Keeren we, na dit uitstapje, tot ons gezelschap, dat wij bij den Chinees
Ïé-Si-Ang achterlieten , terug. Ik zeide reeds , dat onze ontvangst ten
zijnent weinig te wenschen overliet; ik moet trouwens niet vergeten
melding te maken, dat aan een der reisgenooten en mij een nachtlogies
ten deel viel , dat blijkbaar door de heeren Chinee- zen van Padang voor
rook- salon werd gebezigd. Er heerschte daar zulk een penetrante lucht
van amiioen, dat ik, nadat ik ongeveer een uur had geslapea^ met
hoofdpijn wakker werd en in de kamer
van den Gekommitteerde mijn beddeke opsloeg.
Den volgenden moprgen (22 Augustus) was
het reeds vroeg dag voor ons. Om zes uur was „de Watergeus' zooals was
afgespro- ken, vóór de baai van Padang zichtbaar en werden door dcn
Kommandant eenige sloepen afgezonden, om ons en onze bagage naar boord
te brengen. Wij namen afscheid van onzen gullen gastheer,
roeiden naar boord, worden aldaar door allen met de bekende
hartelijkheid verwelkomd en zetten onmiddelijk in Oostelijke richting
koers op het eiland Lombok ^ alwaar we des middags om 2 uur ter reede
Ampènan het anker lieten yallen. dierhalve de prachtige ver-gezichten op
de Balische en Lomboksche bergen ,leverde deze kleine tocht weinig
bizonders op. Alleen moet ik hier melding maken
van twee zeewieren (sassaksch = em&oe^oen^ , bal: hoeloeng)^ die aan de
Balische kusten in groote hoeveelheid gevonden worden , nl. de Euche-
ma spinosum en de Sphaerococcus lichenóïdes ^ waarvan men, zooals bekend
is , 'de agar-agar maakt. Yele bewoners van de kustdessa's van Bali
fabriceeren agar-agar ter plaatse en voeren het in groote hoeveelheid
naar Java en Singapore uit. Ook vindt men op de rotshellingen aan
zee hier en daar eetbare vogelnestjes, waarvan de grondstof door
genoemde zee- wieren wordt geleverd ; deze meening is men nl. vrij
algemeen, op Bali toegedaan. Volgens Bemstein wovdt de geleiachtige
grondstof dier .vogelnestjes door de speeksel-
klieren dier vogels afgescheiden. Eene soort zee-bes , aldaar djëlamoen
genaamd, (Enhalus koenigii) komt eveneens aan de kusten voor en wordt
vooral in Badoeng veel gegeten p
Nauwelijks lag ^de Watergeus' voer anker, of de tolk werd door den
Gekommitteerde naar den radja van Lombok gezonden met het bericht van
onze aankomst. Intusschen was reeds besloten, dat we tot den volgenden
morgen aan boord zouden blijven. Des middags om vijf uur kwamen er
eenige Lomboksche hoofden aan boord, om den Gekommitteerde van wege den
vorst te komplimenteeren en ons tot den volgenden morgen een voorloopig
verblijf op Ampênan aantebieden, dat bereids voor onze ontvangst was in
orde gemaakt en
dat we dan den volgenden morgen zouden verwisselen met ons eigenlijk
logies te Mataram^ in de nabijheid van het vorstelijk paleis. De
Gekommitteerde liet voor dit aanbod bedanken en deed den vorst weten,
dat we tot den volgenden morgen aan boord zouden blijven, om dan in eens
naar het op drie palen afstand gelegene Mataram doortegaan. De
boodschappers van den vorst vertelden ons nog, dat het Lombok'sche
gezantschap, dat naar Batavia was geweest om het verplicht officieel
bezoek bij den nieuwen Landvoogd afteleggen, een
paar dagen geleden was teruggekomen, dat twee leden van dat gezantschap
op den terugtocht waren gestorven en dat de overigen bijna allen ziek
waren teruggekomen.
De vrees, dat ik te uitvoerig zoude worden aan den cenen kant, en het
weinige belang, dat het den lezer kan inboezemen aan den anderen kant,
weerhoudt mij om hier het een en ander van de geschiedenia van Lombok
intelasscheo, zooals ik dat heb gevonden in het bij mij berustend, reeda
vroeger genoemd, handschrifi;. Zij is eeno aaneenachakeling van oorlogen
met de verschillende Balischc vorsten, hofintriguea, kuiperijen,
sluipmoord enz. Ik wil hier slechts aanhalen, dat reeds sedert lang het
rijk Karang-Asëm op Bali een wingewest
is van den vorst van Lombok^ die het in zijnen naam door een gouverneur,
rijksbestierder of onderkoning laat besturen en dat alle zaken van
gewicht aan het Selaparangsche (Lombok) hof moetenworden afgedaan,
ongeveer dezelfde verhouding dus als die van Indië en Nederland,
Wij namen voorloopig onzen intrek in do pasang-grahuii , die vlak bij
het strand ligt en ons reeds gisteren namons den vorst als voorloopig
logies was aangewezen. Aanhoudend werden er uit ka-nonnen en geweren
saluutschoten gelost, terwijl wij in do pasang- grahan door eenige
poenggaica's werden verwelkomd. Wij ontmoetten aldaar ook den Arabier
Said Abdullnh hin Ahdoerahim Alhtdric IJjelanij een man met een flink,
verstandig en open gezicht, die, nadat hij vroeger bijna door den
geheelen Archipel had gereisd en een tijd lang in Jedda en Mekka had
gewoond, zich eindelyk in Lombok had gevestigd en sedert eeoige jaren te
Ampënan handel drijft, doch tevens eene soort factotum van den vorst is,
die hem in vele dingen raadpleegt. Hij spreekt zeer goed Engelsch en
verstaat zelfs een weinig Hollandsch. Hij bewees ons gedurende ons
verblijf op Lombok vele diensten; daar hij met de meeste
bereidwilligheid steeds mijne vele vragen naar zaken, die mij
interesseerden, beant- woordde, had ook ik in het bizonder zeer vele
diensten van hem.
