Home | Hobbies | Books | Mutiara Laut | Website Projects | Links

Previous • Amsterdam • New York

1609 De vergeten geschiedenis van Hudson, Amsterdam en New York

New York

De toevallige nalatenschap van Henry Hudson Door Russell Shorto

Ieder uur werd het moeilijker om in leven te blijven.
Terwijl de golven tegen het schip beukten, slaagde de stuurman er toch in een pen te pakken om de datum – de negentiende mei, 1609 – en enkele woorden in het logboek te krabbelen: ‘Veel problemen met de mist, zo nu en dan, en nog meer gevaar door het ijs… met veel wind en sneeuw en erg koud.’
Ze zaten onderhand al langer dan een maand op zee – zo’n zestien man op een klein houten schip – aanvankelijk in rustig vaarwater, maar dichter bij de pool zeilden ze een ‘dichte, zware storm’ in die alsmaar heviger werd, en de mannen naderden de grens van hun uithoudingsvermogen.
De bemanning, – half Engels, half Nederlands – gevangen tussen de meedogenloos deinende golven en laaghangende hemel, raakte bitter verdeeld.
Er hing muiterij in de lucht.
Hun doel was om een kortere weg naar de rijkdommen van Azië te vinden.
De instructies van de opdrachtgever, de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Amsterdam, waren bijzonder duidelijk: ze moesten een noordoostelijke route nemen, dicht langs de rand van de pool scheren, door de ijskoude wateren van noordelijk Rusland.
Het contract verordineerde de kapitein nadrukkelijk ‘er niet aan te denken om andere routes te kiezen’ dan deze.
Wat stond hen nu te doen? Omdraaien en terugkeren naar de haven, toegeven aan de mislukking?
Of doorstoten, op welke wijze dan ook, een wisse dood tegemoet?
Een wijze oude historicus vertelde me ooit dat zijn grootse frustratie te maken had met simpelweg één vraagwoord: waarom?
Historische bronnen – immigratie formulieren, scheepslogboeken, testamenten – leveren ons namen, leeftijden, wapenfeiten, maar verklaren zelden waaróm mensen emigreerden, exploreerden, beminden, oorlog voerden, en andere belangrijke beslissingen namen.
We weten veel over het verleden van de mensheid, maar meestal laten mensen na om juist die simpele reden vast te leggen, dit meest menselijke feit, de sleutel naar onze dromen en ons hart.
De Engelse ontdekkingsreiziger Henry Hudson liet geen rechtstreeks antwoord na op de vraag waarom hij deed wat hij deed gedurende zijn avontuurlijke leven.
We moeten proberen dit af te leiden uit zijn daden en zijn handelwijze.
Toch denk ik dat we een vrij goed beeld kunnen krijgen van wat hem over de aardbol dreef, van de kracht die deze in zichzelf gekeerde, sombere, volhardende man voortstuwde en hem ertoe bracht – zei het onopzettelijk – de koers van de geschiedenis te wijzigen.
Dit was niet de eerste keer dat Hudson zou worden geconfronteerd met de voorbodes van muiterij en het zou ook niet voor het laatst zijn.
De man had iets grimmigs, een zekere meedogenloosheid.
Sommige ontdekkingsreizigers uit het grote exploratietijdperk waren bovenmaatse persoonlijkheden.
De Italiaan Giovanni Cabotto (alias John Cabot) bijvoorbeeld, trakteerde de inwoners van zijn geadopteerde woonplaats Londen op bloemrijke verhalen over zijn tochten, en beloofde mensen die hij in de kroeg ontmoette dat hij nieuw ontdekte eilanden naar hen zou noemen.
