1 September. — Hoewel tegen half acht heden
morgen paarden en koelies waren besteld, om ons naar de grens van
Meng'wi te brengen, was alles reeds één uur vroeger gereed, zoodat we de
bagage vooruit konden zenden. Men mag over het algemeen de Baliers zoo
zwart uitschilderen als men verkiest dit moet men hun ter eere nageven,
nooit zal men een enkel stuk van zijne barang missen. Ik mag hier reeds
vermelden, dat, toen onze reis afgeloopen was niemand onzer iets van
zijne goederen miste, in weerwil er toch gelegen- heid genoeg was om te
stelen, zonder dat de dader ontdekt werd. Ik wijt dit evenwel minder aan
eene aangeborene eerlijkheid, dan wel aan de zware straffen, die er op
diefstal zijn gesteld, en die zeker te gestrenger zouden zijn, indien
den Qekommittecrde of diens gevolg iets -zou zijn ontvreemd. Even voor
ons vertrek kwam de radja besaar ons nog bezoeken, maakte duizende
excuses, dat hij door zijne ziekte zich niet stipt had kunnen houden aan
het voor- geschreven ceremonieel, en verzocht ons ten laatste, om de eer,
om zijne privaat-woning, de wanosari^ nog even te komen bezich- tigen^,
waaraan we natuurlijk gaarne gevolg gaven. Wanneer men
dit al niet vooraf wist, dan kon men dadelijk aan alles merken, dat dit
eene bizondere onderscheiding was. De deftigheid, De weg, dien wij
volgden, was in betrekkelijk goeden staat doch wij moesten verscheidene
kali's, die onzen weg sneden, te paard doorwaden. Tot aan het neutraal
terrein tusschen Badoeng en Meng^wi
hadden we vijf paal afteleggen en passeerden de Badoeng^sche dessa*s
Batang Kemoening^ Baloen ^Oeboeng en Pëtangan.
Op de grens werden we door vele rijksgrooten van het hof van Meng^wij
waaronder de broeder van den vorst zich bevond, en 150 piekeniers in
ontvangst genomen en verwelkomd. Die eerste ontvangst liet niet te
wenschen over, alleen veroorzaakte die groote hoop menschen en paarden
een massa stof, om welke te ontkomen, de Resident, de Overste en ik onze
paarden de sporen gaven en in vliegenden ren de 7 paal, die ons tot aan
kotta Meng'wi nog restten, in zeer korten tijd aflegden, in weerwil de
wegen, die wij passeerden, fataal slecht waren. Een gids en de broeder
van den vorst volgden ons. Van af de grens waren we de volgende
kampong's gepasseerd: Sémpidie, Bloekloek, Kapal,
Brintkit, Kotta- Meng'wi,
De weg, die zooals gezegd is, slecht was, leverde intusschen prachtige
natuurgezich- ten op en voerde langs een zeer geaccidenteerd terrein.
Heuvels, ravijnen, boschpartijen, water'vallen, beekjes eu een wilde
tropische plantengroei wisselden elkander geregeld af en wedijverden in
schoonheid met de heerlijkste terrasvormige sawah's en tabaksvelden. De
uitge- strekte sawah's met de prachtigste kleur-nuanceringen, die
speelden tus- schen donkergroen en goudgeel en door de morgenzon werden
beschenen, maakten een heerlijk effekt. Daar de sawah's hier, evenals in
Ba- (loeng altijd overvloed van water hebben, wordt het geheele jaar
rijst verbouwd. We zagen in het deel van Memfwi^ dat we heden passeerden,
eene massa tempels, waarvan sommige niet meer dan ruïnen, andere nog
nieuw of vernieuwd waren. Meng^wi wordt door de rijken Tabanan, Gjanjar,
Boelèlèmj en Badoeng ingesloten ; het is zeer slecht bevolkt,
hoofdzakelijk omdat het nog niet zoo
laog geleden zijne landskinderen bij honderden ter markt bracht, om ze
als slaven te verkoopen en uittevoeren, en het ook geregeld met Tabanan
en Gjanjar in oorlog is, en er een aanhoudend volksverloop
bestaat. Met het hof van Badoeng is het geparenteerd, zoodat tusschen
deze beide rijken de volmaaktste harmonie bestaat. De bodem moet zeer
vruchtbaar zijn en de bevolking daardoor een zekere welvaart genieten.
Meng^wi is vooral bekend om de waarlijk sierlijke gendié's^ op Bali
tjaratan geheeten, die men er fabriceert, waartoe het land eene
uitstekende kleisoort levert. Bij de Baliërs heeft het rijk eeae zekere
vermaardheid om de schoonè vrouwen, die men daar zou vinden. Voor de
liefhebbers van vruchten zij hier nog opgemerkt, dat behalve de gewone
vruchten, die men overal op Bali vindt, men zich hier te goed kan doen
aan een vrucht wani genaapid {Mangifera foetida^ nat: fam: der
Anacardihceae). Volgens kenners moet die vrucht lekker zijn, ik ben
evenwel geen kenner en vind haar leelijk. Deze vrucht komt ook wel
elders op Bali voor.
De tcani van Soedadji (Oost-Boelélèng) is o. a. vermaard om de kleine
pitten en de fijnheid van vleesch evenals die van Meng*wi. In Oost'Java
vindt men deze vrucht niet, wel in West Java en op Sumatra. De menschen
zien er goed gevoed en gezond uit, doch in aantal van door pokken
geschondenen spant het de kroon
boven alle andere rijken van Bali. Wij zijn in Meng^wi dessa's
gepasseerd, waar we letterlijk geen persoon van welken leeftijd ook
zagen, die niet door de pokken was geschonden. Kropgezwellen of
huidziekten zag ik hier niet, misschien komen de eerste in het gebergte
wel voor. Ook syphilis moet hier niet in erge mate voor-
komen. Het drinkwater is er goed van smaak en zuiver.
Wij namen onzen intrek in een voor ons gereed gemaakt verblijf binnen
het terrein van de poeri doch van de eigenlijke poeri gescheiden. Dit
logies liet, wat dndelijkheid en gemak betreft, nog al te wenschen over.
De poeri, op wier plein de Nederlandsche vlag wapperde, is de oudste van
geheel Bali en beroemd om zijn
antiek beeldhouwwerk op de muren en de poorten van het paleis. Wij
werden onder saluutschoten ons verblijf binnengeleid door den broeder
van den vorst, die als rijksbestierder fungeert, en diens zoon. Deze
rijksbestierder heet Goestie Ngoerah-Madé Allang Kadjefig^ genaamd
Goesti Made Baka; om zijne manieren, zijn vierkanten lichaamsbouw, en
bovenal om de wijze waarop hij steeds met eene soort van roeden foulard
om zijn hals liep, door den Overste Marin- helle niet oneigenlijk als ^Urker
visscher^^ betiteld. Hij is een man
van ongeveer vijftig jaren met een dom goedig gezicht en hoogst
onbeschaafde manieren, in weerwil hij, zooals hij zelf zegt, veel met
Hollanders in aanraking is geweest. Hij spreekt evenals zijn zoon, een
persoon van ± 30 jaren, zeer goed Maleisch en onderhield zich geruimen
tijd met ons. Ik bracht al dadelijk de vaccine-zaak
ter tafel en vernam, dat hier vroeger eenige malen te hooi en te gras
door verschillende personen, die zich voor vaccinateurs uitgaven, was
ingeënt, doch dat deze ingeente personen even goed door de pokken werden
aangetast als de niet geënte, zoodat hij ronduit verklaarde er niet veel
vertrouwen in te hebben, en de radja ook yvel niet in mijn voorstel zou
treden Het hielp me niet veel, of ik mijne zaak al verdedigde door de
bewering, dat die personen geen goede bibit hadden gehad enz., hij bleef
op zijn stuk en daar viel niets aan te veranderen. Hij zelf had
indertijd met lymphe uit Badoeng zijne eigene kinderen evenals de andere
familieleden van den vorst ingeënt, en deze hadden geene pokken gekregen,
en toch had hij bezwaar om in het voorstel te treden. Het bleek mij
duidelijk, dat er iets anders achter zat; ik moest den tijd afwachten om
het te weten te komen. Zooveel was zeker, dat mijne pogingen hier kans
hadden van finaal schipbreuk te lijden, in weerwil blijkbaar door den
radja en zijn aanhang de prophylactische waarde van de vaccine werd
erkend. Het verhaal van de gevaccineerden, die toch pokken hadden
gekregen, was waarschijnlijk een verzinsel. Het bleek, gedurende ons
verblijf aldaar, duidelijk, dat de radja, een ziekelijk, weinig energiek
individu, evenals de vorst
van Bangli weinig op zijne onderdanen vermag.
Heden avond was er in de poeri een gamboeh-voorstelling, die ik even
bezocht. Het was een vreeselijk vervelend spektakelstuk, waarvan ik
weinig begreep, doch dat mij door den rijksbestierder, die er bij
tegenwoordig was, door zgn uitbundig gelach vertolkt werd als ontzettend
mooi en grappig; het stelde eene episode voor uit den strijd tusschen
het Islamisme en Hindoeisme. De quintessens van de historie wera mij
evenwel niet duidelijk. Volgens Dr. van der Tuukj dien ik er over sprak,
was het waarschijnlijk een stuk
uit de Boenghling een satire zoowel op het Hindoeisme als op het
Islamisme, door een scepticus opgesteld.
2 September. — Heden morgen om elf uur
maakten wij onze opwachting bij den radja besaar. Hij had eerst door den
rijksbestierder den Gekommitteerde doen verzoeken, hem van dit
officieele bezoek vrij te stellen, daar hij zich te ziek en te zwak
gevoelde om ons te ontvangen. Door de ondervinding, aan andere Balische
hoven opgedaan, werd hieraan weinig geloof gehecht, en daarom door Zijne
Hoog- edelgestr. op het bezoek aangedrongen; en zoo togen we dan, onder
geleide van den rijksbestierder en diens zoon en een kleine eerewacht,
ten paleize. De vorst, die ons zeer hofFelijk ontving, is een persoon
van ongeven 35 jaren, vreeselijk uitgeteerd en met eene uitdrukking op
zijn gelaat, die duidelijk verried, dat hij erg lijdende was. Het speet
den Gekommitteerde en ons, dat op dit officieele bezoek zoo sterk was
aangedrongen. De tafel was beladen met vruchten als: pisang (bal : hijoe)^
mangga (bal : poh) salak enz. en gebakjes (djadja) waren er in alle
nuances. De vorst is, zooals hij ons vertelde, sedert geruimen tijd
lijdende aan dysenterie natuurlijk eene zoogenaamde opium-dysenterie,
Inmers, hij is aan het gebruik van opium zoo verslaafd, dat hij er bijna
geen uur meer zonder kan. Hij laat de regeeringszaak geheel aan zijn
ouderen broeder (uit eene soedra- moeder), den rijksbestierder, dien wij
reeds kennen, over. Na eenige onbeduidende gesprekken, die als
introductie dienst deden, en nadat een paar hangende kwesties behandeld
waren, werd de vaccinezaak ter tafel gebracht, doch, zooals ik wel
verwacht had, zonder gevolg. Na eerst alle mogelijke uitvluchten gemaakt
te hebben, kwam de radja zelf eindelijk met de ware reden voor den dag.
