|
Singaradja- Kintamani Den 12* Augustas, des
morgens om 8 uur, nam onze tocht over land een aanvang. De stoet bestond
uit den Gekommitteerde, den Ass* Resident Vriesman^ den Controleur
Sekretaris BeijgerSj den Luit*, t/z BoUaard die door zijn Eommandant was
aangewezen om op deze reis geographische waarnemingen te doen, mijn
persoon, en
een gevolg van Balische hoofden, waaronder drie Balische priesters (padanda),
die als leden van het inlandsch gerechtshof {Kerta) aan het hof van
Bangli eenige hangende kwesties te vereffenen hadden. De Heer Vriesman
ging eveneens slechts tot Bangliy het eerst door ons te bezoeken ryk,
mede, ten einde de officieele bevestiging van
den, een paar maanden geleden aangestelden, vorst bij te wonen. Yoor ons
uit ging een twintigtal personen met staatsie-lansen ge- wapend, terwijl
een stoet van ruim 250 koelies, die onze barang- barang droegen, ons
volgde. Het doel van onze reis voor dien dag was de op 14 palen afstand
gelegene groote dessa Bila, die we tegen 11 uur *s morgens bereikten.
Hoewel we flinke paarden hadden, konden we toch niet vlug vooruit,
eerstens om de vele bagage die meegevoerd werd, doch vooral omdat we van
kampong tot kampong met gamelan-muziek werden begeleid, en bijna in
iedere kampong door het kamponghoofd op de gebruikelijke wijze met eene
frissche teug klapperwater werden verwelkomd. Onze weg voerde langs een
sterk geaccidenteerd terrein, bijna zonder eenige schaduw, zoodat we,
daar de lucht helder was en geen koeltje ons verfrischte, een warm
tochtje hadden.
Eenige maanden geleden had ik, bij gelegenheid van eene vaccine-
inspectie, Boelèléng in alle richtingen doorkruist en had toen de
ondervinding opgedaan, dat de wegen over het algemeen uitstekend wor-
den onderhouden, dank zij de zorg van den Ass* Resident, die in zyn
zucht tot bevordering van de welvaart van Buleleng^ krachtdadig wordt
ter zijde gestaan door den reeds boven genoemden kapitein Chinees. Over
't geheel steekt Boelèléng^ dat sedert een 25 tal jaren aan ons gezag
onderworpen is, en door een Ass^ Resident, onder den
Resident van Banjoewangi^ wordt bestuurd, zeer gunstig af bij de overige
Balische rijken. Uit alles spreekt duidelijk de invloed van het
Europeesch bestuur. Overal heerscht welvaart en orde en ook de menschen
zien er gezond en krachtig uit.
We passeerden op dien dag de dessa's Sangsit; in de nabijheid van
deze dessa, nl. in Krobokan en Semhiran^ evenals in den West Boelèléng
gelegene dessa’s Tjempaga.
In Sidatopa moet nog een stam bestaan van de
vroegere Bali-aga (aanhangers van het oud Polijnesisch heidendom),
verder Bangkala met een prachtig gezicht op de Boeleleng-sche bergen. In
het gebergte bij deze dessa huist volgens de legende de godin {Dèwa-ajoe
Bangkala) die het Balische menschdom de kropgezwellen bezorgt (waarover
later); dat aan deze godin veel ge- offerd wordt, behoeft geen nader
betoog; verder Koéboe-Tamhahan alwaar ik bij eene vroegere gelegenheid
ten huize van het kampong- hoofd een goed nachtkwartier had gevonden, en
eindelijk Bila dat op ongeveer 1000 voet boven zee ligt. We namen hier
onzen intrek by het dessa-hoofd en vonden er een uitstekend logies. Den
eersten dag van onzen tocht werd gezellig doorgebracht, onze kok gaf uit-
stekende bewijzen van zijne kunst, en in den na-avond werden we door
onzen gastheer uitgenoodigd de bedrevenheid te zien van een paar
gandroeng^s.
Eene beschrijving van deze gandroeng^s schijnt mij ook daarom niet
overbodig, wijl zij oenig licht kan werpen over het zedelijkheids-
gevoel, dat op Bali vrij algemeen, zelfs in hoogere kringen bestaat.