Hudson vertoonde niets van dat soort charme.
Zijn belangrijkste eigenschap was standvastigheid: hij was een niet aflatende jager, een onderzoeker naar de uitgestrektheid van de aarde.
Zijn enige droom was een korte route naar Azië te vinden.
En hij was tot bijna alles bereid om die droom uit te laten komen.
Hij had al eerder enkele moeizame pogingen gedaan, waaronder de krachttoer om rechtstreeks de Noordpool over te zeilen.
Nu, onder het gebrul van de wind, deelde hij zijn bemanning mee dat ze, tegen de VOC orders in, de koers van het vaartuigje zouden verleggen en westwaarts varen – de Atlantische oceaan over.
Voor een deel was deze koerswijziging gebaseerd op de brieven van zijn vriend John Smith die op datzelfde moment, samen met de andere kolonisten, vocht om te overleven, in Jamestown, Virginia; de eerste Engelse nederzetting in Amerika.
Hudson was ervan overtuigd geraakt dat de beste route naar de Japanse zee dwars door, wat we nu weten, de immense oppervlakte van Noord-Amerika lag.
Dit idee wordt iets minder absurd als we bedenken dat de beste berekening van de omtrek van de aarde toentertijd die van de Griekse geograaf Ptolemaeus was, die hem ongeveer een derde kleiner schatte dan hij in werkelijkheid is.
Voor een zeeman als Hudson was het dus begrijpelijk te redeneren dat het gedeelte van de aarde waar nog niemand van wist – het westen van Amerika en het grootste deel van de Stille Oceaan – eenvoudigweg niet bestond.
Bovendien had John Smith hem verteld over een waterweg die de landmassa doorsneed, ergens ten noorden van Virginia.
Dit, zo concludeerde Hudson, moest een doorgang zijn tussen de Atlantische en Stille oceaan.
Naar hedendaagse begrippen zou deze waterweg dwars door de Noordoostelijke staten van de Verenigde Staten voeren.
In plaats van, zeg, in Ohio terecht te komen, zou hij direct afstevenen op de Japanse kust.
De moed, de ongeëvenaarde koppigheid en het doorzettingsvermogen van mannen als Hudson gaan ons huidige voorstellingsvermogen te boven.
Daar op het dek van de Halve Maen, omgeven door het kolkende grijs-zwarte water van de Noordzee, overtuigde hij de bemanning van zijn gelijk.
Het zal voor hen niet al te moeilijk geweest zijn om hem te geloven: het was hen ingeprent dat hun kapitein een speciaal soort mens was, iemand die dingen wist, en het was vast geruststellend om op die wetenschap te vertrouwen. Alleen Hudson zelf wist hoe broos de fundering voor zijn opvatting was.
Zo gingen ze overstag en zetten een nieuwe koers, recht over de Atlantische Oceaan, en maakten aldus geschiedenis.
Dit geïmproviseerde deel van de reis was een stuk minder riskant.
Op twee juli hadden ze de visgronden bij Newfoundland al bereikt.
Daar wendden ze de steven zuidwaarts, helemaal tot aan het huidige Virginia, waar Hudsons vriend John Smith zich bevond.
Hudson voer echter niet de Chesapeakebaai in, maar keerde om, en zette koers naar het noorden, nu op de uitkijk naar het kanaal waarvan hij geloofde dat het naar Azië zou leiden.
Ze troffen een mogelijke kandidaat – de Delaware rivier – maar die was te ondiep.
Op vier september voeren ze ‘een zeer goede haven’ binnen waar ze ‘tien grote zeebarbelen van een halve meter stuk’ vingen, ‘en een rog zo groot als vier man binnen konden halen.’

