Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng

Bali 's Historie van de 6 de eeuw tot 1949

1911 Zwerftochten door Bali

Door Henry Hubert van Kol, Lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal

V. HET RIJK VAN TABANAN.

A. DE VERWIKKELINGEN IN TABANAN.

Na ruim 2 uren te hebben gewacht op het karretje van een Chinees, ging het, getrokken door ellendige biekjes en voor veel geld, van Dën Pasar (3 Sept. 1911) naar Tabanan, de hoofdplaats van het naburige landschap. Langs den weg, weer dwars door weelderige rijstvelden loopende, zag men alom padi torsen, door de vrouwen op het hoofd, door de mannen aan pikollans gedragen. Op vele velden duidden wit-zwarte wimpels aan, dat men handen vroeg om te oosten, waarmede elders talrijke Baliers zich bezighielden. Voor Kapal en Bringkit (één aaneengesloten desa met den voorloopigen Vorstenzetel Mengwi vormende), werd de P. Oela- nian bereikt, die de grens vormt tusschen Badoeng en Tabanan, de beide landen wier Vorsten zóó nauw met elkander waren ver-
bonden in lief en leed.

Tabanan heeft een oppervlakte van 16 v.k. G.M. of 880 v.k. KJ^; het aantal inwoners werd in 1873 op 180.000 geschat, in 1883 op 205.000 en tegenwoordig op 122.000, zoodat sommige dezer opgaven geen vertrouwen verdienen. De vrouwen in dit iand zijn goedf gebouwd, en ondanks haar weinig expressief ulteriljk, eer mooi te noemen. Kediri links latende liggen, werd de hoofd- plaats in haar volle lengte doorreden om voor een gesloten en ongezonde pasan^rahan aan te landen, waar nóch badwater nóch vuur om te koken was te vinden, en aanvankelijk elke bediening ontbrak.

De Radja Ngoerah Agoeng Tabanan, met wien ik de vorige maal kennis maakte, was na van 1844 af te hebben geregeerd, in 1903 gestorven. In de kracht zijner jaren was de rechtsbedeeling goed en de veiligheid voldoende, doch langzamerhand werd hij van wege zijn schraapzucht gehaat door de bevolking, wisten de poeng- gawa's zich steeds meer macht toe te eigenen, heerschte er anarchie, en werden tot zelfs In de hoofdplaate hun veeten uitgevochten. Men had er een dubbel bestuur, dat van Tabanan en dat van Kaléran, en hoe verder van den zetel der Vorsten, hoe beter de toestanden waren. „Badoeng en Tabanan, Tabanan en Badoeng zijn één" had de oude Vorst mij verklaard: Voortdurend had in verband met de reeds lang dreigende annexatie onderling overleg plaats, en zijn opvolger — overtuigd van de onschuld van Badoei^s vorst in zake den leenroof te Saneer — verklaarde (in 1905) openhartig, niet te willen medewerken aan de afsluiting
der grenzen van een bevriend Vorst, „waarmede hij zich één gevoelde."

De dood van den ouden Ngoerah bracht Tabanan dicht zijn val nabij. Sterk gehecht aan de .Mesatia" (weduwenverbranding), «een oude adat, die de vrouw in staat stelde haar man naar den hemel te volgen," was daartoe door zi]n bloedverwanten besloten. Reeds waren de andere Vorsten of hun waktls aanwezig, toen
twee oorlogsschepen bij Gangga, op de kust van Tabanan, verschenen om deze verbranding te beletten. De Vorst kon niet terug zonder zich onmogelijk te maken. In geen enkel contract werd van de weduwenverbranding gerept ; deze is trouwens een inwendige aangelegenheid, waarmede dus het Gouvernement beloofd had .zich niet te bemoeien". De Vorst verklaarde verder dat het de laatste maal zou wezen, doch weigerde op hoffelijke wijze ditmaal de beide vrouwen van den vuurdood te weerhouden; de „Neder-
landsche vlag was dus gehoond" (N. Roti. 28 Nov. 1903). Door een nieuw contract te teekenen, waarin zulk een verbod was op- genomen, werd een gewelddadige botsing voorkomen. Van die weduwenverbranding, die slechts enkele malen per eeuw vookwam, wordt steeds hoog opgegeven als een bewijs van de .wreedheid
dier inlandsche potentateiT'. Ongetwijfeld is zij ten strengste te veroordeelen, al is haar wedergade ook onder Westersche godsdiensten even wreed (zij het in zachter vorm), wel aan te wijzeiL „Van dwang op de slachtoffers uitgeoefend," schreef toen ter tijde het Alg. HaniUlsbl. van 3 Dec. 1903, „is geen sprake; zq
geven zich vrijwillig, ter befirving van hooger heil en om Satija te worden." .Is Tabanan's Vorst nu wel zóó strafbaar," vervolgt het blad, .omdat hij zijn vader gaf hetgeen hem volgens de adat in het hiernamaals toekomt?"

In April 1906 kwamen echter nieuwe verwikkelingen, toen de bestuurder van Tabanan, reeds in zijn brieven van 18 Febr. en 22 Nov. 1905, had medegedeeld dat hij het landschap Badoeng niet kon afsluiten, .omdat de Radja van Badoeng in zijn broe- derlijke verhouding jegens hem in geen enket opzicht was te kort geschoten," en omdat „die afsluiting z^n onderdanen, die hun onderhoud vinden in Badoeng, ten ernstigste zou benadeelen."
Daarop besloot de Indische Regeering bij besluit van 26 April 1906, Tabanan eveneens te sluiten voor allen In- en uitvoer.

Op den steun zijner poen^awa's kon de Vorst niet rekenen. Die van Kediri, één der wreedste onder hen, onderwierp zich dadelijk toen enkele projectielen in de hoofdplaats groote vrees hadden opgewekt onder de bevolking *) ; deze en andere van de ergste landverraders zijn nu Gouvemementshoofden. Den 27 Sept
1906 werd de opmarsch naar Tabanan begonnen en te Brii^;fcit een bivak opgeslagen, waarin de nacht werd doorgebracht; de bevolking hielp onze troepen trouw met brandhout, gras, materialen en arbeidskrachten. De Vorst was toen te Abeantoewang, en zond een bericht, dat hi} gaarne met den bevelhebber onzer troepen
een onderhoud wilde hebben, waartoe hij reeds op weg was naar Bringkit, met zijn zoon en opvolger, benevens eenige poenggawa's en priesters met volgelingen. Voelende dat hij het onderspit zou delven, Icwam hij vragen of hij, na onderwerping, Stedehouder (als Gianjar) zou worden, en in elk geval .gerust in zijn land te mogen blijven" (1. c). Hem werd beduid dat hij zich éérst moest onderwerpen, en dat zijn vragen slechts door den Regee- rings-commissaris Liefrinck konden worden beantwoord, die in Dën Pasar was.

Toen de Vorst weer naar Tabanan wilde terugkeeren, werd hem dit belet, waarop de arme man zich wel moest overgeven, nog steeds hopende in Dèn Pasar een gunstig antwoord te zullen krijgen. Daarop trok dat kleine magere manneke met groote langzame passen door Dën Pasar, begeleid door den as$.~resident Schwartz.
in de poeri waar hij vroeger zoo vaak een welkome gast was geweest, werd de vorst nu met de zijnen zonder eten en in het stikdonker hisschen hooge muren gevangen gezet en scherp bewaakt De indruk dien de Nederiandsche Regeering daardoor op het Balische volk maakte, was verre van gunstig, en nög lieten sommigen in hun vrijmoedige gesprekken doorschemeren, dat de Radja van Tabanan aldus op verraderlijke wijze is gevangen genomen I . . . Dat zou, indien juist — en de schijn is tegen ons — niet de éérste maal zijn in Bali's historie'). Elke beschouwing daarover laat i)i ditmaal achterwege.

In zijn wanhoop vroeg de Vorst alléén nog om op Bali te mogen blijven, want verbanning is voor elken Balier een straf zwaarder dan de dood. De Regeerings-commissaris deelde hem echter mede, dat hij naar Majora op Lombok zou worden gevoerd. Dit dreef hem en zijn zoon tot wanhoop en zelfmoord. Bij gebrek aan een kris heeft de oude man zich met een stomp sirihmesje een slagader in den hals opengescheurd; de zoon heeft vei^f
genomen; zijn bloedverwanten werden naar Lombok getranspor- teerd. Bittere wroeging zal wel de laatste oogenblikken van beiden hebben vei^d, dat zij door hun naïef ver&ouwen en door deze daad der Regeering, zich de kans op een heldendood In een poepoetan badden afgesneden.