Gandroengs dan zijn jongens van tien tot twaalf jaren, die als dan-
smeisjes uitgedoscht onder begeleiding van de gamelan (of daar
deze bij die dansen het meest volledig is, semar-pegoelingan ge- naamd)
dansen uitvoeren. De kleeding, bestaat uit eene prachtige sarong, die
tot onder de armen is opgetrokken en door een broeden, rijk met
gouddraad doorweven buikband wordt bevestigd, een hoog opgewerkt met
bloemen en van klatergoud weelderig voorzien hoofd- tooisel, de om de
heupen geslagene salendang, (Bal: ontjèr) waarvan de uiteinden vrij
afhangen, de soms prachtige armbanden en de waaier, ze zoude w^aarlijk
het idee geven, dat het een meisje is dat daar zoo bevallig op de toonen
der muziek heen zweeft, coquet gesticuleerende met de armen, terwijl de
eene hand een der uiteinden van de ontjèr de andere de waaier bevallig
vasthoudt. Doch ge weet reeds, dat het jongens zijn, en het walgt u
wanneer ge ziet hoe eindelijk man- nen uit alle standen en rangen der
Balische maatschappij hunne kèpèngs (chineesche pasmunt) offeren, om
soms in de zonderlingste houdingen dansen met deze kinderen uit te
voeren, en het walgt
u nog meer, wanneer ge weet, dat deze kinderen soms na uren lang
perpendiculaire exercitiën, genoodzaakt zijn om doodmoe en afgemat met
den meestbiedende nog horizontale manoeuvres uit te voeren, na eerst
door den een gestreeld, door den ander gezoend te zijn. En hierin ziet
de Baliër niets, hij maakt er volstrekt geen geheim van en weet het
zelfs met een waas van godsdienst te om- kleeden, doch velen dezer
loopen rond met rhagades en ulcera ad anum en kwijnen weg en sterven een
vroegtijdigen dood.
Wij bleven dit volksvermaak eenigen tijd aanzien en begaven ons toen
naar ons logies, alwaar we nog een poos gezellig bijeen bleven. Onze
slaapplaatsen waren uiterst primitief, echt Balisch, ongeveer in de open
lucht; toen ik in den vroegen morgen van de koude ont- waakte, bespeurde
ik, dat ik mijn nachtlogies met eenige kippen had
gedeeld, die heel ongegeacard volgens landsgebruik over mijn corpus
wandelden en door kraaien en kakelen mij waarschijnlijk te kennen wilden
geven, dat ik wederrechtelijk van haar eigendom had gebruik gemaakt. Wij
hadden vrij wat moeite om onze verkleumde ledema- ten eenigzins te doen
ontdooien en 't was daarom goed, dat we vroeg
op reis gingen, daar we bovendien een langen en vermoeienden tocht Yoor
den boeg hadden. Om 6 uur zaten allen te paard en daar de koelies met
het grootste deel van onze bagage reeds vooruit waren, konden we een
flinken draf aannemen. Oorspronkelijk bestond het plan om tot aan de
dessa Daoesa in Bangli door te gaan, er te
rijsttafelen en daarna onze reis te vervolgen, doch om onvoorziene
omstandigheden moesten we, zooals we later zullen zien, dit voornemen
laten varen.
De weg, die zeer goed was, steeg aanhoudend en voerde langs de dessa
’s Tamblang, Tangkid.Klampwak, Pengtjahan, neutraal terrein. tusschen de
rijken Boelèlèng en Bangli. Kembang-Sarie, Lateng, Daoe- sa , Bantang,
Koeta-dalam en Kinta-mani, In Daoesa, waar we, zoo- als ik zeide, zouden
rijsttafelen, was, hoewel daags te voren een
boodschapper derwaarts was gezonden, en ook de vorst van onze komst
aldaar kennis droeg, niets voor onze ontvangst gereed, zodat maar
besloten werd, zonder rijsttafel gebruikt te hebben, in eens tot aan
Kinta-mani doortegaan. Tot vóór laatstgenoemde dessa waren we aanhoudend
gestegen, tot dat we op den top van den
Soekawana eene hoogte van ongeveer 6000 voet hadden bereikt, om van daar
af tot aan Kinta-mani weer ± 1400 te dalen. Deze dessa ligt namelijk op
eene hoogte van 4570 voet. Tegen 2 uur in den namiddag kwamen we aldaar,
vrij vermoeid en half geblakerd door de brandende zon, aan.