Het was de haven van New York.
Omdat de rivier die ze vervolgens opvoeren – en die later zijn naam aan Hudson zou ontlenen – getijden heeft en dus zout is, had Hudson reden te geloven dat hij zich in een kanaal tussen twee oceanen bevond.
De omgeving betoverde de mannen.
‘De rivier is anderhalve kilometer breed,’ schreef de stuurman, en ‘aan beide kanten is het land hooggelegen… Het is de meest perfecte landbouwgrond waar ik ooit in mijn leven voet op heb gezet.’
Ze kwamen op verschillende plekken inheemse bewoners tegen, en dreven handel met sommigen en vochten met anderen.
Ze vervolgden hun tocht voorbij het eiland Manhattan en verder, helemaal tot ten noorden van het huidige Albany, waar ze zich realiseerden dat de rivierbedding steeds smaller werd en het water niet langer zout was.
Dit was niet de route naar Azië.
Hudson gaf het bevel om te keren.
 Ze voeren terug naar Europa. In Engeland – waar Hudson op weg naar de Republiek een haven aandeed – begon een nieuw avontuur.
Hudson werd gearresteerd omdat hij een expeditie ‘ten nadele van zijn geboorteland’ ondernomen had.
Het scheeplogboek werd geconfisqueerd.
Spionnen hingen bij zijn bemanning rond, speurend naar informatie.
Hudsons verslag over oneindig bosland, over bevers en vossen, en over een haven van wereldklasse, wekten de belangstelling van de Engelse regering, en van avontuurlijke Nederlandse kooplieden die expedities begonnen te plannen om het nieuwe gebied te verkennen.
Maar Hudson zelf had weinig interesse in deze zaken.
Voor hem was Noord-Amerika enkel een gigantisch obstakel op weg naar het werkelijke doel.
Bij aanvang van het nieuwe vaarseizoen had hij een nieuwe, Engelse, financier gevonden.
Hij vertrok weer richting Noord-Amerika, ditmaal op zoek naar een noordwest passage die hij op een hogere breedte verwachtte te vinden, door noordelijk Canada heen.
Hij fleemde en schold de bemanning door helse watervlaktes vol ijs heen, doof voor het steeds luidere koor van hun jammerklachten, tot, uiteindelijk, op 22 juni 1611, de door honger en scheurbuik verzwakte mannen er genoeg van hadden.
Aan de zuidelijke rand van de uitgestrekte, ijskoude waterplas die later bekend zou worden als de Hudsonbaai, zetten ze Hudson, enkele bemanningsleden die loyaal aan hem gebleven waren en Hudsons jongste zoon John, die de verkeerde reis gekozen had om zijn vader te vergezellen, overboord in een kleine sloep.
Een tijdlang nadat de muiters de zeilen hadden gehesen, konden ze de sloep nog dapper achter hen aan zien varen, maar het kleine bootje was niet voor zeereizen bedoeld; op den duur verloren de opstandige zeelui het uit het oog.
Zij keerden terug naar Engeland en waren al snel verwikkeld in allerlei rechtszaken.
Henry Hudson – die geschiedenis zou maken op een wijze die hij zich nimmer had kunnen voorstellen – stierf een ijzige dood, slachtoffer van zijn eigen obsessie, mislukt in het behalen van het enige doel dat ooit iets voor hem betekende.