Vooral onder de daar wonende Maleijers en Boegineezen fungeert hij
dikwijls als doktor, en uit de verschillende met hem gevoerde ge-
sprekken bleek het mij, dat hij van medische zaken eene meer dan
bij een leek gewone kennis had. Zoo verzocht hij mij bijv. om wat tinct:
digitalis, hetgeen hij aan een patiënt wilde toedienen, die, zooals hij
zeide, aan nerveus hartkleppen leed. Verder vertelde hij mij, hoe hij
reeds lang en bij herhaling bij den vorst op de invoering van de vaccine
had aangedrongen, doch dat het steeds bij het plan om het intevoeren was
gebleven, zoodat hij er ten laatste van had afgezien, om er langer op
aantedringcn.
Ampénan^ in het westen van het eiland aan den rechteroever van de
rivier van dien naam gelegen, is eene zeer florisante handelsplaats,
alwaar door^ de N I Stoomvaartmaatschappij een agentschap is opgericht,
dat door een Amboineesch Christen (de eenige représentant van dezen
godsdienst op het geheele eiland) wordt waargenomen. Onder Ampénan
behooren vier kampongs, ééne door Boegineezen, ééne door Maleijers, ééne
door Baliërs en ééne door inboorlingen (Sassakkers) bewoond. De handel
bepaalt zich hoofdzakelijk tot den
uitvoer van rijst, tabak, paarden, sapies, huiden en kapas en den invoer
van zout, dat op Lombok niet of ten minste zeer weinig wordt aangemaakt,
arak, lijnwaden, klapper-olie. Het voornaamste handelsverkeer heeft
Lombok met Soerabaia^ Makassar en Singapore.
Na een kort oponthoud in bovenbedoelde pasang*grahan, in welken tijd
de voor ons en onze bedienden bestemde paarden waren opgezadeld,
vertrokken we naar Mataram, de hoofdplaats van het rijk,
tevens de residentie van den vorst, onder begeleiding van twee
rijksgrooten, den genoemden Arabier, een eerewacht van ± 50 soldaten en
even zoovele piekeniers. De soldaten waren allen uniform gekleed en met
Snider-geweren gewapend. Hunne kleeding bestond uit roode baadjes, witte
hoofddoeken en tusschen de beenen opgenomene sarong^s. Gedurende dezen
tocht werden we vergast op de minder harmonieus klinkende toonen van een
gamelan-tjoemangkirang (en- kel gong^s en kromong^s) „jticunde auditu'';
de zeer breede en goed onderhouden weg voerde langs bovengenoemde
dessa's en tal van prachtige sawah's. De kampong Malcafoe ziet er vrij
zindelijk uit, terwijl de huizen het uiterlijk,hebben van andere
maleische huizen. De Balische kampong is geheel op Balische wgze
ingericht. Ik ontmoette op dezen tocht tal van menschen, die door pokken
waren geschonden en het bleek mij ook later, dat Lombok in dit opzicht
niet voor Balt onderdoet.
Het verblijf in Mataram^ dat voor ons logies was bestemd, is het
eigendom van den vorst en voor hooge gasten bestemd; het heet Bogor en
mag een waar lusthof genoemd worden. Vier ruime luchtige gebouwtjes met
voorgalerij dienden tot slaapvertrekken en zagen er keurig zindelijk uit.
Aan den voorkant verleenden ze het uitzicht op een groot uitgestrekt
vierkant plein met vier groote gemetselde gramèh vijvers met stroomend
water; de ruimte tusschen deze vij- vers werd grootendeels ingenomen
door lommerrijke mangis-boomen
(Oarcinia Mangostana L:\ terwijl een paar nette pondoks dienden tot
berging van onze bageige en slaapplaats voor de bedienden. Ook de keuken,
die buiten dit plein lag, liet niet te wenschen over. Nauwelijks hadden
we ons logies in oogenschouw genomen en ons reiskostuum met een meer
gemakkelijk verwisseld, of 's vorsten hooge gasten zaten in het lommer
der boomen op den rand van een vijver ieder met een hengel (bal:
pantjing)^ door de Sassakkers in alle haast in orde gemaakt, in de hand,
met echt Hollandsch geduld, op het aanbijten van een vischje te wachten.
Water met heusche en lekkere visch er in, vlak voor de deur, dat is dan
ook voor een
echt Hollandsch hart te verleidelijk. Een van ons gezelschap, een
waarachtig Leijenaar^ die in zijn tijd veel scheen gepeujerd te hebben,
hield bij deze gelegenheid de traditie van zijne vaderstad in eere en
overtrof ons allen in geduld. Of nu de Indische vischjes niet genoeg
gedresseerd zijn op onze Bataafsche vischmethode, dan wel of onze
aangeborene bedrevenheid door de tropische warmte was verminderd,
zooveel is zeker, trots ons geduld en in weerwil van den visch-rijk- dom
der vijvers, was onze vangst gering. Doch dit succes kan een
goed Hollander niet afschrikken en op alle tijden van den dag kon men
een of meer leden van het gezelschap met een hengel in de hand, zien
neerzitten; geduld en succes steeds als boven.' En alsof de vorst al
bericht had gekregen van onze bedrevenheid in deze va derlandsche kunst,
twee tot drie malen daags prijkte een prachtige ikan gramèh (bal : grami)
van de grootste soort op onzen disch ; het wilde ons telkens dunken, dat
er in het geven van dit geschenk iets als bittere ironie of hatelijk
medelijden lag opgesloten. We lieten ons evenwel niet uit het veld slaan
en verorberden de visch telkens met smaak. De Baliêrs en ook de
Sassakkers gaan gaarne ter vischvangst. Zij maken evenals de Javanen
gebruik van werpnetten (bal: pënijar\
treknetten (bal : iokaJ)^ fuiken (bal : boeboe) j séro's(bal : bandjang)
en hengels. De eerste gramès voor de vijvers van den vorst van Lombok
zijn eenige jaren ' geleden van Banjoewangi derwaarts gebracht en .
blijken aldaar goed te gedijen. Lombok zelf schijnt deze vischsoort
anders niet op te leveren.
Des middags om vijf uur maakte het geheele gezelschap zijne
opwachting bij den vorst, die ons daartoe eenige rijksgrooten, toembak-
en pajongdragers had toegezonden. De poeri^ op geringen afstand van ons
logies gelegen, is een oud onoogelijk gebouw met kleimuren omgeven.