De troepen rukten door naar Tabanan en legerden zich In de poeri Kaleran; patrouilles werden door het land gezonden, en weldra hernam het Balische volksleven weer zijn gewoon verloop. Ook het rijk Tabanan was veroverd ; het fraaie palels der Vorsten werd vernield, al was nergens tegenstand geboden. De hoofdplaats Tabanan was regelmatig aangelegd langs breede straten met lanen van wilde vijgeboomen; de Vorstelfke poen
(er waren er vele aanwezig) was de grootete van alle Vorstenwoningen op Bali. Zij was door een ringmuur» lang 230 en breed 135 M., omgeven en fraai door een krooniqst versierd, wat alléén den Ksatryas veroorloofd was. Thans is alles met den grond gelijk gemaakt en nauwelijks een steen meer overgebleven.

Vast op zijn terugkomst rekenende, had de Vorst zijn poeri onbewaakt achtergelaten. Zij werd toen door de BaieCrs geplunderd, en nog heden worden soms gouden sieraden terug gevonden. Hier en daar zag ik nog een paar pilasters, de overblijfselen van een vrouwenbadplaats, en enkele beelden van die poeri afkomstig,
terwijl een afgebroken tempel werd vernieuwd en in rooden steen herbouwd. Het lijk' van den Vorst werd in den vorm van een popje ,en efflgie" verbrand, en ook dit Vorstengeslacht Is nu grootendeels van Bali verdwenen.

In den laten avond in den maneschijn naar mijn eenzame pasanggrahan terugkeerende, wierpen de zware wringins op de aloon-aloon, omringd door reuzenbeelden, een somtwre schaduw op de kale vlakte, waar eenmaal de Vorst in volle glorie zetelde, en waar Ik het voorrecht had met den vriendelijken grijsaard, met
dat intelligente en sympathieke uiterlijk, over velerlei van ge- dachten te wisselen, omgeven door meerdere padendas en een paar honderd volgeÜQgen. Wat verder duidden een stevige poort en zware muren op het veriïlijf van den poenggawa van Tabanan, dien ik later zou ontmoeten, evenals goesti Ngoerah Made Kaleran,
en g. Ngoerah Ral, beiden neven van den zoo ongelukkig om het leven gekomen Vorst. De bevolking, harerzijds, had volop rijst, «daar de dammen zich goed hielden"; zij bouwt wegen, betaalt belastingen, volgt trouw de bevelen van het Gouvernement, komt vrQmoedig klagen bij het B. B., en heeft zich kalm neergelegd bij
de nieuwe toestanden.

Op de den reis van Tabanan, dat ruim 100 M. hooger ligt dan Dèn Pasar, zag ik karren zwaar met rijst beladen in plaate van door paarden, door 5 mannen met alle krachtsinspanning t^en de hellingen opsteepen. Langs den weg meerdere loodsen, waar vechthanen in open kooien het uur wachtten, waarop zg een strijd op leven en dood zouden aanvangen, en bij Bringkit talrijke graven, waarboven pajongs den rang van den doode aanwezen en op stellages voedsel en drank was geplaatst om de geesten gunstig te stemmen. Moge ook de geest des volks gunstig gestemd worden tegenover de vreemde macht, die met deo Vorst van Tatianan den strijd had aangetwnden, waarin deze het onder- spit heeft gedolven.

B. HET BALISCHE VOLKSKARAKTER.

Onder de gewone réserves voor de beschrijving van een volkskarakter, van voor de individuen sterk uiteenloopend en voor geen gering deel afhankelijk van de objectiviteit van den toeschouwer, meen ik de volgende algemeene gegevens, voornamelijk uit boeken en door gesprekken vergaard, niet te mogen achter-
houden. De grondtoon van alles is, dat de Balier is een flink, arbeidzaam, intelligent en sympathiek volk, en een schoon welgevormd soort van menschen.

Groot, slank, recht van gestalte en forsch van ledematen, bewegen zij zich sierlijk, vol zelfbewuste waardigheid, vrij van Javaansche gedweeheid en zinledige vormelijkheid. Hun regelmatige, fijn besneden gelaatstrekken zijn dooigaans vrij blank, al is de verscheidenheid van type er zeer groot. Kenmerkend voor alle Baliers zijn de vertbazend lange armen en breede voeten, doch gunstig onderscheiden zich hun levendige, sprekende oogen van den droomerigen blik der Javanen en Soendaneezen. Wel zijn zij vroeg grijs, maar mismaakten zijn onder hen uiterst zeldzaam.

De vrouwen, naar evenredigheid forscher gebouwd, hebben vaak iets mannelijks in haar voorkomen, terwijl omgekeerd menige jonge man voor een mooi meisje zou kunnen doorgaan. Steeds loopende met het hoofd bloot, waarop veelal een mand of korf rustende op een kussentje wordt gedragen, verwaarloozen zij haar kapsel van prachtig weelderig en zwart haar ; een roode of witte bloem in den slordigen wrong is haar éénig versiersel. Ongehuwde vrouwen laten een haarvlecht ,loengah Soeafln", links los in den nek hangen, als teeken harer maagdelijkheid^), volgens dr. Jacobs een „niet altijd vertrouwtbaar diploma". Vinger- en armringen zijn
zeer geliefd, evenals de zware beenringen die bevorderlijk zouden zijn aan haar fraaie, rechtopgaande houding en haar slependen, een weinig draaienden, uiterst sierlijken gang. Zij dragen zware lasten op het hoofd, en de voortdurende spanning heeft de spieren van hals, torst en rug tot volkomen schoonheid gebracht. (Augusta de Wit).

De kleeding van den man bestaat uit een lap (.kamben") van de heupen tot de knie om het lijf gewonden, een soort buikband dus waarin de kris steekt ; een plechtig golvende sarong bedekt dan het lichaam tot aan de borst; het bovenlijf is naakt. De mannen dragen veelal een hoogen hoofddoek, en wit is hun gelieflcoosde
kleur; bij plechtige gelegenheden, wanneer zl] b.v. een eed gaan afleggen, en uit zucht tot geuren, laten zij een punt van hun sarong tusschen de beenen door over den grond sleepen. Een lange kris, niet van pamor doch gedamasceerd, achter in den gordel gedragen en boven den schouder uitstekend, vergezelt den Baliër overal ; met trots laten zij gaarne het mooi gebeeldhouwde gevest bewonderen.

Voor de vrouwen is het voornaamste kleedingstuk een rechte lap, meest donkerblauw; de uiteinden worden aan het linker dijbeen over elkander geslagen, en deze rok is bevestigd aan een langen, smallen, vaak prachtig geornamenteerden doek, „satroek", enkele malen om het middel gewonden. Om gemakkelijker te loopen, tillen
de vrouwen deze buiten-sarong op. De onderrok, .tapih", een bonte lap van ordinair soort, reikt slechts tot aan de knieen, wordt bijna nooit verwisseld, en is dan ook deerlijk vuil. Een losse doek of sjaal, „kambèn tjerik", een slendang, waarmede zij zich gracieus drapeeren dan wel voor vreemdelingen de prachtvolle buste be- dekken, voltooit met een groote sirihpruim vóór in den mond ') de uitrusting eener vrouw, waarbij geen kleedingverschil tussen lieden van de verschillende standen bestaat.

De Balische woning heeft niet minder dan drie geheel door muren omgeven erven, op het eerste waarvan de schuren en stallen en op het tweede de woningen staan, terwijl bet derde aan den Goden is gewijd. Tot het voorerf geeft slechts één enkele hooge poort toegang, des nachts met latten gesloten, waarnaast meestal offerpalen zijn geplaatst, en waarin een dorpel het vluchten der varkens belet In de eigenlijke woning met halfronde dakpannen bedekt, worden in het nachtverblijf van man en vrouw, dooreen zeer nauwe deur bereikbaar, ook de schatten bewaard, meestal wapens en gouden sieraden. Talrijke hoofdkussens alom verspreid, zijn, met spiegels en fraaie schermen, een teeken van welgesteldheid ; gendies, sirihdoozen en kwispedooren vullen dan het meubilair aan, waarbij van stoelen noch tafels sprake is. Op één erf wonen oud en jong, broeders en neven, gehuwden en ongehuwden, door elkaar in talrijke kleine hokjes, op leemen hoogten   neergezet. Verder vullen hooge duiventilten opstaken, kooien voor vechthanen benevens honden en varkens de ruimte. Twee tot drie dozijn erven vormen een desa ; de erven zijn door slechts smalte paadjes van elkander gescheiden. De Balier maakt geen afdaken ; het licht treedt in zijn woning slechts door de deur binnen, versche lucht door de reten van het dak en de wanden. Zindelijkheid behoort niet tot zijn hoofddeugden.

