|
Previous • De Oorlog • Toerisme • Transport • Ontdekkingsreizen • De Vrouwen • De Ljkverbranding • Algemeen |
|
Ontdekkingsreizen |
|
|
|
De Reis van den Heer Van
Kol. Krantentitel:
Het nieuws van den dag : kleine courant Datum, editie:
10-11-1902, Dag |
De Reis van den Heer Van Kol.
Gisteravond hield de Heer H. van Kol, lid der Tweede Kamer, in
een goed bezochte bijeenkomst in het gebouw »Difigentia», te
's-Gravenhage, van de Vereeniging «Oost en West» uitgegaan, eene
lezing over zijne reis door Bali en Lombok. Onder de vrij
talrijke aanwezigen, die deze tweede wintervoordracht van «Oost
en West» bijwoonden, werd o.a. opgemerkt het lid der Tweede
Kamer, de Heer J. M. Pijnacker Hordijk. Geïntroduceerd door den
Voorzitter van «Oost en West», kolonel Van Zuylen, ving de Heer
Van Kol daarna zijn voordracht aan, er op wijzend, dat reeds
thans door «Oost en West» meerdere belangstelling in Indië bij
het Nederlandsche publiek wordt opgewekt. Dadelijk heeft spr.
dan ook de invitatie dier Vereeniging aangenomen om een lezing
te houden, teneinde in dezelfde richting werkzaam te zijn. Spr.
verklaarde, dat het doel van zijn reis bereikt is: hij heeft
gezien, wat hij wilde zien, Hij heeft de mijnen bezocht op
Palembang, is in de keeten der koelies geweest, heeft de
slagvelden van Atjeh, de plantages en de hospitalen van Dcli
aanschouwd. Van daar ging bij naar Java; ook daar heeft hij
verschillende toestanden leeren kennen; hij heeft de prachtige
irrigatiewerken gezien, maar ook de schrikbeelden van den
hongersnood en daarnaast de werken der dienende liefde. Van Bali
ging hij naar Lombok, naar Makasser, deMinahassa, Ternate, de
goudkust van Celebes. Van al die eilanden en volken, die spr.
leerde kennen, wilde hij slechts, één thans schetsen, om aan te
toonen, dat wij ook daar, op Bali en Lombok, nog een schoone
taak hebben te vervullen.
Spr. was van oordeel, dat men met meer tactvol en beleidvol
optreden op Lombok hetzelfde had kunnen bereiken, zonder dat één
druppel bloed was gestort. Nog thans aanschouwt men duidehjk de
sporen van het aangerichte bloedbad. Toen spr. op zijn schip de
piek van Lombok zag verdwijnen, heeft hij een traan voelen
opwellen over den tragischen ondergang van het Vorstengeslacht
van Lombok.
Het bestuur van den ouden Radjah was goed; slechts aan zijn zoon
was de opstand der Sasakkers te wijten. Wat zijn nu de
resultaten van het rechtstreeksch bestuur van Lombok door
Nederland en de Indische Regeering, vroeg spr. Hij heeft het
eiland van West naar Oost doorreisd en het is hem gebleken, dat
de haat tusschen Sasakkers en Baliërs thans is uitgeroeid door
de doeltreffende maatregelen van ons gouvernement. De streek,
die het Balische van het Sasaksche gedeelte scheidt, een
oppervlakte van 100,000 bouw, vroeger een verlaten streek, is
thans een lachende landouw, dank zij de orde en vrede, door ons
gouvernement gesticht. De slavernij bestaat nog; maar zal
spoedig verdwijnen.
Het moet worden toegejuicht, dat onze Regeering deze zal doen
verdwijnen en tevens de verpandingschap door de schulden van de
pandelingen geleidelijk door hun werk te doen aflossen. De
heerendiensten zijn er geenszins drukkend te noemen; de wegen
eischen weinig arbeid. De dagdiensten, vroeger door den
heerscher geëischt, komen nu ten bate van het gemeen. De
landrente is licht, vergeleken met Java. Wat de irrigatie
betreft, kunnen de ingenieurs op Bali en ook op Lombok heel wat
leeren,. Wat op Java als onbereikbaar werd voorgesteld, is op
Lombok reeds gedaan: de ambtenaren van het binnenlandsch bestuur
hebben een monographie van de waterverdeeling opgemaakt.
Op Lombok zijn 't laatste jaar 245,000 pikols padi uitgevoerd.