Veel van de gedenkwaardige momenten in de geschiedenis zijn niet vastgelegd, dus we moeten onze verbeelding laten spreken over die uiteindelijk noodlottige dag in 1626, toen twee groepjes mannen elkaar tegenkwamen in een grof opgetrokken fort aan de rand van de immense Noord-Amerikaanse wildernis.
Eén groep bestond uit Nederlandse soldaten, de ander uit Mahikan Indianen, hun haar lang en ‘stug als de staart van een paard’ zoals een schrijver het zou schetsen, en waarschijnlijk hadden ze een hertenvel rond de middel geknoopt.
In de jaren onmiddellijk na Henry Hudsons reis, de basis waarop de Republiek een claim had gelegd op een brede strook land aan de oostkust van het Noord-Amerikaanse continent, waren enkele Nederlandse expedities tot dit gebied doorgedrongen.
Ze brachten het in kaart en dreven ruilhandeltjes met de inheemse stammen.
In 1621, bij het einde van het 12-jarig bestand in de lange oorlog die de Nederlanders met het Spaanse Rijk voerden, werd vervolgens een nieuwe handelsonderneming gesticht.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie – die Hudsons reis had gefinancierd – was zeer succesvol in de handel met Azië gebleken.
Nu hoopte de nieuw opgerichte West Indische Compagnie hetzelfde te bereiken.
De missie was tweeledig: het verkrijgen van producten uit Noord-Amerika, Zuid-Amerika en het Caribisch gebied, en het bevechten van de Spanjaarden in deze streken.
Om deze redenen stichtte de WIC een kolonie in het gebied dat Hudson bevaren had, waarbij ze zijn reis gebruikten als basis voor hun claim op het gebied.
Ze noemden de kolonie Nieuw Nederland.
In huidige begrippen strekte het gebied zich uit van Albany, New York, tot aan de Delaware rivier in het zuiden, en besloeg, geheel of gedeeltelijk, vijf toekomstige Amerikaanse staten: New York, New Jersey, Pennsylvania, Connecticut en Delaware.
In de jaren 1624 en 1625 vertrokken de eerste groepjes kolonisten en handelaren uit de Verenigde Provinciën (zoals de Republiek ook wel genoemd werd).
De Nederlandse manier om grondgebied te claimen was bezetting van de grond.
Al waren deze eerste groepjes kolonisten dus heel klein – van vijf tot tien kolonisten in getal – ze waren over heel het uitgestrekte gebied verspreid: een aantal stroomopwaarts aan de Noort Rivier (wat later de Hudson rivier zou worden), een aantal verder zuidwaarts bij dezelfde rivier, een aantal bij de Versche Rivier (later de Connecticut rivier), en nog een aantal bij de toepasselijk genoemde Zuydt Rivier (nu de Delaware).
Ze bouwden zeer primitieve onderkomens door kuilen te graven, deze met hout af te zetten en met boomschors te bedekken.
Vervolgens gingen ze aan de slag met het effenen en bewerken van het land, en met het aangaan van handelsbetrekkingen met de Indianen voor beverbont en ander pelsen.
Het ging allemaal redelijk goed, dat eerste jaar.
Toen kwamen, op een dag in 1626, de Mahikan Indianen langs in Fort Oranje, de Nederlandse nederzetting ver stroomopwaarts aan de Noort Rivier, en deden een voorstel aan de bevelhebber, Daniel van Crieckenbeeck.
De Mahikanen waren verwikkeld in een langdurige, zo nu en dan fel oplaaiende, vete met de Mohawk Indianen. De leider van de Mahikanen stelde aan Van Crieckenbeeck een bondgenootschap tussen de Nederlanders en Mahikanen voor; bij een aanval zouden ze elkaar over en weer helpen.
Aangezien de Nederlanders met de Mahikanen handelden leek het Van Crieckenbeeck een goed idee, en hij stemde toe.
Kort daarna sloten zeven Nederlanders zich aan bij een groep Mahikanen, terwijl ze het bos introkken om de Mohawk op te sporen.
Het kwam tot een gevecht en vier van de Nederlanders, onder wie Van Crieckenbeeck, werden gedood.
Het nieuws over de moorden drong door in de wijdverbreide Nederlandse nederzettingen, en veroorzaakten paniek.
Iets zuidelijker zat een andere groep kolonisten opeengehoopt op een nietig eilandje in de haven, dat de Nederlanders Noteneiland (later Governor’s Island) noemden, en dat uitgekozen was als hoofdstad van de kolonie.
Er was daar enig tumult geweest, omdat de kolonisten ontevreden waren met hun leider.
Ze kozen een nieuwe, ene Peter Minuit, en omstreeks dezelfde tijd bereikte hen het nieuws over de Indiaanse moorden in het noorden.
Minuit kwam vrijwel direct in actie.
Hij besefte dat Noteneiland te klein was om als hoofdkwartier te dienen, en dat het een roekeloos idee was om kleine groepjes kolonisten over vele honderden kilometers terrein te verspreiden.
De aanval van de Indianen spoorde hem tot daden aan.
Hij riep de wijd verspreide kolonisten terug en plaatste hen, samen, op het grotere eiland dat op een steenworp afstand van Noteneiland lag.
Naar zijn oordeel was dat veel beter geschikt als hoofdstad.