Voor zijn voeding is hij een echte smulpaap; rijst, boelwer, ketoepat, vleesch en tal van bijgerechten vullen zijn disch, schild- padden zijn voor hem een godenspijs; rundvleesch zal hij in den regel vermijden, varkensvleesch is voor hem hoofdzaak.

De Balier is arbeidzaam en vredelievend, levendig van geest, vroolijk en zinnelijk van aard, uiterst gevoelig voor lof en beleediging. Zijn zucht naar onafhankelijkheid en zijn liefde voor vrijheid vormen een gunstige uitzondering met de meeste volken van onzen Archipel, en zijn democratische regeling van het desawezen levert daarvan de bewijzen. Leergierig en vatbaar voor ontwikkeling in de hoogste mate; spaarzaam tot
het schraapzuchtige toe behalve bij hanengevechten, opiumschuiven en mooie krissen, zijn de voorwaarden voor een krachtige econo- mische ontwikkeling hier aanwezig. Vatbaar voor rede en overleg, kan men — na bekomen instemming met eenig plan door het uiten van zijn .ngiri" — vast op hem rekenen, vredelievend van
aard, wil hij niets liever dan rustig zijn bouwgrond bewerken, doch zou een niet te onderschatten vijand vormen in geval zijn oorlogslust mocht ontwaken; de BaiiEr verkiest den dood boven het ondergaan van smaad. Gedurende de XVIlIe eeuw vormden Baliers onze hulptroepen in Mataram, en dienden velen hunner even trouw als de Zwitsers in vreemde gelederen. Zijn vroolijke geest uit zich in talrijke feesten vaak tot laat in den nacht ; zijn ' waarheidsliefde en oprechtheid zijn verrassend voor elk kenner van Oostersche volken; zijn groet is in veel opzichten den Ara- bischen gelijk. Gastvrijheid is een deugd, die de Balier in hoge eere houdt, en haast hinderlijk wordt door het opdringen aan zijn gast van bergen eetwaren, voldoende om een regiment te voeden; zelfverloochening is hem als aangeboren.

De Balier is zeer arbeidzaam ') als het den landbouw betreft, doch is gaarne zijn eigen baas en meestal afkeerig van dwang- en loonarbeid. Hij loopt b.v. bij het lossen van prauwen liever 2 maal met één lichten, dan éénmaal met een ietwat te zwaren last. Hij wil, en dat met het volste recht, zelf de vruchten van zijn
arbeid genieten, en vreemde industrieelen mogen met dezen trek van het volkskarakter wel degelijk rekening houden. Zacht voor dieren zal de Baüer zijn paard niet afbeulen, het ontlasten op steile hellingen, en ondanks alle aanbieding van geld het geen zwaarder last oplegden dan het goed dragen kan. Voor reizigers en vreemde-
lingen is hij behulpzaam, en zal herhaalde malen in de boomen klimmen om den dorstige met het water van een jonge klappernoot te laven; doch hij acht het een beleediging, indien men hem daarvoor zou willen betalen.

Luidruchtig twisten of schelden doet hij zelden of nooit; hulpvaardig tegenover zijn desagenooten, is haat en angst hem vreemd, en de Javanen (van minder gehalte trouwens) die hij zag stelen en liegen, boezemden hem een indruk in van geringschatting. Op godsdienstig gebied is hij verdraagzaam in de hoogste mate. en vele Chineezen zijn er eenvoudig Baliers geworden, offerende op dezelfde altaren, biddende tot dezelfde Goden, en eveneens ver- slaafd geraakt aan sirihkauwen en hanengevechten. Voor Islam noch Christendom is op Ball terrein te vinden. Dankbaar voor genoten weldaden, leeft de hulp door de Compagnie aan de gewonden, in gevechten tegen haar gevallen, nog in zijn herinnering voort, en de beide officieren van gezondheid, tijdens mijn komst aanwezig, zouden — vanwege faun liefderijke hulp aan kranken verleend — zelfe in geval van „prang" er rustig kunnen rond- reizen, zonder dat iemand hun een haar op het hoofd zou krenken.

Van de bekende gehechtheid aan zijn geboorteland leerde ik te Banjoewangle een roerend voorbeeld kennen. Goesti Ketoet Abijan was, reeds meer dan 45 jaren geleden, uit de desa Sewan (Boe- lelet^) naar Java verbannen, wegens beweerde .salah adat" met een nichtje aldaar. De Raad van Kerta's had hem vrijgesproken;
het meisje, maagd gebleven, was na een korte straf op Bali gestorven, wat eveneens de onschuld van Abijan aantoont; toch was deze tijdens den .prang Bandjar" naar Java gezonden en misschien verder vergeten. Na 20 jaren te Poerwakarta (Krawang) te z^n geweest, kwam hij, vóór omstreeks 25 Jaren, in Banjoewangie en
leidt daar, zonder andere middelen van verdienste dan — op zijn ouden dag — een schrale vlschvangst, een sober bestaan. Ook trachtte hij tevergeefs, cent bij cent, het noodige geld te sparen, om zijn lijk een louterende verbranding te bezorgen. Verder bleek hij te arm om een rekwest in te dienen. Eiken avond, wanneer de zon ter kimme neigt, staat hij aan Java's strand, de armen uitgestrekt naar Bali's bergen, te bidden om zijn terugkeer; daaraan was het te danken dat ik hem ontmoette, de zaak uitvoerig kon onder-
zoeken en 23 Sept 1911 den resident Veenhuizen een rekwest kon zenden om hulp te brengen aan dezen armen stakker die wensch het hart van een enkel machthebbende roeren, en die grijze banneling een rustigen dood sterven in zijn eigen land, waar- naar zijn hart zoo vurig haakt „Ayez pitié 1 . . . . ')

De Balier is trotsch op zijn geboorteland, dat hij altijd en overal met heimwee herdenkt.

Samenwerking, als reeds vermeld, zit den Balier jn het bloed; elke zware taak wordt overwonnen door vereeniging met zijn kame- raden, door coöperatie. Zijn solidariteitsgevoel is haast te sterk, en leidt dan wel eens tot ongewenschte afspraken. Zelfbewust in de hoogste mate, leidde dit tot een zeer ontwikkeld rechtsgevoel, zoodat hij zijn recht of vermeend recht zal handhaven tot het uiterste; doch eenmaal van zijn ongelijk overtuigd, is met een .patoet pisan" (zéér biUijk) alle wrok verdwenen. De Balier buigt zich lang voor de machthebbenden, zijn vredelievendheid leidt niet snel tot verzet, doch eemaal tot het uiterste gedreven, stelt hij met wellust zijn leven veil in den strijd om recht en rechtvaardigheid. De werkelijke beschaving, onder dit volk van kannibalen ingeleid door de Hindoes, kon, onbelemmerd door vreemde 'in-
vloeden, op Bali vrij hare wieken uitslaan, en nam er een vlucht die de gansche Indische Archipel Bali nu nog mag benijden.

Ernstige euvels in den volksaard zijn echter de zucht naar opiumschuiven en het wedden bij hanengevechten.