Vroeger heb ik den lezer reeds meegedeeld, dat de Dèwa agoeng van
Kloengkoeng nog steeds door de vorsten van Meng'wi als opperheerscher
van Bali wordt erkend, en dat deze laatsten zich in zaken van gewicht
steeds achter dat oppergezag verschuilen. Daarbij komt nog, dat het
contract, dat tusschen ons Gouvernement en Meng^wi bestaat, niet door
den vorst van dit laatste rijk, doch voor hem, door den Déwa agoeng van
Kloengkoeng is geteekend, door welk feit wij als 't ware eenigzins dat
oppergezag van Kloengkoeng hebben erkend en in Meng"* wi niets kunnen
tot stand brengen, zonder eerst met den Dèwa agoeng onderhandeld te
hebben. De vorst verklaarde dan ook, volstrekt niet togen de invoering
der vaccine te zijn, doch hij moest daarvoor eerst de volkomene
toestemming van Kloengkoeng ontvangen, en daarbij bleef het. Dat hij,
evenals de geheele hofhouding, wel de waarde van de vaccine begrijpt,
zagen wij reeds boven. Doch dit sluit op Bali waar in sommige rijken de
vorsten weinig op hunne onderdanen vermogen, nog volstrekt niet in, dat
de vaccine algemeen wordt ingevoerd. Daarbij komt, dat ook de priesters,
volgens mijne meening, de vaccine in den weg staan. In deze meening word
ik versterkt door hetgeen van Eek verhaalt, dat nl. volgens Balisch
bijgeloof de Déiva Madjapahit de godheid is, die de pokken in de wereld
zond; hem is de taak opgedragen om hen, die zich op de eene of andere
wijze aan de ziekte onttrekken, duizende jaren buiten hot verblijf der
goden te houden. Ik heb dit bijgeloof hier en duur bevestigd gevonden.
(*) Wij weten bij ondervinding, wat de wil der priesters en daarmee
bijna gelijkgestelden vermag, ook in landen, die in onze beschaaf- de en
verlichte eeuw in het eerste gelid dtaan. Men denke slechts aan
Hoedemaker^ Fabius^ Capadose, Keuchenius en dergelgke dilettant-
makelaars in Christelijk-gereformeerde zaligheid, te veel om te noemen.
Het is alzoo te voorzien, dat Meng^wi wel het laatste rijk zal zijn,
waar ooit de vaccine tot hare rechten zal komen. Dit is te meer te
betreuren, omdat dit rijk een tamelijk druk handelsverkeer met Boeleleng
onderhoudt en omdat het grenst aan Gjanjar en Badoenj in welke beide
rijken de vaccine op dit oogenblik reeds in vollen gang is.
Ik moet ter dezer plaatse gewag maken van eene omstandigheid, die
onze Regeering het recht geeft, om de weerspannige vorsten te dwingen de
vaccine in hunne rijken intevoeren, zonder onze verbintenis met die
vorsten te schenden. Behalve het contract, dat tusschen de verschillende
Balische vorsten en onze Regeering bestaat, toekent ieder vorst bij
zijne troonsbestijging een acte van verband waarin het volgende voorkomt:
„ dat ik (de vorst) ten ^allen tijde bereid zal zijn^ mij met het
Nederlandsch-Indische Gou vernement te verstaan omtrent punten bij die
overeenkomst (het con- „tract) niet voortkomen en die later blijken
mochten in het belang van land en volk regeling te behoeven — dat ik
alles zal aanwenden dat tot heil en voordeel van mijn rijk kan strekken,'^
De Regeering heeft m. i. daardoor het recht, om de vorsten tot de
invoering der
vaccine in hunne rijken te dwingen. In ieder geval schijnt het mij hier
overbodig, om de onwillige vorsten op deze hunne verklaring ten een of
anderen tijd te wijzen. Hier staat echter tegenover, dat op die wijze
ingevoerd, eene goede regeling der vaccine wel tot de pia vota zal
behooren.
Eene tweede zaak, die ik met den vorst te bespreken had, was de
volgende. Tijdens ons verblijf te Badoeng^ had radja Kasiman^ nadat ik
hem gevraagd had of er nu en dan ook monstruositeiten in Bali voorkwamen,
mij verteld, dat er zeven maanden geleden in Meng^m een kind met drie
hoofden was geboren, welk kind twintig
dagen zoude geleefd hebben. Het laat zich denken, dat ik moeite wilde
doen om het skelet van dit monstrum triplex in mgn bezit te krijgen.
Werkelijk was er zoodanig kind geboren, doch dit was reeds meer dan tien
jaren geleden; ook had het, voor zooverre men zich kon herinneren,
slechts twee dagen geleefd. Dit kind, uit Soedra- oiuders geboren, was
in der tijd begraven en het was natuurlijk niet te verwachten, dat de
plaats, waar het begraven was, nog kon teruggevonden worden. Daarbij
kwam nog, dat de dessa, waar dit had
plaats gehad, op grooten afstand lag. Ik moest dus, hoe jammer ook, van
verdere pogingen afzien. Men wist my niet meer te vertellen, van welk
geslacht het kind was. Een kind met drie hoofden! Het gezelschap, dat we
hij den vorst ontmoetten, was niet groot; de priester ontbrak evenwel
ook hier niet. Na ongeveer een uur bij
den radja vertoefd te hebben, gedurende welken tijd ons eenigo vruchten
werden gepresenteerd, gingen we. De Gekommitteerde liet den vorst na
onze tehuiskomst onmiddelijk weten, dat hij hem, zijne ziekte in
aanmerking nemende, absolveerde van het contra-bezoek, hetgeen dankbaar
door den doorluchtigen patiënt werd aangenomen.
In den namiddag maakten wij, na onze siësta, eene kleine wandeling
door de stad, die er vuil, armoedig en uiterst vervallen uitziet, als
eene ruïne. De menschen, die we op straat ontmoetten, deden mij denken
aan de Bangliers. Evenals in Bangli en Kloengkoeng^ kon men ook hier het
verschijnsel opmerken, dat het land er meer ver- vallen en armoediger
uitziet, hoe meer men de vorstelijke residentie nadert. Het schijnt of
de menschen, die iets bezitten zich in de nabijheid van het vorstelijk
paleis niet op hun gemak gevoelen en meer landwaarts in, hun have en
goed in veiligheid brengen. Voor en aleer ik melding maak van een bezoek,
dat we op onze wandeling aflegden, moet ik den lezer eenigen tijd
terugvoeren en hem een feit in herinnering brengen, dat zich in Juni
1881 in Boelèlèng heeft voorgedaan.
Sedert 1865 heeft het Utrechtsch ZendeliDg-genootschap pogingen
aangewend, om op het eiland Baliy met name in Boelelèng het Christendom
te exploiteeren en zond tot dat doel verschillende zendelingen derwaarts.
De eerste zendeling-leeraar, de Heer tan keerde, na eenigen tijd
verblijf aldaar, om welke redenen dan ook,
in ieder geval onverrichter zake terug. De heer R. van Eckj thans
leeraar in de Maleische taal en de land- en volkenkunde van Neder-
landsch Oost-Indiê aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda die
daarna het bekeeringswerk onder de Baliërs zou voortzetten, was
schijnbaar iets gelukkiger. Althans de schoonklinkende rapporten die hij
geregeld bij het genootschap, dat hem had afgezonden, indiende over de
vorderingen, die de zendingszaak gaven recht tot dit vermoeden. En
waarlijk had hij het genoegen, een zekeren Goesti Wajan Noerai Karany
Asëm^ een hoogst onbeduidend Baliër, de „tien geboden,'* het „onze
Vader", in een woord
al datgene te leeren, wat hem rijp maakte om de „blijde boodschap'* bij
monde van den Heer van Eek te vernemen, die hem dan ook, onder den
bijbelschen naam van Nicodemus, doopte. Deze plechigtigheid, die blijk
gaf van den volhardenden ijver, waarmee de Heer van Eek zijn taak
waarnam, viel voor A° Domini 1873 en
kan men uitvoerig beschreven vinden in een der, door het Utrechtsch
Genootschap uitgegeven, tractaatjes, dat natuurlijk in de tale Eanaans
is geschreven ; het kan als graadmeter dienen van des Heeren van Eek 's
toewijding aan de zaak, die hij diende en van de hoop, die hij koesterde
voor de toekomst van de évangelieprediking op Bali. De verschillende
stukken,, door hem in verschillende tijdschriften gepu-
bliceerd over de land- en volkenkunde van Bali^ kunnen als bewijs
strekken, dat hij zich zijn verblijf aldaar ook op andere wijze wist ten
nutte te maken. Na kennis genomen te hebben van zijne bijdragen over het
Balische volksleven, waaronder vele hoogst belangryk en der waarheid
getrouw zijn, heeft me» het recht te veronderstellen, dat hij de Baliêrs
in alle opzichten kent. Tegelijk met hem en na hem werd
het bekeeringswerk met niet minder gver en toewijding voortgezet door de
zendeling-leeraren de Vrootn en K, Wiggelendam^ die evenwel geen van
beiden zoo gelukkig waren als de Heer van Eck^ zoodat tot op den
huldigen dag bovengenoemde NicodemuS die nu eens in Boeleleng dan weer
in Meng'm of elders verblijf hield, de eenigste représentant van het
Balisch Christendom is.