Dank zij den invloed van 't binnenlandsch bestuur zijn dus de
welvaart en ook de veiligheid toegenomen. Alleen veediefstal
komt nog eenigszins voor; maar dit is uit,het volkskarakter te
verklaren. Financieel is door kleine offers op Lombok veel
verkregen. Geen enkel soldaat is op Lombok meer aanwezig. Eer
men een jaar of drie vier verder is, zal Lombok inplaats van een
tekort van ƒlOO,OOO een batig saldo van dit bedrag opleveren.
Voor een opstand is niet meer te vreezen en de 230 pradjóerits
zijn ruim voldoende om de rust te bewaren. Als ons Gouvernement
elders op dezelfde wijze als op Lombok optreedt, zal het iets
goeds, iets schoons kunnen tot stand brengen (applaus).
Bali is door spr. doorkruist van de Z. O. naar de N. W. kust;
een groot deel der reis was zelfs voor den gids van spr.,
controleur Schwartz, nieuw. De reis was moeilijk ; de
onafhankelijke vorsten kon spr. niet bezoeken, voordat na weken
wachten de vergunning daartoe was verkregen en toen waren nog
heel wat voorbereidselen noodig om de reis te kunnen ondernemen.
Het ergste was de onzindelijkheid in de paleizen der vorsten,
met hun labyrinth van nauwe gangen, waar men zich voelde als een
muis in een rattenval. Dank zij de kennis der landstaal van
controleur Schwartz heeft spr. echter veel kunnen leeren.
Op onderhoudende wijze schetste spr. zijn ervaringen bij zijn
bezoek aan den bekenden GoestiDjiiantik, in Kareng Asem. Z. i.
verdient deze niet den slechten naam en faam van beruchtheid,
dien deze steeds gehad heeft. Zijn houding bij liet zg. verraad
van Lombok was — volgens de inlichtingen, dooi spr. ingewonnen —
correct. Het was zijn plicht als vasal, zijn suzerein bij te
staan tegen ons Gouvernement. Tot op het laatste uur heeft hij
met alle kracht zich tegen het verraad verzet en hij heeft
daaraan geen deel genomen; maar met zijn troepen is hij naar
Bali teruggetrokken. Thans heeft hij zich volkomen onderworpen.
Voorts gaf spr. een schilderachtig beeld van het bedrijvig
Balisch volksleven, vol af wisseling, van de paleizen met de
talrijke vrouwen, van de kunst en de volksspelen, vooral de zoo
geliefde hanengevechten bij de Baliërs, en de natuurschoonheid
van dit eiland. Door het initiatief van den kleinen man is Bali
een groote rijstvlakte geworden zonder hulp van het bestuur. De
gevolgen van de vroegere oorlogen op Bali tusschen de
verschillende rijkjes zijn op sommige plaatsen thans nog
merkbaar in mindere welvaart. Ook hier heeft ons Gouvernement
door de vaststelling der grenzen tusschen de rijkjes, zelfs naar
het getuigenis der vorsten, een rechtvaardig en billijk werk
verricht. De inlandsche vorsten zijn dankbaar, dat door onze
overmacht de vrede is hersteld en de welvaart toegenomen. Spr.
karakteriseerde de onbeduidendheid van een dier vorsten, den
vorst van Bangli, wien zijn opiumpijp, zijn hanengevechten en
zijn talrijke vrouwen meer ter harte gaan dan 's lands belangen.