De Indianen noemden het in hun taal ‘eiland van heuvels’ of Manahatta. Kort daarop wist Minuit een verdrag met de Indianen te sluiten.
Die overeenkomst is lang geleden verloren gegaan, maar enkele maanden nadat deze historische gebeurtenis plaatsvond, arriveerde in de Republiek een schip uit Nieuw Nederland met dit nieuws.
De Nederlandse regeringsfunctionaris Peter Schaghen documenteerde de lading van het schip en schreef een brief aan zijn meerderen om hen het nieuws mee te delen.
De zogenoemde Schaghen brief werd een van de meer opmerkelijke documenten in de geschiedenis, omdat het tijdsgewricht er zo indringend en prozaïsch in weerklinkt.


Hooghe Moghende Heeren, Hier is ghister t’schip t’wapen van Amsterdam aengekomen ende is den 23en septem: uyt Nieu Nederlant gezeylt uyt de Rivier Mauritius. rapporteren dat ons volck daer kloec is en: vreedigh leven hare vrouwen hebben ooc kinderen aldaer gebaert hebben t’eylant Manhattes van de wilde gekocht, voor de waerde van 60 guld: is groot 11000 morgen. hebbende alle koren half mey gezeyt, ende half augusto gemayd. daer van zeyndende munsterkens van zomerkoren, als taruw, Rogge, garst, haver boucweyt, knarizaet, boontjes en: vlas. Het Cargasoen van tvsz: schip is 7246 bevers vellen 1781/2 otters vellen 675 otters vellen 48 Mincke vellen 36 Catloes-vellen 33 Mincken 34 Ratte vellekens. Veel eycken balcken. En: Noten-hout. Hier mede Hooghe Moghende Heeren. zyt den Almogende en genaden bevolen. In Amsterdam den 5en Novem: Ao 1626 Uwe Hoo: Moo: Dienstwillighe P. Schaghen

Het was geen ‘koop’ in de Europese zin; Minuit wist heel goed dat de Indianen de goederen ter waarde van 60 gulden (wat een historicus in de 19e eeuw omrekende tot het vermaarde bedrag van 24 dollars) die hij hen schonk, niet zagen als een volledige aankoopsom, maar als een bevestiging van hun bondgenootschap.


Naar de opvatting van de Indianen was het een defensief verdrag: de Europeanen mochten het eiland Manhattan gebruiken, en tegelijkertijd zouden beide partijen elkaar bij een aanval te hulp schieten.
Zo begon de kolonie Nieuw Nederland te groeien. Meer kolonisten arriveerden.
De nieuwe nederzetting op het zuidelijke puntje van Manhattan – met de toepasselijke naam Nieuw Amsterdam, naar de moederstad – werd een stadje, al was het nog een ruig en samengeraapt zootje.
Straten werden aangelegd, huizen verrezen (compleet met Nederlandse gevels).
Er was een kerk en een fort – en een opmerkelijk aantal kroegen voor zo’n kleine plaats.
Nieuw Amsterdam kreeg ook al snel een reputatie van wetteloosheid.
Het werd een uitvalbasis voor de oorlogvoering tegen de Spaanse schepen in het Caribisch gebied: de Nederlandse kapiteins, die gemachtigd waren om Spaanse en Portugese buit te confisqueren – gelegaliseerde piraterij, zou je kunnen zeggen – brachten de prijsgemaakte schepen naar Nieuw Amsterdam.
Sommige daarvan bevatten slaven, en zo begon de slavernij op Manhattan.
Ook rasechte piraten maakten deel uit van de gemeenschap.