3 September. — Heden morgen vertrokken
we om ruim acht uur op zeer slechte paarden naar Tabanan alwaar we tegen
tien uur in de hoofdplaats van het rijk aankwamen. De weg was uiterst
slecht, ,,up and down'*, doch, vooral in het Tabanan'sche, meer
stijgende. De kotta Tabanan ligt dan ook ± 700 voet hooger dan de kotta
Meng'^wi. De geheele afstand bedroeg slechts 6 Palen Wij passeerdon de
dessa's Dagdaggan (in Meng^wi)^ het neutraal terrein, daarna in Tabanan
Abian-Toewoeng, Kuripan, Bandjar-Anjar, en
Kotta Tabanan. Van uit Kotta Mengwi tot aan de grens hadden wij
het uitgeleide van den rijksbestierder en diens zoon, terwijl vele
staatsielansdragers, eenige pajong- en twintig geweerdra- gende mannen
ons voorgingen. Daar Mengwi reeds sedert vele jaren in oorlog is met
Tabanan een oorlog, die zich, zooals steeds op Bali kenmerkt eenig en
alleen door aanhoudende strooptochtjes en sluipmoorden op de grenzen,
overschreden de hofgrooten van beide
rijken de grens niet. In het Tabanan'sche werden we aan de grens
ontvangen en in naam van den vorst verwelkomd door een poeng- gawa^ die
een geheelen stoet van lans- en geweerdragende mannen, flinke paarden en
eene groote massa koelies met zich voerde. Wij werden door den poenggawa
naar de poeri van den vorst, Goesti Ngoerah Agoeng, gebracht, die ons
bij de poort van de poeri ontving, eene beleefdheid, die ons, bij de
eerste ontvangst namelijk, nog nergens was te beurt gevallen. -
Natuurlijk werden er eenige saluut-
schoten gelost,, en wapperde op verschillende plaatsen bij en in de
poeri do Nederlandsche driekleur. De vorst geleidde den Gekommitteefde,
terwijl wjj anderen volgden, naar het binnenplein zijner poeri en
noodige ons aan eene Balische lunch, bestaande uit gebakjes, vruchten,
ondrinkbare koffie, slappe thee en klapperwater.
Behalve van water, maakt de Baliêr als drank ook gebruik van thee en
koffie deze laatste evenwel op zoodanige wijze gereed ge- maakt, dat het
door ons niet te drinken is. Grof gestootene koffie wordt met water
gekookt, en deze lichtbruine^ drabbige massa vervangt bij hen onze
geurige Mocca, Over 't geheel is de Baliër geen gastronoom; geestrijke
vochten kent hij bijna niet, be-halve de toewak waarvan hij echter niet
veel gebruik maakt; zijn maal is zeer eenvoudig en in de culinarische
kunst heeft hij het niet ver gebracht. Hij eet twee malen daags, nl. des
morgens na zijn ontwaken, meestal om negen uur, en des nademiddags om
zes uur.
Zijn maaltijd bestaat uit drooge rijst met lombok, een gedroogd vischje,
zout en uien, en indien hij het kan betalen, een stuk varkensvleesch.
Ook karbouwenvleesch wordt nu en dan gegeten. Sommige Boele- lengers
eten zelfs paardenvleesch ; in andere rijken schijnt dit niet gewild.
Het lijdt geen twijfel, dat er welgestelde Baliêrs gevonden worden, die
niet alleen van eene lekkere tafel houden, maar er zich ook geregeld aan
te goed doen, en op wier tafel (figuurlijk gespro- ken) men, behalve
genoemde ingrediënten, kippen, eieren, verschil-
lende vruchten, gebakjes enz. kan vinden. Ook wordt in het eene rijk
beter gegeten dan in andere; zoo moeten bijv. de Boelelengers den naam
hebben van eene goede tafel te houden. Deze omstandigheid heeft
misschien van Eek verleid, om alle Baliërs voor smulpapen te houden.
Ware van Eek ook b. v. in Bangli of Meng'wi
geweest, hij zou zich ruimschoots van het tegendeel hebben kunnen
overtuigen. Opmerkelijk is de wijze van eten van de Baliërs. Evenals de
Javanen, nemen zij met de schuitvormig samengevoegde vingers eene groote
hoeveelheid rijst, dié steeds de hoofdschotel is, met eenige toespijs
uit den voor hen geplaatsten schotel of, bij gebreke van dien, van een
pisangblad, schuiven daarvan de helft in den mond en werpen het
resteerende na iederen hap weg, dat dan als een offer moet gelden voor
de godheid, doch hetwelk de los loopende honden en varkens zich alras
toeeigenen. De priesters mogen slechts ééns per dag eten (ngamel hrata)
en moeten zich ont- houden van het gebruik van rundvleesch,
varkensvleesch* en kippen ; ook mogen zij geene spiritualia gebruiken en
is het hun verboden om uit een glas te drinken of van een bord te eten,
dat reeds door iemand van lagere kaste is gebruikt. Dat ook de Balische
priester weet te transigeeren en het nu en dan met zijn god op een
accoordje gooit, blijkt reeds daaruit, dat velen zich aan deze
voorschriften in het geheel niet storen; de meesten eten bijv. twee maal
per dag, als ieder gewoon sterveling. In BoeWèng en Djëmbrana o. a.
drinken de priesters, als ze bij den Asst. Resident of den Eontroleur
een bezoek afleggen, een stevig glas wijn, anisette of zoo iets, en dit
niet in 't geniep, doch „coram populo" terwijl er andere Baliërs bij te-
genwoordig zijn; zelfs, toen ik in Djëmbrana eens met een paar an- dere
heeren een bezoek aflegde bij een der priesters, werd ons behalve
vruchten ook wijn en likeur gepresenteerd, dat de man steeds in voorraad
te huis had. Natuurlijk dronk hij zelf ook meê. Ook werden de waarlijk
nette glazen, waaruit we dronken, niet stuk ge- worpen, in weerwil wij
toch in ieder geval niet meer dan voorname Soedra's waren.
Men ziet, dat het gros der Baliërs zeer weinig behoeften kent en in
ieder geval van zijn maag geen afgod maakt. Als hij slechts zijn
sirihpruim heeft, nu en dan opium kan schuiven en dobbelen, dan kan hem
de rest al zeer weinig schelen. De kleeding van den gewonen dessa- man
is even eenvoudig. Een blauwe lap die door een
buikriem wordt vastgehouden om zijne nates^ maakt dikwijls zijne geheele
garderobe uit. Ik mag evenwel de kampèk met vergeten zonder welke men
een Baliër nooit zal aantreffen. Het is een meestal van lontar
gevlochten platte vierkante mand van 40 tot 50 centimeters lang en
breed, die in een tweede dito op de wijze van een sigarenkoker geschoven
wordt, en die steeds met een punt in zijn buikriem steekt, zoodat hij
daarmee als 't ware zijn borst bedekt. Hierin bewaart hij de
ingrediënten van zijn sirihpruim en soms andere dingen, die hij moet
meevoeren, bijv. lontarbladeren om iets opteschrijven, een opiumpijp {tjangklong),
eenig opium {madat) enz.
Zooals ik zeide, werden wij bij den vorst op eenige Balische
versnaperingen onthaald, waarvan wij evenwel weinig gebruikten. De vorst,
die omgeven was door eenige hofgrooten en een achttal priesters, welke
laatsten er zoo welgedaan uitzagen, dat men gerust mag aannemen, dat zij
meer dan eens per dag eten, is een klein, haastig manneke met een
achtenswaardig on intellectueel gezicht, grijzende haren en een
oogopslag, die tot vertrouwelijkheid dwingt; hij verraadde daarbij in
zijn gesprek, dat hij in vloeiend Maleisch voerde,
den man van zeer beschaafde manieren. Behalve de Maleische taal, moet
hij ook de Chineesche taal in zooverre machtig zij», dat hij die kan
spreken en verstaan, zelfs moet hij, naar ons werd verzekerd een weinig
Hollandsch verstaan. Voorzichtigheidshalve voerden wij in zijne
tegenwoordigheid ons gesprek onderling in het Fransch. Hij schijnt
ongeveer zestig jaren oud te zijn, wel te verstaan naar onze
tijdrekening. Het Balische jaar nl. bestaat uit zes maanden ieder van 35
dagen, in 't geheel dus 210 dagen, en heet tëmwang.
De Baliërs onthouden hun geboortedag, ten minste ongeveer, meestal aan
het een of ander feit, dat op dien tijd heeft plaats gehad. Zoo
antwoordde deze vorst, toen hem naar zijn leeftijd werd gevraagd, dat
hij het niet juist wist, doch dat hij nog zeer klein was, toen de poeri
van Tahanan afbrandde. Zijne opgave was dus voor ons vrij onbepaald. Een
aangenomen kleinzoon van den vorst, een flink gebouwde vent van ± 25
jaren, fungeert als rijksbestierder^en moet den vorst, sedert diens
broeder eenige maanden geleden overleden is, in het bestuur krachtig ter
zijde staan.
Na een oponthoud van een half uur, vertrokken we en gingen te voet
naar het voor ons bestemde verblijf, dat ongeveer vijf minuten van de
poeri verwijderd was. Wij logeerden in de woning van den poenggatva
Goesti Ngoerah Gedé Djoroh Kompjang, zooals mij weldra bleek, dezelfde
die ons heden morgen aan de grens had af-
gehaald. Hij was in alle opzichten zorgzaam voor zijne gasten en had
zorg gedragen, dat alles er zindelijk en netjes uitzag. Vooral onze
eetsalon maakte een keurig effekt. Het sierlijk bewerkte dak rustte op
zes zwaar vergulde en rgkelgk ,,en relief' uitgesnedene pilaren; een
paar prachtige, eveneens vergulde en kunstig uit hout gesnedene groote
wilmana^s (dierengedrochten) waren aan de zoldering aangebracht. Ook
onze slaapvertrekken waren zindelijk en netter dan we ze nog op Bali
hadden ontmoet. Op de p^dématCs (slaapplaatsen), die door witte
gordijnen waren omgeven, lagen kasoer^s (matrassen) en galèng^s (kussens),
die hier bij uitzondering eens niet naar wandluizen stonken of andere
ongenietbare geuren om zich verspreidden, en met helder wit katoen waren
bedekt. Al deze gebouwtjes lagen op een klein doch zindelijk plein. Yan
het
oogenblik van onze komst tot aan ons vertrek wisselden gamhoeVs lègong's
en djogH^s elkander letterlijk geregeld af en wel van *s morgens vroeg
tot 's avonds laat. Daar ik al deze vermakelijkheden reeds vroeger
beschreef, en ze overal vrij wel hetzelfde zijn, kan ik hier met deze
eenvoudige vermelding volstaan, onder bijvoeging evenwel, dat het ten
langen leste tamelijk vervelend begon te werden, en dat we ook daarom
reeds blijde waren, dat we bijna het eind van onze reis hadden bereikt.
