! De vorsten behielden hunne volkomen
zelfstandigheid, onder erkenning van de Nederlandsche
suzerolnitelt; zfl bsiooMen aüeen zeeroof ca slavenhandel te
zullen tegengaan en deten afstand van het kliprecht. Met de
voorvaderlijke instellingen en godsdienstige gebruiken, derhalve
ook met <?.<_ vrouwenverbranding, liet de Regeering zich niet
in, toen zoo min als vroeger. En zóó weinig was da toekomst
gewaarborgd, dat nog in 1857 en in 1868 expèdltiöa naar Bali
moesten ondernomen worden, hoewel die slechts kort van duur
waren en meer een politi.onneel dan een staalkundig karakter
hadden. Alleen in de gouvernements-afdeelingen, in Boleleng en
Djembrana, waar het Nederlandsche gezag in de plaats was gekomen
-van het gezag der inlandsche potentaten, werd voor altfld een
eind gemaakt aan menschen* offers, die een voortdurende
aanklacht waren tegen het bestuur van ds erfgenamen der
Oost-Indische Compagnie. Hetzelfd» onverbeterlijk optimisme, lat
in 1849, na de eindelflke onderwerping des oilands, het gewonnen
terrein weer prfls gaf en alle verbetering van de staatkunde
hoopte, speelde ook later aan Nederland zjjne parten. Men
geloofde niet door geweld, maar door politiek beleid zfln
invloed te zuUen uitbreiden ; men geloofde, dat alleen daardoor
de aan ons gebied grenzende landschappen er toe zouden komen om
zich eveneens ondor het HoJlandsche bestuur te stellen, ten
einde de welvaart en de rust der gouvernomantslanden mede
deelachtig te worden. Da thans op handen zfl nde krflgstocht is
het antwoord op dat avarechtsche Regeeringsbeleid. En voorzeker
zal men dis krachtsontwikkeling toejuichen, waar ze mede
dienstbaar gemaakt wordt aan de beschaving, aan de uitroeiing
van osn onmenschalflk-godsdienstlg gebruik. Wist men niet, dat
instellingen, die met het waas van het goddelflke overtogen zijn,
soms lijnrecht ingaan tegen de wetten der natuur, men zou het
schier onmogelijk achten, dat een volk eeuwenlang uit
godsdienstwaanzin berusten kon in den marteldood van zooveel
honderden onschuldigen. Want ook hier geldt het woord des
dichters: Jedoch der schreckllchste der Schrecken, Das ist der
Mensch, in seinem Wahn. |
| |
Lessen uit het
verleden. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
11-01-1905, Dag
|
| Lessen uit het
verleden. |
Tn een duidelijk, zeer leerrijk opstel over Boni („Een land
van onrust", inhetDecem- Der-nummer van Onze Eeuw) heeft Dr. E.
B. Kielstra, naar het getuigenis van Chs. Boissevain, op
treffende wijze aangetoond, hoe nadeelig de gevolgen zijn
wanneer men zich, na welgeslaagde krijgsverrichtingen, met een
schijn-succes tevreden stelt en niet zoodanige maatregelen neemt
als in de toekomst moeilijkheden kunnen voorkomen. "Wij noemden
die onjuiste taktiek kortheidshalve het „stelsel-Van Swieten",
zegt het Algemeee Handelsblad, omdat generaal Van Swieten als de
incarnatie van dergelijke opvatting te beschouwen is . al is het
óók waar, dat in die opvatting vele Indische staatslieden hem
zijn voorgegaan en gevolgd! Ik schreef dit dan ook waarlijk niet
om dien, in menig opzicht zoo verdienstelijken generaal nu nog
als het ware in staat van beschuldiging te stellen, maar alleen
om te voorkomen dat de vroeger zoo vaak aangewezen weg opnieuw
worde gevolgd. Voor alles moet belet, dat men in Indië weder vol
zelfbedrog in halfheid zijn kracht gaat zoeken. Daarom is het
leerrijk als wij nagaan hoe generaal Van Swieten, bij
verschillende gelegenheden, zijn taak opvatte. In het laatst van
1844 werden onze onderdanen bij de kampong Bedjandjang
aangevallen door lieden uit de toen nog onafhankelijke 111
Kota's (Sumatra's Westkust). Op last van generaal Michiels rukte
de overste Van Swieten (7 Januari 1845) uit; hij verdreef den
vijand uit de op ons gebied gelegen kampong Talang Berboenga, en
joeg hem op de vlucht maar hij keerde daarop onmiddellijk naar
Solok terug (17 Januari). Doch de vijandelijke stemming was
onveranderd gebleven: nergens toonde zich eenige zucht tot
toenadering! Het was de bedoeling geweest van Michiels, de 111
Kota's voorloopig bezet te houden, tot onze tegenstanders
verslagen zouden zijn en de eigenlijke bevolking in hare
kampongs was teruggekeerd. Hij noemde dan ook „den overhaasten
terugmarsch onbegrijpelijk, door geene enkele gebeurtenis
gewettigd en op geenerlei last gegrond," en betreurde dat die
vruchten van onze operatiën zonden worden getrokken welke eene
bezadigde wijze van handelen onmisbaar zoude hebben medegebracht."
Voor het oogenblik had Van Swieten succes behaald, maar zonder
eenig blijvend nut! Reeds den 3n Maart kreeg hij bericht de
Alahan Pandjang, op ons grondgebied, door den vijand bezet en de
bevolking van Soepajang uit vrees was gevlucht. Van Swieten
kreeg nu last, opnieuw den vijand te verdrijven en offensief
tegen de 111 Kota's op te treden. Opmerkelijk is, dat hem,
daarbij in het bijzonder werd opgedragen „het venvoesten der
kampongs tegen te gaan". Zoo dikwijls toch — maar geheel ten
onrechte!—is Michiels voorgesteld als „de incarnatie van het
soldatengeweld". Daarom mag er waarlijk wel eens op gewezen
worden dat hij een voorstander was van humane oorlogvoering! Van
Swieten versloeg nu den vijand voor goed. De eigenlijke strijd,
den 15n Maart aangevangen, was den 24e dier maand geëindigd,
maar de troepen bleven totdat een eenigszins geregeld bestuur in
werking kwam en het vertrouwen van hoofden en bevolking gewonnen
was. Hier ziet men nu de tegenstelling. Van Swieten was in
Januari met den schijn, met half werk tevreden; — Michiels, die
onmiddellijk inzag dat men daarmede niet verder kwam, deed hem
in Maart de begane fout herstellen. Bij de derde expeditie tegen
Bali sneuvelde de opperbevelhebber, generaal Michiels, en ging
het bevel over op den overste Van Swieten. Deze had zich,
volgens de instructie tot het „voor het oogenblik
onvermijdeliike" te bepalen. Maar onze troepen waren op marsch
naar Kloengkoeng; Kasoemba met den nabij gelegen tempel was
veroverd, en de laatste opdracht van Michiels luidde nog:
dadelijk doorgaan naar Kloengkoeng ! Van Swieten had dus het
doorzetten van den marsch gerust voor zijne verantwoording
kunnen nemen. Als eene operatie eenmaal is aangevangen, kan men
eerder de noodzakelykheid betoogen van voortgaan dan van
terugtrekken! Toch besloot hij tot terugtrekken. Het physiek der
troepen heette ernstig ondermijnd, het zelfvertrouwen heette
door de nachtelijke overvalling en den daardoor veroorzaakten
dood van Michiels geschokt.... en daarom werd besloten Kasoemba
weder te verlaten en naar het strand terug te gaan. Aan den
vorst van Kloengkoeng werd een brief geschreven, waarin de hoop
werd uitgesproken, dat de hem reeds toegediende tuchtiging
voldoende zou zijn om hem tot inkeer te brengen. Wilde hij zijn
troon redden, dan moest hij binnen acht dagen in onderwerping
komen....
Die brief werd den 28en Mei verzonden. In de eerstvolgende dagen
nam de vorst van Kloengkoeng den schijn aan van toenadering.
Maar het op 9 Juni ontvangen antwoord luidde o.a. dat de overste,
wilde hij een einde aan de vijandelijkheden zien, moest beginnen
met naar Kasoemba te gaan om hem vergiffenis te vragen voor het
aantasten en vernielen van de plaats ! Natuurlijk! Door den
terugtocht der troepen, dadelijk na Michiels dood, was bij den
vorst van Kloengkoeng de overtuiging gevestigd, dat hij de
machtigste was. Hoe kon men dan goede uitwerking verwachten van
een stukje papier, een brief? Maar nu was het wel duidelijk
geworden, dat de „afwachtende houding" moest worden verlaten. Nu
werden geen bevelen uit Batavia meer afgewacht nu waren de
beschikbare troepen — slechts veertien dagen geleden in „deerniswaardigen,
uitgeputten en diep neerslachtigen toestand" — voldoende om de
offensieve beweging te hervatten.... nu kon aan het gemis van
koelies worden tegemoetgekomen door 150 sloeproeiers van de
marine te gebruiken; nu was de munitie voor geschut en geweer
niet meer te gering.... nu was het bezwaar dat men geen gidsen
had niet overwegend meer — Als men al de zwarigheden nagaat die
den 25sten Mei opgesomd werden om den terugtocht te verdedigen,
en daartegenover stelt wat den lOen Juni toch gedaan werd, dan
voelt men de overdrijving van het pleidooi voor de rugwaartsche
beweging. Op dien lOen Juni werd Kasoemba opnieuw veroverd, en
werd besjoten den volgenden dag naar de hoofdplaats op te rukken.
Maar toen kwamen de vredesaanbiedingen van 's vijands zijde!
Gedrongen door de vorsten van Badoeng en Tabanan, opende
Kloengkoeng de onderhandelingen, en de operatiën werden weder
gestaakt. De hoofdplaats werd zelfs niet bezocht, want „dat zou
vermoedelijk zelfs onze bondgenooten grieven"; men was tevreden
met een gezantschap, dat naar Batavia zou gaan om vergiffenis te
vragen en verder met contracten op papier zonder dat de naleving
van deze verzekerd was. Nog altijd is tot op het huidige
oogenblik Kloengkoeng onder de Balische rijkjes het meest
weerstrevend, omdat wij het steeds meer hebben ontzien dan voor
ons aanzien wenschelijk was. Moet zoo iets ons niet tot leering
zijn ? Wij hadden op Bali, in 1846, '48 en '49, drie
betrekkelijk groote expedities gehad. Ten laatste was nu,
gedeeltelijk met wapengeweld, gedeeltelijk ook door
onderhandelingen, de zege behaald. Met welk gevolg? De „onderworpen"
landstreken hadden niet het minste offer te brengen; geen boete,
geen schatting werd hun opgelegd. Van geen der vorsten werd de
eed van getrouwheid aan ons bestuur gevorderd want dat zou maar
moeilijkheden geven! Wij vroegen het niet want de radja van
Kloengkoeng zou zeker weigeren, en anuere zouden er twijfel aan
hunne goede trouw hebben gezien! Als wij dien eisch stelden,
zouden de contracten misschien nief tot stand komen!.... In de
contracten werd ook niet bepaald, dat de keuze der
troonopvolgers onderworpen zou zijn aan de goedkeuring der
Indische regeering „want men zou die bepaling toch maar
ontduiken !...." Er werd geen bevoegdheid bedongen tot het
aanleggen van versterkingen op Balisch grondgebied ... want als
onzerzijds over zoodanige bevoegdheid gesproken ware, zouden wij
licht „achterdocht" hebben gewekt! In één woord: nu aan de
militaire eer voldaan en de vroegere nederlaag voldoende „gewroken"
was, trokken wij ons geheel van Bali terug. Er waren contracten
gesloten, die onze „rechten" op Bali tegenover vreemde
mogendheden verzekerden, maar verder voor ons oppergezag, of
voor de bevolking zelve, geen blijvende waarde hadden! Als men
zich nu op Bali maar stil hield, zouden wij ons nooit meer met
Bali inlaten ... En als men dat niet deed: „wie dan leeft wie
dan zorgt". Natuurlijk is de toestand thans toch geheel anders
geworden, dan Van Swieten in 1849 wenschte. Maar het is wel
teekenend voor zijne staatkunde, dat hij daar tevreden is
geweest met het behaalde succes, maar het onnoodig achtte
daarvan noemenswaardige vruchten te plukken. En iets dergelijks
geschiedde in 1860 in Boni en in 1874, na den val van den Kraton,
in Atjeh Aldus moesten de Buitenbezittingen wel altijd
lastposten blijven! Oók in ünancieelen zin. Men heeft
voortdurend in Indië uit het oog verloren, dat men, zoover maar
eenigszins mogelijk was, den vijand, die tot den oorlog dwong,
de oorlogskosten moest laten betalen. Dat toch is men tegenover
eigen onderdanen verplicht. Het is een les en een waarschuwing
tevens. En wanneer dat reeds gebruikelijk is bij oorlogen
tusschen Europeesche mogendheden — men denke aan de rijf
milliarden van 1871 — hoe veel te meer is daartoe dan aanleiding
in Indië, waar men, door ("naar Van Heutsz' uitdrukking) „op de
geldkist te gaan zitten" zooveel macht kan oefenen! En men heeft
óók al te dikwijls uit het oog verloren, dat men met eene „bestraffing"
alleen ten slotte niet verder komt. Waarop komt het aan? Dat men
de noodige maatregelen neme om te beletten dat dezelfde
moeilijkheden zich weder voordoen. Half werk wreekt zich later
altijd! Half werk is wreed werk! |
| |
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
10-04-1905, Dag
|
| Bali. |
Dei oorre.sgon_.ent van dei JJLN". Rott;. Ct." seint< nit
Batavia: . „Het lid van den JRaad van Ned.-Indië, Liefrinck,
gaat in commissie naar Bali, in verband met de vijandige houding
deir Rijkjes Badoeng .en Tabanan." Naar men weet, ia de Heer
Liefrinck na de Lombok-expeditie in. 1895, gedurende versohei.
dene jaren, resident geweest van het vereenigde gewest Bali en
Lombok. Hij! is de aangewezen man. voor een dergelijke missie,
als kenner van de taal en bekend met al de hoofden. De „N. .Biott.
