In de herfst van 1608 arriveerde een Engelse zeeman in
Amsterdam, een onbesuisde Brit die wereldfaam zou verwerven
vanwege een reis die hijzelf als een mislukking beschouwde, een
zekere Henry Hudson.
De zeeman maakte vermoedelijk kennis met de stad vanaf dezelfde
plek als de hedendaagse treinreiziger: vanaf het IJ.
Ze zouden in de komende maanden veel met elkaar te maken krijgen,
de stad en deze zeeman, en samen zelfs wereldgeschiedenis
schrijven – al was het op een andere manier dan beiden voorzagen.
De stad bestond al een paar eeuwen, maar toch was Amsterdam nog
jong, in dat najaar van 1608.
Veel bekende gebouwen en torens ontbraken nog aan het stadsbeeld
dat zich voor de arriverende reiziger ontvouwde.
De grote koopmanshuizen aan de Buitenkant – de latere
verkeersader van de Prins Hendrikkade – moesten nog worden
gebouwd.
De stad hield zo’n beetje op waar nu het centrum ligt, bij de
Oude Schans en de Haarlemmersluis.
Ook de drukte had een totaal ander karakter.
De meeste bebouwing was half zo hoog als nu.
Een plein als de Dam leek daardoor veel weidser, en de Nieuwe en
de Oude Kerk torenden als giganten boven de huizen uit.
Een versterking als de Schreierstoren – nu een café dat je
achteloos passeert – was als een machtige vuist die het IJ
instak.
Hudson zag, vanaf de plaats waar nu het Centraal Station ligt,
een woud van masten en torens, doorschoten met zeilen, wimpels
en vlaggen.
Daarachter lag een stad waarover in Europa steeds meer gesproken
werd; een voortdurende beweging van schepen, kranen, sjouwers,
werklieden en ander volk.
Daarvóór bevond zich echter een merkwaardig overgangsgebied, een
zoutig, klotsend en verstild waterlandschap, een lange strook
van oude steigers, rottende meerpalen, houten wachthuisjes en
overal dobberende schepen, klein en groot.
Daar moest onze zeeman eerst doorheen, voordat hij zich in het
gewoel van de Warmoesstraat en de Nes kon storten – toen de
drukste straten van de stad – of zijn opwachting kon maken in
een van de koopmanshuizen aan de Oudezijds Voorburgwal – nu de
hoerenbuurt, toen een van de deftigste grachten.
Zijn zaken kon hij regelen in het brandnieuwe gebouwencomplex op
de hoek van de Oude Hoogstraat en Kloveniersburgwal – nu een
universiteitsgebouw, toen het centrum van de eerste
multinational ter wereld, de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Henry Hudson nam de stad waar tijdens een van belangrijkste
overgangsfasen in haar geschiedenis. Hier en daar stonden in
Amsterdam nog de houten huizenrijen uit de middeleeuwen, met hun
puntige, voorover hellende gevels die je nu soms nog in kleine
Duitse stadjes aantreft.
De jonge Nederlandse Republiek was in oorlog met het feodale
Spanje, maar er was een begin gemaakt met onderhandelingen, en
het daarop volgende jaar zou er een wapenstilstand gesloten
worden.
De stad lag nog grotendeels samengeperst binnen de oude poorten
en muren.
Hudson hoefde voor al zijn zaken hooguit enkele minuten te lopen:
zijn belangrijkste onderhandelingspartner, de koopman Dirck van
Os, woonde in de Nes, en de meeste discussies over routes en
kaarten vonden plaats in de Olofskapel aan de Zeedijk.
Zijn opdrachtgevers resideerden in het Oost-Indisch Huis, en de
Dam was het zakelijke en bestuurlijke hart van de stad.
Tegelijk werd datzelfde jaar ook een begin gemaakt met
nieuwigheden als een Koopmansbeurs, een unieke handelsplek voor
alle kooplieden, en een Stadswisselbank, waardoor het
internationale geldverkeer ingrijpend werd gemoderniseerd: alle
denkbare muntsoorten konden er namelijk worden ingewisseld tegen
waardevaste certificaten.
Dat was uniek in de toenmalige wereld.
Bovendien werd die winter al driftig getekend aan het grootste
Europese stadsuitbreidingsplan sinds de Romeinse tijd: drie
luxegrachten, plus een volksbuurt en stadswal die de oude stad
binnen enkele decennia zouden omsluiten.
Ruim een jaar later zou hierover de definitieve beslissing
vallen.
Vlak buiten de poorten bivakkeerden ondertussen tienduizenden
nieuwkomers, zo valt in rapporten van die tijd te lezen, in
‘schamele wonincxkens’ of in krotten tegen de stadsmuur, en in
de nissen van die muur.