Prostitutie tierde er welig. Sterker nog, een van de legendarische stelletjes van Nieuw Amsterdam werd gevormd door een Nederlands-Marokkaanse piraat Anthony Van Salee (alias de Turk), en de eerste prostituee van de stad, Griet Reyniers.
Als voorbode van hoe de kolonie zich zou ontwikkelen, promoveerde het stel – na jarenlang morele verontwaardiging te hebben veroorzaakt – uiteindelijk tot de gezeten burgerij.
 Ze trouwden, kregen vier kinderen, werden welgestelde landbezitters in Breuckelen (later Brooklyn), en vele generaties New Yorkers stammen van hen af.
Na de stichting stagneerde Nieuw Amsterdam jarenlang, en bleef praktisch wetteloos, voornamelijk omdat de West India Company een monopolie op de handel handhaafde.
Het was niemand toegestaan zijn brood te verdienen door handel met de Indianen, tenzij ze zaakwaarnemer voor de WIC waren.
Maar de organisatie van de WIC was te star voor het besturen een kolonie.
In dit vacuüm ontstond een levendige smokkelhandel.
Uiteindelijk gaf de WIC in 1640 het monopolie op, en vanaf die dag begon de kolonie te floreren. Handelsondernemingen uit Amsterdam zetten filialen op in Nieuw Amsterdam.
Particulieren trokken naar de inheemse stammen langs de Hudson en Mohawk rivier om zaken te doen.
Steeds meer schepen verschenen in de haven.
Nieuw Amsterdam begon te groeien.
En toen stortte alles ineen. Als reactie op kleine schermutselingen met groepjes Indianen, besloot de gouverneur van de kolonie, Willem Kieft, de oorlog te verklaren aan alle inheemsen.
De kolonisten waren woedend.
Ten eerste omdat ze ver in de minderheid waren.
Bovendien was handeldrijven met de Indianen juist de reden van hun aanwezigheid.
Maar Kieft zette door, en stuurde WIC soldaten op pad voor een aanval waarbij niets en niemand werd ontzien.
De Indianen reageerden door de Europese nederzettingen te bestormen, moord en brand stichtend.
De ‘oorlog van Kieft’ dwong de ontluikende kolonie op de knieën.
En, van belang voor de geschiedenis, het overtuigde de inwoners van Nieuw Amsterdam ervan dat hun belangen bij de WIC niet in goede handen waren.
Ze benoemden een groep van negen mannen als hun vertegenwoordigers.
De WIC zond een nieuwe gouverneur naar de kolonie, een krachtige, gedisciplineerde en plichtsgetrouwe man die Peter Stuyvesant heette.
Onmiddellijk na zijn aankomst in het voorjaar van 1647 legden de negen onofficiële vertegenwoordigers van de stad – aangevoerd door Adriaen van der Donck, een jonge jurist die gestudeerd had aan de Universiteit Leiden, het belangrijkste academische instituut in de Republiek – hem hun zaak voor.
Stuyvesant en Van der Donck raakten in de clinch; Stuyesant volhardde in zijn recht om de kolonie bij volmacht te leiden,
Van der Donck bepleitte de nieuw ontstane rechten van de kolonisten.
Op het hoogtepunt van de confrontatie gaf Stuyvesant bevel Van der Donck onder huisarrest te plaatsen, en dreigde zelfs hem te laten executeren wegens hoogverraad.
Uiteindelijk werd Van der Donck vrijgelaten, en leidde hij een delegatie naar de Republiek, waar hij de zaak van de kolonie voor de regering in Den Haag bepleitte.
Hij deed een beroep op de Staten-Generaal om het bestuur van de kolonie op zich te nemen.
Hij vroeg de bewindsleden de waarde in te zien van dit onroerende goed dat in hun bezit was.
Het eiland lag voor de kust van de enorme Noord-Amerikaanse wildernis die in de komende decennia een bron van onvoorstelbare rijkdom en mogelijkheden zou kunnen zijn.
De Nederlandse bestuurders moesten dit beseffen, en er hun rechten op doen gelden.
Als ze dat niet deden, zo waarschuwde Van der Donck, zouden de Engelsen – die kolonies in het zuiden hadden, in Virginia, en in het noorden, in New England, waarvan de bewoners inmiddels Nieuw Nederland begonnen binnen te dringen – de boel uiteindelijk overnemen.
De bewindsleden namen Van der Donck serieus; ze gaven bevel Stuyvesant terug te roepen, en beraadden zich op manieren om de kolonie te versterken.
Maar bijna onmiddellijk daarna begon de Engelse regering een handelsoorlog tegen de Nederlandse belangen, en de orders werden ingetrokken.
De enige order die van kracht bleef, was dat Nieuw Amsterdam de status van een officiële Nederlandse stad werd toegekend.


En die order zou van blijvende betekenis blijken – de toekenning van stadsrechten aan Nieuw Amsterdam in 1653 zou blijven voortbestaan als de officiële datum van de politieke stichting van New York.