Ct." toekent hierbij aan: Tegten het lijkje Bafloeng1 (-esa. der
acht BalisfcJto landschappen, gjoleg'en in het zuidoosten van
het eilamd Bali) bestaan de volglende grieven: 10. De
strandbevolkingt heeft den schoener „Sri Koemala," die eenigle
maanden geleden, op da BadoerLgsche kust strandde,
leeggeplunderd, en vajn het geroofde, waarvoor de radja
aansprakelijk is, niets willen terugigeven. 20. D© radja van.
JBadoengl heeft do bakens bij de kust, • aangebracht door het
op-nemingsvaartuig „VajifGJciglh," laten wegnemen. 30. De vorst
heeft een invloedrijk hadji, wiens houdijDjg .hem niet aanstond,
laten krissen. 40. Een Chinees', die opkwam voor een broertje,
wiein een vliegter was afgencmicn, is gétjintjaagd. Van deze
glrieven is natuurlijk het beroöven van een gestrand scihip;,
het uitoefenen van het „tawaDa! kaïang?' of klipreeht, de
ernstigste. Toen du de vorsten van Badoeng, Goesti Ngaèrah
Pametjoetan en Goes-ti G' dé Ngoerah Den Pasar, ten deze geen
genot!gdoenin<r wilden .schenkein en een toegezegd onderzoek
naar de geroofde goederen op niets lieten uitlaopen, werd door
de Indische Regeering .gelast, dat de kust van JBadoeng zou
worde» geblokkeerd dooi: drie gouvememeintsvaar- tuigen, nl. ?De
Zwaluw" (commandant de gezaghebber C. H. van Heekeren), ?I>e
Spits" (commaindant de gezaghebber W. Wink^ en „De Reiger"
(commandant de gezaghebber W. F. Berman). JDe
gouvernementsmarine doet hier dus oorlogscüenst en wel zoo
afdoende, dat de handel in JBadoeng haast too stilstand is
gebracht, zeer ten nadeelo van de Chineesche handelaren, die
groote schade lijden. Terwijl nu sommige berioihten vermelden,
dat de JBadoengsohe vorsten persoonlijk hunne opwachting bij den
Gouverneur-Genenaal zouden gaaa maken om hunne onschuld aan het
tsa laste gelegde te betoogen, kwamen andere mededcolingen
verklaren, dat de bevolking! zioh ten doode had gewijd. Het aan
JBadoeng grenzende rijtje Tabanaa (met ongeveer 200,000 inwoners")
schijnt, met het lijkje GiaJnjar, JBadoeng te ondersteunen. Men
zal zioh herinneren, dat in het jaar 1903 met Tabanan, naar
aanleiding van de toepassing' van het „mesatia" (wcduwc&verbrandingj)
eenige verwikkelingen ontstonden, die leidden tot het zenden in
de maand October van de schepen „Gelderland" en „Koningin
Regentes-." De zaken op JBali werden dus eenigszins ingewikkeld
cm om die reden ging de controleur, van het JB. J 8,., ohef van
het bureau voor inlandsche zaken, H. J. É. F. Schwartz, in de
vorige maand naar JBuiteiuzorg, om. persoonlijk meb den
Gauve:rneur- Generaal over den toestand, van JBali te
confereeren. Alvorens ten deze een besluit te nemen, zal do
Gouverneur-Generaal voorgel iciht willen zijn door den
oud-reisiident van JBali en Lombok, thans lid van den Raad van
Nederlandsch-Indië, den Heer F. A. Liefrinck en daarom dezen
hoofdj-imbtenaaj- naar JBali geaoaden hebben om op de plaats-
aelve een oaderzoek in te stellen en daarna te dienen van raad.
JD© vorst van Tabanan (oudste aocm van den oip 6 Maart 1803
overleden radja") met name Goesti Ngoeraih JRai, kwam den 18n
Augustus 1903, onder den naam! van Goesti Ngaerah Agoeng aan heb
bewind. ;
De Vereeniging vam Veldarbeiders te Leeuwarden heeft aan den
Gemeenteraad een adres ingediend, waarin verzooht wordt
gedurende den aanstaanden hooitijd, ben behoeve van maaiers en
hooiers, in het centrum der stad een lokaaj beschikbaar te
stellen om dienst te doen ais arbeidsbeurs. |
| |
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
06-07-1905, Dag
|
| Bali. |
Aan het kort verslag omtrent de afdeelingen Boeleleng en
Djembrana der residentie Bali en Lombok gedurende de maand Mei
1905 wordt het volgende ontleend:
De politieke toestand van Badoeng bleef onveranderd.
By brief van 15 Mei jl. gaven de Radja's hunne bevreemding te
kennen, dat ondanks hun aandrang om de blokkade op te heffen
daarmede toch is voortgegaan; zy verzochten wederom de schepen
te laten vertrekkenen de schade door de afsluiting van hun land
aan henzelven, aan de handelaren en de bevolking, zoomede wegens
de plaats gehad hebbende aanhouding van handels vaartuigen
veroorzaakt, in billijke overweging te nemen. In antwoord daarop
werd hun andermaal te kennen gegeven, dat de scheepsmacht de
Badoengsche wateren verlaten zal, zoodra aan den hun gestelden
eisch voldaan is. Blijkens hun schrijven van 30 Mei jl. wilden
de Radja's van toegeven niets weten; zij verklaarden te
volharden by hun hierboven omschreven verzoeken, brachten in
herinnering, dat sedert den aanvang van de afsluiting van hun
land aan hun, de handelaren en de bevolking, eene schade van
1500 rijksdaalders per dag is veroorzaakt. Den Uden van
verslagmaand begaf zich de .Radja van Denpasar (Badoeng)
vergezeld van landsgrooten en priesters naar Tabanan en keerde
den 19den d.a.v. naar zijn land terug. Volgens ontvangen
berichten hebben te Tabanan besprekingen plaats gehad om trent
den huidigen toestand van Badoeng en zou de Radja van
eerstgenoemd landschap zh'n bondgenoot hulp en steun tegen het
Gouvernement verzekerd hebben. Op uitnoodiging van den radja van
Badoeng zou hij spoedig een tegenbezoek afleggen, om aan de
bevolking blijk te geven van de eensgezindheid der beide
zelfbesturen.
Dadelijk na de ontvangst van de ordonnantie omtrent de
beperkende bepalingen betreffende den in- en uitvoer in het land
schap Badoeng (Staatsblad 1905 No. 300) werd daaraan publiciteit
gegeven. Aan de bestuurders der landschappen zyn Balische
vertalingen daarvan toegezonden met verzoek om bekendmaking
binnen ieders gebied en om medewerking voor de naleving daarvan.
Ook zijn regelingen getroffen voor het verleenen van
vergunningen tot uitvoer van handelsgoederen en voor het heffen
van uitvoerrechten volgens het in Badoeng geldende tarief.
Voorts is het noodige gedaan met betrekking tot de vaartuigen en
goede ren, welke gedurende de vorige maanden zijn aangehouden
wegens verbreking van de blok kade.
Wegens de gunstige uitkomsten van den rijstoogst in Kloengkoeng
wordt, volgens ontvangen bericht, daar thans de afsluiting van
Badoeng, van waar de voor de consump tic ontbrekende rij st
anders aangevoerd wordt, niet meer zoo zeer gevoeld.
Omtrent de andere landschappen vallen voor dit verslag geene bij
zondeheden te vermelden.
Over het algemeen kan de uitslag van de oogst zeer bevredigend
worden genoemd, hetgeen zeker voor een groot deel moet worden
toegeschreven aan de gunstige weersgesteldheid.
boetambahan ondervindt men last van de muizen, die nogal schade
aan hetgewas hebben aangericht.
In enkele soebaks van het landschap Koe
Verder doet zich hier en daar in geringe mate een ziekte voor,
bij de Baliers be1 onder den naam „thandang api", waardoor de
uiteinden der padibladeren rood worden en verschroeien, doch
aangezien deze ziekt, zich slechts tot enkele plekken bepaalt,
ge looft men niet, dat in de soebaks de opbrengst van den oogst
dientengevolge belangrijk minder zal bedragen.
Ziekten onder het hoorn- en klein vee kwa 'nen in de afdeelingen
Boeleleng en Djembrana niet voor.
Uit de afdeeling Boeleleng werden 1221 runderen ter waarde van f
53626.— uitgevoerde zoomede 1777 varkens ter waarde van f 20259.
Uit de afdeeling Djembrana werden naat Banjoewangi uitgevoerd
540 runderen, 6 buf fels en 3 paarden, en naar Boeleleng 190
varkens, 12 runderen, 30 buffels en 1 paard. De handel was vrij
levendig. In verslasmaand werd aan koffie uitgevoerd ruim 1007
picols. De prijs varieerde van f 29.—- tot f 30.— en die van
copra van f 8.50 tot f 9.50 per picol.
Ter reede Singaradja (Boeleleng) werden in-en uitgeklaard 303 en
309 vaartuigen, welke cijfers voor Djembrana 110 en 110
bedroegen.
De weersgesteldheid wés zeer gunstig te noemen, alsmede de
gezondheidstoestand. Overige by zonderheden vallen niet te ver
meiden, |
| |
Tweede Blad.
Badoeng. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
06-07-1905, Dag
|
| Tweede Blad.
Badoeng. |
fJE slot o yrlLort overzicht van de gebeurtenissen, welke
aanleiding gaven tot conflict met de borsten van Badoeng (Bali).
Jntusschen moest rekening worden gehouden met de mogelijkheid
dat de vorsten van Badoeng eene schadeloosstelling niet goed ®shiks
zouden willen verleenen, terwijl aan 'den anderen kant door het
berechten der saak door de Badoengsche rechtbank de belangen der
benadeelde party niet voldoende schenen te zullen worden
gewaarborgd, te oordcelen althans naar vroeger voorgekomen
analoge gevallen. Het zelfbestuur toch gaf «de volgende
voorstelling van de toedracht •dezer zaak: 2>e eigenaar van het
schip beweerde, dat t_B, onmiddellijk na het*Badoengsche strand
te hebben bereikt, zich tot het hoofd van Kanoer begaf om diens
hulp voor het aan wal brengen der lading in te roepen, hetgeen
zou zyn geweigerd. Volgens het zelfbestuur was het hoofd achter
dadelijk meegegaan naar de plaats des onheus en constateerde dat
hoofd toen, dat de branding te hevig was; dit werd door den
loods en de bemanning bevestigd. De eigenaar gaf verder op, dat
hy het «chip zelf liet bewaken na een vergeefsche Poging om het
Balisch hoofd er voor te doen borgen. Dit hoofd daarentegen
verklaarde, dat hy er 10 man (de Vorsten spraken zelfs 12
bewakers) mede had belast, welke Verklaring echter eerst werd
afgelegd, toen zelfbestuur onzerzijds in de zaak was .-mengd.
Tegenover den Controleur, die het «erste onderzoek instelde, had
bedoeld hoofd waarvan niet gerept. verder verklaarde dit hoofd
nog te hebben geholpen tot het aanwerven van koelies, op 'ven
dag na de stranding, wat wel aanne was, daar zonder hulp der
hoofden fön vreemdeling op Bali geen werkkrachten tafflgt.