Zooals wij later vernamen, is dit thans het verblijf van den kroonprins,
terwijl het nieuwe paleis van den vorst nog drie palen ver- der
landwaarts in ligt; doch om ons geen te lange reis te doen ma- ken, had
de oude vorst besloten, om ons hier te ontvangen, wer-
waarts hij zich per tandoe had laten brengen. De vorst, genaamd Ratoe
Anak-Agoeng G'dè Ngoerah Karang-Asëm^ is een man van tusschen 60 en 70
jaren, met een eerbiedwaardig gezicht en behoort tot de derde kaste.
Omgeven door een aanzienlijken stoet van rijks- grooten, ontving hij ons
hoffelijk. Na zich eenigen tijd met ieder onzer in het bizonder, in
slecht maleisch, te hebben onderhouden, gedurende welken tijd in een 25
tal groote massief gouden en zilveren schalen van leelijk Sassaksch
maaksel, allerlei vruchten en gebak werd rond gediend, werd den vorst
bij monde van den Arabier, die tegenwoordig was, de reden van mijne
komst vermeld. Mgn voorstel, dat natuurlijk ook voor Karang-Asëm gold,
werd door den vorst in alle opzichten goedgekeurd en beloofde hij er zoo
spoedig mogelijk gevolg aan te zullen geven. In aanmerking nemende
hetgeen mij door den Arabier was verteld, twijfel ik evenwel of dit wel
zoo spoedig zal geschieden. Als bewijs, dat hij de waarde der vaccine
begrijpt, kan dienen, dat hij indertijd al zijne kinderen door den
Arabier met succes heeft laten vaccineeren. De vrees, die de vorst
schijnt te koesteren om met onze Regeering in nader contact te komen,
zal wel de voornaamste factor zijn, die het welslagen zal in den weg
staan. Dat die vrees bestaat, is geen bloot vermoeden. Verschillende
feiten, die we tijdens ons verblijf op Lombok konden waarne- men, geven,
zooals men later zal zien, eenigzins recht tot die uitspraak. Na een
klein uur oponthoud, keerden we naar onze woning terug.
Yan onzen Arabier, die ons na onze tehuiskomst een bezoek bracht,
vernam ik veel betreffende Lombok. Ook uit andere bronnen heb ik het een
en ander kunnen te weten komen, al hetgeen vermeerderd met mijne eigene
waarnemingen op het volgende neerkomt. Do bevolking bestaat voor
ongeveer 94 % uit Mahomedanen(Maleijers, Boegineezen en de eigenlijke
Sassakkers), terwijl het overige gedeelte Baliërs zijn. De
regeeringsvorm is als in de Balische rijken, daar immers de Baliërs de
bebeerschers van bet eiland zijn. Voor de Balische Sassakkers geldt dit
ook, wat godsdienst, zeden en gebruiken betreft. In weerwil de meeste
personen, die wij ontmoetten, vrij goed maleisch spreken, hebben de
eigenlijke Sassakkers eene eigene
taal, die, hoewel doorspekt met vele Balische woorden, volgens
deskundigen meer overeenkomt met de taal, die op Soembawa wordt
gesproken en weinig met het Balisch gemeen heeft. -Men gebruikt er het
Javaansche schrift en niet zooals van Eek beweert, het Arabische. De
kleeding verschilt naarmate de inwoners tot den een of anderen volksstam
behooren ; de kleeding der Sassaksche vrouwen verschilt bijv. veel van
die der Balische ; zijn deze nl. wat heel ver gedecolleteerd, gene
dragen wijde, zwarte, aan den hals sluitende baadjes zonder mou- wen om
evenwel niet al te veel van bare Balische zusters te verschillen, zijn
deze kleedingstukken meestal van een zeer doorschijnende zwarte stof
gemaakt. Als eene bizonderheid moet ik hier bg voegen, dat de Sassaksche
vrouwen (mahomedaansche) de ritueele besnijding niet ondergaan. Daar
alle huwelijken tusschen de verscliillende bewoners van Lombok onder
elkander geoorloofd zijn, behalve die van eene Balische vrouw uit hooge
kaste met een Mahomedaan, zoo is het te begrij- pen, dat men hier overal
zeer gecroïseerde typen aantreft. De Sassaksche type verschilt trouwens
zeer weinig van de Balische. Zooals ik boven reeds zeide, zijn de
Sassakkers aanhangers van den Mahomedaan- schen godsdienst; de weinige
moskeen, die men ziet, spreken er evenwel niet voor, dat zij erg vast in
het geloof zijn. De voeding der Sassakkers en der overige Mahomedanen
verschilt in zooverre van die der Baliêrs, dat de eersten wel
rundvleesch doch geen var- kensvleesch, de laatsten daarentegen wel
varkens-doch geen rundvleesch mogen eten.
De tegenwoordige vorst, die in zijn bestuur wordt ter zijde gestaan
door een Baad van Balische rijksgrooten, is een hoogst verstandig man
met, voor een Baliër altijd, zeer geavanceerde begrippen. Hoewel Baliêr
van geboorte en in weerwil het bestuur geheel in handen is van de
Baliërs, bezit hij evenwel den tact om ook zijne vele Ma- homedaansche
onderdanen aan zich te verbinden. Zijne verdraagzaamheid op het punt van
godsdienst is hier dan ook spreekwoordelijk geworden. Beide godsdiensten
neemt hij gelijkelijk in bescherming en beide genieten dezelfde rechten.