De moreele en economische nadeelen van het opiumverbruik behoeven hier niet opnieuw te worden aangestipt; het ingebeeld genot, het in een droom bezitten van alles wat men slechts wenschen kan, weegt tegen de nadeelen niet op. Een schuiver ontwaakt volkomen suf, met een doffen glans in zijn oogen ; men kan hem
aanspreken doch hij hoort het niet, en eerst als de bedwelming is geweken kan hij zijn werk aanvangen dan wel hervatten. Weldra aan dit heulsap verslaafd, kunnen velen er niet meer buiten, welke offers het ook moge eischen ; en de Poenggawa van Selat, waarvan vroeger sprake, kon slechts loopen, wanneer hem nu en dan een haal uit zijn pijpje werd vergund. Meestal wordt op Balt door mannen en vrouwen binnenshuis geschoven, en gelukkig schijnt dit zoo buitengewoon sterk ras er physlek niet erg onder te lijden, doch moreel is dat anders. De vrouw wordt naar de pasar gezonden, dan wel tot prostitutie gedreven om den man het noodige geld voor opium te verschaffen ; deze zou overigens voor roof of diefstal niet terug deinzen. Menige sawah, waaraan hij anders zoo sterk is gehecht, ging door opiumgebruik voor den landbouwer verloren, en elke voorspoed weerspiegelt zich in een toename van dit verbruik. Door opium wordt de Baliër vadsig en loom, zijn enegie gaat verloren, en bij epidemieën vallen vooral de schuivers als slachtoffers van hun hartstocht

Naar men mij mededeelde, is het aantal der Baliers die schuiven vrij aanzienlijk, doch verbruikt elk hunner slechts een kleine hoe- veelheid opium. Daarentegen las Ik in de Indische Gids 1908 I, van blijkbaar bevoegde hand : „Op Bali schuift slechts een klein deel der bevolklng" (p. 684). Ook Dr. Jacobs achtte het meer be- perkt tot de hoogere standen; de kleine man koopt slechts voor enkele kèpèngs te gelijk. Van de gegoeden schuiven mannen, vrouwen en zelfe kinderen ; anderen gebruiken opium als obat door het te
eten of met de koffie te drinken. Ten tijde der Vorsten werd het opium onbereid, in tallen van ongeveer ƒ25 waarde verkocht; Chineezen hadden vaak bet mono- polie van verkoop, ruilden het tegen huiden of koffie, en stelden den prijs er van naar willekeur vast. Zij moedigden dus het verbruik daarvan (even goed als vroeger op Java) op allerlei wijze aan en maakten in Boeleleng, dus in Gouv. gebied, per kist een winst van/2340— ƒ1550— /790 of 51 pCL Omstreeks 1860 werd in Bangli weinig geschoven, hoogstens 2 kisten per jaar; de Chi- neesche pachter wist dit echter, door kunst en vliegwerk, binnen 15 jaar tot 30 kisten op te drijven '). Bangli telde in 1S70 15 opium- kitten, die elk jaarlijks één pekoe belasting moeten betalen. In Badoeng betaalde de pachter ƒ3650 jaarlijks en een invoerrecht van 85 Rijksd. per kist; in Tabanan werden in dien tijd (1906) ongeveer 40 kisten per jaar verbruikt Soms streefden de Vorsten er naar het gebruik te beperken tot de hoogere kasten, doch slechts in één desa was het schuiven op doodstraf verboden, namelgk
Batoe Ooeb^ (in Gianjar), waar ook heden nog geen schuiver is gevestigd en geen Gouv. verkoopplaats wordt gevonden. Op Lombok was opium aan de Baliers verboden. De smokkelhandel naar Java van opium, te Singapore gekocht en op Bali ingevoerd, was steeds zéér sterk, en dit was wel een voorname aanleiding
om ook op Bali de opiumregie in te voeren. Na 1 Jan. 1908 is op Bali de opiumroe dooreendreven met
behulp van troepen, en deze zou de pacht in de Gouv. landen, het vorstelijk beheer bij de zelfbesturen, vervangen. Dit doorvoeren „met geweld" {Ind. Gids (1. c.) is moreel slechts dan te verdedigen, wanneer het gepaard gaat met maatregelen om het verbruik van opium te doen slinken en tot het nulpunt te doen dalen.

Verkoop van opium aan personen beneden 18 jaar is vertboden; de namen der koopers worden opgeteekend ; als een dezer gedurende enkele weken niets meer haalt, wordt door de politie nagespeurd of hij zich soms aan smokkelen schuldig maakt Tubes van 2 mata's i 6 cent worden nogal verkocht maar verkoop der tubes i 30 et behoort tot de groote uitzonderingen. Daar de kèpèngs tot een te lagen koers van Vt cent worden aangenomen,
komt er steeds meer zilvergeld binnen. Het eerste gebouw door de Nederl. Regeering in Zuid-Bali opgericht was aan dit heulsap gewijd, en thans telt deze afdeeling alléén niet minder dan 100 opiumverkoopplaatsen.

De positie van het personeel daaraan verbonden, bijna uitsluitend Javanen, mag wel eens onder de aandacht worden gebracht Hun diensttijd loopt van 6 uur vóór- tot 4 uur 's namiddags; des Zondags zijn zij van 1 uur vrij. Dit werk, uitsluitend bestaande JD het afleveren van tubes en bet opstrijken van geld, Is al zéér
geestdoodend, en daarvoor trekken zij ƒ 30 è ƒ 40 per maand, zonder dat zij weten welke vooruitzichten hen wachten, daar deze zaak nog altijd niet geregeld is.

In de eeiste helft van 1908 was er blijkbaar bij hoofden en bevolking nog veel pacbteisopium in voorraad, waardoor het debiet van Gouv. opium in dat jaar niet hooger steeg dan ƒ51 1^50. Gedurende 1909 was dat = ƒ881.200, in 1910 = ƒ 906.177 en in de eerste helft van 1911 reeds ƒ475.258 geworden, dus een toename in 2 jaar met niet minder dan 7,1 pCt. In 1912 bedroeg het, Lombok inbegrepen, ƒ1.527.028. Vooral in Badoeng is het verbruik groot, en wel gedurende het eerste semester van 1911 = ƒ182,635 of ongeveer ƒ2.80 per inwoner jaarlijks; sedert 1 Octo- ber 1910 is echter de prijs van ƒ 4 tot ƒ6 per thail verhoogd. Het vert)ruik komt neer op ruim '/« thall per hoofd van bevolking tegen *lii thail voor geheel Zuid-Bali. Boeleleng bracht gedu-
rende 1910 door den opiumverkoop ƒ197.750 in de schatkist.

Van noemenswaarde beperking van het verbruik was nog weinig sprake. Te Man^s raadde een Chinees aan de pijp, buiten weten van den schuiver, ten deele te vullen met kippendrek. Het geven van choleradrank, die ongeveer denzelfden smaak heeft, en dezen dagelijks dunner makende, slaagde in Gianjar uitstekend. Doch
meer is te wachten van verhooging van den prijs én van het vaste karakter der Baliers.

Bij de invoering der regie deden vele BaltCrs, waaronder Poenggawa's, den eed geen tjandoe meer te nuttigen en — bleven daaraan trouw. De prijs was, tot kort geleden, veel te laag, nauwelijks '/■ van dien op Java (ƒ20 è ƒ25 pertbail van38,6gram), wat bet smokkelen van regie-opium daarheen, doch ook den afzet daarvan op Bali zelf in de hand werkte. Toen de prijs van ƒ4 tot ƒ6 per thail, dus met 50 pCt werd verhoogd, hielden vele
oog niet al te verslaafde schuivers daarmede op; en mocht het Gouv. den prijs verdubbelen, dan .zullen wij elk verbruik staken, al mochten we daardoor dood gaan," hadden kleine lieden den opium-mantri te Manggls medegedeeld. Reeds was de Regeering «noodzaakt kleinere tubes van 'ƒ> mata voor Bali te fabriceeren.
Het schuiven kan dus den spaarzamen BaliSr, althans den min- gegoede, wel worden afgeleerd, mits de Regeering zich wil spenen van de winsten uit zulk een troebele bron verkregen '). ') Tot hedea is van die neiging tot beperking van het opiumverbruik in NederL-Indie nog weinig gebleken, althans wat de resultaten betreft Gedurende het jaar 1911 was het verbruik per 1000 Inwonen van Bali en Lombok niet minder dan 451 thail en de bruto-opbrengst der oplumregle aldaar ongeveer 15 ton gouds of ongeveer / 12 per gezin. (Weg met het Opium door H. van Kol. p. 16). Volgens de Mem. v. Toel. 1908 achtte men noodig vo<»^ het invoeren der opiumreg^e op Bali ƒ273.000 in ééns en verder ƒ894.000 Jaarlijks, waarvan ƒ124.547 voor de overname der tol- rechten en van het opiummlddel in Kloengkoeng, Gianjar, Karai^ Asem en Bangll. Ais opbrengst der regie nam men aan/ 1.444.000, wat bereids wordt overschreden. Den Vorst van Bangli werd als schadeloosstelling ƒ11.000 uitgekeerd, in ruil waarvan nu een winst van ƒ25.000 jaarlijks wordt verkregen, die voor Zuid-Baü wel op ƒ240.000 kan worden geschat. Moreel zou het aanzien der Regeering worden vergroot, wanneer de scherpzinnige BaliCr door de ramen der opiumwinkels den controleur niet langer de
gelden, den opium-inspecteur de tubes ziet tellen, uit al hetwdk immers blijkt hoe trouw het Gouvernement zijn zaakje behartigt !