In den namiddag gingen we eene wandeling
door de kotta maken, die hoewel iets oogelijker dan in Mengwi, toch alle-
allures had van eene Balische stad.
Zooals men weet, wordt Tahanan begrensd door Djemhrana^ Boe- lèlèng^
Mengwi, Bangli en de Indische zee. In het noorden des lands vindt men
hooge bergen onder welke de Piek van Tabanan een kegelberg, de hoogste
is. Het zuidelijk gedeelte is vlak en moet zeer vruchtbaar zijn. Tahana,
Boelelèng en Bangli zijn de eenige
rijken, wier uitvoer van vee nog eenigzins belangrijk is, hoewel ook
deze exporthandel in het laatstgenoemde rijk zeer aan het verminderen
is. Uit de overige rijken wordt weinig of geen vee meer uitgevoerd.
Het Balische rund, zooals ik vroeger reeds zeidc, eene banting-soort is
van goede kwaliteit, het vleesch, hoewel men er nu en dan een
muskussmaak aan kan bespeuren, overigens zeer goed. Het vee, dat van
Tabanan wordt uitgevoerd, moet naar Boelèling of Djembrana over land
getransporteerd worden, daar de reede van Tabanan om de zware branding,
die er altijd staat, noch door kleine inlandscbe vaartuigen, noch door
grootere schepen te genaken is. Op enkele tijden van het jaar kan men
bij het kustplaatsje Kédoengoe ankeren.
De bevolking ziet er flink, gezond en krachtig uit en heeft, behalve in
de stranddessa's , weinig van koortsen te lijden. Ook syphilis zou hier,
naar onze gastheer mij verhaalde, betrekkelijk weinig voorkomen. Pokken
heerschen hier even hevig als in de overige Balische rijken en maken er
vele slachtoffers. Het drinkwater, dat
hier en daar uit welputten komt, is zeer smakelijk. De afvoer van vuil
en van bet rioolwater, om het zoo eens te noemen, laat ook hier veel te
wenschen over. Wel wordt dagelijks de afval op de straten bijeen
gebracht en verbrand, doch de achtergeblevene asch en hetgeen overigens
nog liggen blijft vormt met het stagneerende
water eene drabbige massa, die aan het geheel een vrij vies aanzien
geefè. Evenals overal op Bali loepen de varkens bij massa's vrij door de
straten, zoekende wat er te verslinden valt.
De kotta was geheel in feestdosch gehuld, processies doorkruisten
haar in alle richtingen, hier en daar zag men kiosken met veel
klatergoud en bloemen versierd, terwijl er op verschillende punten van
de stad den geheelon dag door gamboeh-en wajang- voorstellingen plaats
hadden, en djogèd's on I^gong's hare Terpsichoreische kun* sten
vertoonden. Dit alles was evenwel niet ter eere van 's vorsten gasten,
doch ter gelegenheid van een groot verbrandingsfeest, dat over vier
dagen zou plaats hebben, als wanneer nl. de lijken zouden worden
verbrand van 's vorsten broeder, die twee maanden geleden, en een van 's
vorsten bij wijven , die zeven maanden geleden was overleden, welke
beide lijken nog boven den grond stonden. Het speet ons allen, dat we
niet konden blijven, om deze plechtigheid^ dat feest der feesten voor de
Baliers, in zijn geheel bijtewonen; wij verlangden allen te veel naar
het einde van de reis, naar onze Penaten. Was ik evenwel niet in de
gelegenheid de plechtigheid zelve bijtewonen, ik kon ten minste de
verschillende verbrandings* toestellen, die geheel afgewerkt waren, van
nabij' in oogenschouw nemen en bewonderen. Het was jammer, dat we geen
photographie-toestel bij ons hadden, of dat geen van het gezelschap goed
genoeg teekenen kon, om er eene afbeelding van te maken. Het geheel
maakte een prachtig effekt; ik zal trachten er eene kleine beschrijving
van te geven. Beide verbrandings-toestellen (wadah) stonden in eene
groote, hoog opgetimmerde loods, die aan alle kan ten nauwkeurig
gesloten was, om de wadaVs tegen den invloed van het weder te beveiligen,
doch ook om den toeloop van nieuwsgierigen te beperken; ons werd evenwel
bereidwillig toegang verleend.
Daar beide wadaKs vrij wel gelijk waren, met dit 'onderscheid evenwel,
dat die, welke voor het lijk van 's vorsten broeder bestemd was, zeven
en die van 's vorsten sëlir vijf verdiepingen (koempang) had, zal ik my
bij de beschrijving slechts bij één bepalen. Ieder gewoon
verbrandings-toestel heet tcadah] zijn er, zooals in dit geval,
verdiepingen op, waarop alleen de leden der drie hoogste kasten
aanspraak hebben, dan noemt men het wadah - ioempang. Daar de loods niet
hoog genoeg was, bestond de ivadah uit twee gedeelten, die bij de
plechtigheid op elkaar gezet worden. Alsdan is het een circa 25 meter
hooge pyramide met een voetstuk van
drie k vier meter in het vierkant. De pyramidale vorm wordt te
voorschijn gebracht, door de al kleiner en kleiner wordende toempang^s^
die ieder op zich zelve een langwerpig vierkant, eene soort van
tempeltje voorstellen. Het skelet van het groote gevaarte is van
gespleten bamboe en rottan gevlochten, zelfs de verbazend groote
gedrochten (wilmana^s en garaeda^Sj) drakenkoppen enz., die er aan de
buitenkanten op zijn aangebracht, hebben dit als grondsubstantie. Dit
skelet nu wordt met fijn kapas bekleed van alle mogelijke kleuren, met
dien verstande, dat bijv. het wit en zwart der oogen van de gedrochten,
de tong, de huid, in één woord alles door betreffende kleuren zoo
getrouw mogelijk wordt weergegeven. Geel, purper en blauw in verschil-
lende nuances, zijn trouwens de kleuren, die het meest vertc^n- woordigd
zijn. De deurtjes en stijltjes der toempang^s zijn met klatergoud
beplakt en hier en daar met stukjes zijde van verschil-
lende kleuren bekleed. De wilmana^s komen aan het onderste gedeelte voor,
terwijl zich een ontzachelijk groote garoeda (griffioen, het voertuig
van WisnoCj) met wijd uitgestrekte vlerken ongeveer ophet mid- den van
de geheele hoogte aan twee zijden bevindt. Voeg hierbij de honderde
kleioe, in vierkante vergulde lijstjes gezette spiegeltjes en het
klatergoud, dat is aangebracht, waar slechts een plekje daarvoor dis-
ponibel is, dan krijgt ge nog slechts een flauw denkbeeld van het effekt,
dat het geheel maakt.
Het feest, dat dagen achtereen ter eere van zulk eene plechtigheid,
die hier nog moest plaats hebben, wordt gegeven en waarbij groote sommen
gelds verkwist worden, komt natuurlijk geheel ten laste der familieleden,
in dit geval van den vorst. Yóór het huis, waarin de dooden bewaard
werden, en dat men kon herkennen aan de twee groote papieren (Chineesche)
lampions, die in dit geval damar koero^ng heeten en aan hooge bamboe-latten
zijn opgehangen, wisselden de ^am&o^^-vertooningen, waarin zelfs de
zonen van den vorst als ac-
teurs optraden, elkander aanhoudend af, zoodat op die plaats vooral, den
geheelen dag door, eene foule menschen op de been was. Behalve genoemde
tcadah^Sy zag ik nog twee van bamboelatten gemaakte,
en evenals de wadaK^y met gekleurd kapas en klatergoud bekleede koeien
(ten minste moesten ze dit voorstellen), die als lijkkisten dienen, om
de lijken nl. van de baU bandoeng (zie vroeger) naar de tvadah te
brengen, even vóór de verbrandingsplechtigheid zal plaats hebben. Daar
ik zulk eene plechtigheid niet heb bijgewoood, moet ik mij na- tuurlijk
van ecDc beschrijving onthouden; zooveel is zeker, al dat
fraais wordt met het lijk verbrand, de asch zorgvuldig bijeenverzameld,
den volgenden dag een eind ver in zee gebracht en daar aan wind eu
golven prijs gegeven. Nog dit: alleen de Dèwa-agoeng (vorst van
Kloengkoeng) heeft recht op QQxiwadahmQieiitoempang's, Ook hierbij wordt
dus jde hoogte van rang, stand en kaste ten
strengste in acht genomen. Desniettemin vermoed ik, dat de vorst van
Tabanan, als behoorende tot de derde kaste (dus zijn overleden broeder
ook), met zijne zeven toempang^By erg geurig buiten zijn boekje is
gegaan ; ik meen nl. te weten, dat hij recht heeft op slechts vijf
verdiepingen.
4 September. — Bollaan en ik begaven ons
heden morgen reeds vroeg op marsch, de eerste met het doel om eenige
geographische verkenningen to doen, en ik om eens rond te snuffelen en
na te gaan, of er niet iets was, dat eene bizondere aandacht verdiende.
Nauwelijka waren wij op weg, of wij ontmoetten reeds den vorst, die met
een groot gevolg zijne gewone morgenwandeling maakte; na eene hoffelijke
begroeting van weerskanten knoopten wij een gesprek met hem aan. Zooals
hij verzekerde, week hij van de gewoonte der andere Balische vorsten af,
om van den dag een nacht te maken ; hij ging altijd vroeg naar bed en
stond vroeg op, om, indien het weder het toeliet, eene wandeling te
maken. Dit voorbeeld van den vorsjt schijnt op de bevolking van de kotta
invloed te hebben, althans de straten waren reeds zeer levendig en
overal werden er aanstalten
gemaakt om den dag weer feestelijk doortebrengen. Hier trippelde reeds
een jeugdige lègong heen, geëscorteerd door staatsielansen en gevolgd
door de kleine straatjeugd; ginds zweefde een djogèd tong-
kohan in 't phantastisch balletkostuum met luchtigen tred door de
straten, gechapronneerd door de meer volwassen jongelingschap, die
belust was op het ngih'mg (met een ronggèng dansen) ; daar weer liep
een acteur in een allerbarokste klcederdracht, zich spoedende naar de
plaats, waar hij straks met anderen den volke moest onthalen op eene
^am&oeA-voorstelling ; zelfs weerklonken hier en daar reeds de
zachte toonen van een gamelan. De vorst zag dit alles met een duidelijk
merkbaar genoegen aan en bewoog zich onder al die men- schen als een
gewoon sterveling. De groote pajong, die boven zijn hoofd werd gehouden
en het gevolg, dat op eerbiedigen afstand achter hem aan liep, waren het
eenigste, dat in hem de majesteit
verried. Hij schijnt geen gebruik, ten minste geen misbruik van opium te
maken ; hij houdt zich, naar men mij verzekerde, veel met de
regeeringszaken bezig, regelt zooveel mogelijk alles zelf, beweegt zich
gaarne onder zijn volk en is daardoor bij zijne onderdanen zeer bemind.