Vroeger vervolgde hij de Ma- homedanen op allerlei wijzen, zoodat hij
eens meer dan 2000 Sassakkers uit geloofshaat liet ombrengen Sedert hij
evenwel met eene Mahome- daansche vrouw is gehuwd, de dochter van den
vorigen (Sassakschen) vorst, is hij geheel veranderd. (1) Zoo heeft hij
o. a. op Mekka yoor zijne Mahomedaansche onderdanen, die derwaarts ter
bedevaart gaan, uit eigen middelen eenige hotels opgericht en besteedt
hij veel geld voor het bouwen van moskeen. Het Selaparangsche hof geldt
trouwens voor puissant rijk. Terwijl ik dit neerschrijf, doet hier het
gerucht de ronde, dat de troonsopvolger tot de Mahomedaansche godsdienst
is bekeerde Hoewel dit gerucht nog de noodige bevestiging behoeft, lijkt
het mij volstrekt niet onwaarschijnlijk. Ten einde de verbroedering
tusschen zijne beide rijken, Lombok en Karang-Asëm^ te bevor- deren,
zorgt de vorst voor eene aanhoudende uitwisseling van de bevolking der
beide rijken, in zooverre bij nl. Sassakkers in Karang- Asem en •
Karang-Asëmmers in zijn rijk plaatst, een stelsel, dat reeds door de
oude Romeinen met hunne wingewesten werd gevolgd. Daar de vorst reeds
oud is, fungeert zijn oudste zoon Andkda IC toet Karang-Asëm in naam als
rijksbestierder ; inderdaad is het evenwel de poenggawa OoesHe Njoman
Kaler ^ een zeer invloedrijk persoon, die gedurende ons verblijf op
Lombok bijna geregeld bij* ons was. Hoewel de rechtspleging in hoofdzaak
geheel overeenkomt met die der Balische rijken, wijkt die toch in
sommige onderdeelen, vooral ook in de gestrengheid van toepassing, iets
van deze laatste
af. Zoo wordt diefstal in zijn rijk zonder onderscheid met den dood
gestraft. Toen een paar jaren geleden twee Europeanen, {Dr. N. van d^r
Tuuk en Dr. van Rijckevorsel^ een bezoek brachten aan het hof van
Selaparang^ en bij het vertrek ontdekt werd, dat den tolk, die hen
vergezelde, een stuk pèlèt hout was ontvreemd, werd hier- van den vorst
kennis gegeven, die den schuldige liet opsporen en krissen. Op Bali
wordt diefstal niet zoo streng gestraft. Even verbiddelijk wordt de
doodstraf door verdrinking toegepast op echtbreuk of kasten- vermenging.
Schaking van een meisje met geweld (ngëdjoek, zie vroe- ger) wordt in
zijn rijk met den dood gestraft. Eveneens zijn hazardspelen en
opiumschuiven op strenge straffen verboden. Zoo mag bijv. bij
hanengevechten de inzet eene som van vijftien rijksdaalders niet te
boven gaan. De uitdrukking van sommige rijksgroote gezichten doet
vermoeden, dat men de straffen op het opiumschuiven eene en-
kele maal weet te ontduiken. Sommige vormen van doodstraf, bijv. door
kruisiging, uit elkander scheuren van den delinquent (mapèntang)^ die in
de Balische rijken, behalve in Bangli^ reeds lang zijn afgeschaft,
worden in zijn rijk nog in al hare wreedheid toegepast, evenals ver-
schillende onmenschelijke folteringen. Ook de moraliteit wordt door den
vorst ten zeerste in bescherming genomen, altijd van uit* een Balisch
oogpunt bekeken. Paederastie wordt streng gestraft; gandroeng's (zie
vroeger) mogen in zijn rijk niet optreden. Geen man mag met het
zoogenaamd godsdienstig feest, zooals we zullen zien, gelegenheid om
herhaalde conferenties met den Gekoraraitteerde te voorkomen.
Het drinkwater is vooral op Mataram uitstekend. Malaria koortsen
beri'beri en variola^ richten van tijd tot tijd groote verwoestin- gen
aan. Ook zag ik eenige strumaAijAers. Syphilis moet in dit gedeelte van
Lombok ontzettend veel voorkomen; ik zag vele door deze ziekte verminkte
individuen ; eenige dezer kwamen mij consulteeren. Ook zag ik hier vele
personen met ulcera crurisj eczemata en andere huidziekten; een paar
prachtige exemplaren van ichtyosis y^a capite ad calces*^ interesseerden
mij zeer. De geneeskunde moet hier op vrij lagen trap staan. Tegen
syphilis o. a. doen- de inlanders niets. Het was opvallend, dat ik op
Bali zoo veel minder huidziekten zag, dan op Lombok^ daar een voorname
factor voor haar ontstaan, nl. on-
zindelijkheid ook aldaar vrij algemeen is. Het klimaat is vrij wel
gelijk aan dat van Bali. Alles ziet er hier veel netter, zindelijker en
beter geor- dend uit. De wegen, die wij gedurende ons verblijf aldaar
zagen, zgn allen zeer breed (van 20 tot 25 meter) en met schaduwboomen
om- zoomd. Over de rivieren en kleinere beek jes liggen gemetselde
duikers en bruggen, die men in de onafhankelijke rijken van Bali geheel
mist. Langs de wegen ziet men hier en daar keurige nette fonteintjes,
die met een stopje gesloten zijn. Wil men zich Verfrisschen of zich met
een koelen dronk water laven, dan behoeft men het stopje slechts uit te
trekken, en het water spuit in een dunnen straal uit. Ook zag ik vele
gemetselde putten. Langs de wegen brandden des
avonds op bamboe geplaatste lantaarns met eene tusschenruimte van
ongeveer 20 meter. Daar de wegen behalve breed, ook lang en recht zijn,
maakte dit oen prachtig effekt. Eene straatverlichting op Lombok beter
dan in eene onzer Indische steden van den eersten rang ! Doch ik vernam,
dat dit alleen was ter eere van het godsdien- stig feest. Dit feest
heeft om de vier, volgens anderen om de dertig jaren plaats, wordt Dèwa
jadnja genaamd, en gegeven ter eere van alle goede goden. Natuurlijk
gold dit feest alleen het Balische deel der bevolking.
In het vorige hoofdstuk zagen wij, dat de vorst, voor een Baliêr
altijd, zeer geavanceerde begrippen heeft. Dat hij desniettegenstaande
nog al styf in de leer is , bewijzen de ijver en de innigheid, waarmee
hij oogenschijnlijk aan het godsdienstig feest, dat gevierd werd, deel
nam. Den dag na onze ontvangst zonderde hij zich in zijn paleis af en
liet zich verontschuldigen voor het contra-bezoek, omdat juist de déwa
in hem was gevaren. Het kan zijn, doch 't is te verwonderen, dat de dewa
door al dat kanongebulder niet werd afgeschrikt, om van zijn rustigen
Olympus af te dalen. De geest vaart trouwens bij ons te lande wel in
mindere personaliteiten dan een vorst. De passar kon ik om vroeger
gemelde redenen slechts van de straat uit zien. Zij wordt gehouden op
een groot ruim vierkant plein en ziet er netjes en zindelijk uit. Ook de
warongtjes aan den weg zien er keurig uit, veel netter dan ergens op
Java.