Vooral voor het Rijk Gianjar, dat zich op 28 Februari 1900
vrijwillig heeft onderworpen aan ons gezag, is dit gezag
zegenrijk geweest. Na de pauze schilderde spr. het onmetelijk
verschil tusschen Gianjar voorheen en thans. Vroe. ger werden
alle krachten voor de verdediging tegen vijandelijke benden in
bejJag genomen; het land leed armoede, van landbouw was schier
geen sprake, plundering en brandstichting waren aan dé orde van
den dag. Thans zijn alle wapenen ingeleverd en zijn die wapenen
verwisseld voor de spaden en andere landbouwwerktuigen. , Na
uiteengezet te hebben de redenen, die den vorst van Gianjar tot
vrijwillige onderwerping gebracht hadden, overeenkomstig den
wensch van het. geheele volk, wees spr. er op, dat terstond na
het aanvaarden van de souvereiniteit door de Indische Regeering
de vijandelijkheden gestaakt zijn door het prestige van onze
Regeering. De controleur Schwartz zeide tot de vijandelijke
vorsten: «de oorlog zal nu uit zijn; wie thans de wapenen
opneemt, strijdt tegen het Indisch Gouvernement.» En alleen door
zijn moreelen invloed — hij had slechts over 25 pradjoeiits te
beschikken — zijn de wapenen neergelegd. De oude vorst van
Gianjar voelt zich thans kinderlijk gelukkig; hij ging zelfs zoo
ver, aan spr. te verklaren, dat het aan het Indische
Gouvernement te danken is, dat de cholera dit jaar .100 weinig
slachtoffers heeft gemaakt. Door de .onderwerping van Gianjar is
een oorlog in Bali bijna ondenkbaar geworden. De radjah van
Kloengkoeng is de eenige vorst, dien spr. niet heeft kunnen
ontmoeten. Het is een echte stokebrand, een gevaar voor de rust
op Bali. Maar zijn gezag is sterk verminderd. Enkele weken
geleden is gebleken, dat hij toch inziet, niet op te kunnen
tegen ons gezag, toen hij gebogen heeft voor ons ultimatum, ter
zake van de uitlevering van personen, dje tempeldiefstal hadden
gepleegd. — In Badoeng is de slavenhandel verdwenen ; vroeger
waren er volop slaven, thans, is er geen koelie bijna meer te
vinden; het volk gehoorzaamt niet meer aan den last van den
vorst, wiens prikkel meestal hebzucht was, ook bij de vele
oorlogen door hem gevoerd. Voorts behandelde spr. den godsdienst
in Badoeng, Hindoeisme bij de hoogere klassen, geestenvereering
met geloof in zielverhuizing bij de lagere; de op Bali algemeen
voorkomende lijkverbranding, waarvoor coöperatieve kassen
gevormd worden; de drie kasten met tal van voorrechten,
waaronder 95 pCt. der Baliërs staan als soedra, de mindere man,
wiens leven, wat het recht betreft, diep ongelukkig is en waarin
ons ingrijpen veel verbetering zou kunnen brengen. De pokken
worden beschouwd als geschenk van de goden; waar echter door ons
de vaccine is ingevoerd, zijn de epidemieën verdwenen en komt
sterfte niet meer voor. De Indische Regeering tracht zooveel
mogelijk het verbranden der weduwen uit de hooge klassen bij de
lijkverbranding tegen te gaan. Niet uit vrije beweging, maar
door invloed van den priester en door bedwelming of bedreiging
geven de weduwen zich aan den brandstapel over. Van de kunst,
vooral in de tempels op zoo hoogen trap staande, werd daarna
door spr. een beeld gegeven. Schandelijk achtte spr. de
schrielheid der Nederlandsche Regeering, die geen deskundigen
tot het nemen van copieën naar die kunstschatten zendt, om de
kunstenaars ten onzent met die voorbeelden te ontwikkelen.
Het lot der vrouw op Bali is in-treurig. De man kan haar
verpanden, verkoopen, wegschenken. De vrouw is op Bali het
lustdier, het lastdier 'en het zoogdier van den man, zoowel bij
de kleinen als de grooten. Overspel wordt met den vuurdood
gestraft bij de vrouw; de man wordt in een zak genaaid en in zee
geworpen. Ons gouvernement brengt ook hierin verbetering door
zulke personen naar Java te verbannen, indien zij althans zich
op Nederlandsch gebied in Bali bevinden.
Spreker wekte ten slotte de Nederlanders in vurige taal op, om
ook op Bali iets groots, iets edels te verrichten.
Luid applaus viel spr. ten deel voor zijn schoone voordracht. |
| |
|
VAN DE .LEESTAFEL.
EEN REISJE NAAR RAKI Krantentitel:
Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad Datum, editie:
14-11-1925, Avond
|
|
• VAN DE .LEESTAFEL.
EEN REISJE NAAR RAKI |
• Ve schilder J. Poortenaar en zijn vrouw Geertruida van
Vladeracken hebben van hun reis naar Indie niet alleen cc.
hcc'.e reeks schilderijen en teekeningen meegedracht, maar ook
nog e.n literaire bagage. Zij laten thans samen een bock
verschijnen over hun mooien tocht: „Een kunstreis in de tropen."
Het werk is rijk versierd met toto's naar schilderijen en met
teekeningen, waarvan er vele inderdaad een zeer mooien indruk
geven van de schoonheid van „den gordel van smaragd". Het bo?k
is uitgegeven door de firma W. J. Thieme en Cie. te Zutphen.