Langs de paden en de poldersloten – met name rond de
Haarlemmerdijk – lagen hele wijken vol huisjes, schuren,
werkplaatsen, moestuinen en varkenskotten, grotendeels bevolkt
door immigranten.
In de laatste decennia van de 16e eeuw was de bevolking
verdrievoudigd en een groot deel van deze nieuwe burgerij kwam
uit de Zuidelijke Nederlanden. Antwerpen was leeggestroomd nadat
de Spanjaarden in augustus 1585 de stad hadden veroverd, en de
Republiek daarna de levensader van de haven, de Schelde, had
geblokkeerd.
Tienduizenden protestanten en andere dissidenten, onder wie veel
rijke kooplieden en ambachtslieden, waren weggetrokken naar het
noorden, met medeneming van hun kennis, kunde en
handelsnetwerken.
De sefardische joden speelden hierbij een bijzondere rol: veel
families waren – door de vervolgingen van de Spaanse Inquisitie
– eerst vanuit het Iberische schiereiland noordwaarts gejaagd,
met name naar Antwerpen. Om vervolgens, na de val van Antwerpen,
verder te trekken naar de Noordelijke Nederlanden, voornamelijk
naar Amsterdam.
Al deze immigranten kwamen – en dat gebeurt in de geschiedenis
niet altijd – exact op het goede moment op de goede plaats
terecht. In de opkomende Republiek bestond grote behoefte aan
nieuwe handelscontacten en aan ambachtslieden die al die nieuwe
– meestal luxe – producten konden verwerken.
Binnen een generatie hadden de immigranten uit de Zuidelijke
Nederlanden éénderde van de Amsterdamse stapelmarkt in handen.
Hun ambachtslieden introduceerden de zijde-industrie en de
suikerraffinaderijen.
Ze brachten nieuwe schildertechnieken mee en dankzij hen – en de
betrekkelijke tolerantie van de stadsbestuurders – kreeg ook het
Amsterdamse boekenvak zijn internationale faam.
De sefardische joden legden de basis voor de tabakshandel en de
diamantindustrie.
Zelfs de taal veranderde: het traditionele Amsterdams, een
Waterlands dialect, werd geleidelijk aan vervangen door plat
Antwerps.
Het was te danken aan deze netwerken – naast de kennis over de
Portugese ontdekkingsreizen die de Republiek via via had bereikt
– dat de Amsterdammers een bres hadden kunnen slaan in het
Portugese handelsmonopolie op Afrika, en later ook op Azië.
In maart 1594 was een negental kooplieden, onder wie Dirck van Os, Reynier
Adriaensz. Pauw, Pieter Dircksz. Hasselaer en Arent ten
Grootenhuys – mannen met wie ook Henry Hudson te maken zou
krijgen – in het wijnhuis van Martin Spil in de Warmoesstraat
overeengekomen om gezamenlijk een expeditie naar het verre
oosten uit te rusten.
Vier schepen, onder leiding van oppercommies Cornelis de Houtman,
waren erop uitgestuurd, waarvan er in augustus 1597, na twee
lange jaren, maar drie terugkeerden.
De winst was schraal en een aanzienlijk deel van de bemanning
had de tocht niet overleefd, maar één ding was bewezen: vanuit
Nederland was een rechtstreekse vaart op Oost-Indië mogelijk.
Een jaar later waren al 22 Zeeuwse en Hollandse schepen op weg
naar de rijke specerijeneilanden, en in totaal zouden tot 1602
maar liefst 65 schepen vertrekken.
De Portugezen bleken niet in staat om hun Indische
handelsposities te handhaven.
Het aantal Oost- Indiëvaarders dat uit Lissabon vertrok was, zo
blijkt uit de cijfers, een stuk lager.
Een goede en liefst veilige route was goud waard in die jaren.
Het ging immers om uiterst lucratieve handelswaar: peper uit
Oost- Indië, maar ook gom, ivoor, suiker en goud uit Afrika.
De risico’s werden, in tegenstelling tot elders, gespreid: een
Amsterdamse reder was niet eigenaar van één of meer schepen,
maar had ééntiende of een andersoortig aandeel in tientallen
schepen.
Via zulke gemeenschappelijke ondernemingen, compagnieën genaamd,
durfden de Nederlandse kooplieden de meest riskante
ondernemingen te financieren: zelfs als alles misliep bleef de
schade immers beperkt.
Een aantal grote Hollandse binnenmeren, zoals de Purmer en de
Beemster, kon dankzij dit soort financiële constructies
drooggemalen worden.