Drankmisbruik is op Bali zeldzaam, al is er de zoo venijnige toewak zéér goedkoop, nauwelijks 1 cent per glas. Wel is het gebruik daarvan algemeen en duidt soms in den vromen ochtend de tong-tong aan, dat het brouwsel in de baledesa gereed staat en op de liefhebbers wacht, doch dezen weten maat te houden bij deze bedwelming. Alleen bij verbrandingsfeesten, wanneer de hotsende dragers door hun geschreeuw de booze geesten moeten verdrijven, wordt bovenmatig veel sterke drank gebruikt. Een zware accijns daarop zou ook hier wel doeltreffend blijken.

Een andere hartstocht van dit anders zoo sympathieke volk is het wedden bij hanengevechten. In elke plaats van betee- kenis ontmoet men op de marktpleinen hooge loodsen met 1 tot 3 afdaken, waar deze gevechten worden gehouden ; de belang- stelling in de marteling dezer arme dieren is zóó groot, en deze vertooningen worden dan ook zóó druk bezocht, dat ventilatie zelfs in deze open loodsen noodig is om de atmosfeer ietwat
dragelijk te maken. Dit „te tadjen" grijpt plaats bij verschillende feestelijke gelegenheden, en duurt dan soms weken lang. Reeds van oudsher is dit gebruik, dat een godsdienstigen grondslag heef^ bekend, want Comelis Houtman vertelt reeds van de gevlochten stolpen, waarin de vechthanen werden opgesloten.

Hoe weerzinwekkend ook, meende ik (12 Sept. 1911) zulk een schouwspel te Karang Asem eens te moeten bijwonen, evenals enkele jaren geleden te Caricas in Venezuela. Bij een stempvolle loods vond ik vrouwen en mannen, die aan de talrijke toeschou- wers, alléén mannen, allerlei versnaperingen verkochten. In hef
rond op den vloer der pendopo stonden de hanen, waarvan telkens twee kampvechters naar voren werden gebracht Deze werden door de toeschouwers terdege onderzocht, eer men het waagde op één der twee een groote som te verwedden. Daarna werd iedereo kemphaan aan een der pooten een blank, vlijmscherp mesje van
12 cM. lang vastgebonden. De aldus toegeruste dieren werden nu enige ogenblikken stevig vasthouden en op allerlei manieren tot woede geprikkeld: door hen met de koppen tegen elkaar te duwen, hun veer^es uit te rukken en dei^elijke; ten slotte werden zij lo^elaten. De beide kampioenen springen woedend op elkaar
toe met vooruitgestrekte pooten, en trachten door een dolksteek in de borat elkander te dooden, wat slechts zelden gelukt. Dan, met vuurroode kam en opgezette halsveeren, beginnen zij elkander met den snavel te verwonden, nu eens hoog opspringende, dan weer plat op den grond gaande liggen, waarbij zij een met krijt
getrokken vierkant op den vloer niet mogen overschrijden. Onder veel geraas hebben de inzetten plaats gehad en aller oogen zijn gevestigd op de vechtenden, die elkander geen respijt laten, doch doorzetten tot één er bij neervalt. Na één ,round" worden beiden vastgegrepen, en den eigenaars een korte tijd gelaten om hun kemp-
hanen weer strijdvaardig te maken. De duur van zulk een „round" wordt bepaald door een klapperdop met een gaatje in den bodem en in een bak met water geplaatst. Zoodra deze is volgeloopen, treedt een korte rustpoos in; leven na 5 ,rounds" beide vechters n(^, dan is de kamp onbeslist gebleven en worden beiden in een mand geworpen. Doch meestal bezwijkt reeds vroeger één der vijanden, en zet de overwinnaar triomfantelijk zijn poot op het lijk of het stervende lichaam van zijn tegenstander. Den verliezenden haan worden dan op wreede wijze de pooten afgesneden, en het van pijn nog trillende dier wordt smadelijk in een hoek geworpen. Soms worden ook wel door een losgebroken haan aan een der omstanders doodelijke dolkwonden toegebracht.

Zware weddenschappen zijn daarbij regel. Tjokorda Oeboet mat wel eens zijn inzet van rijksdaalders met schepels af ten einde het langdurige tellen te vermijden, en menige boer verloor er il zijn geld, en zijn sawahs bij, ja zelfs zijn vrouw of kinderen, die als inzet werden gebruikt.

Van het verdobbelde geld kwam een vast percentage ten bate van de Poeri, van den Poenggawa, de desa of soebakvereeniging, dan wel van een Poera, al naar gelang van wie dit feest uitging. Vooral wanneer er besmettelijke ziekten heerschen wordt daarvoor toestemming gegeven, naar het heet om de Goden te verzoenen, waarvoor „mesaboe getih" d. i. bloed moet vloeien, wat wel op den Polynesischen oorsprong wijst van dit verfoeielijk gebruik.

Wellicht Vio der mannelijke bevolking wordt aldus aan den arbeid onttrokken; velen wennen zich daardoor aan niets doen en liederlijkheid, en daar, in dit geval, na afloop van eiken kampstrijd de «djoera soerat" handen vol werk heeft om brieven van overdracht van gezinnen te schrijven, maken deze hanengevechten
den band des huwelijks nög losser en het lot der vrouw nög harder, dan beide thans reeds zijn. Ook roof en diefstal worden er door in de hand gewerkt, om van bloedige veeten niet te spreken. T^enwoordig moet de toestemming voor bet houden van hanengevechten aan het B. B. worden gevraagd, waardoor een middel tot beperking van dit wreede volksvennaak is verkregen, in afwachting dat het geheel zal verdwijnen.

Ook andere dobbelspelen worden door den BaÜSr Ijverig beoefend, doch daaarbij zijn de inzetten in den regel slechts klein, al stond Ik verbaasd over de volharding waarmede te Dèn Pasar, vlak bij mijn pasanggrahan, drie volle dagen en nachten daaraan werd deelgenomen door Inlanders, gezeten onder de reuzenwaringins die de aloon-atoon der voormafge Vorsten van Badoeng versieren. De meeste spelen daarbij in zwang, waren de Chineesche hasard- spelen, ook op Java gedurende de maalleesten der suikerfabrieken
maar al te goed bekend.

C DE VOLKSGEZONDHEID.

Ter verbetering der volksgezondheid is op Bali, als overal elders in Ned. Ind. Archipel, enorm veel te doen, doch door het Nederl. bestuur nog weinig gedaan. Dat de Inlandscbe Vorsten op dit gebied eveneens achterlijk waren, mag hun niet ten kwade worden geduld, daar hun de wetenschap ontbrak die ons deel is geworden.

Als overal In den Archipel bestaat de inheemscbe geneeskundige hulp vooral in het bestrijden van booze geesten door „balians" en dergelijke, benevens op Bali het gebruik, als medicijn, der uitwerpselen van witte stieren en andere dieren. Een soort van waterkuur is den BaliSrs echter bekend. Een witte vlag boven de
poort is het teeken, dat Visjnoe verzuimde hen tegen ziekte te vrijwaren, en in geval van epidemieën wordt deze vlag aan een lange bamboe vastgemaakt

De meest voorkomende ziekten schijnen wel te zijn koortsen en buikzlekten, pokken en cholera ; verder verbazend veel lintworm door het eten van onvoldoend gekookt varkensvleesch, terwijl o(A velen lijden aan rheumatiek. Beri-berilijders vindt men meer in de gevangenissen; krankzinnigen, blinden en melaatschen alom door het land verspreid; doch een ware geesel voor het volk is hel veelvuldig voorkomen van syphllis, op Ball wellicht meer dan waar ook in Ned. Indie. Volgens den ouden doctor-djawa van Singaradja sterven er niet veel moeders In het kraambed, wordt van abortus weinig vernomen *)> terw^l bij de verlossing soms mannen t>ehulpzaam zijn. De kindersterfte wordt er nt^al groot geacht; zoo waren b.v. van de 27 kinderen van O. Gedeh Ral (Bangii) er slechts 7 in leven gebleven. Ongelukken hebben blijkbaar nogal eens plaats, vooral door dat iemand uit een boom valt, of een door ratten afgeknaagde doerian op zijn hoofd krijgt. Slechts zelden komt het voor dat iemand sterft tengevolge van een op hem vallende klappemoot. Gelukkig is de BaliCr t^ en genezen zijn wonden verbazend snel. Iemand wiens hersenpan door een houw was gekloofd, liep nog 2 uren
voor hij in het hospitaal aanlandde, natuurlijk om te sterven; doch velen voor wie de militaire geneesheer reeds alle hoop had opgegeven, krabbelden er toch weer boven op.