, Ten slotte nog was het vaartuig eerst op 'ast van den
Ryksbestierder, Radja Kasiman, gesloopt, toen het door de
belanghebbenden onbeheerd was achtergelaten.
Stelde men nu de vraag of voldaan was aan art. 11 van het
politiek contract, dat het verleenen van „alle mogelijke hulp en
..iad aan schip en bemanning" voorschrijft, dan moet het
antwoord ontkennend luiden. Vast scheen te staan, dat het Zelf
oestnur niet zoodanige bevelen gaf, dat art 11 behoorlijk werd
opgevolgd. Deze tekortkoming moest worden toege schreven aan
laksheid, aan het slappe bestuur aer Balische vorsten, voor
zoover het hun sigen belangen niet gold. Wasdeberooving Biet op
hun last geschied en hadden zy er °|* geen voordeel van gehad,
niettemin stond het feit vast, dat door de Badoengers strandroof
was gepleegd en daarvoor het. zelf bestuur verantwoordelyk was
ingevolge art. 11 van het politiek contract. De Regeering had
dus het recht rekenschap ** vragen en voor de belangen van den
beloofde op te komen. Daarbij kon men de genoegdoening niet aan
de rechters eener half beschaaf de maatschappy. De gewone
rechter had met Ide zaak geen °e_noeienis. De
Nederlandschlndische Regeering toch verhoudt zich contractueel
Rechts tot het Zelfbestuur en niet tot de °evolking. In verband
hiermede werd begoten te trachten langs den weg van
onderhandelen de zaak te beëindigen en, naargelang Badoeng al
dan niet bereid zou zyn daartoe mede te werken, haar met of
zonder '*) Zie ons Tweede Blad van gisteren.
medewerking van Badoeng tot eene oplos sing te brengen en de
vergoeding vast te stellen, welkn voor het Zelfbestuur zou moe
ten worden betaald.
Daarom werd op 28 November 1904 aan den Resident van Bah en
Lombok geschreven, dat aan de Vorsten van Badoeng een eisch tot
schadevergoeding moest worden gesteld wegens het niet nakomen
van arti Kei 11 van het contract. JËet bedrag dier
schadevergoeding kon door den Resident worden vastgesteld, des
vereischt na een nader onderzoek. In het geval dat de Vor sten
deze schadevergoeding niet wenschten te voldoen, zouden, zonder
direct wapengeweld, dwaugraiddelen worden toegepast en wel door
stationneeafing van twee oorlogs- of Gouvernementsschepen — dan
wel een flottielje en een Gouvernements vaartuig — (1), met
opdracht tijdelijk allen in- en uitvoer te beletten, terwijl het
bedrag der schadevergoeding dan zou moeten worden verhoogd met f
450 per dag voor een flottielje vaartuig en f 150.— per dag voor
een Gouvernements stoomer.
De Resident gaf daarop in December 1904 den Vorsten van Badoeng
kennis van de beslissing dei: Regeering, dat zy de door den
eigenaar der Sri Koemala geleden schade moesten vergoeden,
terwijl die schadevergoeding door hem werd vastgesteld op 3000
Rijksdaalders, zeker een niet te hoog bedrag, wanneer de in den
aanhef van dit overzicht vermelde, verloren gegane waarde alleen
aan goederen er mede vergeleken wordt.
Toen het Zelfbestuur zich ongenegen be toonde aan dien eisch te
voldoen, werd schriftelyk een termyu gesteld van veertien dagen,
welk termijn op 5 Januari 1905 ver streken was.
De vorsten antwoordden, dat aangezien hunne onderdanen ontkenden
den schoener te hebben beroofd, de opgelegde schadever goeding
niet zonder meer kon worden voldaan.
Daarop vertrok de controleur bij het bureau voor inlandsche
zaken te Singaiadja den 6den Januari 1905 met twee schepen der
Gouvernements Marine naar de Ba doengsche wateren tot tijdelijke
sluiting vau het landschap voor allen in- en uitvoer; ter
vergoeding van de kosten dezer schepen zouden de Radja's f 300
per dag hebben te voldoen. Ook van de land_ijde werd Badoeng
zooveel mogeiyk afgesloten, o.adoor de medewerking van de
hoofden der aangrenzende landschappen.
AI3 gevolg hiervan kwam gedurende de maand Januari alle handel
over zee tot stil stand. Aan de vorsten werd dus aanzienlijke
schade berokkend, toch gaven zy niet toe; zij gaven den resident
integendeel kennis, da. zij het Gouvernement aansprakelijk
stelden voor de schade wegens de afsluiting toegebracht aan ha .delaren,
pachters en be volking, welke door hen werd begroot op 1500
lyksdaalders per dag.
Zelfs begonnen zij toerustingen te maken om zich bij een
gewapend optreden onzerpiids, waarop zooals het bovenstaand
leert, bij de Regeering geen plan bestond, te vczetten. Zoo werd
op den 27_ten Februari 1905 ter hoofdplaats Den Pasar eene
wapenschouwiug gehouden om zekerheid te hebben, dat de
mannelijke bevolking zich gewapend had; de wapens werden
gezegend en de ge wapenden aangezet tot krachtig verzet: over al
werd de bevolking tegen ons opgehitst. Intusschen had de handel
zich naar de afsluiting geschikt. „Meer en meer bhjkt," schreef
de Resident op 13 Maart 1905, „dat het handelsverkeer tusschen
Badoeng en Tabanan onveranderd is gebleven, dat Badoeng zich in
laatstgenoemd landschap van vele benoodigdheden voorziet eu in
contact is gebleven met de Kloengkoengsche districten Abeansemal
en Sibang, die tusschen Gianjar en Badoeng geënclaveerd liggen.
Daarbij komt nog de groote moeilijkheid dat handelswaren van
Kloenkoeng, Gianjar en elders z g. bestemd voor de evengenoem de
Kloenkoengsche districten en voor Ta( i Later werd het a«ntal
bVikkeerende schepen -af-tgeste d op twee _Ouverne_nent_i
stootuers en één fluttieljevaartu.g.
banan, maar feitelgk voor Badoeng, niet teruggewezen kunnen
worden, aangezien de handel met die landstreken niet verboden is
en ook moeielijk is te verbieden.
De bronnen van invoer zyn dus niet volkomen te stoppen. Armoede
en gebiek zullen in Badoeng niet licht ontstaan; het zeer
vruchtbare land, voor het grootste deel uit goede sawahs
bestaande, levert meer dan voldoende levensmiddelen op en de
voornaamste producten van uitvoer, kopra en klapp_rolie, zullen
via Tabanan of andere streken hun weg wel vinden, terwijl opium
en gatnbir voldoende wordt toegevoerd.
Met levendige belangstelling volgen de Balische bestuurders de
gebeurtenissen in Badoeng en zeer juist is de opmerking van
onzen stedehouder te Karangasem, dat aller oogen en niet het
minst die der zelf bestuurders gevestigd zyn op Badoeng, waar de
radja's, zooals alom bekend is geworden, de macht van het
Gouvernement durven weerstaan".
Het zal wel geen betoog behoeven, dat in het stadium, hetwelk de
zaak nu ingetreden was, het hoe langer zoo onwaarschijnlijker
kon worden geacht, dat zij in der minne zou kunnen worden
beslecht; niet alleen toch groeide de verschuldigde som met
eiken dag aan, maar het zelfbestuur had ook geweigerd om in te
gaan op een voorstel van de kooplieden en hoofden van Badoeng,
die blijkbaar tot eiken prys een einde aan de kwestie gemaakt
wilden zien en daarom aanboden de door het Gouvernement
geëischte schadevergoeding geheel op te brengen, een aanbod dat
— het zij uitdrukkeiyk vermeld — door het Badoengsche
zelfbestuur van de hand werd gewezen.
Ook hierna gaf de Regeering de hoop niet op om het geschil op
vreedzame wyze te beëindigen. Tot dat einde droeg de Landvoogd
aan het Lid in den Raad van Indië, den Heer F. A. Liefrinek, oud-resident
van Bali en Lombok en als zoodanig, alsook door zijn langdurig
verblyf in dat gewest, bij de zelf besturen zeer gezien, op zich
naar Badoeng te begeven om te trachten door een persoonlyk
onderhoud met de vorsten deze alsnog tot toegeven over te halen.
Den 12den April 1905 begaf de Heer Liefrinek zich op reis; den
loden d.a.v. werd Singaradja bereikt, waar de Resident eenige
dagen te voren van den Vorst van Tabanan een brief had ontvangen,
waarin de wensch werd uitgesproken, dat eene spoedige oplossing
lang 3 minnelijken weg verkregen m ent worden.
Daai' de bestuurders van Badoeng en Tabanan bondgenooten en zeer
bevriend waren en elkaar in gewichtige gevallen raadpleeg den,
achtte de Heer Liefrinek het nuttig om eerst den Radja van
Tabanan over de zaak te spreken. Zoo geschiedde. De Radja van
Tabanan verklaarde zich bereid tot modew. .king, doch durfde
niet vooruitloopen op den uitslag aer aanstaande conferentie met
de vorsten van Badoeng.
Te Badoeng viel op de ontvangst niets aan te merken. De Radja
van Den Pasar voerde er het daadwerkelyk gezag, omdat die van
Patnetjoetan geesteskrank was. Met. den eerstgenoemde en zijn
poenggawa's werd in meerdere samenkomsten de zaak uitvoerig
besproken, waarbij hVin hunne tekortkomingen werden voorgehouden,
zoowel wat betrof den stSrandroof als het niet volkomen nakomen
hunner verplichtingen, gebleken uit le het niet keunis geven van
de plaats gehad hebbende stranding aan het Europeesche bestuur
te Singaradja; 2e het niet, of niet voldoende doen bewaken van
het wrak.
De Radja voerde hiertegen wederom aan, dat noch hy noch zyne
onderdanen, zich ten deze van schuld bewust waren. Een door hem
mgesteld nauwkeurig onderzoek zou aan het licht hebben gebracht,
dat geene berooving van het gestrande vaartuig had plaats gehad,
hetgeen de inwoners der stranddesa's onder eede hadden bevestigd.
Een kennisgave aan het bestuur meende hij voorts niet
gebruikelyk, gelijk hem was medegedeeld door den sedert,
gestorven Rijksbestierder, Radja Kaaiman. De vorst verklaarde
zich échter bereid in den vervolge de ge wenschte mededeeling te
doen. Daarentegen bleef hij volharden by zijne vroegere bewering,
dat het vaartuig in dea nacht, verloopen tusschen de stranding
ca het lossen der goederen, wel degelyk door een Balische wacht
bewaakt was geworden.
Hy beriep zich hierby op de verklaring van den betrokken
poenggawa, die echter niet in overeenstemming was met hetgeen
deze zelf aanvankelijk den Controleur had medegedeeld en met de
getuigenissen van andere personen.
Het van den beginne door het zelfbestuur van Badoeng ingenomen
standpunt werd dus gehandhaafd, nl. alle schuld van zich af te
schuiven, en te vermeenen geen straf verdiend te hebben; terwyi
wat de klacht van den Chinees-eigenaar betrof, de berechting
daarvan volgens het gevoelen van dat zelfbestuur behoorde tot de
competentie van da Badoengsche rechtbank, desverlangd aangevuld
met een door den Resident van Balen Lombok aan te wyzen
pleitbezorger yoor den klager.
Verder vestigde de Radja er nogmaals de aandacht op dat door de
sluiting der Badoengsche havens, ongeveer 1500 rijksdaalders per
dag schade werd geleden. Naar aanleiding van zijn verzoek om dit
in billijke, overweging te nemen, werd hem door den
RegeeringsCommissaris te kennen gegeven, dat ook de Regeering
niets liever verlangde dan den vroegeren toestand te
herstellenen alle menschen weder geheel vrij te laten in de
uitoefening van hun bedrijf, terwyi in dedoor den Vorst zelf
geleden schade wellicht aanleiding zou kunnen worden gevonden
tot eene gunstige beschikking op een der Regeering aan te bieden
verzoek om geheele of gedeelteiyke vrystelling van de betaling
der opgelegde vergoeding van kosten der blokkade, mits hij zich
by de genomen beslissing neerlegde en vooraf de voor de beroofde
goederen geëischte som (3000 rijksdaalders) betaalde.