In 1602 was uit de compagnieën die op Oost-Indië voeren de VOC,
de Verenigde Oost-Indische Compagnie, ontstaan – de eerste
multinational ter wereld.
De compagnie zou in de twee daarop volgende eeuwen vrijwel alle
handel en scheepvaart op Azië beheersen, grote fortificaties
aanleggen op de Kaap – het latere Kaapstad -, in Indië –
Batavia, het latere Djakarta – en elders, maar nooit overgaan
tot echte kolonisatie.
Het bleef een handelsonderneming, machtig en gewelddadig
weliswaar, maar uiteindelijk toch een bedrijf, dat zich slechts
vestigde aan de randen van Afrika en de Indische Archipel.
Een multinationale onderneming ook, waarvoor de handel tússen
Indië, China, India, Ceylon en de rest van Azië minstens zo
belangrijk was als de Europese ‘negotie op de Oost’.
Ook Henry Hudson werd met deze dynamische immigrantengemeenschap
geconfronteerd. Zoals met Dirck van Os, degene die uiteindelijk
zijn contract zou tekenen.
Hij kwam uit een familie van Antwerpse notabelen en had in
Amsterdam fortuin gemaakt als koopman in de graan- en houthandel
op Rusland en de Baltische staten.
Tegelijkertijd was hij een van gangmakers achter de VOC, de
Stadswisselbank en de droogmakerij van de Beemster.
Het oudste nog bestaande aandeel ter wereld, een VOC-stuk uit
september 1606, is door hem en zijn mede-bestuurder Arent ten
Grootenhuys ondertekend.
Van Os had zijn Rusland-handel jarenlang bedreven in hecht
compagnonschap met Isaac le Maire, eveneens een zuiderling,
afkomstig uit Doornik.
Samen stonden ze in 1602 aan de wieg van de VOC, maar Le Maire
zou drie jaar later, na een fraudekwestie, gebrouilleerd raken
met de Compagnie en vermoedelijk ook met zijn oude compaan Van
Os.
Ook met deze vete kreeg Hudson te maken.
De wrokkige Le Maire zou bovenal de geschiedenis ingaan als de
uitvinder van het zogenaamde naked short selling.
In 1609 besloot hij al zijn VOC-aandelen van de hand te doen, en
hij verkocht, speculerend op een dalende koers, zelfs meer
aandelen dan hij bezat. Bij levering kon hij die, goedkoper,
alsnog aanvullen.
Nog altijd is het een geliefde beursactiviteit van speculanten
die het nemen van pittige risico’s niet schuwen. Die winter had
Hudson ook veel contact met de Vlaming Petrus Platevoet – die
zijn naam verlatijnst had tot Petrus Plancius – een fel
calvinistische predikant en tevens een van de belangrijkste
kaartenmakers van de Republiek.
Hij was de drijvende kracht achter een aantal gewaagde
expedities van de VOC, en tegelijk de fundamentalistische
theoloog die in 1601 een verbod op openbare diensten voor de
lutheranen had bepleit, omdat ze in bepaalde leerstukken een
ander standpunt innamen dan hij.
Aanvankelijk slaagde Plancius’ missie: de kooplieden annex
burgemeesters die de uiteindelijk toch een bedrijf, dat zich
slechts vestigde aan de randen van Afrika en de Indische
Archipel.
Een multinationale onderneming ook, waarvoor de handel tússen
Indië, China, India, Ceylon en de rest van Azië minstens zo
belangrijk was als de Europese ‘negotie op de Oost’.
Ook Henry Hudson werd met deze dynamische immigrantengemeenschap
geconfronteerd. Zoals met Dirck van Os, degene die uiteindelijk
zijn contract zou tekenen.
Hij kwam uit een familie van Antwerpse notabelen en had in
Amsterdam fortuin gemaakt als koopman in de graan- en houthandel
op Rusland en de Baltische staten.
Tegelijkertijd was hij een van gangmakers achter de VOC, de
Stadswisselbank en de droogmakerij van de Beemster. Het oudste
nog bestaande aandeel ter wereld, een VOC-stuk uit september
1606, is door hem en zijn mede-bestuurder Arent ten Grootenhuys
ondertekend. Van Os had zijn Rusland-handel jarenlang bedreven
in hecht compagnonschap met Isaac le Maire, eveneens een
zuiderling, afkomstig uit Doornik. Samen stonden ze in 1602 aan
de wieg van de VOC, maar Le Maire zou drie stad bestuurden,
slikten zijn theologische verhandelingen voor zoete koek, zolang
hij daarnaast zijn wereldbollen maar bleef bestuderen.
Zijn cartografische kennis was immers onmisbaar voor verdere
expedities. De heren veranderden echter rap van mening toen de –
lutherse – Baltische staten en de koning van Denemarken het
opnamen voor hun geloofsgenoten.