Het grootste gevaar voor de volksgezondheid is de ontzettende vuilheid der bevolking, vooral der vrouwen, op hun lichaam, waardoor vele ziekten snel in epidemieen ontaarden. Zeep is den gewonen Inlander onbekend ; en toen de dokter iemand een stuk zeep ten geschenke gaf had hij daarmede alleen zijn huid ingesmeerd, zonder van water gebruik te maken. Vuil in zijn huis, vuil op zijn kleeding, vinden huidziekten er een weligen bodem
en is het aantal schurftleiders groot

Lijders aan lepra „saldt gedeh" worden uit de desa-vereeniging verbannen, die dus het gevaar van besmetting, lange jaren door de Indische Regeering geloochend, erkent Melaatschen mogen niet wonen in de nabijheid van tempels, noch bovenstrooms van beken ; bun lijken worden niet verbrand noch In de desa begraven. Men
verbant hen naar het eenzame strand en heeft het recht hen bij weigering te dooden, doch dan alleen met stokken of steenen, nooit met gewone wapens. De bloedverwanten zorgen voor hun onderhoud. Van Boeleleng werden er 40 afgezonderd In twee lepra-kolonien.

Ook op Bali komen van oudsher veel kropgezwellen voor, die ik in de binnenlanden van Sumatra op zoo vele plaatsen ontmoette. Vooral in het gebergte zHn zij talrijk en dan voornamelijk bij vrouwen; in het dagverhaal eener reis op Ball van 1856 ■) leest men zel^ van „ontzaggel^ke kropgezwellen" te Batoe Pati. Zou een wetenschappeiyk onderzoek naar de oorzaken dezer kwaal niet velen laders ten goede komen?

De pokken, waarvan ik bij mijn vorige reis zulk treurig verslag moest doen, hebben nu dank zij de aanstelling van 2 vacclnateurs (i ƒ20 per maand In 1909) grootendeels hun verschrikicing verloren. Epidemieen als in 1871^2 die, vooral in Badoeng en Gianjar 15000 menschen ten grave sleepten, zijn thans onmogelijk geworden.
In Karang Asem was het gelaat van 3/4 der overlevenden door pokken geschonden, en thans zag ik op mijn ganschen zwerftocht 3U den ingang der desa's geen enkele pandan-poort ten bewijze
dat dit dorp door deze ziekte was besmet In Pabean — Boeleleng kwamen in 1910 oi^^evaarlijke epidemieën voor, en dan bqna uitsluitend onder de daar wonende Arabieren.

Hondsdolheid is op Bali volslagen onbekend, ondanks hetfdt dat er talrijke honden rondloopen, die in alles wroeten en in hun vraatzucht zelfs djagoengstanimen omverhalen om de kolven te verslinden. De invoer van vreemde bonden is dan ook verboden.

Beri-beri werd in 1910 van uit Java ingevoerd en bleef nc^ steeds sporadisch, at kwamen er beg^n 191 1 n<^ al talr^ke gevallen voor te Boeleleng. Over de uitbarsting van epische djrsenterie rondom Selat (K. Asem) is reeds gesproken.

De cholera heerschte er In 1911 sterk, en maakte ongeveer 800 slachtoffers. In zulke tijden treden fatsoenlijke meisjes als ,djoged boemboeng" op, dal wil zeggen dansen, fraai uitdost en van een speciaal kapsel voorzien, onder het oorverdoovend geraas van een bamboeroffel, om de booze geesten te verdrijven. De middelen door controleur Doornik aangewend voor Karang Asem bleken beter doeltreffend: door strenge isolatie aan de grenzen, gedurende 5 dagen, van vermoedelijke lijders, bleef dit geheele landschap, in tegenstelling met het gansche overige Bali, daarvan bevrijd.

Tering komt onder de Baliers, dank zij hun bijna naakt loopen, slechts weinig voor.

Malaria heerscht er meestal slechts sporadisch in het begin van den natten moesson en den tijd van aanleg der kweekbedden voor de rijstvelden, terwijl ook de gevaarlijke muskieten er slechts gedurende korten tijd worden aangetroffen. In sommige stranddorpen, o. a. Djasi (westelijk van Oedjoeng K. A.), is de sterfte echter zeer groot; zij schijnen zwaar besmet te zijn.

De noodzakelijkheid van zuiver drinkwater voor de gezondheid schijnt de Balifir wel in te zien. Door poreuse kruiken laat hij het vuile water van buiten naar binnen fiitreeren en giet zich dan het zuivere water, het hoofd achterover, recht in de keel zonder de tuit der gendie aan te raken. Alleen Singaradja en Banngi hebben, zoover mij bekend, een behooriijke drinkwaterieiding die gratis water verstrekt, wat ongetwijfeld de volksgezondheid moet ten goede komen. Toen bij de hoofdplaats van het gewest rondom de cholera rondwaarde, bleef Singaradja vrijwel gespaard. De leiding te Bangli, meer voor het militaire kampement aangelegd, heeft echter met haar dunne buizen veel te geringe capaciteit voor de beboeften der bevolking.

Een ware volksziekte is, jammer genoeg onder dit mooie ras, de .kangkanan" of syphilis geworden. Verwaarioozing van goenonhoe komt er veel voor, benevens — als gevolg van vroegtijdige sexueele
uitspattingen — talrijke gevallen van impotentie, waarom er bij doctoren en kwakzalvers (vaak Chineezen) voortdurend vnu% is naar obat om ^djadi koewat". Veel kinderen zijn bedekt met zweren, die als hereditaire syphilis worden beschouwd, en bij medische be- handeling spoedig verdwijnen. Vooral Badoeng is wegens die
kwaadaardige ziekte berucht; in Bangli heeft men daarvan rond de hoofdplaats weinig last, doch in de stranddesa's des te meer; te Singaradja is.de syphilis dalend en werd dan nog vaak de infectie in Badoeng opgedaan. Doch aangetast door die kwaal zijn of waren de overgroote meerderheid (wellicht */■) van alle mannen en vrouwen, die zonder eenlgen omhaal rondweg hun ongeval mededeelen.

Daar een en ander hun weinig schijnt te hinderen en zij voor wonden een merkwaardig goed heelvieesch hebben, loopen velen daarmede maanden rond zonder iets te doen ter genezing.

Onder dit zoo zinnelijke volk tieren overspel en prostitutie welig; wordt sexueele omgang tusschen jongelieden soms met toestemming der ouders toegelaten; komt veel pederastie voor; worden veel
opwekkende middelen gebruilct, wat alles de verspreiding der syphilis in de hand werkt.

Toch wordt deze er zelden tertiair, misschien omdat de zon, hun naakte lichamen beschijnende, de zweren geneest, terwQI het toepassen van „rendam", d. i. zitbaden in stroomend water, daarop wel een gunstigen invloed kan uitoefenen. Langzamerhand schenen de Batiërs tegen syphilis immuun te worden, want de kinderen
worden er gezond geboren en een lichter ziektevorm is reeds ontstaan. Opium noch syphilis konden dit oersterke ras veizwak- ken ; selectie raapte de zwakken weg, en slechts forsche mannen ea vrouwen blijven over, dank zij hun sterk weerstandsvermogen tegen deze de gezondheid verzwakkende factoren. Doch hoe-
velen vonden een ontijdigen dood? Omtrent de sterfte der Inlanders worden èlle gegevens gemist.