By eene dergeujke schikking zou het geldelijk bezwaar voor den
Radja zeker niet overwegend zijn geweest, zelfs nihil, indien
het aanbod van de handelaren ware aanvaard; uit de omstandigheid
dus, dat door hem ook deze wyze om de zaak tot eene spoedige
oplossing te brengen, werd van de hand gewezen, mag met vrij
groote zekerheid worden afgeleid, dat hij nbch door overreding,
noch. door de dwangmiddelen, welke tot heden zijn aangewend, tot
inkeer zal worden gebracht.
In verband met het vorenstaande werd door de Regeering besloten
om de afsluiting van Badoeng voorttezetten, doch thans strenger
dan tot dusver was geschied, waartoe op 21 Mei jl. eene
ordonnantie (Staatsblad 1905, No. 309) werd vastgesteld tot
beperking van den in- en uitvoer van dat landschap. |
| |
|
• De kwestie met
Bali. Krantentitel:
• Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
• 28-04-1905, Dag
|
|
• De kwestie met
Bali. |
| • Men schrijft ons uit Singaradja dd. 21 April: Uw
correspondent uit Boeleleng, wiens brief U 12 April jl. opnam,
heeft de Badoengsche geschiedenis toch niet geheel en al juist
verhaald. U begrijpt toch zelf wel, dat het Bestuur zoo maar
niet handelt op praatjes van een Chinees. De menschen vorderden
bovendien vrij wat meer, doch wat niet bewezen was, is buiten
rekening gelaten. De geheele zaak zou al uit zijn als de
tegenwoordige radja niet zoo koppig was, en ook de overige
radjas, zooals van Bangli enz., billijken onzen eisch ; zij
zouden niets liever zien dan dat er geen herrie kwam en dat om
goede redenen. Die blokkade, door de regeering.gelast, is ook
geen nieuws. Daarmede is in vroeger jaren al meermalen gedreigd,
o. a. ook tegen Badoeng en Kloengkoeng en wel met volledig
succes, zoodat het tot geen uitvoering kwam. Omtrent den Raad
Kerta heeft men de klok hooren luiden, doch weet niet goed waar
de klepel hangt. Dat zou nu bepaald zijn wat men noemt bij den
duivel te biecht gaan; of denkt U bij ireval dat die twee
pedandas (priesters), waaruit zoon raad bestaat, ecu uitspraak
zouden durven doen tegen het verlangen van den radja? Bovendien
adviseeren zij eigenlijk maar en moet de radja de uitspraak goed
vinden en die wil niets van schadevergoeding weten, ofschoon
handelaren en hoofden het geld al dadelijk aanboden. De handel
hier te Boeleleng, uitgeoefend door Armenianen en Chineezen,
heeft natuurlijk het land over deze geschiedenis, daar ook zij
min of meer nadeel van den toestand hebben, en daarom worden
allerlei praatjes uitgestrooid, zoowel hier als op Java. Het
komt ons voor dat deze verdediger ' van het tot dusver gevolgde
beleid de zaak toch niet geheel juist inziet. Die Raad Kerta
moge nu al of niet naar genoegen werken, zoolang hij bestaat met
goedkeuring en toestemming van het Gouvernement, zoolang m. a.
w. het contract met Bali niet is opgezegd, moet die Raad worden
geraadpleegd bij dergelijke zaken. Daartoe verplicht dat
contract. „De meeste opvarenden vorderden vrij wat meer", zegt
de geachte inzender verder. Natuurlijk deden ze dat. Heeft men
ooit van een Chinees gehoord die van zulk een prachtige
gelegenheid geen gebruik zou maken ? Maar die vorderingen had
men op Bali door de bij contract daarvoor aangewezen middelen
moeten laten verifieeren, en dat men daarin niet heeft willen
toestemmen, ziedaar juist de groote fout. Juist het zoogenaamde
onbeschaamde aanbod van den Radjah: dat hij met genoegen het
gouvernement van Ned.-Indië 5000 dollars wilde leenen, maar dat
hij weigerde een hem opgelegde boete van 5000 dollar te betalen,
is naar ons voorkomt eerder een aanwijzing voor de onwaarheid
van de be- • weringen der Chineezen dan van zoogenaamde
koppigheid. Alleen uit koppigheid terzake van de benaming
waaronder hij die 5000 dollar zou afstaan, zou dus de Vorst van
Badoeng een krijg beginnen, en nog wel daar hij in het ongelijk
zou zijn wat de aanleiding betreft? Geloove wie het wil. Veeleer
valt er uit op te maken dat het geld in deze voor hem hoegenaamd
geen gewicht in de schaal legt, maar het alleen gaat om een
rechtvaardigheids-kwestie, waarbij die Vorst overtuigd is van
zijn goed recht, terwijl het Gouvernement van Ned.- Indië
daartegenover zich steunt op de verklaringen van een paar
kustvarende Chineezen; over het algemeen nu juist niet de meest
betrouwbare personen, naar ons voorkomt. Intusschen is, dank zij
het beleidvol optreden van ons Bestuur de zaak thans niet
onaardig naar den dooden hoek gedreven en het zal den Heer
Liefrinck inderdaad al den tact kosten, waarover hij te
beschikken heeft, om de geschiedenis uit de impasse te redden
waarin zij is geraakt. Mocht hij daarin niet slagen, en ook
daarvoor is veel kans, dan staat ons het heerlijke schouwspel te
wachten, dat hier op Java zelfs de allernoodzakelijkste uitgaven
beknibbeld worden, op onderwijs, op weezenverpleging en wat niet
al meer wordt uitgezuinigd, terwijl ter wille van het beweren
van een paar Chineezen voor een nog geheel en al niet bewezen
zaakje op Bali het geld met handen, met ballastschoppen zal
worden weggeworpen, 't Is eene soort van zuinigheid die
waarschijnlijk wel zijn reden zal hebben en waarvan de gevolgen
zeker wel te een of anderen tijd Indië ten goede zullen komen,
maar dat kan naar ons voorkomt toch nog zeer lang duren.
Intusschen, vivent les principes, en naar de weerga met de
eischen vaa de practijk. * Het Soer. Hbl. schrijft over deze
zaak o.m. nog het volgende: Zaterdagmorgen zyn de heer Liefrinck,
de naar Bali afgezonden regeeringscommissaris, en de controleur
Schwartz van Singaradja met een der drie ter beschikking van
resident Eschbach gestelde gouvernementsstoomers naar Badoeng
onder stoom gegaan om een laatst en zeer waarschijnlijk
beslissend onderhoud met den weerspaanigen vorst van dat rijkje
te hebben. Eenige dagen geleden moeten de wettig door ons
gouvernement bevestigde vorsten van Badoeng met name Goesti
Ngoerabi Pametjoetan en Goesti G'dé Ngoerah Den Passer, bij den
regeeringscommissaris klach ten hebben ingediend omtrent de
toepassing der blokkade. De heer Liefrinck zeide den vorsten toe
persoonlijk te Badoeng deze zaken en het afloopen der Chineesche
handelsprauw te ke? men onderzoeken. Dat hij er geen gras over
laat groeien, bewijst zijn spoedig vertrek naar het zuiden,
gelijk hier boven vermeld. Do vorst van Badoeng is vroeger zoo
onbeschaamd geweest — in onze oogen — om den resident van Bali
en Lombok te doen weten dat hij „met genoegen het gouvernement
van Nederlandsch Indië 5000 dollars wilde leenen, maar dat hij
weigerde de hem opgelegde boete van 5000 dollars te betalen", en
thans moet hij gelegenheid gevonden hebben ook den heer
Liefrinck dit besluit te doen kennen. Opmerkelijk is het feit,
dat de vorst hardnekkig volhoudt, dat de Chinees, wiens
handelsprauw afgeloopen werd, niet van zijn geld is beroofd,
reden waarom hij even hardnekkig weigert de in zijn oog veel te
zware boete van 5000 dollars aan de Compenie te voldoen. De
tocht van de heeren Liefrinck en Schwartz heeft thans ten
doelden vorst voor het laatst te overtuigen van de dwaasheid van
zijn verzet en de wenschelijkheid om de opgelegde boete te
voldoen. Een soort van ultimatum dus ? Het schijnt wel zoo. Op
Bali echter, dus wordt ons van daar gemeld, verwacht men
algemeen, dat de goestis, mogen zij voor zich zelven overtuigd'
zijn van hun goed recht, het niet zullen laten komen tot een
expeditie, en gehoor zullen geven aan de raadgevingen van den
heer Liefrinck, dien zij van vroeger kennen. Maar gesteld dat
zij er niet voor terugdeinzen de bom te doen barsten —is ons
gouvernement dan voorbereid op een krachtig en snel optreden om
met de punt van de bajonet, onzen eisch te onderstreepen ? Men
zou denken van niet, wijl tot nog toe niets verluid is van het
gereedhouden van troepen. Toch is deze meening onjuist. Wij
vernemen namelijk, dat het te Banjoe Biroe liggende linkerhalf
15e bataljon infanterie oorspronkelijk den 15en April naar Bali
zou vertrekken. Door de zending van den heer Liefrinck werd
echter de uitvoering van dit plan uitgesteld. Wij kunnen aan het
bovenstaande toevoegen, dat het linkerhalf 15e bataljon nog
steeds gereed staat om uitterukken, niet speciaal echter voor
Bali. Het staat thans onder bevel van majoor J. H. Tummers. |
| |
Het optreden tegen
Ball. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
15-06-1906, Dag
|
| Het optreden tegen
Ball. |
De Java Bode van gisteren bevat het volgende nieuws omtrent
den stand van zaken op Bali : 9ln afwachting der komst van de
bewakingscompagnie werd te Singaradja dageiyks met een 200 tal
Baliers gewerkt om het troepenbivak tydig gereed te hebben. In
de drie oproerige leenrykjes, Bangli, Badoeng en Tabanan, zyn de
geweren aan de bevolking uitgereikt. Biykbaar trachten de
vorsten handig gebruik te maken van bet ongerief, dat het volk
van de afsluiting ondervindt, om het tegen ons optezetten. Zyn
de inlichtingen van het blad juist, dan lukt dit wonderwel; was
vio'g.r nog een goed deel der bevolking vredelievend gezind,
thans is de verbittering allerwegen zoo groot, dat de stemming
dagelyks oorlogszuchtiger wordt. Men is di uk in de weer om,
overal waar het terrein gunstig is, loopgraven aanteleggen en
bentengs te bouwen. Ook gaan er geruchten dat in Taoanan alle
bruggen zyn afgebroken en dat de vorst van BadoeUg een aantal
Chineezen aan het werk gezet heeft om op de meest geschikte
punten mynen aanteleggen." De Java bode maakt by deze
berichtende volgende kantteekeningen: „Het belooft dus goed Le
worden ; als
men lang genoeg wacht, tot September bijvoorbeeld, kan het zelfs
hee! goed worden. Eerst was alleen Badoeng oproerlg; nadat wy de
noodige biyken hadden gegeven afkeerig te zyn van krachtige
middelen, koos ook Tabanan openiyk de zyde van Badoeng en toen
nader bleek dat onze lankmoedigheid grenzenloos bleef, begon
Bangli ons op eigen gelegenheid te hoonen. Thans wachten wy tot
door minder geëigende represaille maatregelen heel de bevolking
hevig verbitterd is, en dan eindelijk zullen wjj het zaakje gaan
uitvechten. Als er dan dooden en gewonden vallen by tientallen,
wy bedoelen aan 's vyands zyde, zal er een storm opgaan in de
Kamers en in de pers. Ook zal er oprecht geweeklaagd worden als
de rekening wordt gepresenteerd. Men zal gewagen van „schynbezuiniging"
en „imperialisme". Wy zyn echter zoo vry nu reeds de vraag te
stellen: am wie de schuld dat er noodeloos veel bloed zal
vloeien, dat er ryksdaalders zullen worden uitgegeven . in
plaats van guldens ?" Voor zoover wy deze opmerkingen van de
Java Bode goed begrypen, wordt: le. de tegenwoordige, ongunstige
stand van zaken op Bali door het blad toegeschreven aan de
verregaande lankmoedigheid der Regeering, terwyi voorts eenige
Sei tenhie b e worden uitgedeeld aan degenen die de maDier van
optreden tegen de Balineesche Rykjes onvereenigbaar achten met
de politiek van bezuiniging a outrance, zooals die thans reeds
gedurende byna 2 jaren op Java wordt gevoerd. Wy behooren tot de
menschen die hier worden aangeduid; wy hebben het reeds vele
malen gezegd: zoolang het met de veiligheid op Java nog
allerschandeiykst «lecht is gesteld, zoo lang het gezag van het
Ned. Indische Gouvernement door tal van rooverbenden op dat
eiland nog gehoond wordt en geminacht, zoolang hebben wy in de
eerste plaats te zorgen voor verbetering van de misstanden op
deze onze voornaamste vestiging. Elke uiting van opgeschroefd
krachtsvertoon naar buiten, by telkenmale aan den dag tredende
macateloosheid in eigen huis, is, naar onze meening, ten
sterkste af te keuren. Wat derhalve betreft den schimpscheut aan
het adres dergenen, die in zake Bali van oordeel zijn dat de
Regeering schynbezuiniging dry ft, wy accepteeren deze gaarne.