Zulke belangrijke handelspartners wilde men voor geen goud voor
het hoofd stoten.
De lutheranen kregen weer alle vrijheid.
Ook in zaken van ziel en zaligheid golden, binnen zekere grenzen,
de regels van de hoogste bieder.
In datzelfde 1608 vond in de Republiek een typerend incident
plaats, dat later door Voltaire in zijn historische
verhandelingen voor de vergetelheid werd behoed.
Met een deftige Spaanse delegatie waren markies Spinola en de
diplomaat Richardot op weg naar Den Haag om met de Nederlanders
te onderhandelen over de voorgenomen wapenstilstand.
Onderweg zagen ze hoe een gezelschap van een stuk of tien mannen
uit een simpel bootje stapte en op de wal in het gras ging
zitten om een maaltijd van brood, kaas en bier te nuttigen,
waarvan ieder zijn eigen portie had meegebracht.
Van een boer hoorden ze, tot hun verbazing, om wie het hier ging:
‘Dit zijn de afgevaardigden van de Staten, onze onafhankelijke
heren en meesters.’
Het was, kortom, de delegatie waarmee de Spaanse delegatie de
komende weken op gelijkwaardige voet moest onderhandelen.
De Spanjaarden en Fransen raakten niet uitgepraat over deze
simpele leefstijl, ook bij de elite, terwijl de Nederlanders dat
doodnormaal vonden.
Het had ongetwijfeld te maken met het feit dat welvaart, macht
en rijkdom voor deze generatie burgers wel heel plotseling was
gekomen.
Pieter Dircksz. Hasselaer, ook een van Hudsons opdrachtgevers, had
bijvoorbeeld als jongeman in 1573 nog een heldenrol gespeeld bij
het Spaanse beleg van Haarlem tijdens de Nederlandse
vrijheidsoorlog.
Nu stuurde deze Hasselaer, als een van de rijkste kooplieden van
de Republiek, expedities naar Azië en tot aan de randen van de
pool.
Dezelfde dubbelzinnigheid kenmerkte het leven en denken van
Petrus Plancius: een ouderwetse fundamentalist, die
tegelijkertijd voorop liep in de moderne cartografie.
En zie de kleding van Reinier Pauw, een andere VOC-bewindvoerder
en achtmaal burgemeester van het snel moderniserende Amsterdam,
op een portret van Jan van Ravensteyn: donker, sober en
ouderwets, zonder enige verwijzing naar zijn macht en rijkdom.
Feodale verhoudingen kwamen, met name in de zeeprovincies,
nauwelijks voor.
Hier heerste een waardesysteem waarin niet eer, afkomst, fatsoen
of prestige voorop stonden, maar geld.
‘In deze stad is niemand die geen handel drijft,’ schreef de
Franse filosoof René Descartes, toen hij rond 1635 in Amsterdam
belandde.
‘Ieder is zo van zijn voordeel vervuld, dat ik er mijn ganse
leven zou kunnen wonen zonder ooit door iemand opgemerkt te
worden.’
De Britse historicus J.L. Price zou later de verhalen van
buitenlanders die de jonge Republiek bezochten, vergelijken met
de ervaring van jonge Europeanen die voor het eerst Amerika zien:
alles was bekend, maar bleek toch net een kwartslag anders.
Het was een desoriënterende ervaring: het politieke debat, de
verfoeilijke religieuze tolerantie, de ongekende mate van
verstedelijking, en het nieuwe humanisme, in een Europa dat nog
door en door conservatief was.
In sommige dingen was de Republiek nog ouderwets.
Zo waren de ambachten nog helemaal volgens de middeleeuwse
gildestructuur georganiseerd, maar op andere economische en
sociale gebieden was Nederland Europa ver vooruit.
Of, zoals Price stelt: het was een kleine, voortijdig
kapitalistische voorpost in een Europa dat verder nog
grotendeels middeleeuws was.
Er was, kortom, vanaf de jaren negentig van de zestiende eeuw,
een geest van durf in deze bedaagde landen gevaren, misschien
zelfs van euforie. Amsterdam was druk bezig het financiële
centrum van de toen bekende wereld te worden.
Overal in de Nederlandse samenleving deelde men in de successen
van handel en scheepvaart.
In de aandelenregisters van de VOC en de WIC staan duizenden
namen, van burgemeesters en kooplieden, maar ook van predikanten,
schoolmeesters en zelfs van dienstboden.
Van de scherpe sociale problemen uit de 16e eeuw werd weinig
meer vernomen.