Vele der bovenstaande gegevens werden mIJ medegedeeld door een Javaanschen dokter te Dèn Pasar, een hoogst ontwikkeld man, die vloeiend zoowel Duitsch als Nederlandsch spreekt, en die vol liefde zijn taak vervult van wege „de groote hulp die hl) den kranken hier kan verleenen," waarom zijn — overigens sober
bezoldigde — werkkring hem toelacht. Zijn kliniek wordt druk bezochC zoodat hij overstelpt is met arbeid. Reeds worden op zijn raad de BaliCrs wat zindelijker, leeren zij zeep gebruiken, en laten enkelen het borehsmeersei op de huid achterwege. In strijd met de meening van anderen, constateerde hij vaak vruchtafdry- ving met de hulp van „wijze vrouwen" (balians), door ongehuwde meisjes om haar fout te verbergen, door gehuwde vrouwen om haar kinderental te beperken. Voor dezen mannelijken dokter
boenen de Balische vrouwen niet de minste vrees en ontblooten zij zonder schroom haar lichaam; een enkele maal werd bij bevaling zijn hulp ingeroepen, doch in den regel wordt de hulp der ubaiians" voldoende geacht
In het algemeen Is de Balier ten zeerste ingenomen met de Europeesche geneeskundige hulp. De (naar ik meen) vier klinieken op Bali worden allen druk bezocht Dr. Kroll te Karang Asem krijgt vaak 150 patiEnten per etmaal. Bij de controleurs komt men gretig medicijnen halen en, met vrouw en kinderen, om hulp vragen, die hij nu eenmaal niet geven kan.

Versterking van het medisch personeel ts dus de allereerste eisch die aan de Regeering mag worden gesteld ; krachtige maat- regelen tegen syphilis dienen te worden beraamd; desnoods met eenige pressie reinheid van erf, woning en lichaam te worden verkregen. Een statistiek der sterfgevallen, op Bali gemakkelijk door te voeren, is noodzakelijk om tijdig bet uitbreken van besmettelijke ziekten te herkennen en maatregelen te nemen; aan betere voorziening van gezond drinkwater moet worden gedacht En dan is, ook In dit opzicht, ten bate der bevolking van Bali nog heel wat goeds te doen, waarvan tot heden het meeste nc^ achterwege bleef.

Een nög dankbaarder terrein ligt daar voor een Regeering van goeden wil open op het gebied der

D. VOLKSONTWIKKEUNG.

De Balier is vatbaar voor ontwikkeling; talrijke soedra's, zoo- wel mannen als vrouwen, kunnen in hun taal lezen en schrijven; de gegoeden hebben zelfs kennis van de kawi-literatuur. Elke Baliër kan teekenen, en de sporen daarvan zijn, niet altijd in gekutschte vormen, alom op muren en wanden zichtbaar. De zucht naar leeren ts er groot: nauwelijks wordt een school geopend of de kinderen, óók meisjes, stroomen er vrijwillig heen, terwijl elders (ook op Lombok) nog pressie noodig is. In Tat>anano.a. werden scholen opgericht onder de algemeene instemming van de gansche bevolking. „Door de Inlandsche hoofden en ambte- naren wordt het nut van onderwijs aan hun kinderen volkomen begrepen" (Kol. Versl. 1913 p. 35).

De Inlandsche scholen 2dc klasse tellen te Singaradja=212, Ie Pabean=84, Ie Boeboenan = 120 leerlingen, allen in Boele- leng, waar in 1911 nog een dergelijke school te Bandalam werd oi^richt, terwql door het ondenicht in de Hollandsche taal, die ter hoofdplaats in een 1ste klasse school zou worden herschapen. In Zuid-Bali vindt men alleen nog Gouv. scholen te Dèn Pasar, Oianjar en Bangli, en een gesubsidieerde particuliere school te Tabanan met 100 leerlingen; dat is alles. Het voornemen bestond te Tabanan de eerste „desa-school" te doen verrijzen *).

*) Kol. Verst. 1913 bijl. L vermeldt voor Ball en Lombok 10 Oout. en 6 particuliere lagere scholen van Inlanders met op uit 1911 b 1366 leeitlngen' De autoriteiten mt^en ectiter bij uitbrdding van het onderwijs, waarvan een ieder de noodzakelijkheid ericent, wel indachtig zijn, dat op Bali noodlg z^n Baiische en geen geïmporteerde Javaan- sche scholen. Ook moet de verstandige Inlander het nut der scholen gevoelen. „Wat geeft het lezen?" aldus hun scherpzinnig oordeel, „wanneer men er niets over landtmuw leert" waarom den leerlingen dus een Javaanschen hoofddoek en een verbasterde Europeesche kleeding opdringen, als die aan de ouders ƒ7.50 kost en waarbij dan nog voor elke klasse een andere kleur is voorgeschreven. De BaliSr, die elke kèpèng tweemaal omkeert vóór hij bem ui^eeft, vindt zulk onderwijs duur en een en ander (ook de vacantie gedurende de Mohammedaansche poewasa) in strijd met zijn adat. Het kweeken van „baantjes-zoekers" is licht te vermijden, daar de BatiCr weinig voelt voor Gouv. dienst. Voor de onderwijzers, nu in den regel nog Javanen, zal men onder de Soedras moeten kiezen, en den kinderen van den minderen man het recht geven op de Hoofdenschool te Boeleleng te worden toegelaten.

un doelmatig volksonderwijs is op Bali dringend noodlg, en gaat er een schoone toekomst te gemoet. Door volksontwikkeling, en daardoor alléén, zal geleidelijk elk kastenvooroordeel verdwijnen Die vaak zoo mooie vrouwen, wier lichaantslijnen in haar schoonheid een loflied zijn voor den Schepper, wier heldere owen zoo vroolijk het leven aanlachen, doorleven menigmaal op Bali een droevig bestaan. Krachtig naar lijf en geest, vol zelfvertrouwen en rustigen trots, boden zij weerstand aan den eeuwenlangen druk van adat en godsdienst, en thans nadert haar bevrijding uit de boeien door mannelijke willekeur geklonken.

Zoo lang de losse vlecht haar nog langs de slapen kronkelt, en als bewijs van maagdelijkheid nog geen kuiltje aan haar pols is te voelen, gevoelen zij nog de onafhankelijkheid van den man en de vreugde van het leven der jeugd. Nauwelijks is zij door een huwelijk gebonden, en zijn — nadat zij een kind heeft ge- kregen — haar de oorbellen ontnomen, of haar juk laat zich in zqn volle hardheid gelden. Vooraf moeten echter, door een pijn- lijke bewerking '), haar 4 boventanden en de 2 snijtanden worden algesiepen, want vöór dien tijd mag zij niet mee uittrekken te velde, noch in het huwelijk treden zonder door een zware boete dit schenden der adat af te koopen. Nauwelijks vrouw geworden woitlt het meisje in sommige streken, o. a. te Dèn Pïöar, door de desa rondgereden, om allen te toonen dat .de vrucht rijp is om te worden geplukt". Haar schaamtegevoel uit zich anders dan in meer Westersche landen : slechts tegenover Europeanen, en dan nog alleen in de hoofdplaatsen, bedekken zij haar blooten boezem met een sluier; in de desa's komen zij soms naakt naast de mannen zich onder de „pantjoeran" baden. Door het zware werken, de vroegtijdige huwelijken, de talrijke kinderen verouderen zij snel en gaat haar voornaamste trots, haar schoonheid, spoedig verloren.

De harde arbeid heeft haar sterk gemaaJct ; de kleinhandel wordt geheel aan haar overgelaten; bij den landbouw helpen zij oogsten; de dieren moeten zij voederen. Bij koeliewerk zijn zij handiger, gewilliger en ijveriger dan de mannen. Het verzamelen van water en brandhout, benevens de zorg voor de keuken en de opvoeding der kinderen wordt aan haar oveigelaten. Niet alleen dat zij voor zichzelf en de kinderen den kost moet verdienen, van haar sober inkomen moet zij nog een deel afstaan aan den heer gemaal, om diens zucht naar dobbelen en opium bot te vieren en hem in staat te stellen feesten bij te wonen. Voor dag en dauw staan de vrouwen rijst te stampen en sjouwen dan haar koopwaar naar de pasar; en als de avond reeds lang gevallen is, zit zij nog te weven of kleederen te herstellen. Een voorwerp van minachting voor de mannen, wordt zij door dezen gewantrouwd en moet (geheel anders dan op Java) op straat vooraan loopen, opdat hij .een oog in het zeil kan houden".