Of het nu kwam van de feestelijke stemming, waarin zij reeds eenige
dagen verkeerden, zooveel is zeker, de menschen zagen er, dunkte mij,
allen vroolijk en opgeruimd uit; ik miste hier die angstige bedrukte
gezichten, die men bijv. in Bangli en Kloengkoeng
ziet, een gevolg van het terrorismus, dat in die rijken heerscht.
Wij bleven een geruimen tijd met den vorst praten en gingen toen
ieder ons weegs. Daar kwam juist in onze richting eene processie aan, en
daar de bergen nog in morgennevelen gehuld waren en Bollaan dus van zijn
plan moest afzien, besloten wij, de processie, die ook al ter eere van
het feest was, roor ons te laten defileeren en nauwkeurig optene« men.
Zij bestond uit de volgende elementen: vooraan gingen acht mannen met
lont- en vuursteengeweren gewapend, die zij aanhoudend met los kruit
laadden en afschoten; hen volgden dertig mannen, die op lange
bamboestokken drooge palmtakken droegen ; achter deze een gamelan
fjoetnangkirangy uit gong's en kromong's bestaande, waarop aanhoudend
werd getrommeld ; daarna twintig mannen, die aan hooge bamboestokken
verschillende kleedingstukken, baadjes, sarongs, enz., in miniatuur
nagemaakt en de garderobe van den overledene voor- stellende, droegen;
eenige mannen droegen oude versletene stoelen
of ander huisraad, zelfs zag ik er een met een kapspiegel; achter deze
liep ipet een vroom neepjes-gezicht eene padanda istri (vrouwe- lyke
priester), die het hoofd uitmaakte van een stoet vrouwen, die de
insignia {oepafjara) van den overleden vorst droegen, zooals versierde
krissen, alle mogelijke en onmogelgke soorten van drink- glazen, de
meeste met water (zeker tojatiria) gevuld, karaffen met dito inhoud,
waaiers, bonte zitkussens enz.; hierop volgden drie draagstoelen, in de
eerste en tweede zat eene vrouw, in de derde
een jongetje van ± 12 jaar ; de trein werd gesloten door een game- lan
als boven. Dat de stoet rechts en links geflankeerd werd door
verscheidene priesters en priesteressen, behoeft nauwelijks vermelding.
Een schrik voer me door de leden, toen ik die personen in de
draagstoelen zag; zouden die „ad majorem dei gloriatri*^ meê verbrand
moeten worden? Zij zagen er, dunkte mij, zoo bedrukt en martelaarsachtig
uit. Daar moest ik meer van weten. We sloegen een hoek van de straat om
en ontmoetten toevallig weer den radja met
zgn gevolg. Ik hield hem staande, vroeg hem, wie die personen waren, die
in de draagstoelen zaten, en vernam, dat het de naaste familieleden van
zijn overleden broeder waren, en dat er van verbranding van deze
personen geen sprake was. Erg leuk was die vraag van mij aan den vorst
niet, daar ik zulk een antwoord had
kunnen verwachten. Onze Regeeriug heeft nl. den vorsten van Bali op
straffe van haar ongenoegen, verboden om de vrouwen met het lyk van den
overledene te verbranden. Of ze het na deze bedreiging laten? Ja en neen.
Wel springen éen of meer vrouwen nu niet meer, zooals vroeger, levend,
in den vuurpoel {mésafija)^ zij het dan, zooals bekend is, hier en daar
in stilte, doch men heeft er iets op gevonden, om dit gruwelijk gebruik
toch te doen plaats hebben, zonder het verbod van het Gtouvernement te
overtreden. Men Iaat eenvoudig de ongelukkige slachtoffers, op den rand
van den brandstapel zich het hart doorboren en lijken mag men immers
verbranden en het krissen heeft het Gouvernement niet verboden. Zoo zijn
op deze wijze (men noemt dit m^pèndèm soenirang) een paar maanden
geleden drie vrouwen van den overleden vorst van Bangli opgeofferd. Het
is trouwens nog niet lang geleden, dat onze Regeering den vorst van
Mengwi hare ontevredenheid betuigde wegens de overtreding van haar
verbod; on over het lot dier beide vrouwen, die ik in de draagstoelen
zag, ben ik volstrekt niet zeker. Indien de Regeering machteloos blijft,
om meer klem aan haar eens uitgevaardigd verbod bijtezetten, dan is het
te voorzien, dat nog tal van ongelukkigen op deze wijze zullen worden
opgeofferd.
Gelukkig heb ik nooit zulk een afschuweijk
schouwspel bijgewoond, en toch kan ik het mij eenigzins voorstellen.
Alles in de omgeving van de plaats, waar de verbranding zal plaats
hebben, is in feesttooi, vlaggen en wimpels versieren het plein, dat
gevuld is met angstig wachtende nieuwsgierigen van iederen stand, rang
en
leeftijd, opgeroepen uit alle oorden van het rijk door de eentoonige
slagen van den koeUkoel; de gong gedé weerklinkt van alle kanten. Ziet,
daar naderen de ten vure gedoemde offers. Vrijwillig? neen, bij God niet!
instinktmatig, bedwelmd door opium, gebeden en onthouding van spijs,
drank en slaap volgen zij den priosterschaar, die haar begeleidt ;
maagden en vriendinnen vergezellen haar op dezen laatsten tocht, om als
een treurig souvenir een deel der kostbaarheden te ontvangen, waarmee ze
getooid zijn, als gingen ze ten feestdans. Met wankelenden tred
bestijgen ze het gevaarte en de een na de andere stort zich in den
ontzettenden vuurgloed. Een paar rauwe angstkreten en alles verkeert in
heilige stilte. Men hoort slechts het knetteren der vlammen, die de pas
toegeworpen prooi verslinden. Een korte, vreeselijke pauze en de menigte
juicht, de priesters heffen hunne gewijde liederen aan, al hooger en
hoogor stijgen de vlammen, als wilden zij met vurige tongen
verkondigen,welk lijden, gedurende één minuut slechts, daar pas is
geleden.
Eén minuut, doch een minuut van schrikkelijk, onnoembaar Igden. En nog
hooger^ ver hoven den vuurpoel wappert lustig en fi^r j^Neêr' lancTs
driekleur Ik zeide daar straks, dat de vrouw den man niet vrijwillig
inden dood volgt, dit is misschien wat te algemeen gezegd. Er zijn
werkelijk vrouwen, die zich sóhijnbaar vrijwillig in den vuurpoel
storten, of, wanneer de man op het oorlogsveld is gesneuveld, zich op
het
lijk den doodsteek geven (béh), ook eene moeder volgt meermalen haar
kind in den dood, eene bruid haar geliefde, een kind de moeder, ja zelfs
een vriend den vriend. Is ook hartelijke rouw, heilige piëteit
voor het geliefde pand hier voor een deel in 't spel, voor een groot
deel is het ook het feit, dat zij, die zich opoffert, innig overtuigd
is, dat zij voor die edele daad onmiddelijk na haren dood in de Satija-
loka wordt opgenomen, alwaar haar de onuitsprekelijkste genietingen ten
deel vallen, dat daardoor tevens al hare zonden zijn uitgewischt en zij
de eeuwige gelukzaligheid erlangt ; voegt men daarbij den invloed der
priesters, die ook, hier evenals elders, veel op de vrouw vermogen en
haar door alle mogelijke beloften tot die zelfopoffering trachten
overtehalen, en haar door vasten, gebeden en bedwelmende dranken in een
staat van ontoerekenbaarheid brengen, dan weet men, wat men onder
vrijwillig^^ in dit geval te verstaan heeft.
Men zou meenen, dat het menschenoffer, waarop door de belijders van
het Hindoeïsme zooveel prijs wordt gesteld, door eene zoogenaamd
goddelijke wet is voorgeschreven, dit is geenzins het geval.
Clavel in zijne Geschiedenis der godsdiensten^ schrijft dienaangaande
het volgende: „Het wetboek van Manoe (de groote wetgever der Hindoes)
bevat geene bepaling,- die aan de vrouwen voorschrijft, zich op het lijk
harer mannen te verbranden. In deze wetten wordt vermeld, als eene den
god welgevallige daad, dat de weduwen (?) van BramOj om de smart niet te
hebben van hem te overleven, zich allen op denzelfden
brandstapel opofferden. De wetgevers, die na Manoe kwamen, werden
ongetwijfeld door die vermelding aangedreven, om do volvoering van deze
afgrijselijke opoffering als eene zeer heilige daad, die door
de hemelsche belooningen zou achtervolgd worden, aan de weduwen
aanteprijzen. Eene zeer oude en algemeen bekende overlevering schryft
den oorsprong dezer barbaarsche gewoonte toe aan de volgende
omstandigheden. Wanneer de vrouwen in het koningrijk Kamara hare mannen
moede waren of van hen eenigen hoon of eene belee- diging ondergaan
hadden, aarzelden zij niet, hen door vergif uit den weg te ruimen. Dit
misdadig middel was zoodanig in zwang gekomen, dat het land eenigermatc
bedreigd werd, zijne mannelijke bevolking te zien verdwijnen. Om dit
ernstig gevaar te verhoeden, maakten de Braminen eene wet, die binnen
zeer weinig tijd in geheel Indié werd aangenomen. Deze wet legde het der
vrouwen ten plicht op, zich op het lijk harer mannen te verbranden, en
van dit tijdstip af hadden de vergiftigingen een einde''. Deze beide
verhalen komen mij eenig- zins paradox voor en laat ik ze daarom geheel
voor rekening van Clavel.