Wel namen die winter van 1608 op 1609 de interne spanningen
rondom de oorlog met Spanje toe.
De machtigste ambtenaar van de Republiek, raadspensionaris Van
Oldenbarnevelt, wilde snel een einde maken aan de
oorlogshandelingen, die handenvol geld kostten en de vrije
handel blokkeerden.
De stadhouder prins Maurits had, aan de andere kant, vorstelijke
aspiraties en wilde graag doorvechten om ook de Zuidelijke
Nederlanden te ‘bevrijden’.
Er woedde een ware pamflettenoorlog tussen de Orangisten en Van
Oldenbarnevelts vredespartij.
Amsterdam was een belangrijke machtsfactor binnen de Republiek
en steunde de prins, maar om geheel eigen redenen: de
Spanjaarden waren namelijk bereid om de Republiek als soevereine
staat te erkennen,
op voorwaarde dat de Nederlanders zich uit Azië en het
Atlantisch gebied zouden terugtrekken.
Van Oldenbarnevelt stond daar niet afwijzend tegenover, want de
voortdurende oorlog en het op de been houden van een leger van
60.000 man kostte bergen geld.
Bovendien kon, als het eenmaal vrede was, de verlopen handel op
Zuid- Europa weer worden opgepakt.
De Amsterdamse kooplieden vreesden echter dat zo’n vredesverdrag
een vroegtijdig einde zou maken aan hun nieuwe handel in Azië en
Zuid-Amerika, om maar te zwijgen van de uiterst lucratieve
kaperij van Spaanse schepen.
En dominee Plancius, onverzoenlijk calvinist en VOC-pionier
ineen, wilde al helemaal niet van vrede weten.Over het
verleden van onze Britse zeeman weten we ondertussen niet veel.
Toen Henry Hudson in Amsterdam opdook was hij een jaar of
veertig, een ervaren zeeman met drie zonen – zijn eerste
kleinkind was net geboren – die de laatste jaren een zekere faam
had verworven met zijn zoektochten naar een noordelijke doorgang
naar Oost-Indië en China.
Er waren twee mogelijkheden: noordwest, via Canada, en noordoost,
rond Rusland.
Zo’n noordelijke route, mocht die bestaan, zou grote voordelen
kunnen bieden boven de bestaande weg naar Azië, via Kaap de
Goede Hoop.
Die was een stuk korter, en de vloot zou geen last hebben van de
hitte en langdurige windstiltes, om maar te zwijgen van de vele
kapers die in het zuiden op de loer lagen.
Vanuit de Republiek hadden Dirck van Os en de zijnen zo’n
vijftien jaar eerder ook al een drietal expedities naar het
noorden gestuurd, geïnspireerd door Petrus Plancius die
overtuigd was van de mogelijkheden van zo’n doorgang.
Vanachter zijn wereldbollen in de Olofskapel propageerde
Plancius de theorie – afkomstig van de Britse avonturier Robert
Thorne – dat de vijf maanden onafgebroken zonneschijn op het
poolgebied in de zomer zoveel hitte moest genereren, dat het
poolgebied zelf warmer was – en dus ijsvrij – dan de omliggende,
meer zuidelijk gelegen zeeën.
Achter een koude barrière, vol ijsbergen en andere hindernissen,
moest volgens hem dus een mildere zone liggen.
De laatste Nederlandse expeditie, onder leiding van Willem
Barentszoon, was echter in 1596 vastgelopen in het drijfijs van
Nova Zembla.
De bemanningsleden hadden een gruwelijke overwintering in een
van wrakhout getimmerd huis – het ‘Behouden Huys’ – moeten
doorstaan.
Twaalf van hen wisten uiteindelijk heelhuids terug te keren naar
Amsterdam, met verhalen die nog vele generaties Nederlandse
schoolkinderen koude rillingen bezorgden.
Daarna was het voorlopig gedaan met dit soort tochten naar het
noorden.
Henry Hudson probeerde elf jaar later opnieuw de noordelijke
doorgang te vinden, onder auspiciën van de Londense Muscovy
Compagny.
Zijn eerste tocht, in 1607, was van een ongekende driestheid:
hij probeerde niet via het westen of het oosten rond de pool te
zeilen, maar er rechtstreeks overheen.
Hij kwam tot zeshonderd mijl in de buurt van de pool, trotseerde
stormen en een walvis die onder zijn schip probeerde op te
duiken, maar moest uiteindelijk droogjes in zijn logboek noteren:
‘Vanochtend zagen we dat we door overvloedig ijs omsloten waren…
En dit is wat ik hier met zekerheid kan zeggen: …er is via deze
weg geen doorgang.’