Maar nu wat aangaat de laatste vraag van de Java Bode: „Aan wie
de schuld, dat er noodeloos veel bloed en veel te veelgeld zal
worden uitgegeven?' Het antwoord daarop valt niet al te moeieïyk
te geven voor dengeen, die de geschie» denis van het Badoeng
conflict van den beginne af heeft gevolgd. In tal van
correspondenties uit Boeleleng en entrefilets nebben wy verleden
jaar ten duideiykste in het licht gesteld hoe de eerste
aanleiding van het geschil was: een vry vage strandroof kwestie
welke door verkeerde behandeling by het begin er van, is
opgeblazen tot een came célèbre. Ware die zaak aanstonds
behandeld met inachtneming van de bestaande contracten met Bali,
zooals destyds het advies ook luidde van den toenmaligen Vice
president en 3 leden van den Raad van Indie, dan had, by een
onbevredigend verloop ervan, het status quo op het eiland kunnen
blij ven gehandhaafd, tot tyd en wyie de Regeering de handen wat
ruimer had, en de honderd en één zaken en zaakjes, waarin zy
toen was betrokken, wat meer waren afgewikkeld, als wanneer zy
de regeling der Balische zaken snol en met voldoende krachts
vertoon had kunnen ter hand nemen. Van vyandeiykheden zou dan
naar alle waarschyniykheid zelfs geen sprake zyn geweest. Dit is
niet gebeurd; de Landvoogd heeft zich destyds vereenigd met het
advies van de minderheid van den Raad — één lid I — die van
oordeel was: „dat het gezag van Nederland was gehoond," en er is
getracht om door een barsch gezicht de vorstjes van Badoeng te
intimideeren. Dat het niet de onbetrouwbaarheid van de
rechtspraak op Bali was, geiyk is beweerd, welke de Regeering
verhinderde om, volgens de contracten, door deze de zaak van den
gestranden schoener te laten berechten, biykt wel daaruit, dat
nog steeds het berechten van zaken van leven en dood daaraan
biyft toevertrouwd. De stranding-kwestie dateert van 24 Mei
1904, en op 28 April 1905 werd door den Raad van Kerta's op Bali
nog een doodvonnis uitgesproken in een moordzaak. Dat het aan
den anderen kant, van de zyde der Balische vorstjes, niet de
kwestie was van roofzucht, biykt wel daaruit, dat zy volkomen
bereid waren om het geeischte bedrag van 5000 dollars te betalen,
maar niet in den vorm van eene schadevergoeding voor een roof,
aangezien die volgens hen niet bewezen was. Geld legde derhalve
by hen geen gewicht in de schaal, wel de rechtvaardigheid van
hunne zaak. De aanleiding der zaak is echter aanstonds op den
achtergrond getreden. Er zyn zachte dwangmaatregelen aangewend,
zonder dat daaraan, desnoods door een krachtig optreden, nadruk
kon worden ge geven. In haar streven om links en rechts en
overal zaken te entameeren, heeft de Regeering ook de Balische
koe by de horens gevat, zonder dat daartoe op dat tydstip eenige
de minste dringende noodzakeiykheid bestond. En nu is dat beest
wild geworden, waar het duideiyk gewaar werd dat de hand, die
het wilde bewingea, daartoe geen kracht bezat. „Aan wie de
schuld, dat er noodeloos veel fcloed zal worden vergoten" ?
vraagt de Java Bode. Het antwoord daarop is eenvoudig het
volgende: „Aan de tegenwoordige Regeering, die alles te geiyk
aanvat en die daardoor de macht mist om ook maar één der door
haar begonnen zaken tot een werkeiyk bevredigend einde te
brengen." |
| |
Bali en lombok.
Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
09-12-1905, Dag
|
| Bali en lombok. |
Aan het kort verslag der afdeelingen Boe leleng en Djembrana
der residentie Bali en Lombok over de maand October 1905 is het
volgende ontleend:
Het bericht, in het vorige verslag opgeno men. dat de radjas van
Badoeng als represaille tegen de rechtenheffi-ng onzerzyds allen
uitvoer over zee en naar Gianjar verboden hebben blijkt, ook
volgens bevinding van den Commandant van Hr. Ms. Sumbawa, meer
en meer juist te zijn. Van 23 Scp tember tot en met ultimo
October jl. werd slechts een bedrag van f 2.28 aan
uitvoerrechten ontvangen. Alle uitvoer heeft volgens informaties
vau betrouwbare zyden sedert de tweede helft van September jl.
plaats naar Tabanan, van waar Badoeng alle benoodigde
invoerartikelen betrekt. Be invoer over land Van Tabanan naar
Boeleleng is dan ook ¦Jbelangrijk toegenomen. Overigens is in
den politieken toestand van Badoeng geene verandering gekomen.
Het met Bangli aanhangig gebleven grensgeschil kwam niet tot
oplossing. Daar van verdere onderhandelingen geen resultaat te
verwachten viel, is de zaak aan de beslissing der Regeering
onderworpen.
De twee knapen uit Karangasem, die voor Ctouvernements rekening
de Inlandsche school te Singaradja hebben bezocht en daarna voor
kweekeling werden opgeleid, hebben Met succes het daarvoor
vereischte examen afgelegd. Zij zyn onlangs naar hun land
teruggekeerd om aldaar onderwys te geven aan hoofden en anderen.
In de onmiddel Ujke nabyheid van de poeri zal de Stede houder
een schoolgebouw oprichten, waarvoor de noodige materialen reeds
zyn ver zameld. Voor de aanschaffing van schoolbehoeften heeft
hy onze tusschenkomst ingetoepen.
Behalve de twee Gianjarsche vrouwen in het verslag bedoeld
bevinden zich ter hoofd¦plaats Pajangan (Kloengkoeng) nog dre
Gian jareezen in gevangenschap. Blijkens het door den
Stedehouder gehouden onderzoek hebben alle vyf personen niets
misdaan, maar z^n opgevat en in ketenen ge klonken als
represaille tegen een door een Gianjareü3 binnen het gebied van
Pajangan gepleegden sapi-diefstal. Omstandig is zulks 4er
kennisse van den Dewa-Agoeng van Kloeagkoeng gebracht, met
verzoek die vijf menschen dadelijk op vrije voeten ta stellen.
Van dien zelfbestuurder is nog geen bericht ontvangen omtrent
het resultaat van het toegezegde onderzoek in zake de
ongeregeldheden door Kloengkoengsche onderhoorigen in het
district Pajangan op de Gianjarsche grenzen gepleegd.
Volgens van den Stedehouder vau Gianjar ontvangen rapport hadden
lieden yan Pajangan het irrigatiewater voor de sawahs van de
desa's Tangajoeda en Boenoetin (Gianjar) op 25 October afgeleid,
zoodat de sawahcomplexen geheel van water verstoken waren. Aan
den Dewa-Agoeng werd ter zake om opheldering gevraagd met
verzoek tevens de schuldigen te straffen en het beschadigde
irrigatiewerk té doen herstellen, zooals bepaald is by de
overeenkomst dd. 7 October 1902 (goedgekeurd en bekrachtigd bij
Gouvernements besluit dd. 12 April 1903, No. 15).
De oogst in de strandsoebaks van West Boeleleng en in de
bergsoebaks van Midden- Boeleleng was bevredigend te noemen,
terwyl de bergsoebaks in West- en Oost-Boeleleng daarmede nog
bezig waren.
In verslagmaand werd een bezoek ge bracht aan de desa Telokan
Bawang om de nieuwe ontginningen op te nemen, welke in de
nabijheid dier desa door Mohamme danen en Hindoe Baliërs zyn
ondernomen. De ontgonnen gronden der eerstgenoemden zullen
voornameiyk gebezigd worden voor den aanplant van klapperboomen,
terwyl de laatstgenoemden, waaronder eene nederzetting van
Brahmanen te Laboean Kopek tevens zullen trachten nieuwe sawahs
aan te leggen.
In de afdeeling Djembrana was de oogst geheel afgeloopen. De
totale afslag wegens misgewas bedroeg daar slechts 742 timbang.
Uit de afdeeling Boeleleng werden 1113 runderen ter waarde van f
49970.— uitgevoerd, waarvan: 163 naar Singapore, 370 naar
Batavia, 64 naar Macassar, 400 naar Atjeh, 10 naar Ternate en
106 naar Ambon, zoomede 1357 varkens ter waarde van f 20635.—
waarvan: 1224 naar.Singapore, 16 naar Batavia, 113 naar Macassar
en 4 naar Ambon, terwijl uit de afdeeling Djembrana naar
Banjoewangi uitgevoerd werden 654 runderen, 16 paarden en 157
buffels en naar Boeleleng 120 varkens.
De handel was in de afdeeling Boeleleng levendiger dan in de
vorige maand, vooral die in lynwaden. Groote hoeveelheden copra
worden ter markt gebracht en vonden by de Chineesche handelaren
gretig afzet. De kotfieproductie was minder dan het vorig jaar
en behaalde de pryzen van f 25.— tot f 28.— per pikol lste
kwaliteit; hiervan werden 823 pikols uitgevoerd. De prijzen van
copra en katjang tanah bedroegen resp. f 8.25 en f 4.25 per
pikol., Ter reede Singaradja (Boeleleng) werden in- en
uitgeklaard 316 en 322 vaartuigen, welke cijfers voor Djembrana
98 en 100 bedroegen. De weersgesteldheid was in Boeleleng warm
en droog over dag, met vry koele nachten; in de bergdesa's waren
de regens doorgekomen. In Djembrana was het in de eerste helft
van verslagmaand regenachtig, in de tweede helft zeer droog. De
gezondheidstoestand was bevredigend ; in Boeleleng werden twee
gevallen van waterpokken geconstateerd, die goedaardig verliepen
; in beide afdeelingen werd met de vaccine geregeld voortgegaan.
Een Balische vrouw benam, om onbekende redenen zich het leven
door ophanging in een bosch, terwijl een Baliör uit een boom
dood neerviel. Twee Baliërs in het district Bandjar DentjarfF
werden in de nabyheid hunner desa's vermoord gevonden.
Een inlandsch vaartuig, volgeladen met ryst, werd door hevigen
wind en golfslag op het strand van Peijgastoelau stuk geslagen.
De opvarenden en de lading werden gered. Vier huizen gingen door
brand ten gevolge van onvoorzichtigheid verloren. De schade
bedroeg 10 rijksdaalders.
Twee mannen en vier vrouwen vertrokken van Tanggoewesia met een
djoekoeng naar PabeanSingaradja, met het doel eenige door hen
medegebrachte zakken katjang tanah aldaar te verkoopen.
Aangezien daarna niets meer omtrent hen vernomen werd, wordt
vermoed, dat zij, door zwaar weder overvallen, in zee omgekomen
zijn. |
| |
Naar Bali!
Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
05-06-1906, Dag
|
| Naar Bali! |
| Het Bat. £{bl. bracht Zaterdag-avond de tyding dat de Radja
van Badoeng gedreigd zou hebben om, in vereeniging met volk uit
andere rijkjes, de hoofdplaats Boeleleng af te loopen. De
regeering heeft gelast om aanstonds troepen naar Boeleleng te
zenden. Uit Buitenzorg vernam het blad dien dag nog dat het
telegram van den resident van Bali in den namiddag pas werd
ontvangen en een ware opschudding heeft veroorzaakt. Men heeft
er niet op gerekend dat de balische vorstjes, na ons. dreigen en
nog eens dreigen, zelf den knoop zouden doorhakken. Maar al komt
er nu ook niets van een overval: de expeditie zal nu wel
onvermydeiyk zyn! zegt het blad. Ronduit gezegd, gelooven wij
niet aan dien beweerden overval. Die „bedreiging" van den Radja
van Badoeng komt in dezen expeditie-lievenden tyd goBd te pas.