• Jan Poortenaar en zijn vrouw hebben het Nederland van bij den
evenaar met kunste» naarsoogen gezien. Een kunstenaarsoog moet
telkens dc schoonheid ontdekken onder de conventies en de
rethoriek, die overal de natuur verbergt. Vooral onze fantasie
van het Oosten is uit dergelijke conventies en rethorische
opvattingen opgebouwd: „Waarom moeten wij na vele waanden nog
iedereen leeren. dat het Oosten der tropen niet het Oosten der
fanta» »ie is?" vragen deze kunstenaars zich af en de
voornaamste verdienste van hun werk is ongetwijfeld, dat zij ons
zooveel mogelijk liet ware Indiö laten zien in al zijn schoon»
heid en niet het Indië „zooals het in de boeken staat."
• Nergens komt die eerbied voor de waarheid beter uit dan in hun
aanteekeningen over het veel geprezen en stellig
prijzenswaardige Bali.
• Na verteld te hebben van de reis over zee op een
excürsitieboot, vol van lijkgeworden Chineezen,,die een
gramofoon het beroemde lied der bananen en andere mooie dinren
laten afdraaien, vertellen zij als volgt van het eiland zelf: .
• „Den volgenden morgen tintelt het land•chap al vroeg in de zon
en het onvolpre«n uitzicht nit den koepel van de pasang» xrahan
te Gitgit zet ons aan tot een wandeling door de rijstvelden en
de met bosch bedekte heuvels naar den waterval in de nabijheid.
Wij komen al gauw aa» een tempelerfje met de eigenaardig
gespleten poorten, de prachtig gesneden deuren en gril» lig
beschilderde beelden. In een nauw weggetje keffen ons vele
honden aan akelige scharminkels meest; verderop hoedt een
kereltje wat van het mooie Balineesche vee, en hij ligt zich
lekker te roosteren in de voor ons al gloeiende zon. Te
Singaradja, beneden aan de kust, is het warmer. Daar wordt de
vreemdeling, die er ronddrentelt — hoe kan men er anders dan
drentelend gaan — om wat naai bet bezige volk, naar snijwerk aan
woningen en alles en nog wat te zien, weldra door een Balinees
aangesproken met de vraag of hij zich ook voor beeldjes van
zilver of hout intresseert. Gaat men dan mee, «en woonerf op,
dan treft reeds bij de toegangspoort hoe de Balinees overal
goden en geesten meent te zien. Meestal heek. hij daarom in de
pilasters, waaraan de deuren «jn bevestigd, kleine nissen
aangebracht ol consoles gemetseld. Is het geen bekoorlijk land,
waar de goden in zulk een nisje eens «en weinig komen uitrusten?
Men legt ei «oms een bloem of een vrucht voor ze neer.
• Overal vindt de wandelaar godenhuisjes. De landbouwer is
architect en beeldhouwer. Hij bouwt zijn tempel, en als deze
vervalt — wel, dan bouwt en beeldhouwt hij een nieuw godenhuis.
• Wij, Westerlingen, bewaren, conservee» ren angstvallig. Dc
Balinees laat lachende _rijn bouwsels vergaan, en schept andere.
Als Michel Angelo, die vroegere schilderijen wegbrak, om
groo_sche_è, nieuwe te maken.
• Aan de rijstsohuur, die meestal een ver» iijnd houten
bouwsel'tje is, hangt hij gaarne de allersierlijkste
vlechtwerkjes van bamboe en droge b'aderen, lange, slanke als
fantastische lantaarntjes, of ronde met uitstaande punten en een
wuivertje links en «echts, die ze doen lijken op 't gevleugelde
zonner_ld.
• Hoog op haar hoekstijlen slaat de schuur en in de schaduw
daaronder scharrelden de zwijnen met hun stekelruggen lomp en
bonkerig rond en in de algeheele zorgeloosheid en vervuiling van
het erf weven de vrouwen stoffen van purperen zijde met goud- en
zilverdraad van een ongeëvenaarde pracht.