Een tweede expeditie via de noordoostelijke route in het
voorjaar van 1608 mislukte eveneens, waarna zijn opdrachtgevers
hem aan de kant zetten.
Hiervan kreeg de consul van de Republiek in London lucht, en
omdat hij wist dat een aantal Amsterdamse kooplieden nog steeds
in zo’n noordelijke route geïnteresseerd was, bracht hij Hudson
met hen in contact.
En zo vertrok onze zeeman in het najaar van 1608 uit London naar
de Republiek, op uitnodiging van de Amsterdamse Kamer van de
VOC.
Voor Dirck van Os en de zijnen had de zoektocht naar een
noordelijke doorgang opnieuw hoge urgentie. Ditmaal niet om
vaartechnische redenen, maar vooral om mogelijke concurrenten,
zowel binnen als buiten de Republiek, vóór te zijn.
De VOC had van de Staten-Generaal namelijk wel het exclusieve
monopolie gekregen om met Azië te handelen via de zuidelijke
routes, maar het stond iedereen vrij om via het noorden een
poging te wagen.
Uit diverse stukken blijkt dat de bewindvoerders zich daar al
jaren grote zorgen over maakten.
Ze waren dus vooral om juridische redenen in Hudsons expeditie
geïnteresseerd: een noordelijke doorgang kon uiterst gevaarlijk
zijn voor hun lucratieve handelsmonopolie, daarom moesten zij de
eersten zijn.
Bovendien kon een mogelijk vredesverdrag met Spanje hen ook
dwingen om een andere route naar Azië te vinden.
Petrus Plancius had daarbij zijn eigen motieven.
In Amsterdam konden de onversaagde ontdekkingsreiziger en de
befaamde cartograaf eindelijk eens praktijk en theorie met
elkaar vergelijken.
De gedachtewisseling stemde beiden zeer optimistisch, met name
in hun theorie over het bestaan van een relatief ‘warm’
poolgebied.
Zo meende Hudson in het verre noorden grazende dieren gezien te hebben, en
waren er ook berichten over een open zee rond de pool.
Dwars door dit alles heen speelde, in het diepste geheim, ook
nog een diplomatieke intrige.
Het enorme succes van de VOC had de aandacht getrokken van de
Franse koning, Henry IV.
Hij wilde de Franse handel uitbreiden en moderniseren met een
soortgelijke onderneming.
Er waren expedities naar Canada uitgezonden, maar nu had de
vorst zijn zinnen gezet op de Aziatische handel – wellicht zelfs
via een nieuw te ontdekken, noordelijke route. De Franse
ambassadeurs in Den Haag probeerden de Hollanders zoveel
mogelijk informatie te ontfutselen – precies zoals Nederlandse
zeelieden en cartografen dat eerder met de Portugezen hadden
gedaan – en zelfs Petrus Plancius wisten ze uit te horen. Hun
grootste bondgenoot vonden ze in Isaac le Maire, de rijke en
verbitterde Amsterdamse koopman die, hoewel medegrondlegger van
de VOC, uit de onderneming was gezet.
Hij zag in een machtig Frans initiatief, dat in één klap het
monopolie van de VOC zou wegvagen, de perfecte manier om
revanche te nemen.
De bewindvoerders van de VOC waren zich hiervan maar al te zeer
bewust, en het maakte hun gevoel van urgentie alleen maar groter.
Le Maire wist, van zijn kant, precies waarom Henry Hudson naar
Amsterdam ontboden was, en zocht contact met de zeeman.
Uit de verslagen van een van de Franse ambassadeurs blijkt dat
Le Maire uit alle macht probeerde om Hudson in dienst te laten
treden van de Franse koning, in plaats bij de VOC.
En Hudson stond daar aanvankelijk niet afwijzend tegenover.
Hij leverde aan de Fransen alle informatie die hij ook aan de
VOC had gegeven.
Zo ontstond er, in dat najaar van 1608, een stille wedloop rond
de ontdekkingsreiziger.
De Amsterdamse bewindvoerders van de VOC wilden Hudson ondanks
bepaalde aarzelingen toch op pad sturen, maar hadden daarvoor
toestemming nodig van hun collega’s in andere delen van het
land, met name de Zeeuwen. Ook Le Maire moest de gesprekken met
Hudson een poosje opschorten, want de Fransen verwachtten –
terecht – dat het op handen zijnde wapenstilstandsverdrag met
Spanje zeer nadelig zou uitpakken voor de VOC, zonder dat ze
daar iets voor hoefden te doen.
Dat zou hun plannen in een heel ander perspectief zetten.
De bewindvoerders van de VOC, die lucht hadden gekregen van
Hudsons dubbelspel, maakten van deze pauze gebruik om
definitieve afspraken met Hudson te maken.