Da resident is denkeiy k wat vlug op praatjes afgegaan, wetende
dat het bericht 'wel opschud iing zou veroorzaken, maar toch ra
zekere kringen niet ongevaüig zou zyn. „De expeditie zal nu wel
onvermljdeiyk zijn", zegt het Bat. Nbl. Die expeditie was reeds
lang „onvermydeiyk". En zulke overvallen maken haar nog veel
onvermydelijker. In Djambi, zoo deelde een officier ons mede,
werd hy om den anderen dag „over vallen", soms wel door 20.000
man, altyd ala men op de praatjes wilde afgaan. En toch liepen
die vreeselijke dingen goed af, al zond men er geen extratroepen
heen. Men wil thans wel zool Men zal a. s. Woensdag eene
Gemengde Compagnie van het lste depot Bataljon te Buitenzorg
naar «*aU sturen, als „observatie-korps". Die reepen schepen
zich te Tandjong Priok in, >p de „Baud" Let op dat ze van hst
lste Depot-bataljon 'Hln. Heel veel anders was er blijkbaar niet
:'6gehikbaar. De artillerie, die aan de expeditionnaire i
tuepenmacht voor Bali bestemd, zal worden i ingevoegd, is
ditmaal niet gering. Naar h:t Soer. Hbld. van goed ingelichte
zyde aemt, wordt het advies vau den majoor d >r cavalerie A. M.
C. J. van Exter, die in h 'h. als stafofficier met eene geheime
zen naar Bali is geweest, gevolgd, om de e houwitsers van 12 cM.
mee te nemen. P bestaande goede wegen op Bali laten Ire, en zoo
ziet de 12 eM. Hw. A. zich htPSohapen in een „Paldhaubitze". Er
gaan 4 houwitsers mee: ieder stuk in den gevechtstrein bestaat
uit 2 vierradige voertuigen, terwijl in de tweede linie nog
totaal 4 vierradige voertuigen meegaan. Voor deze uitrusting is
gebruik gemaakt van het materieel der veldbatteryen uit Batavia
en Willem I. Het geheel staat onder commando van een luitenant,
terwijl bij de pionierafdeeling ook nog een luitenant der
artillerie zal worden ingedeeld. Als „echte" bereden artillerie
gaat voorts de Bergbattery van Soerabaja mede, met 4 kanonnen
van 3 7 c. M. (afkomstig van de Marine). |
| |
|
koloniën. Batavia,
6 Juni. Krantentitel:
Rotterdamsch nieuwsblad Datum, editie:
09-07-1906, Dag
|
|
koloniën. Batavia,
6 Juni. |
B ali. Hedenmorgen verspreidde het Bat. N b 1. het volgende
buiietin : „Naar wij vernemen is gistermiddag- laat bij de
regcerimg Ui. ontvangen van den resident vaa Bali en Louir bok,
houdende bericht dat de radja van Badoeng gedreigd zou hebben,
in vereeniging met volk uit aaidcne rijkjes, de hoofdplaats
Boeleleng af te loopen. Do regeering heeft onmiddellijk gelast
troepen naar Boeleleng to zean. Nog gisteravond kreeg het
fcsgerbestuur opdracht een compagnie infanterie zoo spoedig
mogelijk naai' Bali te dirige. Waarschijnlijk zal daarvoor een
compagnie van het Ie depotbataljon te Buiteuzocg aangewezen
worden." Een bevestiging dezer tijdingen door liet Persbureau
bleef tot dusver uit, maüi- aan de juistheid behoeft daarom
uietgcttvjjfeld te worden. Eem feit is dat een compagnie van het
eerste depotbataljon naar 80-aWLeng gaat, zooals het officieel
heet: om als bcwaJciagaafdeeling dienst te doen. ïlet eerste
depotbataljon, feitelijk bestemd voor de opietding van recruten,
beschikt over penoeg stof om een veldcompasnie af te stean. Uit
BuitejizorjLj vernamen wij nog, dat het telegram van den
resident van bali in den namiddag pas werd ontvangen ca een ware
opschudding heeft veroorzaakt. Men heeft er niet op gerekend,
dat de Balisebe vorstjes, na. ons dreigen en nog eens dreigen,
zalf den knoop zouden doorhakken. Maar ai komt er nu ook niets
van eea overval: de expeditie zal nu wel onveraijdiehjk zijn 1
De J a v a-B o d © vernam, dat bij de regeering een telegram was
ontvangen va» den heer G. F. De Bruijm Kops, resident van Bali,
om te melden dat de radja va» Badoeng gedreigd had de afdeeling
Boeïaleng te zullen afloopen en dat daarop gjelast was,
onverwijld een gemengde cornjjj*. gnie vam het Ie depotbataljon
te Buitcnxorg gereed te maken om beden, anders morgen, naar Bali
te vertrekken. Bij informatie bleek ons, dat dit berictit
waarheid bevatte en dat inderdaad eèn compagnie Europeanen en
inlanders iras aangewezen, onder commando^ van kapt. i.
Willems,om met spoed van Buitenzere «aar Bali te worden
overgebracht ter bezetting van Singaradja. De troepen zullen per
spoor naar Seerabaja vertrekken en vam daar naar Bah' wor den
overgevoerd. • De adviezen van kapitein Schutstal van Woudenberg,
die, gelijk bekend is .reed» gadurende geruimen tijd op Bali
vertoeft,Tntlen alsmu zeer te stade kunnen komen. Barbe rt j e
moe t han gen- * Men seint aan het <B a t. N b 1. uit Bangkalan:
„In verband met het gescharrel met do ziéktecyfers is de
assistent wcdono vnn Tandjoeng Boemi overgeplaatst naar Banipang.
Den wedono van Tandjoeng Boemi ia aangezegd ontslag uit 's lands
dienst te \ ragen. De assistent-wedono beweert: „ate ik schuld
heb, heeft de wedono ook schuW-ïfn de wedono zegt: als ik schuld
heb, dan ook de controleur." Er zijn reeds méér Barbertjes
gehangen, ginds op Mndoera. De wedono, die nn wordt weggezonden,
is dezelfde, die op SO en *1 April op taja staten de hooge
ziektecijfers bleef behouden, welke door controleur Blanken, in
overleg met „de" geneeskundigen, eLw.z. de doktere djawa, met
duizend verminderd werden. En de assistent-wedono, die nu
overgeplaatst is, had oen schrijver in dienst, die de
tiendaagsche staten over Januari aanhield en op wiens ataat van
20—30 Januari 20') dooden méér voorkwamen dan officieel aan den
residtnt gerapporteerd was En dut wegmoffelen van 230 dooden was
verkregen door een rekenkunstige en evenredige verlaging der
cijfers, zooals men ieker niet van een inlandschen schrijver «oa
verwachten... De dokter djawa Soekirmo, bekend nit hot
„conflict" met controleur Bl<mkeu,oaadat hij voor dezen niet
wildd hurken,maaite deze cijfcrveimuidering aan den
civieigenecsheer bekend ;en de inlandsche vdhrij' ver
ve.-klaarde daarbij, dat hij de juiste cijfers, zooals ze hem
dcor de dessahoofden gebracht waren, had ingevuld, maar nu bar.g
was te worden ontslagen, omdat de co; troleur terugschrikte voor
zulke hooge cijfers. En dat was in dessa's bekend geraakt, wat
de dessahoofden angstvallig heeft gemaakt. De zaak is druk
besproken onder de lagere inlandsche arabtenajen, vooral omdat
de inlandsche schrijver eer kei ij b ontslagen is. Zoo maakt,
men ziekternpporten op Ma» d>>era en zóó hangt men Barbertjes!
Kleine dieven hang', men en groote di*» ven gaan ongehinderd...
De resident van Madocra seinde gisteren aan de regeering: In
koortedistricten Aiv>sbaia,SepoeJea cm Kctapang van 10 tot 20
'Mei respectievelijk 15, 28 en 3 dooden. Aantal zieken op 20 Mei
195—M 69 en 631. Aantal reconvalescente» 163—425 cm (miei
vermeid); stijging ziektecijfers, niet door bijkoming gewone
zieken, maar door bijvoeging chronische malarialijders, wier
behandeling dr. Terburgfc voor bestrijding malaria noodig
oordeeK, beschouwende hij die personen als infectiehaarden, van
waaruit de anopheles daziekte verspreidt. Te voren werden door
de geneeskundigen alleen als ziek opgebracht zij, die koorts
hadden. Het vertrek der troepen. Wij zijn hedenmorgen even naar
Tand jong Pritok geweest ewn te kijken, hoe alles m zijn werk
ging bij het vertrek der «mengda compagnie, die voor Bali is
Sefitemd. Naar on» uit Buitcnzorg geecind is, wer» den troep to
Buitenzorg met muziek megeleide gedaan ; ook aan het station ca
het Koningsplein was een muziekkorps opgesteld, dat bij het
binnenrijden yan dêa trein er lustig op los toeterde. Eenige
hoege militaire autoriteiten gaven door hu» aanwezigheid bhjk
van belangstelling. Aan boord van het s.s. „Baudf' ging alles
rustig toe; men was er bezig me* het ontladen der zwarte, aüe
even groote soïdatenkisten, waarop de onderluïtenaa* Mulder het
toezicht hield. Do Javaantjes cm Europeanen hadden het zich om
strijd gemakkelijk geanarft*» Het scheen den eersten weinig te
kunne» schelen of ze „top expeditie" gangen, als ac hun gezin
maar mochten meenemen, rfrieet elkaar huisden se op matéee,
beschikken»*, ever eea plankgebied in net tuaflcheswMj ▼an
precies twee vierkanten «eter. O». als de adat dat wil en de
onschuld, of met haar kinderen, poedelnaakte erden te loopen en
het ■.ulied' verkenden. Ken eind verder tijtje gom uten ze in di
oh ton drom saamgehurkt om den gokbaas, die het toilletflo
draaide, het geld inde en met loeroogien ieder op zijn vingers
keclk. Mem waagde zijn laKfcstè „stuvers". En de Europoaeaa?...
„Blij cla'k er van luoschen teek', merkte een groot-Mop. „'t
Wars 'm rommel op Bogor, gcön fcrtier en als maar ekserseeïe". r
krijg je gauw genogt van !" stemde éen koiporaal in. „Nou ziem
me nog 's wat ld. Bin nou i» maanden in tien Oost en nog niet
verder gewces dan ISufjtenzoi'g-.'' In luchtige klecdij
zwabberden ze rond, i op het dek, beneden. jur waren er ook, die
hun nieuwe slobkousen zaten te bewonderen en het niet van dr
hart konds.-i vei'.'nijgen, ze uit te trekken. Drie Europeanen
zaten in de buurt van het kombuis met opgestroopte hemdsmouwen
aardappelen te jassen en de putten dr uitv te halen. Een
neuriede: „Sla, kroten cm andijvie...", mikte het geschilde
goedje netjes in den emmer, zoodat het water opkletiste Buiten
ïiepen er een paar, in uniform en met blank ».apmes; gfio
bewaakten de loopplank cm hielden de ondeugd uit de buurt der
vaderlancteohe vlag. Vanmiddag ~o,mt do muziek van het 20e een
deuntje spelen en komen de „hooge oornes" even een kijkje nemen
en als het vijf uur slaat, komt de schroef in bew-eging en gaat
de „Baud" Oostwaarts op. *** En zoo zullen dus vanavond de
eerste troepen naar Bali onderweg gaan. Maar tot een expeditie
is nog steeds niet besloten.
Wel zijn drio bataljons, waarvan een ala reserve, gereed gemaakt,
om op alle gebeuiiijkneden te zijn voorbereid, maar het kon nog
best gebeuren, dat de omstandigheden van mem aard werden, dat
alles weer werd afgelast.
Een commandant van de expeditie en een chef van den staf zijn
dan ook nog steeds miet aangewezen, hetgeen stellig geschied zou
zijn, indien de regeering reeds bepaalde plannen had gevormd.
Want de hier bedoelde autoriteiten hebbon tijd noodig om zich
voor te bereiden voor hun taak en een, benoeming op het laatste
oogenbius zou in hooge mate ongewenscht genoemd moeten worden.