Het vermoeden, dat ik straks uitsprak, dat er namelijk bij den vorst
vrees bestaat om in nader contact met de Compagnie te komon, krijgt o.
a. eenige zekerheid door het volgende feit, dat mij uit betrouwbare
bronnen werd medegedeeld. Lombok moet zeer rijk zijn aan delfstoffen,
vooral moeten er groote tin-aders gevonden worden, en het is meermalen
gebeurd, dat in de rivier door badenden stukken gedegen (?) tin zijn
gevonden. Uit vrees nu, dat dit te een of anderen tijd ter oore van ons
Gouvernement zou kunnen komen, is het op
strenge straffen verboden, om wanneer eventueel stukken tin, bij het
baden in de kali, mochten gevonden worden, deze boven water te brengen.
Een ander staaltje. De Heer Pattiwaelj de agent van de N. I. Stoomvaart
Maatschappij, dien ik boven bedoelde, had den vorst om vergunning
gevraagd, om ons tijdens ons verblijf zijne op- wachting te mogen maken,
doch dit was hem door den vorst hard- nekkig geweigerd; bizondere reden
onbekend.
24 Augustus. — Daar we heden geene
officieele bezoeken hadden afteleggen, noch te ontvangen, hadden wij den
geheelen dag ter onzer beschikking. Dat er door vele leden van het
gezelschap weer ge-
hengeld werd, behoeft geene opzettelijke vermelding. Was het om ons te
wreken op de visschen, die niet verkozen door ons gevangen te worden, of
was ons de nabijheid van eene zwem-gelegenheid te verleidelijk, hoe 't
zij, eenige onzer gingen in een der ruime diepe vijvers onze zwemkunst
vertoonen. Des morgens had er op ons verzoek een heuschelijk
hanengevecht in 't klein plaats, waarbij de hanen met scherpe mesjes
(bal : tadjie) gewapend waren, en door ons volgens 'slands wijze
weddingschappen werden aangegaan. Later zag ik zulk een liefhebberij in
het groot, en zal er te dier plaatse een woord over zeggen.
Des middags tegen vijf uur ging het geheele gezelschap, gevolgd door
een paar rijksgrooten, den onafscheidelijken Arabier Said Abdid- lah en
een hoop nieuwsgierigen, eene wandeling maken naar het op
ongeveer drie palen afstands gelegene Tjakra Negara^ alwaar de eerst
sedert korten tijd gebouwde poeri van den vorst gelegen is. Wij zagen
het paleis alleen van buiten en, daar de duisternis reeds was ingevallen,
slechts zeer oppervlakkig Het schijnt een prachtig gebouw te zijn,
waarvoor zich een groot plein uitstrekt. Door de verlichting a Giorno
van het paleis en langs de wegen maakte het geheel een aangename indruk.
Met een beetje phantasie kon men zich daar bijna verplaatsen in eene
Europeesche stad. Na onze terugkomst,
en na ons door een flink avondmaal eenigzins gerestaureerd te hebben,
werd om de vijvers voor ons verblijf een vuurwerk afgestoken, dat de
Overste voor die gelegenheid van boord had ontboden. Om het aangename
met het nuttige te vereenigen, veerden er klokke negen eenige vuurpijlen
opgelaten, ten einde de officieren, die aan boord vaaren gebleven,
peilingen te doen nemen van de plaats, waar wij ons bevonden. Lang na
onze terugkomst in Banjoewangi vernam ik uit zeer betrouwbare bron, dat
de vorst de bedoeling van het
oplaten der vuurpijlen maar al te goed heeft begrepen en daarover
volstrekt niet gesticht was. Hij heeft dit den Heer Pattiwael niet
onduidelijk te kennen gegeven.
Na afloop van het vuurwerk werd er nog eens, in weerwil het avond
was, op groote schaal gevischt en eene massa visch buit ge- maakt ^ die
door de wijze waarop ze gevangen werd, evenwel oneetbaar werd; in deze
methode van visschen toonde de Overste een eerste matador te zijn. Zij
viel evenwel volstrekt niet in den
smaak van onzen Leijenaar. Door het prachtige weder vooral heerschte er
in ons gezelschap een bizonder gezellige en opgewekte stem- ming,
waarvan de Overste door zijne geestige kwinkslagen en tal van anecdotes
niet de geringste schuld was.
Evenals in bijna alle rijken van Bali, hadden we ook hier veel last
van het aanhoudende en doordringende gebrom van vliegers^ die ons
bovendien niet alleen de middagrust doch meermalen ook de nachtrust
verstoorden. Evenals in Europa schijnen sommige kinder- spelen ook hier
haar bepaalden tijd te hebben, en tijdens ons bezoek aan Bali en Lombok
scheen het vlieger-oplaten (mëlalajangan) en vogue te zijn. Deze
vliegers, van chineesch papier of katoen gemaakt, en die soms 1| è 2
meter lang zijn bij ongeveer gelijke breedte, en hetzij den vorm van een
vogel, een kapel, een visch, een schip of zoo iets hebben, zijn van
boven en beneden voorzien van een bam- boezen boog (bal: sowangan). De
aan die bogen gespannene snaren maken in de lucht door de speling van
den wind een oorverdoovend geraas, dat op grooten afstand kan worden
gehoord. Dat dit mono- sone geluid, vooral als er vele tegelijk zijn, op
den duur hoogst onaangenaam is, laat zich gemakkelijk begrijpen. Des
nachts wordt het einde van het koord, waaraan de vlieger is bevestigd,
dikwgls aan een boom of iets dergelijks vast gemaakt en kan men er alzoo
ook des nachts van profiteeren. En niet alleen kinderen, doch ook oude-
ren van dagen schijnen zich nu en dan met dit spel bezig te houden. Zoo
werd mij verzekerd, dat o. a. de Dèwa-agoeng van Kloengkoeng in hoogst
eigen persoon soms uren aan het eene eind van het touw zit en zich
kinderlijk vermaakt met het vlieger-oplaten ; ook van den Pantjoetan van
Badoeng wordt zulks verhaald. Op andere tijden van het jaar zijn weer
andere kinderspelen aan de orde. Zoo kennen zij het tollen (mëgangsing)^
het proppenschieten {mëbëbëdilan)y het boogschieten (miêpanah panahan)^
met een hlaasroer schieten (m^- toeloepan)^ knikkeren met vruchten {mHjikal)^
schermen {mëtoemhakan)
enz. Deze zijn op Bali en Lombok dezelfde.