Een van de unieke kenmerken van de Republiek in de 17e eeuw was haar heterogene karakter.
In de voorgaande eeuwen waren de ‘Lage Landen’ de smeltkroes van Europa geworden.
Nederlandse steden hadden een uitzonderlijk hoog gehalte aan minderheden.
In een tijdperk van godsdienststrijd werd vrijwel universeel aangenomen dat een natie moest bestaan uit één volk en één geloof.
 Intolerantie was zodoende het officiële beleid in Engeland, Spanje, Frankrijk… Maar niet in Nederland.
Daar was tolerantie een onderwerp in het politieke en religieuze debat geworden.
Tolerantie werd tot beleid verkozen – niet als verheven ideaal, maar als een manier om met het heterogene karakter van de bevolking om te gaan.
Dit had zijn wortels in de voorgaande eeuw, toen de Nederlandse Provinciën onder het geweld van de Spaanse Inquisitie hadden geleden.
Het resultaat daarvan was de verklaring van godsdienstvrijheid in de Unie van Utrecht van 1579, waarin stond dat ‘een yder particulier in sijn Religie vrij sal moegen blijven, ende dat men nyernant ter cause van de Religie sal moegen achterhaelen ofte ondersoucken.’
Deze bepaling zou in de Nieuwe Wereld grote gevolgen hebben.
Zo garandeerde het dat de kolonie van meet af een gemengde bevolking had, inclusief Duitsers, Zweden, Italianen en anderen.
Toch probeerde Peter Stuyvesant bepaalde groepen het recht te ontzeggen zich in Nieuw Nederland te vestigen, op grond van het feit dat hun religie onrust zou stichten.
In 1654 gingen Joden in het moederland hiertegen in beroep, en wonnen.
Daarna, toen Engelse quakers wilden neerstrijken in het dorpje Vlissingen (door de Engelsen Flushing genoemd) op Long Island, probeerde Stuyvesant ook hen te weren, en de Engelsen gingen eveneens tegen hem in beroep. Tolerantie – ‘die de trots is van het naar buiten gerichte land Holland,’ zoals in het bezwaarschrift staat – betekende dat de Nederlandse kolonie alle religieuze gezindten moest opnemen.
Opnieuw kozen de Nederlandse autoriteiten partij voor de makers van het bezwaarschrift.
Dit document dat betiteld wordt als de Flushing Remonstrance, is de Amerikaanse geschiedenis ingegaan als de bron van godsdienstvrijheid in de Verenigde Staten.