• Op geen erf zal een godenhuisje ontbreken, en offers van
bloeme., en rijst ziet men overal. Naar de tempels brengt men
fraai opgesierde offeranden, soms van geweldige afmeting; gele,
ros-roode vruchten zijn in stapels opgetast en worden er door de
vrouwen op het hoofd heengedragen om de goden te ontha'en. Maar
als dan in de avondschemering wat wierook is gebrand, gebeden
zijn gezegd en water is gesprenkeld, neemt men de eetbare waren
wel weer mede naar huis, want, hoe aardig, niet- waar, de goden
vooden zich slechts met de geuren daarvan.
• Langs de wegen gaan altijd vrouwen met zware w^tèrvrach ten op
het hoofd in koninklijke allure; de donkere bovensarong dekt
dikwijls een kleurige daaronder, het bovenlijf als van brons is
doorgaans bloot. Voor den Ho'lander is het beschamend, dat het
jasje, dat terwillc van Hollandsch fat» soensbegrip dezen
argeloozen natuurmenschen door een benepen bestuursman eens
gepoogd is op te dringen, slechts voor het lichaam wordt genomen
als er blanken in aantocht zijn. De Balineesche slaat dan het
kleedingstuk om door de mouwen over de schouders naar achteren
te doen afhangen; maar die male vertooning van een gordijntje
zal, hopelijk, spoedig weer uitsterven. Bah', zeggen de
toeristenboekjes, beslaat ongeveer een zesde van de oppervlakte
van ons land. Maar ze zeggen niet, dat er mee» honden dan
inwoners schijnen te zijn. Slaat en van een hoofdweg ergens af
om een zijpad, een tempelerf te betreden, dan komen er al
spoedig zes tot tien op u aangedraafd, huilende, blaffende,
jankende en keffende, zooals alleen de Balineesche honden dat
kunnen. De rust om te genieten van de wonderlijke stemming die
daar onder zware waringins hangen kan, is dan wel wat gestoord.
Te Den Pasar moet eens een groote opruiming onder de
kamponghonden zijn gehouden; voor 't meerendee! der slachtoffers
trouwens evenzeer een wel» daad als voor de tweevoetige bewoners,
want de armzalige beesten lijden aan allerlei afzichteijke
kwalen en huidz'ckten. Eén goede uitwerking zullen ze overigens
hebben : de ernst der toeristen wordt er wel mede op de proef
gesteld en als er velen zijn die het doet besluiten, maar in de
auto te blijven en niet te voet te gaan, kan dat slechts aan de
Balineesche volkskunst ten goede komen. Wordt Bali een mode, dan
is het met Baü spoedig gedaan. De heerlijkste tempel is
misschien wel die van Sangsit, met zijn feeërieke
ornamentenrijkdom en zijn met wil-bebloesemde, paradijsachtige
boomen beplante hoven Op de verbranding»plaatsen zijn het de
hooge, legendarische hellcboomen die vooral in hun baderloozcn
tijd de sfeer van offering en duistere godenmacht bewaren. Dat
een verbranding binnenkort zal gebeuren, bemerkt men aan den
hoogen toren, van bamboe saamgevloohten. Cse badé, waarin de
doode naar dc verbrandin.gs„laats zal worden gedragen. Deze
doodentorens, met hooge trap, staan op de erven of aan den weg
en worden daar met kleurige bloemen van papier, verguldsel,
schilderwerk en aüer'ei blinkend», opgesierd. Denkt de
Hollander, dat de Balmeezen ons zoo welgezind zijn om zoo
overvloedig ons rood.wit-blauw daarbij te gebruiken, dan heeft
hij het mis. Want rood wit, zwart of blauw zijn de kleuren van
de Boeddhistische drieëenheid, de Trimoerti, waarmede Brahma,
Wishnoe en Shiwa worden aangeduid. Het hooge gestel der badé
rust op een breed onderstuk van bamboestokken, waaraan de
tient.il'en dragers het geweldige ge» vaarte zullen optillen en
dragen op hun stoere schouders. Zoo zagen wij den vollen stoet,
joelend en schreeuwend, op den weg komen en hoog wiegelde de
toren mcl zijn kleurenschatering in het groen. Een priester, die
den weg wijst, holt voorop, een touw vasthoudende dat van den
toren afhangt. In vreemde süngergangcn leidt hij zijn volgers,
dan draaft hij hier-, dan daarheen, om p'otseüng weer om te
keeren — zoodoende de booze geesten op een dwaalspoor brengende,
die anders den doo.e volgen konden. Daarna wordt onder
oorverdoovend brullen met alle krachtsinspanning der velen de
toren opgeheven met gestrekte armen bovenwaarts, eenige malen
loopen anderen, verwanten van den afgestorvene, onder deze zoo
gevormde poort heen en terug. Dan tijgt men naar de
verbrandingsplaats. Wij hadden moeite, hun vluggen looppas bij
te houden. Maar in den morgen waren wij er al geweest, en hadden
toen gezien, hoe de kisten, waararm diervormen zijn gogeven, en
die eerst alle bijeen op een punt langs den weg hadden gestaan,
op een lange rij op den vcrbrandin^sheuvel waren
• neergezet. Hun houten lichamen zijn hol, de ruggen zijn
afneembare dekse's. en kop, ' staart en pooten zijn met
beschilderd linnen en papier gevormd tot olifanten en tot
stieren. Nu glinsteren zij in de zon. De wonde-vreemde, wild-kloppende
doodsmuziek. die dag en nacht tevoren aan den weg weerklonk, zij
jaagt nu hier h-iar schokkende rythme,. door cle lucht, een
sinistere marché funöbre.