25 Augustus. — Den vorigen dag had de
vorst ons doen vragen, of we genoegen hadden, zijn lustverblijf met
hertekamp te Goenoeng Sari (bloemberg) te
bezichtigen, daarbij tevens het verzoek voegende, om, indien we op de
hertejacht wilden gaan, niet meer dan één hert te schieten. Natuurlijk
werd deze uitnoodiging tegen den volgenden morgen aan- genomen. En. zoo
togen we dus heden morgen om negen uur op flinke paarden op weg naar het
op drie palen afstand gelegene lustslot, vergezeld van de Lombok'sche
j,grandezza^\ twee personen met jachtgeweren en eene massa volgelingen
en nieuwsgierigen. Onze weg voerde langs een sterk geaccidenteerd
terrein, eenige kleine dessa's en prachtige sawah's. Evenals de andere
wegen, die wij op Lombok waren gepasseerd, was ook deze breed en
lommerrijk. Nog eene kleine kromming van den weg, en we waren op de
plaats onzer bestemming. Nooit zal ik den indruk vergeten, dien dat
prachtig panorama, dat
zich als met een tooverslag voor onze blikken ontwikkelde, au premier
abord op mij heeft gemaakt, en hoewel het mij onmogelijk is dien indruk,
door eene beschrijving, op anderen overtebrengen, wil ik toch trachten
er een kleine schets van te geven. Wij stonden aan den ingang van een
uitgestrekt groot vierkant, dat aan de achter- vlakte werd begrensd door
een groot bosch, grootendeels tegen de helling van een heuvel gelegen.
Links van het panorama strekte zich een niet al te hooge heuvelrij uit,
die met laag struikgewas en gras was begroeid; rechts lagen een aantal
op heuveltjes gebouwde kleinere en grootere, in Hindoestijl opgetrokkene
gebouwtjes. Midden op het vierkant plein, waarvan de zijden ongeveer 200
meter lang waren, zag men vier zeer groote gemetselde vierkante bassins.
Op de hoeken dezer bassins stonden groote, goed onderhouden Hindoe-
beelden, terwijl ieder bassin van water werd voorzien door een verschen
straal, die uit den geopenden mond van een kolossaal grooten krokodil
spoot. Midden in die bassins, .waarvan de grootste misschien 80 meter
breed en lang was, en die allen netjes onderhouden waren, stond op eene
gemetselde verhevenheid een capricieus lief Hindoe-tempeltje, omgeven
door verscheidene Hindoe-beelden en fonteintjes. Dergelijke tempeltjes
en kiosken zag men ook op de toppen of tegen de helling der heuvels
links. Het bosch, een Urwald^ dat zich achter de bassins voor ons
uitstrekte, werd bewoond door honderde herten, die, tam
als ze waren, gemoedelijk en niets kwaads duchtende van tusschen het
geboomte, te voorschijn kwamen. Neen, die beestjes waren te tam om er op
te schieten. We besloten dan ook de geweren te doen ontladen en liever
te genieten van al het schoon, dat ons omringde. Na eenigzins bekomen te
zijn van de verrassing, die zich van ons
allen had meester gemaakt, gingen we de gebouwen, die rechts van ons
lagen, in oogenschouw nemen, waartoe 20 k 25 voet hooge steenen trappen
toegang verleenden, of liever deze trappen brachten ons op een
uitgestrekt vierkant, waarop die gebouwen geplaatst waren. Het waren
meest alle met fraai snijwerk en Hindoebeelden voorziene pendopo's en
kiosken; in een dezer waren verschillende ververschingen voor ons
aangebracht. Bizonder interesseerde mij een groot gebouw dat gesloten
was, als zijnde waarschijnlijk het slaapvertrek van den vorst, wanneer
hij hier logeerde. De voorgevel van dit gebouw was geheel bedekt door
fresko-teekeningen^ allegorische voorstellingen uit het Balische leven.
Ik ben te veel leek in het vak van
schilderen, om met zaakkennis hierover te kunnen oordeelen; doch ik
geloof dat deze muurschilderingen hooge artistieke waarde bezitten. Als
men er op een paar voet afstands van verwijderd is, meent men, dat het
als 't ware opgelegd is ; onwillekeurig grijpt men naar de rijst, die
daar in den schotel ligt, of naar het varken, dat
daar aan het spit wordt gebraden, men ziet het vuur onder het spit
branden. Natuurlijk waren er van beiderlei kunne ook poedelnaakte
exemplaren op afgebeeld ; dat was voor den vorst te veel, en in zijn
moraliteits-waanzin pleegde hij een onvergeeflijk vandalisme, door al
datgene van den muur te doen krabben, wat volgens zijne begrip- pen ook
maar eenigzins indecent was. Van de hoogte af hadden we een prachtig
gezicht over 't geheel; men zou zich verplaatst wanen in een der
sprookjes uit de duizenden 'één- nacht; het berucht gewordene kleine
Trianon onder Madame de Maintenon of Aratyuez onder Philips I zullen
misschien meer kunst en gemakken hebben aangeboden, schoener natuur
leverden ze zeker niet op. Tot aan den middag bleven we aldaar van het
prachtige gezicht genieten, wandel- den het bosch door, waarin we geen
enkelen vogel ontdekten, en keerden toen, uiterst voldaan over ons
uitstapje, huiswaarts.
Behalve dit buitenverblijf, dat de vorst zelden meer bezoekt, heeft
hij nog een tweede, Dermada naar ik meen genaamd, dat nog veel fraaier
moet zijn. De tijd ontbrak ons om ook dat in oogenschouw te nemen.
Des nademiddags tegen vijf uur zond de vorst drie zijner private
dansmeisjes, die eenige zeer bevallige dansen uitvoerden, zeer be-
deesde en ingetogene gezichten trokken en op uitdrukkelijken last van
den vorst tegen het invallen der duisternis weer verdwenen , alweer ter
wille van de lieve moraliteit.