 In 1664 werd Adriaen van der Doncks vrees werkelijkheid. Een vloot van Engelse oorlogsbodems voer de haven binnen en nam het fort op het uiterste puntje van Manhattan onder schot.
Met grote tegenzin gaf Stuyvesant zijn gezag en kolonie op.
Nieuw Amsterdam werd New York city. Beverwijck, de tweede stad, 240 kilometer stroomopwaarts, werd tot Albany omgedoopt.
De Nederlandse heerschappij in Noord-Amerika was ten einde gekomen.
Wat de Amerikaanse en Nederlandse geschiedenis betreft, kwam in 1664 ook een einde aan het Nederlandse erfgoed in Noord-Amerika.
De zich ontwikkelende Amerikaanse koloniën werden als Engels beschouwd, in taal en cultuur.
Toen deze koloniën in 1776 de onafhankelijkheid uitriepen, was dit een louter Engelse kwestie: een Engelse kolonie die zich losmaakte van Engeland.
De Nederlandse aanwezigheid was inmiddels een vage herinnering.
Maar de invloed van die Nederlandse aanwezigheid bleef voortbestaan.
En uit allerlei kleinigheden spreekt die invloed nog steeds.
Amerikanen eten cookies in plaats van bisquits omdat de Nederlanders van Nieuw Amsterdam ‘koekjes’ maakten.
De Amerikaanse Santa Claus had zijn oorsprong in de Nederlandse Sinterklaas.
Het woord boss kwam de Engelse taal via Nieuw Nederland binnen, door het Hollandse ‘baas’.
Belangrijker was de invloed van nieuwe opvattingen waarin de Republiek voorloper was: ideeën over handel en zaken, inclusief het idee om met aandelen risico te spreiden, en ook de gedachte dat tolerantie het sociale cement is om een heterogene samenleving te schragen.
Deze beide kenmerken – vrije handel en een immigrantencultuur – schoten wortel in Nieuw Amsterdam, en vervolgens in New York.
Ze zorgden ervoor dat New York, hoewel het onder Engels bestuur stond, zich toch tot een heel andere stad ontwikkelde dan Boston, Hartford, of elke andere plaats in Brits Noord- Amerika.
Toen in de 19e eeuw hordes Europese immigranten in de Verenigde Staten arriveerden, kwamen ze voornamelijk in New York aan.
Ze zagen de roerige samenleving – de mengelmoes van immigranten en de levendige handel – en beschouwden deze combinatie als typisch Amerikaans.
Verder trekkend naar het westen – naar Ohio, Indiana, Montana, California – droegen ze dat beeld met zich mee.
Op deze wijze hebben het gedachtegoed van Nieuw Nederland, de koppigheid van Henry Hudson, de daden van Stuyvesant en Van der Donck – en niet te vergeten Anthony Van Salee en Griet Reyniers – zich ontwikkeld en verspreid, van kust tot kust.
En waar staan we nu?
Is het mogelijk een lijn te trekken van dat verleden naar ons heden, die Henry Hudson verbindt met de 21e eeuw?
 De stad Amsterdam liet dankzij Hudson een erfenis aan New York na waarin het begrip tolerantie centraal stond, en die daarmee een nieuw soort samenleving voortbracht.
 Is deze nalatenschap nog steeds zichtbaar in de twee steden?
Er is reden voor scepsis.
Met de terroristische aanvallen van 11 september 2001 (en het verdient vermelding dat de wolkenkrabbers van het World Trade Center op de grens van het voormalige Nieuw Amsterdam stonden) is New York veranderd, net als bijna de hele wereld.
De Amerikaanse samenleving groef zich in, net als de Nederlandse.
Zelfs Amsterdam, lang Europa’s meest tolerante stad, richtte een tijdlang de blik naar binnen en kende een abrupte toename van vreemdelingenhaat.
Maar is er op grotere schaal werkelijk zoveel veranderd?
Als je de gebeurtenissen in de 17e eeuw goed bekijkt, zie je dat de Nederlandse uitvinding van tolerantie te midden van omwentelingen en tumult tot stand kwam.
Het was een eeuw van geloofsstrijd, onderbroken door tijden van vrede en welvaart.
Het was tijdens die vreedzame periodes – waarin Nederland zich veilig en zeker voelde – dat het idee van tolerantie jegens anderen ontstond en aansloeg.
Bij de dreiging van oorlog sloot de samenleving zich vervolgens weer af, werd conservatiever, en bevreesd en beperkend.
Diezelfde cyclus herhaalt zich in onze tijd. We leven in een overgangsperiode waarin oude waarheden wankelen, en optimisme wordt vermengd met bezorgdheid.
Ondanks alle bezorgdheid zijn de vruchten van het 17e eeuwse Amsterdam en New York duidelijk aanwezig in de 21e eeuw.
Hoofddoeken en keppeltjes, minaretten en pagodes, curry en kruidnagel; het stadspanorama is een palet van tolerantie.
Maar is dit niet het palet van elke moderne stad?
Inderdaad, en hier ligt het belangrijkste punt: deze karakteristieken waarmee Amsterdam in de 17e eeuw voorloper was, en overbracht naar Nieuw Amsterdam – en New York – vormden de grondslag voor de eerste multiculturele stad in de nieuwe wereld.
Die grondslag is nu universeel, deel van elke moderne stad, onderdeel van de definitie van een moderne samenleving.
Misschien is dat wat in 1609 aanving, met de onwaarschijnlijke, somberende, in een sluier van mist gehulde figuur van Henry Hudson, kort nadat hij van het toneel verdween; de ontwikkeling van een voortvarende multiculturele vrijhandelsstad op een ongerept stuk eiland. ‘How beauteous mankind is! O brave new world, that has such people in it!’
Zo stak Hudsons tijdgenoot William Shakespeare de loftrompet in The Tempest* geschreven rond de tijd dat Hudson in Canada doodvroor.
De term ‘nieuwe wereld’ raakte in zwang, en werd op Amerika toegepast.
Vandaag de dag leven we allemaal in die nieuwe wereld, om het even op welk continent.
Hoe bravely, ofwel moedig, we dat doen, is aan ons. *‘
*‘Wat is het mensdom prachtig!
O grandioze nieuwe wereld, dat zulke wezens kent!’
De Storm, van William Shakespeare

 

 

 

 

Previous • Amsterdam • New York