• In een woester, ren worden de lichamen der dooden van hoo? uit
den toren neergehaald, langs de ladder rekken vee armen op «n
langs een gewarrel van dragende banden komen de dooden tri de
diervormige Kisten te liggen. In een razernij van ver» nieling
wordt de toren van zijn ..ierallen beroofd: de bloemen worden er
afgerukt en rondge.me.en, en daarna wordt het gan» «che gevaarte
aangestoken. Knappend en vlammend is het dra een vuur^uil als
uit een droom — waarna het. ontluisterd, ineenstort tot'
smeulende brokken.
• Inmiddels is de priester naderbij getreden. die tot het hei!
der dooden voor het laatst gebeden prevelt. Lang zijn de nagels
van zijn linkerhand als de vingers zelf. In sommige der kisten
zijn slechts skeletten neergelegd, reeds lang waren eerst deze
afgestorvenen begraven. Maakt men nog éénmaal hun toilet? Een
zakspiegeltjo wordt, ze voorgehouden, met een kam de beweging
van haarkammen gemaakt, en dan weer even het spiegeltje
opgehouden als om te laten zien of alles goed is zoo. Gewijd
water, in aarden potten aangedragen, wordt rijkelijk door den
priester over de dooden uitgegoten: de wassching; wat bloempjes
sprenkelt hij. de potten werpt hij stuk, de oude, wien een para»
pluie wordt boven het grijze hoofd gehouden, , waarop het haar
ter plaatse van de kruin tot een toefje bijeengebonden is.
Kleine geschriften vouwt hij open en legt die h, de baar, waar
eon smal plankje, met een menschengedaante beteekend, op het
omwonden lijk is neergelegd. Van volgelingen is er dan een wild
gevecht met lansen, en de twee strijders zijn zoo met zwart en
wit geschilderd in 't ge» zicht, dat 't ons den strijd van goed
en kwaad schijnt aan te duiden, waarin het goede overwint.
• Het einde van de vormelijkheden nadert thans. Armvol na armvol
hout wordt door de mannen aangedragen en opgestapeld om en onder
de pooten van de verbrandingsdieren, die wel een voertuig
schijnen voor dc dooden. Een regen van Chineesche duiten, tot
zware cirke's aan koorden saamgeregen, wordt uitgestrooid, en
groot en klein vangt, zoekt, en grist. Het slot is daar: de
beesten, uggen worden dichtgemaakt, de brandstapel wordt
aangestoken. Met knetteren en putjes rook begint het hdut-eh^innen
beestenmaaksel weg te branden. Verkoolde pooten zakken in, en
mallig liggen,' scheeef, met koppen stijf en oogen groot, de
stugge dieren in het vuur. dat steeds wordt aangewakkerd, en
aan'oeit over de gansche rij' van dieren tot een ondragerijken
vlammengloed, die alles verzengt. Feest is er veel op Bali. Te
Badoeng, den Pasar, in het Zuiden, vonden wij bij onze aankomst
een langen weg met vlaggen en met wimpels opgesierd. Van hooge
bamboes was de top weer sierlijk neergebogen en aan een dunne
l"'n hingen van die luchtige vlechtwerken neer. die de Balinees
zoo gaarna aan zijn goden als offerande brengt. Kleurige doeken,
aan de bamboes opgehangen, maakten den geneeen dorpsweg tot een
levendige allee, en bij het feesthuis was een druk gedoe van
honderden. Vier groote schildpadden, met saamgebonden pooten.