26 Augustus. Heden morgen om tien uur bracht de radja moeda (troonsopvolger),
gevolgd door verschillende rijksgrooten, ons een contra- bezoek in naam
van zijn vader, die, zooals de kroonprins ons vertelde, gedurende
veertien dagen eene soort zielen-siësta moest houden en een
kluizenaarsleven leiden , omdat het oel de dètca in hem zat. Daargelaten,
dat het bij mij vast staat, dat, zooals ik reeds boven zeide, de
godsdienst, evenals wel meer gebeurt, ook hier als souffre-douleur
dienst deed, en dat de vorst zich achter een gods-
dienstig feest verschool om eene herhaalde aanraking met den
Gekommitteerde te voorkomen , behoeft men zich overigens niet te ver-
wonderen, dat zelfs een man als de vorst van Lombok, met zulke liberale
en geavanceerde begrippen, niettemin kan vaststaan in het geloof, dat
dat deze of gene godheid zoo nu en dan eens iemand be- zoekt. Het
Hindoeïsme en Brahmanisme (men leze hierover het meer aangehaalde werk
van Clavel) prediken een veel intiemer verband tusschen goden en
menschen , tusschen welke beiden de padanda
(priester) het intermediair is, dan andere godsdiensten. De Baliêr
spreekt met zijn god als een kind met zijn vader, hij raadpleegt hem en
overlegt met hem, indien hij iets bizonders wil uitvoeren, hij ziet in
cle natunrlijksle dingen ter wereld een of ander orakel, en is heilig
overtuigd, dat, wanneer zijne onderneming mislukt, zijn hoop niet
verwezenlijkt of zijne bede niet verhoord wordt, hij de godheid
vertoornd, heeft, en er kan niets in zijn dagelijksch leven plaats
grijpen , of hij erkent er den invloed eener godheid in. Vooral
bij ziekte speelt dit geloof een groote rol; de tallooze offers, die dan
worden gebracht, de godsdienstige feesten, die men dan geeft, mogen
zulks getuigen. Wij zagen het reeds vroeger, hoe de oude vorst van
Gjanjar zich op aanraden van zijn priester, die hem den wil der godheid
openbaarde, gedurende elf dagen in een tempel opsloot, om van zijne
ongesteldheid te genezen. Wanneer we dit in aanmerking nemen, dan zal
het ons duidelijk worden, waarom de Baliêr zoo bizonder lichtgeloovig ,
bijgeloovig is. Ik heb hiervan meerdere staaltjes bijgewoond, zelfs bij
personen waarvan men dit bijna niet zoude verwachten. In het
Boelelengsche is een tempel, waarheen op bepaalde tijden alleen
Brahmanen ter bedevaart gaan, terwijl personen van de overige kasten
dien tempel niet mogea bin- nentreden. Eenige jaren geleden werden
eenige Brahmanen, tempel-
waarts gaande, door tijgers overvallen en velen hunner gedood. Dit mij
reeds bekende feit werd mij en mijn reisgezel Heijligers op een vorige
reis door den radja Kasiman van Badoeng den meest ontwikkelden van alle
Baliërs, die ik nog heb ontmoet, nogmaals verhaald. In allen ernst vroeg
de vorst ons, of wij het er ook niet
voor hielden, dat dit geen ware tijgers zijn geweest, doch door de
godheid in tijgers veranderde menschen, door haar afgezonden, om de
Brahmanen te straffen voor den overmoed, om er een privaten tempel op na
te houden. Hij hield nl. stokstijf vast aan het onder de Baliërs
algemeen heerschende geloof, dat er matjan dadèn-dad^n^ op Java matjan
gadoengan genaamd, bestaan. Ieder mensch nl., die . het kuiltje in 't
midden van de bovenlip {fovea lahii supe- riaris) mist, kan zich,
volgens hun bijgeloof, op sommige tijden in een tijger veranderen. Dit
bijgeloof heerscht o.a. ook op Sumatra bij de Bataks, LampongerSjs
Maleijers en op geheel Java. Daar ik hier juist over tijgers spreek, wil
ik even melding maken van het ieit, dat deze dieren, vooral de
koningstijgers, even- als in sommige doelen van Java^ ook op Bali eene
bizondere vereering genieten. Dit hangt voor een groot deel samen met
het dogma der zielsverhuizing. Er zijn Baliêrs, die door niets ter
wereld zouden te bewegen zijn, om op een tijger te schieten. Een oude
Brahmaan , die met zijn gevolg in een bosch door een tijger werd verrast,
ging dood bedaard het dier te gemoet en sprak het toe : „Wat heb ik u
gedaan , dat gij mij wilt verslinden ? Nooit heb ik u immers een haar
gekrenkt, en ik beloof u dit ook nimmer te zullen doen, enz." Vele
Baliêrs meenen, dat de tijgers in een geheim distrikt van hun eiland
verblijf houden , alwaar ze steden hebben en prachtige huizen bewonen.