Het moet meermalen gebeuren, dat de vrouwen op
het gezicht van den vuurgloed, waarin ze zich moeten storten, zich
trachten terug te trekken; vooral wanneer hare kinderen haar op dezen
laatsten tocht
begeleiden, moet haar strijd verschrikkelijk zijn, hare angstkreten
klinken luide uit boven het gejoel der menigte; zij smeken hare beulen,
de priesters, die haar begeleiden, om 't leven, dat haar, vooral op 't
gezicht harer kinderen, die ze nog eens en nog eens aan het hart drukken,
thans dubbel dierbaar is, ze trachten te ontsnappen, doch door de
priesters en de fanatieke volksmenigte wordt dit verijdeld. Clavel (t.
a. pi.) haalt daarvan ook eenige treffende voorbeelden aan.
Doch genoeg! Het is te hopen, dat ons Gouvernement weldra krachtiger
zijne stem verheft tegen dit barbaarsch misbruik, ook in die rijken,
waar men, zooals onlangs in Bangli^ onze Regeering tracht
te fnuiken, door die te doen vervangen door eene niet minder
onmenschelijke daad. De eer onzer vlag, die in die rijken zich ontplooit,
onze naam als beschaafde natie eischt dit gebiedend!
Bij ons officieel bezoek, dat tegen twaalf uur ten hove werd afgelegd,
en waar wij door den vorst met zijne gewone hoffelijkheid werden
ontvangen, werd de vaccine-zaak besproken, en toonde ook deze vorst
zich zeer ingenomen met het voorstel, waaraan hij zoo spoedig mogelijk
gevolg zoude geven. Daar Tabanan^ zooals wij zagen, onmiddelijk aan
Boelèlèng en Djémhrana grenst en met beide rijken een
druk handelsverkeer onderhoudt, is dit van groot gewicht. Ik kan thans
tot mijn 9pijt hier bijvoegen, dat Tabanan tot dusverre achter is
gebleven in het voldoen aan zijne belofte.
De poeri is een prachtig en statig gebouw; zij is pas ongeveer zestig
jaren geleden gebouwd, nadat het oude paleis door brand verwoest was. De
vorst vroeg verlof, om van het officieele contrabezoek verschoond te
mogen blijven om de drukte, die hg met de feestelijkheden had, welk
verlof hem door den Gekommitteerde werd toegestaan. Na een half uur
oponthoud vertrokken we, om ons officieel kostuum thans voor goed in de
koffers te bergen. Des namiddags werd nog eene wandeling door de stad
gemaakt en de feestvreugde nogmaals van nabij gezien. Het meeste kabaal
werd er ge- maakt voor het huis, waar de lijken werden bewaard, en dat,
zooals wij zagen, te erkennen was aan de twee damar Tcoeroeng. Hier
joelde en krioelde de dichtste bonte menigte, hier wisselden de gamboeh
voorstellingen elkaar van *s morgens vroeg tot 's avonds laat aanhoudend
af, hier maakten de gamelan's, dan geheelen dag door, een oorverdoovend
geweld; hier was in één woord het middel- punt der feestvreugde.
Misschien stond dit in verband met het godsdienstig gebruik der Baliërs,
om door groot misbaar op het erf van een overledene de booze geesten te
verdrijven, die natuurlijk alle pogingen aanwenden, om zich van den
overledene meester te maken. Ook op het erf vóór ons verblijf was dien
avond de druk- te groot. Het was alsof de vorst ons het idéé wilde geven,
dat de vriendschap, die hg ons toedroeg, in evenredigheid stond tot het
leven, dat aldaar gemaakt werd. Nu, in dat geval was die vriendschap
groot. Op een klein erf stonden drie verschillende gamelan 's, waarvan
twee om ieder een ronggèng^ en één om een kleine lègong te
accompagneeren. Onafhankelijk van elkaar werden soms alle drie gamelan's
tegelijk bespeeld; hoe ons trommelvlies dien avond gestreeld werd, laat
zich vrij goed denken. Om zijne genegenheid voor ons nog duidelijker te
toonen, zond ons de vorst tegen elf uur acht, waaronder zoowel onrijpe
als overjarige, exemplaren uit zijn harem, onder begeleiding van eene
oude matrone. Hoewel het niet zeer galant was, werd evenwel het cadeau
van de hand gewezen en teruggezonden, doch niet dan nadat ik eenige
informaties had geno- men naar het leven in den harem en het lot dor
panjerodn '^. De ouderen onder haar werden zeer vertrouwelijk, toen ze
bespeurden, dat ik belang stelde in haar lot, en menige teurige
geschiedenis werd mij onder tranen verteld, waarvan ieder afzonderlijk
stof 'genoeg zoude leveren tot een boeiende doch hartroerende roman.
5 September. — Heden morgen om acht uur
namen wij den terugtocht aan langs denzelfden weg, dien wij bij onze
komst hadden gevolgd en onder hetzelfde geleide. Yoor ons vertrek uit
Tabanan kregen we nog even ter loops een particulier bezoek van den
vorftt, die ons tevens verzocht nog even met hem naar zijn paleis terug
te gaan, zeker om ons van daaruit het noodige saluut achterna te geven,
als blijk van zijne hartelijkheid. Daar dit ons niet te ver van onzen
weg afbracht, werd hieraan gevolg gegeven, doch we bleven slechts een
oogenblikje en vertrokken toen, onder het bulderen der kanonnen van de
poeri^ in de richting van Meng^wL Tot dusverre was onze tocht zonder
ongelukken afgeloopen. Wel hadden sommigen van het gezelschap eene
culbute gemaakt of op de ongedresseerde paarden, hoewel contre-coeur^
eene gratis-voorstelling gegeven van een y^sieeple cha8e^\ doch allen
waren er met den schrik afgekomen. Heden mor- gen evenwel kreeg de
kontroleur Heijligers zulk een trap van een paard tegen zijn linker
scheenbeen, dat er aaü het vervolgen van zijn reis te paard niet meer te
denken viel en hij in een draagstoel het nog resteerende van de reis tot
aan boord moest afleggen. Onderweg legde ik, daar de wond hevig bloedde,
een voorloopig verband aan, en in Meng^wi aangekomen, bleek het mij dat
de nervm en arteria tibialis antica waren gekwetst. Den volgenden dag
aan boord geko- men, onwikkelde zich, in weerwil, zooveel dit doenlijk
was, koude fomentaties waren aangewend en eene volstrekte rust in
liggende houding was in acht genomen, eene vrij uitgebreide periostitis
over de geheele tibia. Eerst zes weken na dit ongeval was hij in
zooverre hersteld, dat hij de terugreis van uit Banjoewangi naar zijne
stand- plaats Djémbrana kon ondernemen.
Op de grens tusschen Tabanan en Meng^wi was ons de, den lezer reeds
bekenden, rijksbestierder met gevolg tegemoet gekomen. In de kotta
aangekomen, namen wij onzen intrek in het vroeger door ons betrokken
logies, waar weer alles voor onze ontvangst in order was. Dadelijk na
onze komst aldaar, liet de vorst mij door zijn
broeder, den rijksbestierder, verzoeken bij hem te komen, daar hij mij
over zijn toestand wenschte te raadplegen. Hij leed aan eene zoogenaamde
opium-dysenterie (tenesmus, aanhoudende buikpijn, bloed-
afgang, doch geen défaecatie). Het abdomen was overal pijnlijk,
opgezwollen en gevuld met harde tubereuse faecaal-massa^s. Ik ontraadde
hem natuurlijk het opiumgebruik, schreef hem voorloopig oleum ricini
in groote dosis voor en daarna bicarbonas sodae^ welke medicamenten aan
zijn broeder den volgenden dag aan boord zouden ter hand gesteld worden.
Ik was bij die gelegenheid nog eens in de gelegenheid, om mij met eigen
oogen te overtuigen van de onzindelijkheid eener vorstelijke Balische
privaat-woning. Waarlijk een gewoon Javaansch dessa-man logeert beter.
Ik had later het genoegen te vernemen dat de doorluchtige zieke hersteld
is, doch weer even als vroeger aan 't opium-schuiven was.
6 September. — Na op diens verzoek nog
eerst, hoewel in den vroegen morgen, een bezoek te hebben afgelegd bij
den rijksbestierder, die tegenover het vorstelijk paleis resideert en
ons echt Europeesch aan vier zijner vijftiental vrouwen voorstelde, van
welke eene, zuster van den radja van Badoeng de Sultane favorite was,
vertrokken we naar Badoeng om van daar nog dien dag in eens door te gaan
tot naar boord, vergezeld door den rijksbestierder van Meng^wi en diens
zoon. Op de grens van Badoeng kwam ons de ons bekende Ooesti
Raka Poetri met eerewacht, paarden en koelies te gemoet en verzocht ons,
uit naam van den radja besaar Dèn passar^ nog een oogenblik in diens
paleis te komen, voor welke uitnoodiging evenwel beleefd bedankt werd,
eerstens wijl we dan genoodzaakt waren een langeren weg te nemen, doch
vooral ook, omdat we, nog in Tdbanan zgnde, eene uitnoodiging van den
radja Pam'tjoetan hadden ontvangen om op onze terugreis bij hem een
oogenblik uitterusten, welke uitnoo- diging door den Gekomdaitteerde
reeds was aangenomen.
Ik moet nog melding maken van een bezoek, dat we op onze terugreis in
Meng'wi brachten aan de dessa Kapal in welke dessa de gendie^s (bal.
tjaratan) gemaakt worden, die zulk eene Balische vermaardheid bezitten.
Wij waren in de gelegenheid om te zien, hoe vlug en met welke eenvoudige
hulpmiddelen de Kapalsche vrouwen
('t zijn alweer de vrouwen, die hier het werk doen) deze waarlijk
sierlijke en doelmatige gendie's maken. De grond in de omgeving van
Kapal levert hiervoor een uitstekende kleisoort. Met het poederen van de
grove klei, het zeeven, dat bij herhaling door al fijnere zeeven plaats
heeft, het aanmengen van het deeg en het maken van de tja- ratan werden
nauwelijks twintig minuten zoek gemaakt. Zij verschillen in zooverre van
de gewone Javaansche gendie's, dat ze een sierlijker vorm van buik
hebben, die meestal op een voetstuk rust; dat
de hals nauwer is en van boven in eene wijde opening eindigt ; doch
vooral ook omdat ze veel poreuser zijn en het water daardoor zeer koel
blijft. Zij zijn evenwel, zooals te begrijpen is, daardoor uiterst broos
en breken bij het minste stootje. Als men nu in Meng^wi woont is dit
geen groot inconvenient, daar we voor 200 kèpèng^s (onge- veer vijftig
centen Hollandsch) een geheel dozijn kochten en we zeker niet het minste
hebben betaald. We gaven de vrouw, die het ding voor ons gemaakt had,
voor hare moeite een stuk zilvergeld, dat in
hare oogen zeker een groeten schat vertegenwoordigde, en daar haar heer
gemaal er niet bij tegenwoordig was, zeker in haar spaarpot is verzeild.