Maar dat het binnen niet te langen tijd tot cein» expeditie zal
komen, om de Balineesche vorstjes tot rede te brengen, is
beslist zeker. J.B. Moord in den trein. Uit Bangkalan schrijft
men aan do N Soe r. Ct. Gepassoerden, Zaterdagmorgen had in een
3e klasse waggon van d 3 Madoera stoomtram, die even over
negenen van Sampang te Toendjoeng — een halte vóór Bangkalan —
aankwam een moord plaats. Een inlander met een plaatekaartje in
d 9 hand stapte den waggon binnen,nauwelijks gezeten te midden
van tal vam medepassagiers, werd hij onverhoeds door een
Madocreesch medepafieagicir in de borst gestoken en zeeg dood
neer. In de consternatie, die daarop ontstond, wist de
moordenaar den waggon te verlaten en het hazenpad te kiezen. De
vermoorde werd onmiddellijk door de te Toendjoeng
stationneerende dessa politie naar buiten gebracht en naar het
ziekenhuis te Bangkalan ter schouwing gezonden. Inmiddels zette
de tram de reis verder voort. Een pvitiebeanibtc kwam onderweg
in den waggon en ondervroeg alle inlanders die van den brutalen
moord getuigen waren, namen en woonplaatsen werden opgeteekend,
maar niemand wist iets mede te deelen. Noch de moordenaar, noch
de vermoorde was hun bij name bekend. Dit was wel te voorzien
uit vrees voor weerwraaK. Mocht óp politie te Bangkalan het
geluk hebben den moordenaar te vatten, dam pas zullen de
getuigen hun vreesachtigheid >if leggen en bijzonderheden van
den moord vertellen. |
| |
BINNENLAND.
AMSTERDAM, Dinsdag 18 September. De toestand in Bali.
Krantentitel:
Algemeen Handelsblad Datum, editie:
18-09-1906, Avond
BINNENLAND. AMSTERDAM, Dinsdag 18 September. |
| De toestand in
Bali. |
In „De Locomotief" vinden we een overzicht van het
operatietooneel, waaraan het volgende is ontleend :
• Het eiland Bali is een der schoonste eilandan van den
Indischen archipel. Hoewel klein — het geheele eiland is
ongeveer zoo groot ala de halve residentie
Preanger-regentsclrappen— telt het ongeveer een millioen
inwoners. Ten einde aan die dichte bevolking levensonderhoud te
kunhen verschaffen is over het geheele eiland tot hoog in het
gebergte het terrein her-schapen in sawahs, welke op die
kunstige wijtea geïrrigeerd worden, «aaivan alleen do Baiiërs
het geheim bezitten. Zonder door controleurs of
waterstaatsingenieurs gemassregclt te worden, zooals de Javaan
bij wien eigea energie en initiatief door aanhoudende vaderlijke
zorgen geheel zijn uitgedoofd, tapt hij de rivieren hoog in den
bovenloop af en leidt liet vruchtbrengend water langs lange
leidingen naar de sawahs. Daarbij ziet iiij er niet tegenop soms
eoer lange tunnels door lieiivelruggen te graven, hooge
aquaducten t» bouwen en andere vernuftige werken aan te leggen.
En dit kan hij doen doordat het gevoel van eendracht maakt macht,
het gevoel voor coöperatie hem in het bloed zit. De
Fa-.vahbeziiters toch vereenigen zich onderling tot soebacs.
welke een eigen bestuur kieken, geheel afgescheiden van het des»
sabestuur.
• Dit soebac-bestuur, aan welk* beslissingen, de Baiiërs zich —
tot welke kaste ook behoorend — onvoorwaurdelijk onderwerpen,
bepaalt de aan te leggen werken, regelt do waterverdeeling,
gelast den planttijd enz. Eu treedt iv alles op ter behartiging
van de belangen van de eigenaars der sawahs, die door onderling
belang genoopt zich tot een soebac vereenigden. De aanleg van
tunnels en dammen wordt uitbesteed bij landgenooten, die van den
aan. leg dier werken hun vak maken en het is verwonderlijk welk
scherp oog die mensehen ep het terrein hebben. Zonder
waterpasinstrumenten of boussoles weten zij dea loop der
leidingen te bepalen, taxeeren verwonderlijk nauwkeurig de
hoeveelheid water eu ramen do hoeveelheid sawalis, weike
daarmede kunnen worden geïrrigeerd; zij wijzen zonder aarzelen
de complexen sawah aan, welke tot een soebao behooren te worden
vereenigd enz. < Kn zoo slingert over geheel Bali een
reusachtige net van groote en kleine waterleidingen en spoedt
zich daarin het kabbelend water vun de bergen oraeduldig naar de
sawahs, die daarop wachten om zich met een groen kleed van padi
te tooien, hetwelk de vergezichten op Bali zooveel
aantrekkelijks verleent. Tot waar het mogelijk is sawahs aan te
leggen hoopt da bevolking zich in de van muren doorkruiste en
met kleiwoningen bezaaide dessa's opeen en bestaat dus het
terrein bt uit sawahs, welke in oen of ander stadium van
bebouwing verkeeren, soms onafzienbare velden, of in grooto
desa's met fraaie breede wegen, beschaduwd door «eeuwenoude
waringins, door tal van vruchtboomen.
• Maar halt — niet enkel uit sawahs en dessa's bestaat het
dithtbevolke gebied in Bali. Talrijk zijn ds plekken, heuveltjes,
heuvelruggen, grillige terreinplooien welke niet «ioor het water
kunnen bereikt worden. Mug bouwt; de Bahér daar een poera (tempel)
of legt groote velden met alang-alang aan, welke g<v reegeld
g«wneden wordt en waarvan de opbrengst dient vot vervaardiging
van atapps tot bedekking der huizen.
• Wij spraken zooeven van de inrichting der dessa's en — hoe
sympathiek ons het nijvere Balische volkje «>ok voorkomt •— het
wandelen door hui woonplaatsen is in den regel alles behalve een
genoegen. Eerstens wordt men de geheele wandeling begeleid door
hondengo-
• blaf of varksnsgeknor, welko beide diersoorten in overvloedige
hoeveelheid in de dessa huizen. Evenwel geen van dio dieren zijn
kwaadaardig evenmin ils do paarden, karbouwen, «api's of «nder
gedierto dat vrij op Bali rondwandelt en dat. door eijn gocdigeu
aard, bewi>t dat de Baliër over het algemeen niet slecht is voor
dieren. Met hondeu is het nog iets anders.
• Het volksgeloof op Bali wil dat menschen, die ©en onzedelijk
leven op aarde geleid hebben, nis hond terugkeren na hun dood.
En aangezien do Baliër pp het punt 'an zedelijkheid in den regel
een slecht geweten heeft, en vrij zeker zich herinnert dat
verschillende zijner ontslapon familiebetrekkingen of
adathoofden het tijdens hun leven op aarde evenmin erg nauw
namen met do zedelijkheid, zal hij nagenoeg nimmer een hond een
slag of een schop toedienen, vreezend daarmede iijn overleden
vader, oouii grootvader of poenggawa een opstopper toe te dienen.
Doch bij dio negatieve blijken van welwillendheid blijft hot in
den regel. De gierige aard van den" Baliër. maakt dat alleen die
dieren go^d gevoed worden, welke hem voordeel apicveren ;
mestvarken», sapi's en paarden en zijn overig gedierte moet maar
zien hoe hot dën kost opsohvrrelt. Dag en nacht is het daartoe
in do weer. En mijn lezers die den Indischen gladakker bij
go'uida kennen, zullen dus kunnei begrijpen dat het verblijven
van eon nacht in Mn Baliscae dessa allesbehalve als een gvumgen
ma gword-jn beschouwd. Ook Piet om andore recbnen dan die tot
sparing der g.-h.)orzenuwen kun.aan worden aangevoerd. Een
Balisch huis toch bestaat ujt een muur, omheinend een vierkant
erf dat kwistig bezaaid is met modderpoelen, vierkante van klei
opgetrokken huisjes; rijstschuren die er oog het best en
soliedst van alles uitzien. Met .rehrel is gevuld nvt varkens,
kinderen, honden, vrouwen en mannen, die in een genoege-
Ink'pêle mêb voort'.e/en'En do vorstelijk© paleizen (poen'sl
bestaan uit niet veel andors dan 6 > S van zulke erven «mgeven
door een plm. 4 M. hoogen en li a 2 M. dikken muur van gebakken
steen, waardoor zij zich onderscheiden van de woningen van den
gewonen man, die slechts een muur van klei om zijn i-rf heeft.
Toegang tot de fciveri verleenen smalte, haosopgebouwde en in de
poeri's soms fraai versierde poorten, welke echter zoo smal zijn
dat zij slechts één persoon tegelijk toelaten. Soms treft men in
die poen s enkele open loodsen aan tot terging dienend Tan
vechtüanen of duiven of gevuld met geweerrekken, waarop oude
voorl-ider?, vuursteen gewei en vertrouwelijk in het gelid zijn
geschaard met Wineh«?ster-repeteerge.weren, alles echter be-
Toest en overdekt met stof en vuil. Een retirade houdt de Baliër
er niat «p »•_ doch beschouwt zijn geheide erf als zoolang, de
vlccr zijner bale's of woningen doet tev_ns dienst als spuwbak
waarvan de roode virihvlekken overal-getuigenis afleggen ;
verder is hij bijzonder gastvrij zoodat -ie wanden der gebouwen,
de zittingen der zetels die hij u aanbiedt wemelen van zeker
onnoembaar gedierte, en dit alles bij ;enomei maakt dat een
Europetsch logé ïicb bij hom alles behalve seneng gevoelt. Zijn
'wegen zijn prachtig, in de dessa namelijk."Dikwerf wandelden
wij in de landschappen over heirwegon van 20 en meer Meters
breed, prachtig beschaduwd. Doch nauwelijks en de desa gokomen
acht de Baliër een galangan voor hot gebruik voldoende en vindt
hij hot zonde en jammer zulke breede strooken grond als noodig
zijn voor een weg onbebouwd te laten. . En aangezien alles in
Bali is ondergeschikt gemaakt aan de sawahcultuur, zoo gaat de
waterleiding vóór de 'wegen en passeert men . een kabbelend
beekje waarover t. iets waaraan de ongeschoeide Baliër dan ook
geen behoefde gevoelt. Zelfs waar het noodig is voor afvoer van
het afgewerkte sawahwater, wordt het water eenvoudig over den
weg geleid en plast men dus over soms moor dan honderden meters
lengte tot de knieën door het water. Ook _e wandelingen n Je
dessa zijn dus alles behalve een genot iemand, die niet houdt
van natte schoehet daarmede gepaard gaande ongemak. • '- ■ lien
is het terrein op Bah erg geaccidenteerd on do wegen, die niet
een der uitioopers van het gebergte volgen, welko zich tot aan
de kust voortzetten, doch dio evenwijdig aan hot strand loopen.
snijden de ravijnen van de talrijke riviertjes, dio hun bed diep
in den lachtigen ondergrond uitspoelden. Zoo is het zeldzaamheid
om op een 10-tal palen f,l van de kust ravijnen te ontmoeten van
300 a 400 voet diep mot steile wandon, waarvan He passaspe menig
zweetdruppel kost. Die riviertjes hebben alle het karakter van
iergstroomen. Aangezien het water nagenoeg geheel voor de
bevloeiing der sawahveldeu lt afgetapt, bevatten zij in den
regel zeer weinig water en alle zijn dan ook doorwaadbaar
behalve bij bandjir. Door bat groote verval is ©en bandjir in
den regel in enkele uren tijds afgeloopen, zoodat men daarvan
weinig ongemak ondervindt. Waar de rivieroevers buitengemeen
steil zijn, hoeft do Baliër vernuftige bruggen gebouwd en zelfs
duikers aanrol, zoodat hot passeeren der rivieren ner, 'buitengewone
moeilijkheden ondervindt, live natuurlijk als men bijzondere
vervoermiddelen bezigt en er togen opziet alles te voet wandelen.
Werpen wij thans nog een blik op de landjehappen waartegen de-
expeditie vermoedelijk cal optreden, nl. Badoeng, Tabanan en
Bangli. Hot eerstgenoemde landschap is nagenoeg vlak. Van af do
kust stijgt het terrein dadelijk tot 20 Meters om daarna zeer
geleidelijk en .•aam in noordelijke richting op t© loopen. Do
hoofdplaats Denpasar ligt op pl.m. 40 M. en de hoofdplaats van
het oude rijk Mengwi op pl.m. 100 M. Bohalve.de nagenoeg
onbewoond© Tafelhoek bestaat het rijk uit een zee van sawahs
afgewisseld door dichtbevolkt© dessa's. In totaal bevat hot rij-k
ruim 100,000 zielen en kan ongeveer 20,000 weerbare mannen op de
been brongen. Als landingsplaatsen komen in aanmerking Koeta. op
de Z.W.kust en Sanoer op de Oostkust waar de schepen goede
ankerplaatsen vinden In den Oostmoesson zal Koeta, in den
Westmoesson Sanoer als aanlegplaats van schepen do voorkeur
dienen. Verder komt nog in aanmerking do Pantéj Timorbaai,
waarbinnen echter groot© schepen niat kunnen komen. De baai valt
toch achter hot eiland Serangan.bij ?b droog. De voornaamste
tegenstand zal de rtepediiie kunnen, verwachten in de pocri-van
.;>as;i.r en het daaromheen gelegen kampong-coniplex Denpasar
Pametja^tan. Daar zal o-.-o.r- hot lot van Badoeng worden
beslist.