Behalve in de vroeger genoemde dessa's in het Boelèlèngsche, vindt
men ook in de pas genoemde dessa Kinta-mani^ in Këdisan^ in Soekawana en
om het meer bintang Danoe (alle in het Bangli'sche gelegen) alsmede in
de dessa Tênganan (in Karang-Asem) restes der Bali aga (zie vroeger) die
zich van de Hindoe-Baliérs, behalve door hunne
tijpe en hunnen godsdienst, ook door hunne zeden en gewoonten, zelfs
door hun taal en kleederdracht onderscheiden.
Prachtiger natuurgezichten dan we dezen dag te zien kregen, laten
zich nauwelijks denken; dit werd zelfs erkend door hen van ons
reisgezelschap, die Java's binaenlanden hadden bereisd. Ik ben te veel
prozamensch om den indruk weer te geven, dien dit alles op mij maakte.
Daartoe moet men dichter zijn'' jusqu'au bout de ses ongles", dichter
met de meest verhevene phantasie, en ook dan nog kan men de
werkelijkheid slechts ten deele teruggeven. Mohr in zijne „Geschiohte
der Erde^* zegt terecht: „keine Phantasie ist so erhabeo, so wahrhaft
poëtisch al.s die wirkliche nackte Natur", Wel kan ik u wijzen op steile
ravijnen met duizelingwekkende diepte, op kabbelende beekjes en
prachtige watervallen, door de stralen der zon gemetamorphoseerd in
vloeibaar kristal; op lachende dorpjes en groenende en goudgele sawah's
van uit de hoogte gelijkend op Neurenburger speelgoed; op de goddelijk
schoone vergezichten op omliggende bergen, wier kruin tot in de wolken
reikt ; op de rookende kraters van den heiligen Batoer, vriens donderend
gebrul alleen de plechtige stilte verbreekt, die ons omringt; op het
schoone kratermeer, door een lichte zephir tot zachte kabbelingen
bewogen, waarin de zon duizendvoudig weerkaatst; op eenc rijke tropische
vegetatie die dit alles stofFeert, en de eindelooze blauwe Oceaan, die
dit
panorama voor een deel omlijst; doch ik vermag niet de bevallige
nonchalanche te schetsen, waarmee de lieve natuur dit alles daarheen
wierp, en gevoel mij onbekwaam om die majesteit, die poesie, die dat
alles vertolkte, onder woorden te brengen.
Het stilzwygen, dat we gedurende dezen tocht bijna geregeld bewaarden,
verried dan ook den diepen indruk, die al dit natuurschoon op ons maakte,
en ik kan het u maar half Tergeven, vriend Bol laard dat ge van tijd tot
tgd uw paard inhieldt en uw smalkaldische boussole of ander instrument
te voorschijn bracht om de hoogte van eenen bergtop, de diepte van een
ravijn of de krommingen en hellingen van den weg te bepalen, en met
minutieuse nauwkeurig- heid en prozaisch geduld al dat natuurschoon in
uw zakboekje in cijfers en graden overtebrengen. Onder de rijke
vegetatie merkte ik, behalve eene groote verscheidenheid van varens en
slingerplanten , o. a. op de Valeriana javanica {djëhén\ de Myrsine
arvoensis {kajoe boeloé)^ de Aniidesma panicidatum {bonij met eetbare
vruchten, Jav: woeni wordt gebruikt om de bessenjenever natemaken,
waarna het eenigzins smaakt)de Sandoricxim Indicum^ nat. fam. d.