lagen zwaar, levend, maar onbewegelijk a's steen, onder dc
schilden. Zij zouden voor het feestmaal dienen, en tal van
vrouwen, prachtig uitgedost, brachten allerlei nog aan wat het
maal of de versiering verfraaien kon. A-les kleur, alles
levendigheid, gelach, gerces. beweging; jonge meisjes met
geurende bloemen in den haarwrong, optochten. muziek, — en als
wij vragen waarom dat alles is. dan zegt een oude vrouw, dat men
alleen maar verheugd van hart, senang, hati. is.,
• Zoo feest men in het Bali, dat nog het zuiverst Bali is. het
Zuiden. Hooger, in het hart van het eiland, waar de
ontzaggelijke bergen staan, zou men zich nauwelijks in Indië
wanen. Het land wordt koel en kaal. en Kintamani, het kleine
dorp vanwaar de weg naar Noord en Zuid met prachtige
vergezichten tot de kust afdaalt, ligt öp een barre, ruige
vlakte, geheel verlaten, De lelie winden verhinderen den
boomgroei daar. De barre Batoer slechts steekt hoog o» uit het
omringende land, en trage wolken komen uit zijn krater zwieren.
Geweidig is de stijging van de vulkanenhellingen: Batoer,
Oocnoeng Apoeng, Piek van Bali, reuzen alle.
• Twee dingen zijn 't vooral, die Bali zoo mooi maken. Het
eerste is, dat het een land is van een structuur, die voor het
menschenoog te meten en daarom te genieten valt. Bergen en
vergezichten, zeker, maar niet zóó vele de eerste en niet zóó
wijde de laatste als op Java of Sumatra, waardoor boomen en
begro2.de Hellingen hier weer in zoodanige verhouding staan tot
den mensch, dat ze overzienbaar worden. En het tweede is. dat
het land zoo weinig blanken telt. Want dc schoonheid van het
leven der Baliërs is een éénheid, die zich bovendien overal uit
in bouwwerken en tempelcomplexen, zooals verder nergens in Indië
het geval is. Komen er nu meer rec'ame-borden, zooals hit eerste,
dat al den al<_on-__!oon van Den Pasar bederf, en met zijn rauwe,
gemeene kleuren in émail den voorbijganger een soort autobanden
in het geheugen wil prenten, dan is Bali gauw genoeg bedorven.
Die zelfde aloon»aloon trouwens wordt door een tweede Europee»
sche misgreep gekenmerkt. .Met de goede bedoeling, een groep
bouwwerkjes/ bijeen te brengen, waarin de verschillende bouw»
vormen van Zuid-Bali worden gedemonstreerd, is een twaalftal
jaren geleden een openluchtmuseum gesticht. 5.u bouwt een
Balinees een tempel, als hij zijn goden wil eeren, en een huis,
als hij ergens wonen wil. Hij vond het dus dwaas, tempels te
moeten bouwen waar hij geen goden mocht eeren. al vond hij het
misschien wel prettig dat hij voor zijn arbeid werd betaald en
wilde hij dat overigens wel voor het gouvernement doen. Trouwen»,
wij hebben nog nooit gehoord van Europeanen, die een station
bouwden waar»geen treinen mogen vertrekken of een kerk waar geen
godsdienstoefening gehouden worden zal. We! hebben wij,- helaas,
van Europeanen gehoord die het dwaas vonden van den Balinees,
dat hij zulk een bouwerij dwaas vond. Het openluchtmuseum slaat
er dus als een volkomen overbodige kiekkast, want vlak er omheen
heeft men de 'evende tempels, ds levende beeldhouwkunst van het
land, en in overvloed. Als men autoband-reclames op Bali gaat
inlroduceeren, ja. dan is er een museum snoedig noodig, doch
zoolang de Balinl.es.hc cultuur nog 'eelt. „iet. Het museum is
als een open graf voor het Balineesche geest.s-leven, wachtende
op den tijd dat de auto en zijn eenzijdige beschaving de
Ba'!nec_che cultuur en schoonheid zullen hebben vermoord...
• Laten wij hopen, dat het Bestuur, of om het preciezer uit te
drukken, de Resident van Bal! het eiland ongeschonden zal weten
te houden. Het land is klein, het kan, het kan..; En dat het
eerste reclamebord weldra voor eeuwig moge verdwijnen,
Resident!" |
|
|
|
|