Ook op Java en Sumatra zijn velen deze meening toegedaan. Het is bij de
Baliêrs volstrekt geene zeld- zaamheid , dat deze of gene voorgeeft,
door de godheid geïnspireerd te zgn, en zij zijn bijgeloovig genoeg, om
hetgeen de geïnspireerde verkondigt, voor orakeltaal te houden. Dat op
deze lichtgeloovig- heid dikwijls gespeculeerd wordt, bewees ons reeds
de kunstgreep
van den vorst van Lombok , om eene volkstelling te houden , bewees nog
dezer dagen (Januari 1882) het volgende feit. Eene vrouw van
twijfelachtige reputatie, nl. de Brahmaansche vrouw Idaijoe Klébëk
van Dèn Tjarik (eene dessa in BoeUlèng) beweerde door den Dewa van
Poelaki geïnspireerd te zijn. Nauwelijks was dit bekend geworden, of
hetgeen de bezielde {klingsènan\ verkondigde werd als den wil der god-
heid opgevat, en ware de Asst. Resident Vriesman niet spoedig tot de
ontdekking van het complot gekomen, dan was eene omverwerping van ons
bestuur in BoeUlèng daarvan misschien het gevolg geweest. De vrouw had
zich reeds een grooten aanhang verworven en daaronder de eersten van het
rijk. Dit feit, dat voor den oppervlakkigen beschouwer een zeer
onschuldig aanzien had, had, zooals genoemden ambtenaar aldra bleek,
eene diepere, politieke beteekenis. Toen nl. in 1873 de laatste vorst
van BoeUlèng verbannen werd, had de toenmalige Asst. Resident de Scheema-
ker aan onze Regeering een zekeren Goesti Poetoe Gria^ een jongmensch
van goede familie, doch uit een Soedra- vrouw geboren, zonder de bevol-
king behoorlijk te raadplegen, als diens opvolger voorgedragen en hem,
zooals beweerd wordt, bij voorbaat eenige rijksinsigniën ter hand
gesteld. De Regeering dacht evenwel anders over de zaak en stelde in
plaats van een nieuwen vorst een zoogenaamd voorloopig bestuur aan, in
afwach- ting van eene definitieve regeling. In weerwil sedert reeds
negen jaren zijn verloopen, in weerwil van de aanhoudende belofte der
Regeering, om met de nieuwe regeling een aanvang te maken, is genoemd
voorlopig bestuur nog steeds in functie, (*) zeer tegen den wil
van de bevolking en van den vroegeren pretendent en diens vrienden en
familieleden. Het lange wachten der Regeering moede, had men, om aan de
zaak een einde te maken, besloten tegen de Regeering te comploteeren en
daarbij gespeculeerd op de lichtgo- loovigheid der bevolking. Door de
doortastende maatregelen van den
Heer Vriesman is de zaak in hare geboorte gesmoord, hoewel de bezielde
reeds een groeten aanhang had. Als hoofdaanlegster van het complot is
zij opgevat en zit thans in Banjoewangi achter slot en grendel, alwaar
haar al de tijd wordt gegund, om verder te con- fereeren met de godheid
van Poelaki.
De kroonprins bleef slechts, een korten tijd; ik herinnerde hem
nogmaals aan mijne opdracht en aan de belofte van zijn vader, en de
Overste Marinkelle gaf hem niet onduidelijk zijne bevreemding te kennen,
dat noch de vorst, noch iemand namens hem een contrabezoek aan boord had
gebracht. De vorstelijke personen
hadden erg last van zeeziekte, als ze maar van een schip spraken, dit
bezoek kon dus, zoo beweerde de kroonprins, met den besten wil ter
wereld niet plaats hebben. Na het vertrek der hoogeheeren werden den
vorst en den kroonprins de gebruikelijke geschenken toegezonden, onze
bagage gepakt en door de reeds gereed staande koelies naar Ampënan
gebracht. Des middags om 2 uur gingen ook wij derwaarts, vergezeld door
den poenggawa Goesti Njoman Kaler.
Het schrijven van dezen naam brengt mij iets betreffende de
naamgeving bij de Baliêrs in herinnering, dat ik hier even wil
aanstippen. Heeft een Baliêr verscheidene zonen, bijv. vier, dan wordt
de oudste aangeduid door Wajan voor zijn eigenlijken naam te zetten, de
tweede krijgt; Nëngah of voor hoogere kasten Mcuiéj de derde Njaman en
de vierde Kloet voor zijn naam. In de 3 hoogste kasten krygt de oudste
zoon Poetoe en bij de Praia dewa voor zijn naam. De naamGoestiNyjoman
Kaler duidt dus aan, dat de persoon, die dien naam voert, Kaler heet ;
dat hij de derde zoon is en tot de derde kaste behoort. Ook bestaat bij
de Baliërs, hoewel niet zoo algemeen als bij andere volken van den
Archipel, het lief gebruik, dat, na de geboorte van het eerste kind, de
ouders den naam van het kind aannemen met voorplaatsing van Pan (vader)
en Mèn (moeder). Behalve bij de Baliërs, Javanen, de Dajaks van Borneo^
de Alfoeren op Celebes en de Maleijers in de Padangsche Bovenlanden^ bij
de Batahkers en de bewoners der Pasumah^landen , vindt men dit gebruik,
volgens Wühtn
ook in Australië^ op Madagasker bij de Kutschiners in Amerika^ en
volgens Livingstone bij de Betschuanen. Wilken (t. a. pi.) verklaart den
oorsprong van dit gebruik uit de zucht der vaders, om hunne vaderlijke
rechten op het kind te doen gelden tegen het vroeger algemeen
heerschende matriarchaat.
In Ampënan brachten wij ter loops een bezoek aan den Heer Pattiwael,
wien door den Gekommitteerde werd gevraagd, waarom hij ons niet was
komen bezoeken, waarop hij verklaarde, dat de vrees om in ongenade te
vallen bij den vorst hem weerhield. Om dezelfde reden moest hij de
uitnoodiging van den Overste om nog,
vóór ons vertrek, bij ons aan boord te komen, van de hand wijzen. Den
Kommandant van de Watergeus werd noch door den vorst, noch namens hem
een contrabezoek gebracht, hetgeen toch niet meer dan plicht was geweest.
Uit dit alles spreekt een bepaald wantrou- wen in onze Regeering
Den 27 ste Augustus gingen we reeds
vroeg in den morgen onder stoom, om naar Bali terug te koeren en de
overige rijken te be- zoeken. We hadden een eiland verlaten, vreemd en
belangrijk tevens om het tegenstrgdige in zijne zeden en gebruiken, een
land waar eene soort van beschaving zich huwde aan Balisch bijgeloof en
in- gewortelde misbruiken, waar naast eene ietwat te ver gepousseerde
moraliteit de gruwelijkste immoraliteit haar staf voerde, waar het een
man verboden is de passar te bezoeken, en prachtige muurschil- deringen
met schendige hand werden vernield om der moraliteits wille, terwijl
honderde eerverkoopende panjeroans^ in naam van den vorst, in alle
richtingen rondloopen, om heinde en ver syphilis te
verspreiden, en den vorst maandelijks een smartelijk bloed geld te
kunnen afdragen, opdat hij leve en geniete! Een dorado met een
Augiasstal! Een Europeesch vorst zou hier misschien veel kunnen leeren,
waar de koning de vader van zijn volk is, en in den besten zin van het
woord regeert over een volk, dat hij lief heeft en dat
hem vergoedt; doch er bestaat eveneens werk voor vele Herculessen .^ |