• Wordt gencemd kampongcomplex hardnekkig verdedigd dan zal do
vormeestering van dat uitgestrekt© door stcenen en klcdmuren
doorkruist© terrein aan de troepen nog zeor voel moeite kosten.
Bij do verovering van Mataram en Tja- Jtriuegara tijtkpa d©
Lombokcxpeditio httoben n dit ondervonden. Nu moet'men daarbij
in aanmerking nemen, dat sedert dio rxpeditic ons leger zoowel
in bewapening als in offensieve waardo aanzienlijk is
vooruitgegaan jbu vooral dit laatste mag men niet gering
ichatten.
• Het rijkjo Tabanan, waarvan het zuidelijk gedeelte dicht
bevolkt is, zal niet bijzonder oeito veroorzaker.. Na don val
van Ba-'oeng zal de zelfbestuurder wol de wijste parto' kiecen
en zich onderwerpen, doch het is altijd mogelijk dat enkele niet
goed gezinde peenggawa's (bv. dio van Kedin) door .kracht van
wapenen tot redo moeten worden gebracht. Met zeer
geaccindcn'tecrde noordelijk gedeelte loont zich echter
bijeonder voor oen gezetten guérilla-oorlog en het is gelukkig
dat de Baliër tuchtig als hij is — van 7",:! i: houdt ah wij in
Tabanan echter verdedigd v.ordon dan zal hot vervoor van hot
zwaro ge■__<&*__:___, volgen^ g©ruj;btejLd^._g_<=rfitiie.. zal
vergezellen — langs den weg Mengwi-Tabanan, welko wemelt van
zware ravijnen, nog heel wat moeite kosten.
• Van het operatietooneel bestaat een goede schet3kaart,
vervaardigd, gedeeltelijk naar gegevens van Inlanders, door den
adsistent-resident tit. Schwartz, die thans nog té Bali
geplaatst is en vermoedelijk bij de expeditie zal worden
ingedeeld. Zelden beschikte een uitgezonden exp. troepenmacht
over meerdere en betere gegevens omtrent het gebied waarin zal
worden geageerd. Dat in Badoeng onze troepen een lot zou wachten
als in 1894 te Lombok is uitgesloten door den verhoogden
offensieven geest bij aanvoerder en bataljons die het: „een
aangevallen'Baliër is een gansch andere vijand dan een
aanvallende Baliër" in hun vaandels zullen voeren. |
| |
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
30-01-1907, Dag
|
| Bali. |
Aan het kort verslag der afdeelingen Boeleleng en Djembrana
der residentie Bali en Lombok over de maand November 1906 wordt
het volgende ontleend: Den 12 November keerde de
regeeringscommissaris voor Bali in gezelschap van rapporteur
over land van Zuid-Bali terug en vertrok den 14den
daaraanvolgende met Hr. Ms. pantserschip „De Ruyter" naar
Soerabaja. Op den 29sten November vertrok rapporteur naar Zuid-
Bali en keerde den 3den December van daar terug. In de
stra-ndsoebaks in de afdeeling Boete* leng heeft men overal
uitgeplant; in het ge*, bergte is de oogst 'geheel afgeloopen.
In de afdeeling Djembrana wordt een begin gemaakt met de
sawah-werkzaamheden. Over den aanplant van tweede gewassen zijn
geen bijzonderheden te vermelden.
Ziekten onder het vee werden niet geconstateerd.
De handel in koffie in Singaradja was levendig, doordat dit
product in groote hoeveelheid van buiten de afdeeling werd
aangevoerd na het beëindigen der verwikkelingen in het Zuiden.
De prijs was f 27 de pikol; uitgevoerd werd naar binnen het
tolgebied 4157 pikoL Copra kwam slechts in kleine hoeveelheden
aan de markt, de prijs liep van f 12.50 tot fl3 de pikol. Van
West-Boeleleng werden groote hoeveelheden katjang ter markt
gebracht, prijs f 5 de pikol.
Opstootje te Weltevreden. — Het „Bat. Nbl." van 2 Januari
bericht: Hedenmorgen ontstond te Ka-rang Tengah een oploop van
volk. tengevolge van het gevangennemen, door den wedono. van een
hadi. die zioh tot „Radja Pelaboean" had uitgeroe-' pen. -. - -
De gewaande radja was door den wedono opgesloten in de
di-trictsgevaneenis, die door de volgelingen -van den hadji,
ongeveer twintig in getal,, werd opengeloopen.. De hadji werd
aldus weder in vrijheid gesteld.
Eenige politieTopassers die de orde trachtten te bewaren
bekwamen hierbij verwondingen.. pc assis_ent-re.-i.nent van
Soeknb.emi, te'egraphisch gewaarschuwd, was spoedia; ter 'plaatse
en leidde het verder onderzoek. De wedono, zegt men, trachtte
het optreden van de fanatieken te bezweren, door hen te
bedreigen met een jachtgeweer.. Toen hij aftrok, weigerde echter
het wapen, wat de roep van onkwetsbaarheid, die van de
volgelingen van den nieuwen „radja" uitging, in de oogen der
bevolking natuurlijk bevestigde.
Aan de „Sumatra Post" werd den 4den.-'"Januari uit Weltevreden
geseind: Ofschoon de toestand eerst dreigend was, zijn de
opstootjes bedwongen. |
| |
Bali Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
29-12-1908, Dag
|
| Bali |
Aan het kort verslag der Residentie Bali en Lombok gedurende
de maand October 1908 is het volgende ontleend :
Door de uitkomsten van onze recente diepingrijpende
bemoeienissen met de landschappen Karang-Asem en Banglikan thans
de politieke toestand van heel het gewest gunstig worden genoemd.
In beide landschappen heeft de bevolking den nieuwen toestand
gewillig aanvaard en toonen de hoofden zich vol ijver om de
regelingen behoorlijk na te komen. Voor de invoering van de
belastingen, zooals deze bij de vastgestelde verordeningen
geregeld zijn, worden in de drie Stedehouderschappen de noodige
voorbereidende werkzaamheden verricht.
In verschillende deelen van die landschappen werden door de
aldaar gelegerde troepen patrouilles gemaakt. De ontvangst was
allerwege voorkomend en de houding van hoofden en bevolking
gepast. Ingeleverd werden in Bangli nog vier geweren. De voor
den bouw van het bivak ter hoofdplaats Bangli benoodigde
materialen worden geregeld aangevoerd en de bevolking verricht
daarbij koelie-arbeid tegen betaling. De tot poenggawa's en
Sedahans agoeng in de onderafdeeling Tabanan en Badoeng benoemde
personen, zoomede deonderdistrictshoofden van Tjarangeari en
Angantaka legden respectievelijk op den 24sten en 29sten d. a.
v., in de pooradalem ter hoofdplaats Tabanan en te Pametjoetan
in handen van den Assistent-Resident van Zuid-Bali, daartoe door
rapporteur gemachtigd, den voor hen voorgeschreven eed af.
Met hei oog op het voorkomen van pokken in de afdeeling
Boeieleng werden met den te Singaradja bescheiden dokter-djawa
de noodige maatregelen beraamd tot stuiting dier ziekte en den
hoofden op het hart gedrukt, hunne medewerking ter zake te
verleenen en onmiddellijk nieuwe gevallen aau het bestuur op te
geven. Behalve de gewone bestuurszaken werden met de Badoengsche
(Zuid-Bali) hoofden op de vergadering van 19 October jl. door
den Assistent-Resident eenige aangelegenheden, de landelijke
inkomsten betreffende, behandeld en tevens aan de poenggawa's
van Sibang»- Abeansemal en Blahbatoe, zoomede aan den man tja
van Tjarangsari duidelijk gemaak . dat aangezien hun thans
bezoldigingen zrjn toegekend en toelagen als vergoeding voor het
gemis van vroegere inkomsten, zij voortaan niet meer de
opbrengst van de sawahbelasting binnen hun gebied zullen
genieten maar alle belastingen in 's Lands kas behooren te
worden gestort. Dit werd op den 22sten d. a. v. ook bekend
gemaakt aan de pengloerahs, de hoofdek der irrigatie-gebieden,
die op dien dag Qe maandelijksche vergadering met de Sedahan
Agoeng hielden. Verder werd met hen de inning der sa
wanbelasting) de toekenning van ambtsvelden aan de soebakhoofden
behandeld en aange' drongen op de spoedige indiening van de
uitkomsten der door de soebakhoofden onder hun toezicht
verrichte individueele opmeting6ll van de sawahs. Dezelfde
aangelegenheden werden daarmede met de Tabanansclie poeng-"
gawa's en soebakhoofden besproken.
Voorts werd een onderzoek gedaan naar de persoonlijke diensten
waartoe de bevolking verplicht is en al wat daarmede samenhangt»-en
medegedeeld, dat het in de bedoeling hg* deze materie voor
Badoeng en Tabanan f 6 regelen. Daarna werd de wensehelijkheio
betoogd om de werkzaamheden aan den hoofd* weg van de grens van
Badoeng naar de hoofdplaats Tabanan met kracht voort te zetten,
ten einde dezen weg spoedig per as begaanbaar te maken en werden
ter zake zoowel t_r vergadering als plaatselijk de noodige
aanwijzingen gegeven. |
| |
|
Alweer onrust op
Bali. Krantentitel:
Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië Datum, editie:
05-09-1908, Dag
|
|
Alweer onrust op
Bali. |
Ba Java bode van gisteren oevat een schrfl < v.u «an iemand op
Bali, aangaande den toestand op dat eiland, die nog steeds niet
bevredigend moet zfln. Wfl oatlertnea daaraan het volgende: „Eenige
weken geleden liep het gerucht dat de toestand in Bangli 't
noodzakelijk maakte, aldaar troepen ter beschikking te hebben;
het detachement te Gianjar son daarom naar Banglï verplaatst
worden. _ Dat die troepenverplaatsing niet door is gegaan is
waarschijnlijk toeschrijven aan den gnnstigen afloop der
besprekingen, onlangs ter hoofdplaats Bangli gehouden en waarby
tegenwoordig waren de resident, de assistentresident voor Z
aid-Bali, de troepen comman* dant op Bali, e. a.
Thans schijnt op Karang Asem iets niet in den haak te zjjn, of
te broeien en dit wel in verband met het brengen op sterkte van
het detachement aldaar tot 200 man, met het dirigeeren van een
stukje snelvnnrgesohnt daarheen enz. enz ; ook is reeds lang
bekend dat den Hen September door Goesti Djelantikeen groot
feest zal gegeven worden waaraan 10.000 JBaliërs zullen
deelnemen en waarvoor reeds groote toebereidselen zijn getroffen."
Te verwonderen zou bet nauwelflka zfln, wanseer bet op Bali
weder eens roerig werd. Er zfln in de laatste tflden daar
geduchte opruimingen gehouden; nu eens vielen er 600 maEE-n,
vrouwen en kindaren, dan weer werden er „eaniga honderden*9
neergelegd; het. zou eerder vreemd moeten worden genoemd,
wanneer de nabestaanden van al die gevallenen bet er koeltjes
bfl lieten, dan wanneer zfl tt achtten bun slag te slaan om die
slachtoffers to wreken.
Bali is sdu we! onderverdeeld in zoovelo kleine slaaf jes, maar
sen ieder voelt dat die verdeeling niet anders dan fictief is te
noemen. Bali is ean éénheid, zoo goed als bet Bali 'scha volk
één is.
En waar de eigenschappen van dat volk zfln: wraakzucht en
doodaverachting; waar het bovendien mearmalen blflken heeft ge
geven to zfln uiterst sluw en listig, ia de mcgelflkheid dat
thans, nu bet leger weder overal in den Archipel bezig is,
getracht zal worden een slag ta alaan, verre van uitge* aioten.
De Java bode deelt dan ook mede, dat het leg.rbestuur gereed ia
om aan alle eventualiteiten onmiddellijk het hoofd te kunnen
bieden, achter welke verklaring van „gereed zfln" echter, ietwat
zonderling, demsdcdeoling volgt, dat er in September
vermoedelijk géén manoeuvroa zullen kunnen worden gehouden,
omdat, wilde men de daarvoor te bezigen compagnien brengen op
oen sterkte van 80 man (I f), de infanterie geboel „uit baar
verband" zou moeten worden gerukt.
't Is maar wat men noemt: „gereed zfln om alle evestualitsiten
het hoofd re bieden"... |
|
|
|