De Franse koning, gealarmeerd, stuurde Le Maire een forse
geldsom om Hudson alsnog in dienst te nemen, maar het was te
laat.
Henry Hudson zou uitvaren onder de vlag van de Republiek, al was
het op het nippertje.
De geschiedenis had, onder Franse vlag, een heel andere loop
kunnen nemen.
Het was een tijd van historische breuklijnen, die winter van
1608 op 1609; een spanning tussen oud en nieuw, moderniteit en
traditie, die het leven voortdurend bepaalde.
Zo was het ontwerp van de Amsterdamse grachtengordel een typisch
product van de snelle rijkdom en allure van de 17e eeuw.
Het was een eigenzinnige manier om boulevards te scheppen
waarlangs de burgerij kon flaneren, terwijl de grachten tevens
konden fungeren als transportsysteem en berging van het
boezemwater.
Amsterdam moest met dit plan een ultramoderne stad worden, met –
uniek voor die tijd – gescheiden woon- en werkgebieden.
Tegelijk bleef Amsterdam ook een ouderwetse Hollandse waterstad,
midden in een moerasgebied, en het stratenpatroon van de nieuw
te bouwen werkmanswijk, de latere Jordaan, herhaalde keurig het
uitgekiende ritme van poldersloten en paden zoals dat al vanaf
de middeleeuwen overal in Holland gebruikelijk was.
Ook in andere opzichten behield de stedelijke samenleving,
ondanks de breuk met het verleden, sterke middeleeuwse trekken.
De gildenorganisaties bleven gewoon bestaan, en dat gold ook
voor tal van charitatieve instellingen.
Omdat die nu moesten functioneren in een stad die vele malen
groter was dan het middeleeuwse Amsterdam, groeiden ze uit tot
instituties van stedelijke zorg met een – voor die tijd –
spectaculaire omvang.
Zo herbergde het Aalmoezeniersweeshuis, op stadskosten,
regelmatig meer dan achthonderd wezen.
Op dezelfde manier functioneerde de VOC.
Aan de ene kant gold de compagnie gedurende de 17e en 18e eeuw
als de grootste onderneming ter wereld, maar tegelijk werd die
bestierd als een middeleeuwse polderhuishouding.
Het is niet toevallig dat er nauwelijks namen van individuele
ondernemers en kooplieden uit de befaamde 17e eeuw in de
geschiedenisboeken terecht zijn gekomen.
Alle macht lag in handen van een collectief: de Vergadering der
Heren Zeventien.
Dit college was samengesteld uit acht Amsterdamse leden, vier
Zeeuwse en vijf bewindvoerders uit kleinere steden.
Niemand had het laatste woord, nergens bestond een eenhoofdig
gezag.
Net als bij de politieke instellingen van de Republiek was men
ook binnen de VOC dol op ‘eenparigheid van consent’, ofwel
unanimiteit en consensus.
Ook toen al hadden de Nederlanders een onbedwingbare neiging tot
‘polderen’ en vergaderen: alles draaide om ‘de kunst van
persuasie’, de capaciteit om anderen met argumenten te overreden.
Er gold, althans in theorie, zelfs een zekere democratie:
tegenover het monopolie dat de Staten-Generaal aan de VOC
toekende moest de compagnie aan alle inwoners van de Republiek
de mogelijkheid geven om aandelen te kopen.
Slagvaardig was zo’n bestuurssysteem natuurlijk niet; vandaar
dat de Amsterdamse VOC ten aanzien van Henry Hudson bijna achter
het net viste, omdat het nog op toestemming van Zeeland moest
wachten.
Maar dergelijke problemen loste men meestal op flexibele wijze
op, met de bijna aangeboren neiging tot compromissen en met
behulp van een boel gekonkel en achterkamertjespolitiek.
De orde, die in ieders belang was, moest gehandhaafd worden.
De polder moest wel droog blijven. Ook de aanstelling van Henry
Hudson werd binnen de VOC uiteindelijk afgewikkeld in het
schemergebied van compromis, achterkamer en voldongen feit.
Als het aan de Zeeuwen had gelegen, zo blijkt uit bewaard
gebleven correspondentie, had de VOC alle contacten met Henry
Hudson verbroken na zijn dubbelspel met de Fransen.
Ook had Hudson ‘groote dispuyten’ met de equipagemeester Dirk
Gerritszoon over de gage van de Engelsen die met hem mee zouden
varen.
Hudson begint hier al ‘onder onse oogen te muyteren,’ zo
schreven ze aan hun Amsterdamse collega’s,
‘Wat soude hij doen als hij van ons waer.’ Ofwel: wat zal hij
wel niet doen als hij bij ons uit de buurt is.
