Aan het begin van de achttiende eeuw was de Nederlandse
republiek, dat wil zeggen de VOC, de grootste macht in
Zuidoost-Azië. Behalve in Indonesië waren de Nederlanders sterk
vertegenwoordigd in India, Ceylon, Formosa, Mauritius, Malakka,
Perzië, Noord-Amerika, Guyana en de Antillen in West-Indië,
Brazilië, Zuid-Afrika en Guinea aan de westkust van Afrika. Nog
geen honderd jaar later was de voc bankroet.
De achteruitgang was te wijten aan de reeds genoemde oorzaken:
hebzucht, vriendjespolitiek, wanbeheer, naast radicale politieke
veranderingen in Europa. Hoge ambtenaren verrijkten zichzelf
door middel van illegale privé-handel, smeergeld, dubbel
boekhouden en verduistering. De bewindhebbers van de Compagnie
verzamelden niet alleen enorme privé-fortuinen, maar gingen zich
ook openlijk te buiten aan nepotisme op grote schaal. De
beruchtste gouverneurs-generaal in de achttiende eeuw waren
Durven, Van der Parra, Jeremias van Riemsdijk, Alting en Siberg.
Van Riemsdijk importeerde bijvoorbeeld een kristallen koets met
een stel Arabische paarden en benoemde zijn zoon op negenjarige
leeftijd tot betaald ‘assistent’ en toen hij zestien was tot ‘administrateur’.
Van der Parra, een ijdele man en een trouw kerkganger, benoemde
vooral familieleden en vrienden op lucratieve posities en
verkocht andere aantrekkelijke banen voor een jaarlijkse ‘compensatie’.
De namen van de families Alting en Siberg werden synoniem met
nepotisme.
De bewindhebbers in Amsterdam waren zich van de fraude en
corruptie goed bewust, maar gouverneurs als Van Riebeeck,
Zwaardecroon, Van Imhoff of De Klerk, die reorganisatiepogingen
ondernamen, leefden niet lang genoeg, waren door eerdere
betrekkingen gecompromitteerd of werden tegengewerkt. Het kon
zelfs voorkomen dat verbeteringen zelfs wettelijk werden
vastgelegd maar in de praktijk onmogelijk uitvoerbaar bleken.
Men gebruikte bijvoorbeeld de oude truc van bezuiniging op
kleine uitgaven terwijl de algehele structuur van misbruik en
fraude intact bleef.
Terwijl de privé-fortuinen groeiden, ging de Compagnie steeds
sneller achteruit. De VOC bleef dividend op haar aandelen
uitkeren, hoe de zaken er ook voor stonden. Halverwege de eeuw
waren de schulden alarmerend hoog en waren de liquide middelen
uitgeput. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) stopte de
geldstroom helemaal. In 1781 vroeg de voc voor het eerst om
financiële steun bij de Nederlandse regering; een paar jaar
later bedroeg de schuld van de Compagnie 140 miljoen, en op de
laatste dag van 1799 hield zij officieel op te bestaan. |