Meliaceae (sëntoel^ eveneensmet eetbare vruchten), de Cedrella Toona die
de cort. chinae-chinae levert en koorts-werende eigenschappen bezit {soerey%\
verschillende casuarina' soorten, hier en daar een enkele Tectona
grandis, die het djatti-hout levert, Lontar- en andere palmsoorten^ vele
planten behoorende tot de familie der Cucurbitaceae^ lotushloemeny
versclieidene Laurineae^ waaronder de Cinnamomum sassafras {massooi)^
cacttcssoorten^ enkele waringin*s^ eene soort wolboom en vele
bamboe-stoelen, en hetgeen mij het meest interesseerde , de Pengawar (=
geneesmiddel) djambiy (Cibotium glaucescenSj nat. fam. der Polypodiaceae)
ie agnus scythicus^ gelijk de pharmac. Neerl. deze plant noemt. Niet ten
onrechte wordt zij aldfftir beschreven als: magnitudinis valde diversae,
variis ludens formis et nonnunqvMm animalis quadrupedis speciem simulans
;waarlijk wanneer men op eenigen afstand sommige exemplaren van deze
plant ziet, met haar goudkleurig wollig bekleedsel en hare dikke
tubereuse uitsteeksels, dan kan men met een weinig phantasie gelijkenis
zien met een of ander dierengestalte. Hoe hooger wij stegen, des te meer
wilde frambozen-struiken (gaoengoeng) zagen wij, die enkele rijpe
vruchten droegen. Een heester, die ons op onze reis zoo dikwijls
gewichtige diensten bewees en die men door geheel Bali in abundante
hoeveelheid langs de wegen vindt en ook elders in den Indischen Archipel
wordt gevonden, mag ik hier niet verge- ten te vermelden. Het is de
Vilex trifolia L. nat. fam. der Verbenaceaej op Java legoendij op Bali
liligondi genaamd. Een der ongezelligste doch meest verspreide der
Balische huisdieren is voorzeker de wandluis (titih) (Acanthia
lectularia) die het gemakkelijkst wordt verdreven door de bladeren van
genoemde legoendiy en ik kan ieder, die ooit op Bali moet reizen,
aanraden er een niet te zuinig gebruik van te maken. Men gebruikt de
bladeren van deze plant aldaar ook om de klander (boeboek) uit de rijst
te weren, tot welk einde men ze in de rijstschuren legt. De lieve natuur
is soms coquet grillig; daar waar ze het menschdom bezoekt met een plaag,
geeft ze ook meestal het middel om die plaag te élimineeren. In landen,
waar koortsen het meest en het hevigst voorkomen, tiert de Chinaplant
het weligst; landen, waarin een domperras de vuile handen
aan het staatsgebouw durfc te slaan, brengen een Bismarckj Multa- tulij
Freijcinetj Bruno Bauer^ Renarij Strauss en een Spinoza voort, én waar
de luiheid inheemsch is^ daar groeit de rottan in groote hoeveelheid.
Op de grens tusschen Boelèlèng en Bangli werden we namens den vorst
van dit laatste rijk ontvangen door iemand, die wegens diefstal geruimen
tijd op Boelèlèng was verbannen geweest en wiens straftijd schikt zijn
voor hun taak, en hunne betrekking zoo conscientieos mogelijk waarnemen.
Ik inspekteerde bij die gelegenheid 107 dessa* 8
en van de 12,155 kinderen die ik zag, was slechts een niet noemens-
waardig aantal niet of niet voldoende gevaccineerd, van welke trouwens
het grootste deel door pasgeborene kinderen werd ingenomen.
Behalve in de grens-kampongs waar, door het aanhoudend contact met
geinfecteerde personen nu en dan pokkon-gevallen onder nog ongeénte
kinderen voorkomen, hoort men in Sof dan ook niet meer van variolae.
Door pokken geschondene jongere individuen zijn daar dus hoogst zeldzaam.
Nauw^elijks is men evenwel de grens gepasseerd, of
men ziet bijna de helft en soms meer der personen pokdalig. Dit geldt,
zooals we zullen zien, voor geheel Bali.
Een ander feit dat mij trof, is het groot aantal kropgezwellen
igondong) dat men ontmoet en wier aantal bijna in evenredigheid staat
tot de hoogte waarop men zich bevindt, eene omstandigheid, die mij ook
bij mijn vroeger bezoek aan Boelèlèng verraste. Zgnze in de dessa
Sangsit zelden, in Biela ziet men reeds een aantal menschen vooral
vrouwen, met soms afzichtelijk groote kropgezwellen rondloopcn, en dit
aantal neemt gaandeweg toe, hoe meer men den top van den Soekawmia
nadert In Daoesa^ doch vooral in JCmto- niani is dat getal verbazend
groot, zonder overdrijving zeker de helft van de bewoners. In
laatstgenoemde dessa zag ik zelfs een groot aantal nog jonge meisjes met
groote kropgezwellen. In vele gevallen scheen de geheele schildklier in
't proces betrokken, in de meeste gevallen evenwel deed de ziekte zich
voor als struma lateralis sinistra. Evenals bij vele ziekten op Bali^
bestaat ook bij deze ziekte de behandeling eenvoudig in het brengen van
offers aan de godheid, bij deze ziekte speciaal aan de reeds vroeger
genoemde Dewanxjoe Bangkahj of deze of gene baljan prevelt eenige
mantra's. Bij een voeger bezoek op Bali trof ik het, dat er juist een
bidstond „en gros" plaats had, om den toorn van deze gevreesde godin van
de goé gemeente afteleiden.