Bij. het neerschrijven van het woord spaarpot komt mij nog iets in den
zin, dat ik der vermelding waardig vind. Wie der lezers herinnert zich
niet nog uit zijne prilste jeugd dat groen gekleurd, ellips-vormig
steenen heiligdom, dat op vier of drie dito pootjes stond, van achter
een krul, dat een staart en van voren twee uitsteeksels had, die twee
ooren moesten voorstellen, en hetwelk op den rug eene sleufvormige
opening had, te klein om een rijksdaalderstuk en nauwe- lijks groot
genoeg om een guldenstuk doortelatenP Wie herinnert zich niet de moeite,
die hij aanwendde, om dit pseudo-varkentje vet
te krijgen ? Wat een geluk en vreugde, als we op onzen verjaardag een
nieuw varkentje cadeau kregen, waarin ieder der familieleden een
klinkend offer plengde. Op Bali^ waarde lezer! heet een spaarpot
fjHjèlèngafiy afgeleid van het woord tjPlèng^ dat, *«ooals wij reeds
weten, varken beteelcent, en al is zoo^n spaarpot bij hen ook niet
evenals bij ons eene mislukte reproductie van oen tjëlèng, toch spreekt
ook de Balier van zijn varken mesten^ dat zooveel beteekont als zijn
spaarpot aanvullen. Naar ik meen te weten, vindt men ditzelfde
ook op Java,De oriëntalisten zullen zeker wel kunnen uitmaken, of wij
dit van de Insulaners met dea Indischen Archipel hebben overgenomen, dan
wel zij vaü ons. De dankbaarheid en de verbazing van de
fabrikante der gendie kan de lezer eenigzins beoordeelen, wanneer hij
weet dat een rijksdaalder (dit was het muntstuk, dat de vrouw ontving)
voor een gewoon Baliêr een heelen rijkdom representeert en dat dikwijls
zijn geheel liehben en houden niet veel meer waard is. De muntverdeeling
op Bali is als volgt: 1 boengkoes =10 pekoe = 50 atak^s = 10.000
kèpèng's.Eén boengkoes vertegenwoordigt de som van 25 gulden, zoo dat
een rijksdaalder gelijk staat met 1000 kèpèng's. Als men nu weet, dat
een Baliër voor eenige kèpèng*s een heele maaltijd kan koopen en dat
alle dagelijksche behoeften hiermede in evenredigheid zijn, dan kan men
nagaan welk een schat ƒ 2.50 voor de arme dessa- vrouw was. Als pasmunt
gebruikt men op Bali Chineesche duiten (kè- pèng's), die in het midden
een gat hebben en steeds bg 200 aan een bamboedraad zijn geregen. Yan
ons zilvergeld wordt alleen de rgks- daalder doch meer als luxe-dan als
ruilartikel gebruikt; ons ander
zilvergeld kan men op Bali niet kwijt raken, zij het dan om in zilveren
ringen, arm- of beenbanden vervormd te worden, waarin ook meestal de
rijksdaalders en Mexikaansche dollars worden omgezet.
Zooals gezegd, werd „en passant" even bij radja Pamtjoetan aangelegd,
die ons met eene collation Balinaise opwachtte. Hij geurde weer erg met
zijne vierkante flesch AYH waaruit hij ons als een HoUandsch matroos
bescheid deed. ^a een kort oponthoud, en na de noodige afscheidsgroeten
gewisseld te hebben, bestegen we onze paarden en gingen in vluggen draf
het eind van onze reis tegemoet, zoodat we reeds tegen twaalf uur bij
onzen Chinees, Lauw Ajamy den lezer reeds bekend, in Koeta aankwamen.
Oorspronkelijk bestond het
plan, om ons onmiddelijk aan boord van de Watergeus te begeven, doch de
eerste officier, die met onze terugkomst reeds vooraf was in ken- nis
gesteld, had ons doen weten, dat wij wegens de hooge branding niet vóór
twee uur konden embarkeeren. Hoezeer ons de rijsttafel aan boord ook
tegenlachte, moesten we dus van ons plan afzien en van de uitnoodiging
van den gastvrijen Chinees gebruik maken, om bij hem te middagmalen, en
waarlijk de uitstekende tafel, die hij voor ons had in orde gemaakt,
deed ons het gemis van de rijsttafel aan
boord geheel vergeten. De rijksbestierder van Meng^wi en diens zoon, die
met ons naar boord gingen, zaten met ons aan, en ik was daar- door in de
gelegenheid nog een treffend bewijs te zien van de piëteit der Baliërs
voor hunne afgestorvene verwanten, of zoo men wil, van hunne
bijgeloovigheid. De oude man at nl. niets van hetgeen van een viervoetig
dier kwam, zooals boter, varkensvleesch en ham, en dit vél in weerwil
hij door de voor hem ongewone beweging een stevigen appetit had. Dat
deze onthouding niets met zijne godsdienst
te maken had, weet de lezer, doch bleek ook reeds daaruit, dat zijn zoon
danig smulde en niets onaangeroerd liet. Toen ik hierover mijne
verwondering te kennen gaf, vertelde hij eindelijk na lang
dralen, dat zgne moeder hem op haar sterfbed dringend had verzocht om
voortaan niets meer te eten van alles wat van een viervoetig dier kwam,
om welke reden wilde hij niet vertellen. Die moeder was reeds sedert
vele jaren dood, en nog steeds bleef de zoon zgne belofte gestand. * Op
Java noemt men dit, meen ik, boejoet
of tjadoe. Dit was alzoo een prachtig pendant van de geschiedenis van „het
moedertje van Tjoelik*\ Of het noodig is, dat menschen, die zoo
kinderlijk geloovig, zoo roerend hartelijk denken en handelen, bij monde
van van Eek c. s. nieuwerwetsch-Christelijke denkbeelden worden
ingeprent? de lezer beantwoorde die vraag zelf. Die vraag beantwoorde
vooral van Eck^ mits eerlijk en oprecht!
Aangenaam werd ik verrast, toen even vóór ons vertrek naar boord op
het onverwachts de Chineesche vaccinateur uit Gjanjar (zie aldaar) voor
mij stond. Hij was dopr den vorst met twee ongeênte jongetjes
van zes en acht jaar naar Badoeng gezonden, om onze komst aldaar
aftewachten en te verzoeken om met „de Watergeus*^ meê naar Banjoetcangi
te mogen gaan, ten einde zich op de hoogte te stellen van het
administratieve gedeelte der betrekking en daarna met versche bibit naar
Gjanjar terug te keeren. Dat was dus een begin van uitvoering en leverde
mij het bewijs, dat mijne zending niet geheel zonder gevolg was geweest.
Het deed mij vooral genoegen, dat de rgksbesiierder van Meng^tvi hierbij
tegenwoordig was en het verzoek van den vorst van Gjanjar in zijn geheel
kon aanhooren. Het behoeft nauwelijks gezegd, dat de Kommandant van j^de
Watergeus^ gaarne een plaatsje voor den Chinees en de kinderen afstond.
Om twee
uur gingen we aan boord en namen alzoo afscheid van den Balischen bodem.
De rijksbestierder en diens zoon, de eenige personen van Yorstelijken
bloede, die een bezoek aan boord brachten, namen op het schip alles in
oogenschouw, bewonderden vooral de groote stukken geschut, door den
eersten werd met toestemming van den komman- dant zelfs een stuk
afgeschoten, en eindigden, na eene uitstekende ontvangst, met beide
zeeziek te worden, want er stond in de West- baai eene flinke deining.
Na de voorgeschrevene geneesmiddelen in
ontvangst genomen en ons verzekerd te hebben van hunne eeuwige
vriendschap^ werden zij met een sloep naar wal gebracht.
De dag werd op de meest aangename en joviale wijze doorge- bracht en
menig glas gedronken op onze behouden aankomst, als hadden we een
ontdekkingstocht onder de Roodhuiden gemaakt. In de oogen van een Baliêr
is het trouwens een greotere reis Hg, die wei- nig anders van de
buitenwereld kent dan Bali^ zijn Bali, noemt in zijne taal een reis om
dit eiland, een reis om de wereld. Des nachts om twee uur gingen we
onder stoom en lieten des morgens om elf uur het anker vallen ter reede
Banjoewangi.
Ik mag niet van boord gaan zonder melding te maken van het feit, dat
ik in mijne pogingen om de vaccine in de onafhankelijke rijken van Bali
ingang te doen vinden, krachtig gesteund werd door den-Gekommitteerde
voor de zaken van Bali en Lombok^ den Resident van Banjoewangi^ W, de
Vogelj voor welken steun Z. Hoogedelgestr. hier mijn beste dank wordt
gebracht.
Ook mag ik niet vergeten, te dezer plaatse de gulle en hartelijke
ontvangst te gedenken, die ons aan boord van „c^ Watergeus^* is te beurt
gevallen.
En zoo ben ik dan genaderd tot het eind van mijn reisverhaal, waarin
ik den lezer heb kennis doen maken met de zeden en ge- bruiken van een
volk, dat, al ware het ook alleen daarom, onze algeheele belangstelling
verdient. De lezer beschuldige mg niet, dat ik sommige misschien
cardinale onderwerpen uit het Balische volks- leven onaangeroerd heb
gelaten. Getrouw aan de opdracht, die ik mijzelf heb gedaan, heb ik, ik
zeide dit reeds in de voorrede, slechts de indrukken teruggegeven, die
ik op mijn reis door Bali en Lombok
opdeed, en alleen dat te boek gesteld, wat ikzelf heb kunnen hooren en
zien. Mocht ik in de gelegenheid zijn nog meer met de Baliêrs in
aanraking te komen, dan hoop ik te zijner tijd aantevullen, wat ik thans
uit gebrek aan eigen waarneming heb moeten achterwege laten. Vooral op
het gebied yan hygiëne, geneeskunde en aan-
verwante wetenschappen blijft er nog zeer veel belangrijks optemerken.