Een Balische vrouw Is voor den Balischen man geen mensch, doch een voorwerp, behoorende eerst aan den vader, die haar niet meetelt onder zijn kinderen, dan aan den echtgenoot die haar be schouwt als een middel van genot en van uitbuiting. Zij is hef onvervreemdbaar eigendom van haar man, die haar kan verstooten, verpanden, verkoopen en als zij ontvlucht (evenals een contract- koelie) met geweld doen terugkeeren *)• Nergens heeft zq gezag zelfs niet in eigen huis en gezin noch over baar kinderen, en toch krijgt zonder vrouw (dus gezin) de man geen rechten, evenmin in de soebak- ais in de desavereeniging. Van eenig werkelijk familie- leven is voor haar geen sprake; de man vraagt haar zelfs geen wederliefde indien zij hem slechts trouw blijft, en zoo niet, dan dreigt haar de straffe des doods. Van eik huiselijk geluk blijft ze de eeuwig vertrapte, gespeend, zoowel in de hut van den Soedra als in de poen der Vorsten. Hartstochtelijk van aard, ziet men ze soms uit wanhoop naakt over den bodem rollen; en elk meisje dat ook maar één nacht buiten haar woning doorbracht, wordt niet langer als ma^ tKSchouwd.

Volgens de Balische wet krijgen de dochters slechts de helft der enenis van den zoon, mits haar moeder geen bijzit, .selir", was, en volgens sommigen onthield de oudere Balische wet haar alle recht op de erfenis; gehuwde meisjes verliezen alle aanspraak daarop. Daar tegenover behoeven vrouwen bij het plegen eener overtreding slechts de helft der boete te betalen, en worden kinderen, minder dan één .kilan" (d. i. 5 handspan) lang als niet toereken- baar beschouwd.

Geen huwelijk wordt op Bali gesloten, zonder dat de weder- zijdsche goedkeuring der ouders is verkregen. Of de jonge dochter al of niet eenige liefde gevoelt voor haar aanstaanden echtgenoot, doet niets ter zake, de ouders beschikken over haar hand en hart. Overigens kent men 3 soorten van huwelijk: de koop, de scbakii^ dan wel den roof van het meisje, die ten slotte allen neerkomen op het betalen van een prijs voor de vrouw.

Het huwen bij onderlinge overeenkomst van de koopsom heet .mepadik", doch komt steeds minder in zwang dan bet .merang- kat" of schaking met goedkeuring van het meisje, waarna achteraf haar koopprijs wordt vastgesteld, waarop soms duchtig wordt af- gedongen. Zulke schaking is bijna overal in den Archipel bekend, en het ontstaan daarvan moet gezocht worden in den tijd van oveigang van het matriarchale tot het patriarchale verwantechap- stelsel. Schaken m^ — op strenge straf — nooit op de sawahs plaats hebben, ten einde de landbouwwerkzaamheden niet te be- moeilijken. Het wettige, en door den godsdienst voorgeschreven, mepadlk, is door het onwettige merangkat vervangen, waarvan zelfs de hoogste standen en priesters zich niet schamen gebruik te maken. Het .ngedjoek" of .melegandang", dus schaken tegen wil en dank, geschiedt meestal in den nacht, en de ouders hebben daarbij het recht den schaker te dooden, waardoor soms bloedige straatgevechten ontstaan. Eenmaal in huis gesleept is zij het wettig eigendom van haar roover, en is een boete van viermaal den ge- wonen koopprijs voldoende schadeloosstelling voor haar ouders. Soms doodt de roover liever het meisje dan haar weder los te laten en haar de vrijheid terug te geven. Verder schenkt de wet den man de vrijheid om zijn vrouw, zoo lang hij verkiest aan haar lot over te laten of haar als pandelinge weg te geven. Huwe- lijken van Javanen met Balische vrouwen komen wel eens voor, doch nooit huwde nog een Balier een Javaansche vrouw, wellicht omdat hij deze, anders werkelijk niet oproerige schepsels, nog niet voldoende lijdzaam en gedwee acht.

Van beperking der polygamie Is nergens sprake, doch zij komt zelden voor en dat alléén onder de hoogere kasten, daar de Soedra van wege de duurte zich in den regel met één vrouw moet tevreden stellen. De vrouwen der Vorsten uit gelijke kaste ontsproten heeten „padmi", al de anderen worden slechts als bijwijven of .pena- wing" beschouwd.

Baart de vrouw één of meer stamhouders — meisjes tellen niet mede — dan stijgt zij ietwat in de oogen van haar eigenaar; brengt zij geen zonen ter wereld, dan wordt op zulk wezen met verachting neergezien en wordt zij na haar dood, altijd volgens het volksgeloof, aan een hoogen boom opgehangen. Heeft een vrouw het ongeluk als tweeling één jongen en één meisje ter wereld te brengen, dan worden deze kleinen van bloedschande verdacht en wordt de moeder naar de ,Sema" (begraafplaats) verbannen en haar woning verbrand, en is er heel wat wijwater en offeren noodig om de schande, waarin de geheete desa deelt, uit te wisschen. Het lot der weduwen — waarover nader — is allerellendigst; hebben zij geen kinderen, dan kwamen vroeger al haar bezittingen aan den Vorst

Overspel komt veelvuldig voor. al worden de schuldigen slechts zelden gesnapt, waardoor zij aan den dood ontkomen. Bloed- schande, «gamie gamana", noemt men den sexueelen omgang in de geheele op- en neergaande Unie, ook van den stiefvader mü de üinte; deze brengt rampen over het land. In Kloengkoeng werd een vader verdacht van te leven met zijn dochter, en toen er langen tijd geen regen viel, werden dezen als de schuldigen t>e- schouwd en snel vert>annen, ten einde hen den smartelijken dood die hun voorheen zou hebben te wachten gestaan, te doen ont- gaan. Zooals bekend, is het huwen met een vrouw van hoogere kaste streng verboden, en levenslange verbanning het lot der schuldigen aan zulke misdaad tegen de adat en t^n de gods- dienstige overtuiging.

De echtscheiding is den man zeer gemakkelijk, der vrouw uiterst moeilijk gemaakt De man kan zijn vrouw eenvoudig wegjagen; schiet zij te kort in het bedienen dan kan hij zich voor goed van haar laten scheiden, haar de kinderen afnemen, en haar met één derde van de roerende goederen naar haar ouders terugzenden. Alleen in zéér enkele gevallen, b. v. herhaalde en zware mishandeling, dan wel het langen tijd onverzorgd laten, kan de vrouw den band ver- breken, doch dan moet in den regel de dubbele koopprijs worden teruggegeven. De Padenda, dan wel de Raad van Kerta's beslist in deze.

In de laatste jaren worden de echtscheidingen talrijker en wordt voor de rechten der vrouw wat meer zorg gedragen.

Het Gouvernement kèn, en zil naar wij hopen, nog krachtiger ingrijpen. De schaking voor den vorm, het ,merangkat", als een wettig geworden votk^brutk erkennende, wordt gewelddadige roof eener vrouw met verbannlns gestraft. Het Wetboek van Manoe eert de vrouw; In de aloude desa- en soebakvereenlging is het hebben van een gezin de voorwaarde van lidmaatschap: geen vrouw, geen rechten. Er zijn vrouwelijice priesters even geSerd als de mannelijke padenda's, en vrouwel^ke dokters, die in hoog aanzien staan. De pract^k heeft ook hier de theorie verbeterd, en het leven de wet ').

De vrouwen voelen zich reeds minder rechteloos, komen vrijmoedig klagen bij den controleur, en dringen wel wat veelvuldig op echtscheiding aan. Bij ontstentenis van een wettigen zoon kan daarin, door adoptie van een kind, dan wel door het tienoemen van een er^enaam, worden voorzien. Verzet tegen de keuze van een man door de ouders aangewezen, komt steeds meer voor; het verpanden en verkoopen heeft een eind genomen. Niet zelden weigeren vrouwen het lust- en lastdier, de werkbij en slavin van een man te zijn, en drijven handel dan wel landbouw voor eigen rekening; zij wonen dan vaak met meerderen bijéén.

Wanneer ik In mjn vorig boek, geroerd door het deemiswaardig lot der vrouw op Bali, uitriep: .Er is op Bali iets groots en edels te verrichten !" (l.c.p. 544), dan mag dankbaar worden erkend, dat in deze reeds belangrijke stappen zijn gedaan.

Previous • Bangli • Tabanan • Gianyar • Badoeng