Als een voornaam aethiologisch moment voor het ontstaan eener ziekte
beschouwt men het betooveren, nglèjak. Kan men bewijzen (?) dat iemand
van toovermiddelen, heeft gebruik gemaakt om een andcu* eene ziekte te
bezorgen of een ongeluk op den hals te halen, dan wordt hij buiten het
rijk verbannen {toendoeng) ; vroeger stond hierop de doodstraf.
Heksen-processen, zoo ala ze bij meer beschaafde naties in vroegere
jaren gebruikelijk waren, zijn ook den Hindoe niet vreemd, zijn
misschien geheel van Hindoeschen oorsprong. Het mag eenigzings
verwondering baren, dat het volk, in weerwil het geen effekt ziet van al
dat bidden en offeren, toch telkens weer naar hetzelfde middel grijpt
ter genezing, zoowel van deze als van vele andere ziekten. De reden ligt
hierin, dat de arme lijder zich steeds heel pacifiek tevreden stelt met
de troostrijke uitspraak van den baljan (een soort doctor die of door
inspiratie of door raadpleging van de öesada de Bal: pharmacopea)
practiseert, dat zich een kala (booze geest) tegen de genezing heeft
verzet, of in den patiënt is gevaren, of dat het de wil van de godheid
was, dat hem dit lijden werd beschoren. Doch bidden en offeren, man! En
de arme lijder bidt eft offert Balisch (d. i. kinderlijk) geloovig tot
aan zijn laatsten snik en sterft hoewel ongenezen met een „Credo" op
zijne lippen, tow^cow-me chez nous.Zooals wij later zullen zien, maken
de Baliêrs ook gebruik van medicamenten (inheemsche planten meestal)
zoowel in- als uitwendig.
En dm onze vermoeidheid, en vooral om de ongewone koude eenigzins te
ontvluchten besloten we vroeg op onze veldbedden te kruipen. Doch we
hadden buiten den kouden mist gerekend, die door duizendreten en gaten
ons verblijf binnen drong; daarbij komt, dat ik bij mijn vertrek niet
voor extra verwarmings-middelen gezorgd had, zoodat ik dan ook geen
oogenblik sliep. Klappertanden en mopperen op 't infame logies en de
Batoer mopperde mêe, heel unheimisch! Dat geen der bedienden sliep bij
zulk eene voor hen ongewone koude laat zich denken. Des nachts om vier
uur kon ik het letterlijk niet meer uithouden, in weerwil ik gekleed te
bed lag. Door
de reten van het vertrek had ik buiten een helder vlammend vuur gezien,
waarom zich de bedienden hadden geschaard. Liever nog „en canaille" bij
een lekker vuur, dacht ik, dan half dood gevroren op mijn veldbed. In
minder dan geen tijd zat ik met de teenen in de asch in druk gesprek met
de bedienden, van welk gesprek het
onderwerp Koudé natuurlijk schering en inslag was. Er hing een zware
mist, zoodat men nauwelijks twee voet ver van zich af voorwerpen of
personen kon onderscheiden. Ik was dus in de wolken, wel te verstaan,
niet in figuurlijken zin. Het duurde niet lang of andere leden van het
gezelschap volgden mijn voorbeeld, en klokslag vijf zaten allen om het vuur bijeen, om den dag aftewachten. Ik
moet nog melding maken van een bezoek , dat we gisteren, op onzen tocht
herwaarts, brachten aan een ouden Hindoe-tempel, die
op het hoogste punt van den Soehawana) in de onmiddelijke nabij- heid
van doB Batoer^ is gelegen. Deze poera, waarheen vroeger geheel Balt ter
bedevaart ging, is thans niet veel meer dan eene ruïne met verminkte
Hindoe-beelden ; enkele jonVs en lingga^s en een paar Buddahbeelden
hebben aan den tand des tijds weerstand kunnen
bieden. Overigens levert deze plek, waarheen men van af den weg langs
een zeer steil en bijna onbegaanbaar pad komt, een schilderachtig
gezicht op de omgeving op. |