De bouwstoiFen voor een werk, dat meer opzettelijk deze onderwerpen
behandelt, worden reeds door mij verzameld. Mag ik mij vleien in de
vorige bladzijden, zij het dan ook eene kleine bijdrage te hebben
geleverd tot de land- en volkenkunde van
de in vele opzichten hoogst belangrijke eilanden Bali en Lombok^ aan den
anderen kant mag ik niet ontveinzen, dat mijne pogingen, om eene goede
vaccine-regeling in de onafhankelijke rijken dezer beide eilanden
intevöeren, slechts t^n deele het gevolg hebben gehad, dat ik er mij
oorspronkelijk van had voorgesteld. Immei^, sedert mijne terugkomst zijn
reeds eenige maanden verloopen en nog zijn de meeste vorsten in gebreke
gebleven hunne belofte, omBaliêrster opleiding naar Banjoetcangi
optezenden, gestand te doen, en dit in weerwil mijn voorstel steeds in
de vriendschappelijkste termen, die geen achterdocht konden verwekken,
was ingekleed, in weerwil einde- lijk de vorsten zelve de
prophylactische waarde der vaccine erkennen,
zooals blijkt uit het feit, dat zij zich en de hunnen, als er slechts
mogelijkheid toe bestaat, laten vaccineeren. Ook een brief, om de
vorsten, die in het voldoen hunner belofte waren ten achter gebleven,
nogmaals aan de zaak de herinneren, is tot dusverre zonder gevolg
gebleven. Alleen de vordten van Gjanjar en Badoeng hebben, zooals wij
zagen bewezen dat zij zich de zaak ernstig hebben ter harte genomen. Het
eerstgenoemde rijk heeft thans zgne twee goed ondor- wezene vaccinateurs,
die, ik koester hiervoor alle hoop, zorgen zullen,
dat de vaccine in dat njk niet in miscrediet komt Zooals ik reeds
vroeger aanstipte, is dit rijkje bij voortduring in oorlc^ met de ver-
schillende rijken, die het omringen, of staat met deze ten minste op
een gewapenden voet van vrede, zoodat de communicatie van de bewoners
van Gjanjar met Banjoewangi zoo goed als gestremd is. Deze omstandigheid
staat eene geroeide toezending van maandelijksohe vacciuerapporten aan
den opziener der vaccine te Banjoetcangi in den weg. Alleen door eene
jcutrlijksche inspektic zal deze zich dus van den ijver der vaccinateurs
en de deugdelijkheid der vaccine kunnen overtuigen, en het is in 't
belang der zaak, dat deze jinspektie zoo consequent mogelijk en vooral
consciëntieus plaats hebbe.
Badoengy dat negen jaren lang door zijn, door ons Gouvernement
bezoldigden, vaccinateur is om den tuin geleid, neemt in weerwil daarvan
de vaccine, zoo 't kan nog meer, in bescherming. Immers, de oppervorst
van dit rijk heeft zes personen naar Banjoewangi gezonden, met verzoek
deze allen tot vaccinateurs opteleiden. Drie dezer personen behooren tot
de hoogste, de drie anderen tot de tweede kaste. Yan deze zes personen
zullen na volbrachten leertijd, in ieder der drie distrikten, waarin het
rijk is verdeeld (nl. Dèn passar,
PamHjoetan en Kasiman) twee als vaccinateurs worden aangesteld.
Daarentegen heeft de vorst van Lombok een brief gezondeo, waarin hij
in beleefde termen mededeelt, dat hij van de toegezegde hulp afziet. De
lezer herinnere zich, wat ik vroeger aangaande 's vorsten vrees voor de
inmenging van ons Gouvernement in zaken, zijne rijken betreffende, ter
neder schreef. In dien brief verzekerde hij tevens, dat hij in zijne
beide rijken Karang-Asëm en Lomboky zonder onze hulp, de vaccine reeds
had ingevoerd.
De vorst van Bangli beantwoordde den brief, door de verzekering te
geven, dat hij te zijner tijd zgne belofte zoude gestand doen, en de
andere rijken Kloengkoeng^ Meng^wi en Ta&anan hebben den brief eenvoudig
gedeponeerd.
Onwillekeurig zal bij den lezer de vraag rijzen, welke toch de
redenen kunnen zijn^ dat de vaccine op Bali zoo moeielijk ingang kan
vinden; ik meen deze vraag niet onbeantwoord te mogen laten.
Dat redenen van politieken aard hierbij in het spel zijn, dat de
verrotte staatsinrichting, die de meeste rijken kenmerkt, hiervan een
groote schuld draagt, lijdt mijns inziens geen twijfel. Om evenwel te
voorkomen, dat het feit niet eenig en alleen op rekening worde gesteld
van de zucht der vorsten, om onze Regeering in hare goede
bedoelingen te contrarieeren, of van het weinige gezag, dat ze op hunne
onderdanen weten uitteoefenen, moet ik op een paar omstan- digheden
wijzen, die ook zelfs den goeden wil van den vorst in den weg staan of
ten minste kunnen staan, allen hinderpalen, die eerst langzamerhand en
door verstandige overreding zullen te overwinnen zijn.
1^. Geen lid eener hoogere kaste zal gemakkelijk te bewegen zijn, om
zich te doen inenten met pokstof, die genomen is van een per- soon uit
eene lagere kaste. De geschiedenis van de vaccine in Boe- lèlèng leert
ons, hoeveel moeite het heeft gekost, om een Brahmaan overtehalen, zich
te doen inenten met de stof, die van den arm van een kind uit de
5oe(]{ra-kaste was genomen. Eerst toen zij de zekere overtuiging kragen
van de heilzame werking der vaccine, waren ze er toe te bewegen.
2*^. Tot de privilegiën van de leden der eerste kaste behoort ook,
dat hun bloed niet mag vloeien, zoodat zij bijv: niet mogen worden ter
dood gebracht, en verwonding van een Brahmaan door iemand van eene
lagere kaste met den dood wordt gestraft. Moet een Brahmaan ter dood
worden gebracht, dan wordt hij eerst van zijne kaste vervallen vprklaard.
Bij het vaccineeren nu wordt met het lancet meermalen een wondje gemaakt,
groot genoeg om een droppel bloed te voorschijn te brengen, een gruwel,
die nog te grooter is in de oogen van een Brahmaan, die trotsch is op
zijne hooge geboorte, indien de vaccinateur zelf niet tot deze kaste
behoort. Dat de vac- cine in betrekkelijk korten tijd in BoeUlèng zoo
algemeen ingang kon vindeo, schrijf ik dan ook voor een niet gering deel
toe aan de omstandigheid, dat aldaar van het begin af twee Brahmanen als
vaccinateurs zija werkzaam geweest, en ik beschouw het als een waarborg
voor het algemeen worden der vaccine in een rijk, indien, evenals thans
in Gjanjar en Badoeng^ minstens de helft der vaccinateurs tot de eerste
kaste behoorcn. Daarbij mag het zedelijk overwicht, dat de leden dezer
kaste op die der lagere kunnen uitoefenen, niet uit het oog verloren
worden. Gaat een Brahmaan voor, dan volgen de anderen van zelf.
3°. Zooals men weet, is het rund bij de Hiadoes heilig. Weet nu de
Baliër de oorspronkelijke herkomst der pokstof, dan zullen vele vromen
in den lande gemoedsbezwaren tegen de vaccine hebben. Men doet in ieder
geval het best, dit te verzwijgen.
4®. Ook onder de Baliërs bestaat iets als een „praedestinatieleer".
Men stelt zich namelijk voor, dat het de bepaalde wil der goden is, dat
een zeker aantal menschen door de pokken wordt aangetast en dat het dus
gelijk staat met verzet tegen den goddelijken wil, indien men voorzoi^smaatregelen
neemt tegen het ontstaan der ziekte. Vroeger wees ik er reeds op, hoe
onder de Baliërs het geloof vrij algemeen is, dat de Dèwa Madjapahit het
menschdom de pokken bezorgt, en hoe hij, die zich hiertegen verzet, na
den dood gestraft
wordt met duizend jaar lange onthoudiug van de hemelsche gelukzaligheid.
Sommigen gaan zelfs nog verder^ en beschouwen het als een voorrecht,
door de pokken geschonden te zijn; vandaar bij hen de uitdrukkingen
kitjèn {begenadigd worden)^ païtja (een geschenk der goden) of këtjatri
(verordonneerd door de goden) alle euphemische termen voor „de pokken
hebben/* Dit denkbeeld schijnt zuiver Hindoesch te zijn en vindt men ook
bij de meeste Buddhisten terug. Een Chineesch meisje bijv. heeft
„ceteris paribus" meer kans op een huwelijk, als haar gezicht door de
pokken geschonden is.
5°. Wanneer er onder de Baliërs eene epidemie uitbreekt (bijv. pokken),
dan moeten de tempels der dessa. Waarin die epidemie uit- breekt,
gesloten worden, zoodat er niemand uit of in kan. Men begrijpt, dat dit
volstrekt niet strookt met hun godsdienstzin. Nu werd mij o. a. door den
rijksbestierder van Kloenkoeng verzekerd, dat de meening vrij algemeen
heerschende was, dat variolae en vaccine volkomen identisch zijn, dat de
eerste ziekte slechts een ergere graad van de laatste is, dat dus,
wanneer er in een dessa „en n^asse'' werd
gevaccineerd, dit* als eene epidemie wordt opgevat en aanleiding zou
geven, dat de geloovige gemeente de tempels niet konde bezoeken. Hij
deed dit gelden als een bezwaar tegen eene geregelde invoering der
vaccine. Ik heb deze meening in andere rijken niet bevestigd gevonden.
6^. De gewetenlooze handelingen van den pas ontslagen vaccinateur van
Badoeng hebben het geloof aan de prophylactische waarde der vaccine een
gevoeligen schok toegebracht. Eenige kinderen uit Meng^wij door hem
ingeënt, hadden, zoo verzekerde mij de vorst van dit laatste rijk,
niettemin pokken gekregen. Toen men hem hierop wees, zoo vertelde men
mij, dekte de schurk zich door een wissel te trekken op de
bijgeloovigheid van het volk. Er had nl. een kala (booze geest) in de
dessa gespookt, want, bij India, de bihit was uitste- kend en door
hemzelven te huis op het lancefje gedaun. |