De Zeeuwen wilden de noordelijke expeditie wel doorzetten, maar
dan onder leiding van ‘een bequaem, verstandich ende ervaren
persoon’.
Maar het Zeeuwse bezwaar arriveerde te laat: op 8 januari 1609
hadden de Amsterdamse bewindvoerders van de VOC, onder leiding
van Dirck van Os, in hun wedijver met opponent Le Maire, het
contract met Henry Hudson al getekend.
Volgens dit stuk kreeg Hudson ‘een scheepken of jacht’ tot zijn
beschikking, dat goed was voorzien van bemanning, levensmiddelen
en andere noodzakelijkheden.
Hiermee zou hij begin april moeten vertrekken om een noordelijke
doorgang te zoeken, benoorden Nova Zembla om, en dan weer naar
het zuiden.
Hij zou vervolgens terug moeten keren en alle ‘journalen,
coursen, kaerten en alles wat hem op de reijse is wedervaeren’
moeten overdragen, ‘sonder iets aghter te houden’.
Als schip werd de Halve Maen hem toegewezen, een niet al te
groot jacht van zo’n 85 voet (26 meter), met een bemanning van
zestien personen. Voor de hele klus kreeg hij achthonderd gulden
– het maandsalaris van een kapitein op de koopvaardij was zo’n
vijftig á zestig gulden.
Mocht hij na een jaar nog niet teruggekeerd zijn, dan zou de VOC
nog éénmaal tweehonderd gulden aan zijn vrouw uitkeren, maar dan
ook van alle verdere verplichtingen zijn ontslagen.
Zo vertrok onze zeeman op 4 april 1609 uit Amsterdam, om twee
dagen later, op 6 april, weg te zeilen vanaf het eiland Texel de
Noordzee op.
Drie dagen later ondertekenden de afgevaardigden van Spanje en
de Republiek een wapenstilstand voor de duur van twaalf jaar.
Een definitieve vredesregeling bleef uit omdat Nederland de
handel op Azië en Amerika niet wilde opgeven. De kooplieden van
de Republiek waren alleen bereid om, zolang de wapenstilstand
duurde, de status quo te handhaven en geen aparte West Indische
Compagnie voor Noord- en Zuid Amerika op te zetten.
Zodra de wapenstilstand met Spanje voorbij was, werd die alsnog
opgericht. Hudsons directe opdrachtgever, Dirck van Os, ging –
naast vele andere bezigheden – nog een gouden loopbaan tegemoet
als polderbestuurder van ‘zijn’ Beemster.
Een andere opdrachtgever, Arent ten Grootenhuys, staat in de
Schuttersgalerij van het Amsterdams Historisch Museum nog altijd
stoer en trots voor zijn compagnie van de Voetboogdoelen.
Hun tegenstrever, Isaac le Maire, moest twee jaar later de stad
verlaten nadat het was misgegaan met zijn speculaties.
Daarna stichtte hij nog een Australische Compagnie, als
tegenhanger van de VOC, waarbij een nieuw ontdekte zeestraat bij
Vuurland naar hem werd vernoemd: de Straat Le Maire.
Hij liet op zijn grafsteen in de dorpskerk van Egmond-Binnen
graveren dat hij door ‘Godt den Heere soo rijckelick gesegent is
geweest’, aangezien hij in dertig jaar tijd meer dan anderhalf
miljoen gulden had verloren, maar zijn eer had behouden.
De dominee annex kaartenmaker Petrus Plancius zou, samen met de
strenge en machtige koopman annex burgemeester Reynier Pauw, in
later jaren een belangrijke bijdrage leveren aan de val van
raadspensionaris Van Oldenbarnevelt en daarna, in 1619, aan
diens executie wegens ‘landverraad’.
Het was een Shakespeariaans drama waarin godsdienstkwesties,
zoals vaker in dit land, ogenschijnlijk de boventoon voerden.
Daaronder lagen echter grote zakelijke belangen: Pauw en de
zijnen keerden zich immers vooral tegen Van Oldenbarnevelt en
zijn vredespolitiek omdat een bestand met Spanje hen commercieel
buitengewoon slecht uitkwam.
Pas in 1648 zou Amsterdam alsnog instemmen met een vredesverdrag.
Amsterdam zelf zou in de jaren daarna uitgroeien tot het New
York van de zeventiende eeuw, de stad van het nieuwe, bruisend
van leven en creativiteit, verbonden met alle delen van de
toenmalige wereld – al was het maar voor even.
Wat Henry Hudson betreft, hij verdween met zijn schip, een
stipje op zee.
Nooit meer zou hij in Amsterdam terugkeren. |